Dossier minibasket



Dovnload 87.46 Kb.
Datum16.08.2016
Grootte87.46 Kb.
DOSSIER MINIBASKET
Alvorens het dossier aan te vatten werd een duidelijk standpunt ingenomen betreffende de SPORTSTRUCTUUR van de VLAAMSE BASKETBAL LIGA. Deze structuur is opgenomen in ons “Beleidsplan” en moet dus gerespecteerd worden.

Willen we de basketbalontwikkeling toetsen aan de ontwikkelingsfasen, dan zien we 3 ontwikkelingsfasen, voorafgegaan door een voorbereidende fase en eindigend met een professionele fase:




  1. De pré-basketbalfase: de niet- sportspecifiek fase waar de psychomotorische ontwikkeling de belangrijkste doelstelling is: 6-9 jaar - Minibasket (Pré-microben + Microben)

  2. De basistraining of de sportspecifieke fase van 10-12 jaar: Benjamins en Pupillen. Dit is de gouden leeftijd waarin alle technieken moeten aangeleerd worden

  3. De opbouwtraining: van 13-17 jaar : Miniemen en Cadetten. De fundamentals en pré-tactische bewegingen worden nu gevormd.

  4. De transitfase van 18-22 jaar moet de jongere laten beslissen waar zijn toekomst ligt: topsport of niet! Na de humaniora kiest de jongere voor basketbal al dan niet gecombineerd met studies of werk: Beloften ( 2° ploeg) en Seniors.

  5. De topsporttraining: vanaf 23 jaar voor de “happy few”

Begeleiding en omkadering verlopen per fase (2-5) en omvatten volgende items:


  • FYSIEKE PRESTATIEVERMOGEN

    Hier besteden we aandacht aan de conditie, de snelheid, de kracht, het evenwicht en de coördinatie.





  • FYSIEKE BELASTBAARHEID

    Bevat de morfologie en het cardiovasculair vermogen.





  • MENTALE DRAAGKRACHT

    Waar de ontwikkeling van de persoonlijkheid en de motivatie aan bod komen.


In opdracht van de A.V. van 19 maart 2005 werd een expertengroep opgericht om de problematiek van de pré-microben en microben reglementering te onderzoeken en hiervoor een oplossing te zoeken.


Ter gelegenheid van de 1° vergadering tijdens de IPC (23 april) te Oudenaarde werden de voornaamste pijnpunten in kaart gebracht en werden oplossingen voorgesteld:

  • ingewikkelde administratie > aanpassen en vereenvoudigen van het wedstrijdblad

  • tijdverlies bij de vervangingen > het principe van de “slang” invoeren.

  • Weinig ondersteuning voor de clubscheidsrechters > begeleiders aanbieden

  • Competitiedrang en het publiceren van rangschikkingen > introductie van een aangepaste spelvorm “peanuts” en anders sancties voorstellen.



Na een bezinningsfase werden de voorstellen geordend tijdens de vergadering van 11 mei op de federatie. De bereikte consensus werd uitgeschreven en ter verbetering aan de leden gestuurd.

Bijgevoegd kunnen we jullie de eindtekst aanbieden,die door onze werkgroep werd uitgewerkt!





Werkgroep

NAAM

ADRES

TELEFOON

E-MAIL

Raad van Bestuur

Francis Goemaere

VBL

056/259911

francis.goemaere@skynet.be

STC

Tony Souveryns

VBL

0475/486399

tony.souveryns@vblmail.be

Secretaris

Veerle Vonderlynck

VBL

0476/351.251

veerle.vonderlynck@vblmail.be

Antwerpen

Somers Frans

VBL

03/480.26.67

Somers.francois@skynet.be

Limburg

Bormans Guy

VBL

0475/472.305

Guy.bormans@pandora.be

Oost-Vlaanderen

Van Hoecke Peter




09/349.26.65

bn484180@belgacom.net

Vlaams Brabant

Kovaleni Serge

VBL

0473/380.453

Serge.kovaleni@belgium.acnielsen.com

West-Vlaanderen

Vindevogel

Luc


VBL

0476/876.526

lucvindevogel@yahoo.com


Reglementering Basketbal : Pré-Microben en Microben

seizoen 2005-2006



  1. Terrein

De wedstrijden worden gespeeld op een een gehomologeerd terrein (max. 28 x 15; min. 26 x 14)




  1. Hoogte basketbalring

De hoogte van de basketbalring bedraagt 2.60 meter




  1. Bal

De prémicroben spelen met bal nr.4.

