Drie eeuwen straatverlichting in Monnickendam



Dovnload 0.49 Mb.
Pagina1/11
Datum25.07.2016
Grootte0.49 Mb.
  1   2   3   4   5   6   7   8   9   10   11
Drie eeuwen straatverlichting in Monnickendam

Kaarsen, olie-, gaslantaarns en gloeilampen in historisch perspectief(1)


Ds. C.A.E. Groot
‘Dat historisch besef van groot belang is, valt moeilijk te bewijzen, maar het kan wel plezierig zijn om je te verdiepen in het verleden’ (2).
Licht en donker 0001

Als het donker wordt, flitst in onze steden en dorpen en langs de buiten­wegen de openbare verlichting aan. Komen we thuis, dan is het omzetten van een schakelaar vol­doende om één of meerdere kamers van licht te voorzien. Kortom, kunstlicht hoort bij ons dage­lijkse leven.

Hoe anders was dat enkele eeuwen geleden, toen Europa in duis­ternis was gehuld en de steden van ons continent nauwelijks lichtpuntjes kenden. De nacht was daardoor niet alleen donker maar ook bedrei­gend, onheil­spellend en beangstigend (3).
Straatverlichting; flitsen uit de geschiedenis

De vraag hoe oud straatverlichting is, valt niet te beantwoorden. Daarvoor weten we onvoldoende van de geschiedenis in andere werelddelen. Als we het echter over ons eigen continent hebben, dan blijkt dat in een stad als Pompeï, verwoest door een uitbarsting van de Vesuvius in 79 na Chr., straatverlichting niet onbekend was. Bij opgravingen zijn veel lampjes en bronzen kandelabers (4) tevoorschijn gekomen, hetgeen betekent dat, tegen of voor de huizen, in het centrum van dit Italiaanse provinciestadje, honderden, op olijfolie brandende, lampen moeten hebben gestaan.

Rome, de hoofdstad van het Romeinse Imperium, deed daar niet voor onder. Bij een tempel voor Apollo bijvoorbeeld, stond zeer waarschijnlijk een kandelaber in de vorm van een boom, behangen met lichtende appels.
Ook Antiochië in het huidige Syrië, uitvalsbasis van de apostel Paulus voor zijn zendingsreizen, kende een schitterende straatverlichting. De in deze stad geboren geschiedschrijver Marcellinus (ca. 330-392 na Chr.), noemt het in zijn Historiën ‘de stad waar de glinstering van nachtelijke lampen de zon des daags evenaart’.
Middeleeuwen

Als in 476 na Chr. de laatste keizer van het West-Romeinse Rijk, Romulus Augustulus, wordt afgezet, breekt het tijdperk aan dat de donkere (Middel)eeuwen wordt genoemd. Donker zeker ook in de letterlijke betekenis van het woord. Over die periode, ruwweg 500 – 1500 na Chr. is, als het om verlichting gaat, weinig bekend. In kloosters, kapellen en kerken van het ‘Avondland’ (5) brandden weliswaar kleine olie- of vetlampjes, maar door de smalle vensters van deze godshuizen werd de omgeving niet verlicht.

Binnen de muren van kastelen en burchten werden feesten gehouden waarbij fakkels en toortsen voor de verlichting zorgde, maar dat licht was afgeschermd voor de buitenwereld.
Steden en stadsleven

In de zomer van 2006 is op grootse wijze gevierd, dat Monnicken­dam in 1356 het stadsrecht heeft verkregen. Hoe oud de stad werkelijk is, blijft echter in de nevelen van de geschiedenis verbor­gen (6). Wat we wel weten is dat 'Monckedamme' in 1297 al wordt ge­noemd en volgens het handvest van Monnickendam zelfs al in 1273 (7). 0002