De microben met bal nr. 5


  1. Duur, rust en time-outs

De prémicroben en microben spelen 8 periodes van 4’ met chronostop.

Er is een rust voorzien van 1’ tussen de periodes van 4’.

Tussen de vierde en vijfde periode is er 10’ rust. Op dit moment wordt er eveneens van speelhelft gewisseld.

Er worden geen verlengingen gespeeld.

Elke ploeg heeft recht op 1 time-out per speelhelft (1 time-out per 4 periodes van 4’)




  1. Vrije worplijn

Vrije worpen dienen van achter de stippelijn genomen te worden of verder achteruit (ongeacht er gespeeld wordt op vaste, in de hoogte verstelbare doelen of er gespeeld wordt op voorhangborden)

De speler wordt aangemoedigd om verder te gaan staan, in functie van zijn individuele mogelijkheden.


  1. Score

Elke score, met uitzondering van een vrije worp, telt voor 2 punten, zelfs indien er gescoord wordt van achter de 3-punterlijn.

Bij een vrije worp wordt 1 punt gescoord.
Na elke quarter (d.i. 2 speelperiodes van 4’) wordt de score terug op nul gezet.

Een ploeg die een quarter wint, krijgt 3 punten toegewezen.

Een ploeg die een quarter verliest, krijgt 1 punt toegewezen.

Als de score gelijk is, krijgen beide ploegen 2 punten.


De score wordt op een specifiek scoreformulier voor de pré-microben en microben, bijgehouden (Bijlage 1 geeft een blanco formulier + een ingevuld voorbeeld). Zo is er slechts één formulier nodig per wedstrijd.
De ploeg die het meeste aantal punten totaliseert op het einde van de 4 quarters (d.i. het totaal van de punten die per quarter worden toegewezen; maximum score is dus 12 punten), wint de wedstrijd.

De verliezende ploeg behaalt dus minstens 4 punten.

Deze eindscore wordt vermeld bij de Final Score (bijvoorbeeld 12-4).
Indien de twee ploegen evenveel punten behalen, wordt er geen verlenging gespeeld.
Voor de prémicroben en microben worden er geen klassementen opgemaakt. De wedstrijdbladen moeten wel worden opgestuurd naar het PC en de uitslagen doorgebeld.
7. 24” en 8” regel
De 24” en 8” regel zijn niet van toepassing!
8. Zoneregel en 3” regel
De zoneregel en 3” regel zijn van toepassing voor de wedstrijden van prémicroben en microben.

De 3” regel wordt echter ruim toegepast.


9. Verdediging
Elke ploeg is VERPLICHT te verdedigen in een Man to Man defense.
Een zone verdediging is NIET toegestaan.


10. Fouten
De huidige reglementering betreffende fouten blijft behouden:


  • persoonlijke fout: 5 per wedstrijd

  • ploegfouten: 4 per quarter (2 periodes van 4’)


11. Deelname, aantal spelers en vervangingen
Een ploeg mag maximum 12 spelers op het wedstrijdblad inschrijven.

Een ploeg moet minimum 7 spelers op het wedstrijdblad inschrijven.


Indien een ploeg minder dan 7 spelers op het wedstrijdblad kan inschrijven, mag de wedstrijd gespeeld worden maar verliest deze ploeg de wedstrijd met een administratief forfait.

De club van deze ploeg krijgt bij de eerste overtreding een berisping en zal bij de volgende overtreding beboet worden.(te bespreken in de WetCom).
Vervangingen: principe van “de slang”!
Spelers komen op het terrein volgens de aangenomen volgorde op het wedstrijdblad.

Men mag starten vanaf eender welk nummer op het wedstrijdblad , maar na de eerste 4 minuten speeltijd komen de volgende vijf spelers (volgens de volgorde van het wedstrijdblad) op het terrein. Deze regel geldt voor de ganse wedstrijd.

Bij eliminatie van een speler (door kwetsuur of foutenlast) schuift de volgorde van opstelling automatisch één speler op.
UITZONDERING:

Alleen indien 10 spelers op het wedstrijdblad genoteerd staan (en ook aanwezig zijn bij het begin van de wedstrijd) mag men tijdens de rust de startplaats van de “slang” wijzigen, om te voorkomen dat steeds dezelfde ploeg samen speelt! Zodra men niet meer over 10 spelers beschikt vervalt deze uitzonderingsmaatregel.

12. Sprongbal
De regel van het wisselend balbezit is een methode om de bal in het spel te brengen door een inworp in plaats van door een sprongbal.

In alle sprongbalsituaties die niet het begin van de wedstrijd uitmaken, moeten de ploegen om beurt de bal toegewezen krijgen voor een inworp, op die plaats die het dichtst is bij de plaats waar voor sprongbal gefloten werd.

De ploeg, die bij de opworp in het begin van de wedstrijd niet als eerste balbezit verwerft, zal het wisselend proces beginnen door het verkrijgen van de bal voor een inworp dichtst bij de plaats waar de eerstvolgende sprongbal gefloten werd.

De pijl voor het wisselend balbezit zal de aanvallende basket van de ploeg aanduiden, die bij de volgende sprongbalsituatie de bal moet toegewezen krijgen. De richting van de pijl moet onmiddellijk gewisseld worden na het einde van een inworp voor die gelegenheid.


13. Bekercompetities en eindronden zijn in tegenspraak met de doelstellingen van het pré-basketbal (leeftijd pré-microben en microben) en worden daarom niet ingericht! Een alternatieve oplossing bieden we aan via ons “Peanuts” concept.


14. Wedstrijdleiding
De wedstrijden worden geleid door de clubscheidsrechters, die voor de start van de competitie een bijscholing volgen (georganiseerd per provincie).

Elke provincie duidt liefst begeleiders (oudere refs/coaches) aan om deze clubscheidsrechters te ondersteunen en feedback te geven. Dit mag echter geen meerkost voor de clubs inhouden!


Deze begeleiders rapporteren onregelmatigheden aan de minibasket expert van de provincie (zie bijgevoegde lijst).
Een begeleider” is een scheidsrechter of coach, die zich bereid verklaart om jonge scheidsrechters en clubscheidsrechters in de reeksen van pré-microben en microben te begeleiden. Indien ze aanwezig zijn wordt hun naam op het wedstrijdblad vermeld en worden ze geacht de scheidsrechters bij te staan met raad en daad. Vooral na de wedstrijd kunnen ze feedback aanbieden.
15. Sancties
De technische directie van de VBL in samenspraak met zijn minibasket experts, wordt geïnformeerd over eventuele onregelmatigheden. De coaches zijn verantwoordelijk voor de toepassing van de spelregels en zullen ter verantwoording geroepen worden bij het niet naleven van de spelregels.

De sancties kunnen gaan van berisping over schorsing tot het inhouden van de technische vergunning.



16. Pilootproject 3 on 3.
Daar voor de jongsten een tornooivorm interessanter is dan een lopende competitie, introduceert de VBL via een pilootproject de 3 on 3. Provincies en clubs die hier willen op inspelen, zijn welkom! Dit pilootproject is tevens een positief alternatief voor eindronden die in sommige provincies voor deze leeftijden worden ingericht.
De info over de organisatie van de 3 on 3 vindt men in ”Peanuts”
Voorstel 3 tegen 3 voor pré – microben: PEANUTS MEI 05


  1. Inleiding

De bedoeling van de federatie is om een kindvriendelijke competitie te organiseren. Hiervoor dienen de spelvormen afgestemd te worden op de mogelijkheden van het kind m.a.w. aan het ontwikkelingsniveau.


De microben en benjamincompetitie werd door de VBL, de voorbije jaren, wat betreft de spelregels, al ingrijpend aangepast aan de verschillende noden van het jonge kind. Zowel de spelgelegenheid als de vervangingen zijn nu bepaald en spelen in op de fysieke geaardheid van deze leeftijdgroep. Ook het materieel, zoals ballen en ringen, zijn aangepast aan het jonge kind: bal 5 en ring op 2 m 60.
Om pré – microben binnen het huidige reglement een maximale kans op ontwikkeling te geven is het noodzakelijk om voor deze leeftijdsgroep niet alleen de bal en de hoogte van de doelen aan te passen, maar ook in te grijpen wat betreft de grootte van het terrein en het aantal spelers.