Het ontstaan van steden in Europa kwam vooral in de late Middel­eeu­wen (1000-1500 na Chr.) goed op gang. Steeds meer mensen gingen in ommuurde plaatsen wonen om be­schermd te zijn tegen vijan­delijke legers of andere gevaren. Veel steden ontstonden ­langs belang­rij­ke handelsrou­tes, bij een door­waad­ba­re plaats in een rivier, bij een kruis­punt van wegen of aan een rivier­mon­ding of zee. Meer in het binnen­land gelegen steden ontstonden in de omge­ving van een kasteel, kerk, kapel of kloos­ter.
Steden vervul­den een centrale rol in de directe of wijdere omgeving. Naast bestuurlij­ke bezigheden werden er ook economi­sche (jaar­markt), juridische (rechtspraak) en religieuze (kerkbe­zoek) activiteiten binnen de stads­muren ontwik­keld, later gevolgd door onderwijs (scholing) en vermaak (kermis).
Steden in het donker

's Avonds en ’s nachts waren de steden in een diepe duister­nis gehuld, zeker als de maan door een dik wolken­dek werd afge­schermd en in de herfst en winter de steden, vooral bij waterrijk gebied, omgeven waren door een dikke mist. Rook, als gevolg van de vele turfvu­ren, maakte elk straaltje licht vrijwel on­doordring­baar.

Evenals de andere steden van Holland (8), was ook Monnickendam eeuwen­lang 's avonds en 's nachts in diepe duisternis gehuld. Soms probeerde het stadsbe­stuur daar wat aan te doen. Op 10 augus­tus 1572 werd door de magi­straat bepaald, dat er na het slaan van de klok 'oock geen wijfven ende kinderen haer op straete en sullen laeten vinden naer clockge­slach, maer dat sij eenen lanteerne met (kaars)licht sullen uijt han­gen'. 0003
Gevaren

Een stad bood lang niet altijd de gewenste veiligheid. Veel steden bestonden uit een kronkelige wirwar van nauwe, donkere straatjes en steegjes. Er was geen straatverlichting, waardoor het 's avonds en 's nachts even donker was als in de natuur buiten de stad. Wie in het donker te dicht langs de huizen wandelde, liep de kans om in een keldergat te vallen, terwijl men zich gemakkelijk aan laag­han­gende uithangborden kon stoten. Ook kon er zo maar een po boven je hoofd geleegd worden!


Gevaren binnenshuis

De 'gewone man' had 's avonds of 's nachts weinig of geen behoef­te aan verlich­ting. Hij ging met zonson­der­gang naar bed en stond bij zonsopgang weer op. Het enige 'licht' waarover hij beschik­te was afkomstig van het (smeulend) haardvuur, waarbo­ven zijn dage­lijkse maal werd bereid of een klein olielampje. 0004

Wie midden in de nacht naar het 'toilet' (buiten!) moest, deed dat, vaak slaap­dron­ken, op de tast. Lang niet iedereen had een kaars op het nacht­kastje staan. Daarom liep hij/zij grote kans om door een luik van de trap of in de haard te vallen, vooral als er flink gedronken was. Alcohol, het smeer­middel van het vroegmoder­ne leven, was een niet onbelangrijke factor in deze huiselijke onveilig­heid. Immers op alle uren van de dag werd er bier geschon­ken, zowel in drank­lo­ka­litei­ten als in privé-huizen.
Gevaren buitenshuis

Er is veel criminaliteit, maar in het pre-industriële Europa was sprake van vijf tot tien keer zoveel geweldsmisdrijven, moorden, inbraken, diefstallen en zakkenrollerij dan vandaag. Vooral arme sloebers namen, om te kunnen overleven, hun toevlucht tot zulke praktijken. Dieven stalen vruchten uit boomgaarden, jatten lood van de daken, pikten wijnvaten van erven, kleding van bleekveldjes en vee uit de weilanden. Er waren struikrovers die met de legendarische woorden ‘je geld of je leven’ nietsvermoedende burgers overvielen.

Moest iemand 's nachts toch over straat, bv. een vroedvrouw, dan droeg zij een lantaarn met daarin een kaars. En als ze buiten de stad moest zijn, deed ze er goed aan om vooral niet alleen op pad te gaan.

Er was alle reden om deuren en ramen te vergrendelen en af te sluiten. ‘De nacht is niemands vriend’, was dan ook een bekend gezeg­de. 0005


I. KAARSEN
Lichtbronnen 0006

Voordat het gebruik van kaarsen in zwang kwam, waren er andere lichtbronnen zoals fakkels, toortsen en vooral olielampjes. Daarvan zijn er bij opgravingen heel wat tevoorschijn gekomen, gemaakt van keramiek, aardewerk, messing of brons. Zo’n olielampje was een soort kruikje met daarin vloeibare brandstof en een pit voor verlichting. Er bestonden hang- en tafelmodellen in allerlei soorten en maten, maar velen waren peervormig. In Griekenland en Rome gebruikte men olijfolie (9) als brandstof, terwijl in het oude Perzië petroleum werd gebruikt, dat daar als vanzelf uit de bodem omhoog kwam.

Een andere belangrijke lichtbron in huizen en gebouwen was eeuwenlang de kaars. De Etruriërs, een ontwik­keld volk dat in het huidige Tosca­ne (Italië) woonde, wordt wel gezien als 'uitvin­ders' ervan. Zij gebruik­ten honderden jaren voor de geboorte van Christus al touw gedrenkt in pek, olie of vet. Er zijn echter ook aanwijzingen dat de farao’s van Egypte, zo rond 1350 v Chr. al kaarsen en zelfs kaarsluchters gebruikten.0007
Kaarsen

De Romeinse wijsgee­r en schrijver Lucius Apuleius (123 - 180 na Chr.) kende in zijn tijd, zo blijkt uit zijn geschriften, twee soorten kaarsen: sebacei (vet­kaarsen) en cerei (waskaar­sen).

Constantijn (ca. 280-337 na Chr.), de eerste keizer die het christelijk geloof omhelsde, gebruikte waskaarsen bij o.a. paasplechtigheden.

Koning Alfred de Grote (849-899 na Chr.) liet uit bijenwas tijdmetingskaarsen vervaardigen. Zes van zulke kaarsen brandden in 24 uur op. 0008

Rond de 12e eeuw na Chr. kregen kaarsen op het altaar in de kerk een vaste plaats. Paus Pius V (1566-1572 na Chr.) bepaalde dat er tijdens de mis altijd kaar­sen moesten branden. Twee rijm­dicht­jes illustreren dat::
'Het waslicht in Uw slotkapel, met d' ochtendglans vereend,

blink' weergekaatst van de altaarpracht, op 't grijze muurgesteent'! (10)


't Waslicht brandt, de belle klinkt en ieder werpt zich neer

en met 't hoofd in stof gebukt, aanbidt hij onze Heer' - Tarcisius (11).


Omdat de ramen van de kerken, kloos­ters en kapelle­tjes van het zich gesta­dig versprei­dende christen­dom hele smalle ven­sters hadden, viel er nauwe­lijks enig licht op straat. Hoe anders was dat in kerkgebouwen van de eerste vijf eeuwen van onze jaartelling. Tijdens de Middeleeuwen werd het licht in gewijde gebouwen echter gedempt, omdat het mysterieuze en het sacramentele steeds meer in de belangstelling kwamen te staan.
Talg- en waskaarsen

In de 13e eeuw werd in West-Europa de talg- en waskaars geïntrodu­ceerd. Kaarsen die in de kerk werden gebruikt, brandden op bijen­was. Ze brandden mooier dan de vetkaar­sen. Een vetkaars was zacht, gaf roet, walm­de, droop meest­al en gaf een onaangena­me geur. De pit was gemaakt van getwijn­de katoen­dra­den, waarvan het verkoolde uitein­de regelmatig afge­knipt moest worden. Snuiten werd dat genoemd. Een snuitschaar en een pittenbak­je waren dan ook onmis­baar. 0009


Smeerkaars

Aan het einde van de 17e eeuw waren zeelieden in staat potvis­sen te vangen. Vanaf die tijd werden veel kaarsen gemaakt van de vettige stof uit de kop van deze vis, spermaceti genoemd. Zo ont­stond de smeerkaars.