  1. Alternatieve pré – microben competitievorm? “Peanuts”

De opleiding van kinderen tussen 6 en 9 jaar in de clubs kampt met een dualiteit. Vele clubs starten terecht met balscholen waarin ze doelbewust het accent leggen op het aanleren van algemene basisvaardigheden gebruikmakend van éénvoudige en gevarieerde spelvormen. Veel aandacht wordt besteed aan balmanipulatie.

Anderzijds worden clubs, bij gebrek aan alternatieven, vaak verplicht pré - microben in te schrijven in de microbencompetitie. De eerder geformuleerde doelstellingen worden dan opzij geschoven omdat, het resultaatgerichte 5 tegen 5 leren spelen, de bovenhand krijgt.

De federatie wil deze discrepantie oplossen door een alternatieve competitievorm aan te bieden die tevens beantwoord aan wat in de sportieve leerlijn van de federatie vooropgesteld wordt.


Accenten in de sportieve leerlijn voor jongeren tussen 6 en 9 jaar zijn:


    • Aanleren van algemene vaardigheden

      • Spel staat centraal/ spelbeleving primeert

      • Grote bewegingsdrang

    • Link met basketbal is aanwezig (sportspecifieke)

      • basis – spelvorm: 3 tegen 3

      • selectievaardigheid: leren nemen van correcte beslissingen in eenvoudige spelsituaties (wanneer? en waar?)

      • uitvoeringsvaardigheid: inoefenen van “grove vorm” van enkelvoudige basketbalvaardigheden (hoe?)

    • Begeleiding aangepast aan de ontwikkelingsfase:

      • Sterk individueel gericht

      • Veel variatie

      • Aanspreken van creativiteit - fantasie

      • Veel afwisseling: rust – inspanning

De competitievorm die het best beantwoordt aan het ontwikkelingsniveau van kinderen tussen 6 en 9 jaar is de 3 tegen 3 op een half terrein naar twee doelen = “peanuts”





  1. Vergelijking van de 3 tegen 3 op een half terrein naar twee doelen tegenover de 5 tegen 5 op een volledig terrein naar twee doelen




  • De 3 tegen 3 op een half terrein naar twee doelen is aangepast aan DE ONTWIKKELING van het kind van 6 – 9 jaar voor wat betreft de:




    • Fysieke mogelijkheden

          • De competitievorm 3 tegen 3 op een half terrein houdt rekening met de fysieke mogelijkheden van kinderen tussen 6 en 9 jaar:

            • Intensiever dan in de 5 tegen 5




    • Motorische mogelijkheden

          • De competitievorm 3 tegen 3 op een half terrein laat 6 tot 9 jarigen toe, een betere controle te krijgen over het spel omdat het overzichtelijker is:

            • Meer ruimte dan in de 5 tegen 5




    • Relationele mogelijkheden

          • De competitievorm 3 tegen 3 op een half terrein beperkt het aantal relationele componenten wat voor kinderen tussen 6 en 9 jaar eenvoudiger is om te spelen:

            • Minder interacties dan in de 5 tegen 5




  • De 3 tegen 3 op een half terrein naar twee doelen laat echter wel toe om de belangrijkste PRINCIPES aan te leren, typerend voor het basketbal.

Namelijk:




    • Bekwaam zijn om in een team te spelen

          • Hiervoor moeten spelers in staat zijn te anticiperen en te reageren op een actie van een ploegmaat. In de competitievorm 3 tegen 3 op een half terrein is dit voor spelers tussen 6 en 9 jaar haalbaar.

            • De 5 tegen 5 is daarvoor te complex.




    • Bekwaam zijn om tegen een tegenstander te spelen

          • Hiervoor moeten spelers in staat zijn de actie van een tegenstander te lezen en erop te reageren. In de competitievorm 3 tegen 3 op een half terrein is dit voor spelers tussen 6 en 9 jaar haalbaar.

            • De 5 tegen 5 is daarvoor te complex.




  • De 3 tegen 3 op een half terrein geeft kansen aan ELK KIND om:




    • Plezier te beleven aan competitiewedstrijden

          • Spelvormen die aangepast zijn aan de ontwikkeling bevorderen de succesbeleving van alle spelers. Spelers in de 3 tegen 3 op een half terrein worden geconfronteerd met een beter evenwicht tussen hun individuele mogelijkheden en de omgeving (grote speelveld).