Kaarsenmakers (zie bijlage 1)

Voor gebruik in het maatschappelijke leven waren tot ver in de 18e eeuw heel wat kaarsen nodig. In de kerken, op straat, in openbare gebouwen en in de huizen van de burgers. Vermoedelijk werden in de vroege Middeleeuwen (500-1000 v Chr.) de kaarsen in kloosters door monniken vervaardigd. In de late Middeleeuwen lezen we over kaarsenmakers die in de wat grotere steden verenigd waren in een kaar­senmakersgilde. Ook Monnicken­dam had zulke ambachtslie­den, maar een kaarsenmakersgilde ben ik in de bronnen niet tegengekomen (12). 0010 De kaarsenmakers werden in de 18e eeuw door het stadsbestuur aangesteld. Een jaar lang leverde die persoon (man of vrouw) kaarsen voor gebruik in lokaliteiten van de stad, waaronder de kerken. Omdat er meer gegadigden waren, was er een soort rouleersysteem, waardoor je om de twee á drie jaar stadsleverancier was. In de Memorialen van de burgemeesters worden hun namen genoemd. 0011


'Straatverlichting' in Europa

Vanaf de 13e, 14e eeuw was er in Europa sprake van enig licht op straat. In nissen van kerkge­bouwen en op hoeken van straten brandden kaarsen voor beschermheiligen, de zogeheten offerkaarsen. De pitjes waren echter zo klein dat een voorbijganger er geen profijt van had. ‘Welk een hinderlijken duisternis op de straat. Gelukkig, dat nog hier en daar een kaarsken brandt, door een dankbaren of devoten geloovige, een erkentelijk of ook een heiligen dag vierend gilde, of door gezamendlijke bijdragen eener buurt ontstoken’ (13).


Omdat duisternis in de grote steden van Europa in toenemende mate onveiligheid op straat betekende, werd in 1300 na Chr. te Londen door koning Edward I een bevel uitgevaardigd dat niemand zich 's nachts gewa­pend op straat mocht bevinden, edellieden, vergezeld van een lan­taarnknecht, uitge­zonderd.

In 1505 verplichtte het stadsbestuur van Amsterdam mensen die zich na negen uur ’s avonds op straat begaven, een lantaarntje mee te dragen. Wie geen lantaarn droeg werd geacht onbetrouwbaar te zijn en kon door de nachtwacht worden opgepakt en vastgezet. Andere steden, zoals Keulen, volgden. Parijzenaars moesten vanaf 1524 lampen voor hun ramen hangen.

Straatverlichting van enige betekenis moest echter nog komen. Parijs, in de 20e eeuw wel ‘la ville lumière’ genoemd, deed z’n naam eer aan. In 1558 had deze stad voor het eerst openbare straatverlichting waarbij olielantaarns werden gebruikt.

Echter, gemeten naar de huidige normen, was de stadsverlichting in de Europese steden vóor het midden van de 17e eeuw uiterst sober en ondoelmatig.


Straatverlichting’ in Holland

De tot op heden oudste bekende straatverlichting in ons land dateert van 1544. In Amsterdam, op de Zeedijk bij de Molensteeg, stond een lantaarn met kaarsver­lichting, weldra gevolgd door andere lantaarns op centrale punten in de stad. Vermoedelijk ging het om posten van de nachtwacht.

Den Haag, in die tijd een stad van circa 1000 huizen, begon op 14 december 1570 met het aanbrengen van 33 straatlantaarns in de binnenstad.

In 1579 kwam Amsterdam met een verordening dat, zodra het donker werd, alle lan­taarns bij bruggen ontstoken moesten worden. Herber­giers en tappers kregen opdracht om tot tien uur s' avonds in hun voorhuizen een lamp te laten banden, zodat er enig licht op de straten en grachten zou vallen. 0012 Maar de meesten volgden dit bevel niet op. In 1595 zag de Amsterdamse overheid zich daarom genood­zaakt te bevelen, dat aan ieder twaalfde huis in een straat een lantaarn of bran­dende kaars buiten moest worden gehangen. Maar de burgers sloegen ook dit bevel massaal in de wind, met als gevolg dat de vroedschap in 1597 lantaarnop­stekers aanstelde en daarvoor een belas­ting van de burgerij hief, het zogehe­ten 'lan­taarn­geld'. Dat was het begin van de openba­re verlich­ting waar we ons maar niet te veel van moe­ten voor­stellen. Kaarsen waren onvoldoende om in de winter het duister van de nacht te verdrij­ven en bovendien kostbaar in de aanschaf. Dat laatste zal dan ook wel de reden zijn geweest om de zojuist genoemde sommatie van het stadsbestuur massaal te negeren.


II. OLIE
Veranderingen op komst

Tot aan het midden van de 17e eeuw was het in de steden van Holland dus bedroevend slecht gesteld met de verlichting op straat. Veel te weinig lichtpun­ten en lantaarns met hoornen ruiten, waarvan het licht door roet vaak niet of nauwe­lijks te zien was. Dat moest beter, al was het alleen al om de mis­daad terug te drin­gen, de veiligheid te vergroten en te voorkomen dat dronkaards in de grachten vielen en onopgemerkt verdronken.

0013

Jan van der Heijden (1637-1712)

Uit mijn schooltijd herinner ik me zijn naam: Jan van der Heijden, de uitvinder van de brandspuit. Hij werd op 5 maart 1637 in Gorin­chem geboren, was niet alleen werk­tuigkundi­ge, maar ook een goed land­schaps­schil­der, etser, tekenaar, schrijver, glazenier, spiegelfabrikant. Een uitblinker in tekenen, techniek en zaken doen.

Belang­rijk echter voor ons verhaal, hij constru­eerde in 1663 de eerste straatlantaarns die, omdat hij mallen had gemaakt, in seriepro­ductie genomen konden worden in zijn eigen lampenfa­briek. Zijn uitvinding betekende een geweldi­ge vooruitgang op het terrein van de straatverlichting. Van der Heijden maakte lantaarns van glas en metaal, waarin afge­schermde luchtgaten zaten. Daaruit kon rook ontsnappen, maar zonder dat er wind inkwam.

Tot dan toe brandden er talg- of waskaarsen in de lan­taarns, maar van der Heijden gebruikte raapolielampen met pitten, lemmetten genoemd, van Cypriotisch katoen. Raapolie, door windmolens geslagen uit koolzaad, brandde veel langer dan kaarsen en had bovendien een veel betere lichtopbrengst. De nagenoeg vierkante lantaarns, twee voet hoog, waren aan of op eikenhouten palen van twaalf voet lang en zes duim dik, maar ook wel op houten muurarmen bevestigd. 0014a en 0014 b


Van der Heijdens uitvin­ding sloeg aan. Daarom besloot het stads­bestuur van Amsterdam tot aanschaf op grote schaal van deze nieuwe lichtbron. Toen Rembrandt in 1669 stierf, was de stad geheel voor­zien van dit type lantaarn, 1800 stuks op palen of aan de muren van openbare gebouwen bevestigd. In 1690 was dat getal opgelopen tot 2400. Het schoonhouden van de lampen, het aansteken ervan, de kosten van katoen en raapolie etc. kostte de stad zo’n 24.000 gulden per jaar. Een deel daarvan werd geïnd via het eerder genoemde lantaarngeld.
Organisatie

Die straatverlichting vereiste een goede organi­satie. Daarom schreef van der Heijden een handleiding, met als titel: 'De dienst der Straatlan­taar­nen'. Een aanhaling uit deze handleiding laat zien wat er van de lantaarnopstekers verwacht werd:

‘De Bedienden der Stads Lantaarnen, die allen door de Heeren Thesaurieren (14) worden aangesteld, zijn een Opziender, een Onder-Opziender, een Oliemeester, zeventien Vullers of Bezorgers der Lampen, welke vijf noodhelpers zijn toegevoegd, honderd vier en dertig Aanstekers en Blusschers, die zeventien Noodhelpers hebben. Zes Nagtronden zien toe of alle lampen wel branden. De Lampbezorgers voorzien de lampen van Lemmetten (pitten dus, caeg) en van olie, naar de maat van het Dagregister, dat hun door de Opziender ter hand is gesteld, het nieuwe Lemmet onder het vullen doorvochtigende met Olie, en als het reeds gebrand heeft, het zwart met een schaar wegsnijdende. Zij geven van de gebreken, die zij aan de olie, aan het katoen of aan de lantaarnpalen ontdekken, kennis aan de Opziender en van ‘t gene aan ’t blik der Lantaarnen of Lampen of aan de glazen ontbreekt, aan den Stadsblikslager of Glazenmaaker, die zorg moet dragen dat alles hersteld worde. Zij reinigen van tijd tot tijd de glazen en bij ligten maantijd de snuiters en rook- en lugtgaten. In May, July, Augustus, September en Oktober bijzonderlijk zorgdraagende dat de laatsten van spjnnewebben gezuiverd blijven.

Wanneer zij jagtsneeuw tegemoet zien, moeten zij de lampen niet van nieuwe Lemmetten verzorgen, dan op dezelfden dag, dat dezelven des avonds zullen moeten worden aangestoken.

De aansteekers zijn gehouden de Lampen voorzigtelijk te ontsteken, de ladder zagtelijk tegen de paal te zetten, de kleine deur der Lantaarn alleenlijk openende en de kaars behendiglijk aan ’t lemmet brengende opdat het niet verzet worde, hetwelk de lampen kwalijk zou doen branden. De vullers moeten hun eigen gereedschap bekostigen, uitgenomen de Oliekruiken en Oliemaaten die hun van stadswege gegeven worden. Iedere lantaarnopsteker steekt gemeenlijk twintig lantaarnen aan, welk meesten tegenwoordig maat agt of tien huizen van elkaar staan, zodat de Stad in een vierendeels uurs alomme verlicht kan zijn’.
Elders, waaronder Monnickendam, zal men van de aanwijzingen in deze handleiding vast geprofiteerd hebben.
Er kwam heel wat voor kijken om verzekerd te zijn van een goede straatverlichting. Lantaarnvullers, lampbezorgers en aanstekers stonden onder scherp toezicht van de overheid. Er moest, met name door de vullers, een ambtseed worden afgelegd. De lampbezorgers kregen een uitvoerige instructie van 21 artikelen mee. Wie in gebreke bleef bij het uitoefenen van zijn taak moest een boete betalen die behoorlijk kon oplopen. Nee, het waren geen lucratieve baantjes, ook omdat de lantaarnaanstekers hun eigen ladder en kaarsen moesten gebruiken. Geen wonder dat zij op 1 januari een gedrukte en soms fraai geïllustreerde ‘Nieuwjaars-Wensch’ lieten maken die hen bij persoonlijke aanbieding een extraatje opleverde van de kooplieden, burgers en andere inwoners van de stad. Later gebeurde dat ook wel ten tijde van de jaarlijkse kermisweek die meestal in augustus gehouden werd. Tot ongeveer het begin van de eerste wereldoorlog hebben de lantaarnopstekers hun onderdanige ‘poësie’ onder de burgerij uitgedragen. Een voorbeeld uit Den Haag in 1680: 0015
‘De nare duisternis van Avondstond of nacht, begunstigde teveel ’t geboeft in t stelen, moorden.’ (…)

Tot vrijing van den Haag van deze droeve rampen, deed zij door gansche stad langs ieder Kaai en Straat,

Lantarenen voorzien met sierlijk’ olielampen, veel honderd in getal oprechten, die bij dag met olie gevuld, als Phoebus is gedoken weer onder zijne kim, zo spoedig men vermag, in allerijl door ons dan werden aangestoken.