            • De reductie van de grote van het speelveld biedt ELKE SPELER meer spelplezier.




    • Te leren” spelen tijdens competitiewedstrijden

          • Spelvormen die aangepast zijn aan de ontwikkeling bevorderen de leerkansen van alle spelers die deelnemen aan het spel. Omdat spelers in de 3 tegen 3 meer betrokken zijn bij het spel hebben ze meer kans om te leren door ervaring.

            • De reductie in het aantal spelers biedt ELKE SPELER meer kansen om te leren.




  • De 3 tegen 3 op een half terrein naar twee doelen laat beginners toe om te LEREN SPELEN. We zien de competitievorm tussen 6 en 9 jaar niet als een resultaatgerichte activiteit maar wel als een procesgerichte activiteit. Dit kunnen we bekomen door het aanpassen van de context (aantal spelers en grote van het terrein).




      • Doelstellingen hierbij zijn dat spelers:




    • De meest geschikte oplossing leren kiezen voor spelproblemen




          • Spelvormen die aangepast zijn aan de ontwikkeling maken het eenvoudiger om de geschiktste oplossing te kiezen. Beginners ervaren het spel 5 tegen 5 als moeilijk en complex. Voor spelers in de 3 tegen 3 op een half terrein is het eenvoudiger om:

            • beter gebruik te maken van de beschikbare ruimte

            • het object (de bal) te controleren

            • het in beweging zijnde lichaam te controleren (lichaamsbeheersing)

              • Dit leidt naar meer spelcontrole en naar het gemakkelijker kiezen van de geschiktste speloplossing. Dezelfde oplossingen die ook in de 5 tegen 5 zullen moeten gevonden worden.




    • De oplossing efficiënt en effectief leren uit te voeren




          • Spelvormen die aangepast zijn aan de ontwikkeling van het kind maken de uitvoering van een beweging makkelijker. Dit betekent dat de spelers meer kans hebben om de uitvoering:

            • Efficiënt te laten verlopen: de uitvoering is van goede kwaliteit

            • Effectief te laten verlopen: het resultaat van de uitvoering is positief

4. Empirisch onderzoek


Uit een thesis, afgelegd aan de UGent (Dieleman P: Naar ontwikkelingsgerichte spelsituaties basketbal voor 7 en 8 jarigen, 1995) blijkt na een vergelijkende spelanalyse tussen de 5 tegen 5 en de 3 tegen 3 met spelers uit 4 basketbalclubs dat:
Er in de 3 tegen 3 spelsituatie naar twee doelen:


  • meer gescoord wordt dichter bij doel zowel met een setshot als met een lay up.

  • meer gestructureerde aanvallen gespeeld worden. Dit betekent, in dit onderzoek, dat spelers een beter ruimtegebruik vertonen tijdens de 3 tegen 3.

  • minder balverlies is. Dit resulteert in meer aanvallen die leiden tot een doelpoging en tot een score. De succesbeleving ligt duidelijk hoger.

  • meer passen gegeven worden in één aanval. Dit betekent dat elke speler meer en beter betrokken is bij het spel.

In het onderzoek werd een onderscheid gemaakt tussen “beter” en “minder” vaardige ploegen. De onderzoeksresultaten bij de minst vaardige (= met de minste basketbalervaring) zijn nog meer uitgesproken in het voordeel van de 3 tegen 3

5. Vergelijk met andere basketbalfederaties en federaties met andere doelspelen



Federatie

Welke vorm

Commentaar

AWBB

3 tegen 3 voor pré microben

- Uitgetest in 1 provincie seizoen 04 – 05

- Volledig toepassen seizoen 05 - 06



FFBB

Mini –basket onder 12 jaar

- Laten de keuze van de wedstrijdvormen aan de departementen : van 1 tegen 1 tot 4 tegen 4

Vlaamse Handbal Federatie

Mini handbal




Koninklijke Belgische Voetbal Bond

Duivels: 5 tegen 5

Pré – miniemen: 8 tegen 8

Miniemen: volledig spel


- Wetenschappelijk ondersteund (Marique (UCL) en W. Helsen (KUL)

Vlaamse Volleybal Federatie

Pre – miniemen: 3 tegen 3 op terrein van 6m/6m. Kleine bal en lager net

Miniemen: 4 tegen 4 op terrein van 7 m/7m. Gewone bal en lager net

Cadetten: volledig spel





ere doelspeelspelenasketbalfederaties (groote)

doelen an de context (aantal spelers en grote van het terrein)6. Pilootproject: 05 - 06
Pilootproject
Voor het seizoen 05 – 06 kan elke provincie zelf beslissen of ze voor de pre – microben een volledige competitie inricht of dat ze kiest voor peanutswedstrijden in tornooivorm of voor een combinatie van beide.

Na dit seizoen zal het project geëvalueerd worden en eventueel uitgebreid worden naar microben of verfijnd worden. (niveaugroepen)



Planning
Eén peanutstornooi bestaat uit zes speeldagen (tussen november – april) en een apotheose (mei)

Elke provincie bepaalt zelf op welke data de zes speeldagen gepland worden.

Bij grote interesse kan er per provincie overgegaan worden naar meerdere locaties. (zuid –noord)
Een peanutsploeg is verplicht om voor de zes (halve) speeldagen in te schrijven.
Het tornooi wordt opengesteld voor spelers en speelsters geboren in 1998 of later. Ze moeten aangesloten zijn bij de VBL.
Organiserende clubs
Clubs kunnen zich opgeven als organisator bij de provinciaal verantwoordelijke (PC). Het is het PC dat gaat bepalen op welke locaties de tornooien zullen doorgaan. (toewijzing)
Voorwaarde:

Een volledige dag (9 u 00 – 16 u 00) beschikken over 2 peanutsterreinen.






Zorgen voor mini ballen (bal n° 4)



Inschrijven
Inschrijvingen van peanutsploegen via de provinciaal verantwoordelijke (PC). (midden oktober) bvb club “X” schrijft in met 2 peanutsploegen.

Per peanutsploeg kunnen maximaal 4 spelers deelnemen. Het hoeven niet steeds dezelfde spelers zijn die per speeldag deelnemen. Voor elke speeldag wordt de spelerslijst per peanutsploeg naar de provinciaal verantwoordelijke doorgemaild.

De PC’s beslissen zelf of ze deelnamegeld vragen aan de clubs.

Verzekering VBL
Spelers die deelnemen, zijn aangesloten bij de VBL.
Organisatie speeldag
Per peanutsspeeldag worden 3 uur (halve dag - 9 u 30 – 12 u 30 of 13 u 00 – 16 u 00) peanutswedstrijden georganiseerd die 8 minuten duren en waarna er 4 minuten gerekend wordt om de ploegen te wisselen.

Ideaal speeldagschema:

12 minuten per peanutswedstrijd = 5 peanutswedstrijden per uur.

Gedurende 3 uren = 15 peanutswedstrijden op 1 terrein

Elke peanutsploeg speelt 5 peanutswedstrijden (minimum)

Het maximaal aantal ploegen bedraagt 6, per halve dag, per terrein.

Het is de provinciaal verantwoordelijke die het uiteindelijke speelschema aan de organiserende club zal bezorgen.
Reglementen
Scheidsrechters
Iedere deelnemende club zorgt voor een scheidsrechter die samen met de scheidsrechter van de tegenpartij de wedstrijden leidt. Dit kan gerust de trainer zijn.
Teams
1 team bestaat uit minimaal 3 spelers en maximaal 4.
Spelregels
Introductie van “beschermd balbezit”.

Reden: bij beginners hebben verdedigers het veel makkelijker dan aanvallers. We moeten beperkingen opleggen aan de verdedigers om de aanvallers méér kansen te geven.

We spelen met beschermd balbezit = bal mag niet uit de handen getrokken worden
Geen wedstrijdblad

Geen klassement

Score kan bijgehouden worden met scorebord. Geen noodzaak. Spelplezier primeert.

Vervangingen gebeuren spontaan bij bal stil.


Duur
Centrale klok bepaalt de spelduur

Elke peanutswedstrijd duurt 8 minuten



Tussen elke wedstrijd is er 4 minuten voorzien om de ploegen te wisselen.


Minibasket dossier VBL 2005.




De database wordt beschermd door het auteursrecht ©opleid.info 2017
stuur bericht

    Hoofdpagina