Dan zijn dees’lichten straks den dieven een verraad, ontdekkers van geweld, beveiligers de wegen, leidsmannen door de li’en waar dat men henen gaat. Geen jonge meijt staat om ontmoeting nu verlegen.

Zo iemand door de wijn, door ’t Rijns’of Franse vocht te veel beladen is, geen rechte pas kan houden,

Wien’t hoofd begint rontsom te draven in de loch, dien droncken slingervoet verstreckens’ tot flambouwen.

Des winters als de straat is glibberig en glad en ieder is beducht voor ’t struikelen van voeten, dan toonens zeer het meest begane pad.

In nat en slorsig weer, wanneer men steeds moet wroeten door vuiligheid, door slik, tenminste enklauw hoog, als ieder wordt beklad en kiest de droogste plekken, zo wijst dit Lampen-licht die aanstonds in het oog, zo ziet mens’ overal tot veel geriefs verstrekken.

Haar voordeel is zeer groot voor ieder in den Haag. Zij doen veel fakkels en ontelb’re kaarsen sparen.

De Klerk- en Martgang is bij avond als bij daag. Dit dient de dienstmeyt wel in ’t schuren der Lantaren, om kort te zijn, de Heer en Vader van het Licht’.


Bij de instelling van de 'dienst' (we hebben het nog steeds over Amster­dam) had elke wijk 160 lan­taarns. Iedere lantaarnopste­ker had de verantwoording voor ongeveer 20 lantaarns die om de ca. 8-10 huizen waren aange­bracht. (De instructie spreekt over een afstand van 125 tot 150 voet). Zo kon de stad in korte tijd verlicht worden, met als gevolg, een veel betere veilig­heid op straat. De lan­taarns brandden van 8 augustus tot 8 mei, dus niet in de zomermaanden.

Hoe dat nieuwe licht op straat werd ontvangen, vertelt ons een klein versje:


'Als het zonlicht is gegaan, steken we de lampen aan;

men kan daardoor bovendien, zelfs nog in het donker zien'.


De 'Jan van der Heijdenpaal' werd een begrip in binnen- en buiten­land. Andere steden volgden Amsterdam. Op 23 januari 1673 kreeg de uitvinder 93 gulden voor het maken van een ontwerp voor de Haagse straatlantaarn, maar pas in 1679 stonden er 300, op olie brandende lantaarns, in de stad.

Een eeuw later, toen vader Leopold Mozart met zijn twee uiterst begaafde kinderen, onder wie Wolfgang Amadeus, in september 1765 op concerttournee, in Den Haag logeerde, schreef zijn dochter van elf in haar dagboek dat, naast het zien van een zeehond en het strand van ‘Chevelingen’, de mooie straatverlichting haar aandacht had getrokken.

Dordrecht volgde in 1674, Hoorn in 1682, Den Bosch in 1684. Ook in enkele steden van Engeland kregen van der Heij­dens lan­taarns een plaats, terwijl in 1682 de Duitse steden Berlijn en Keulen er toe overgingen. Hamburg in 1675 en Wenen in 1687. 0016

(In het Berlijn van vandaag staan 5600 gaslantaarns die nog op gas branden, een kwart van de gehele straatverlichting, zo las ik op een site).

Van der Heijden, op 75-jarige leeftijd in Amsterdam overleden (28 maart of 28 september 1712), heeft een belangrijke bijdrage geleverd aan zowel de brandbestrijding als de lichtvoorziening op straat. Zijn uitvinding gaf bovendien werk aan timmerlieden, blikslagers, glazenmakers en lantaarnopstekers etc.

Het Vaderlandsch Woordenboek van 1788 beschrijft van der Heijden als volgt: “Jan van der Heijden gebooren te Gorinchem, in den jaare 1637 verdient, bij de nakomelingschap, in erkentenisse gedagt te worden, van wegen twee zijner zeer heilzame uitvindingen, om ’t menschdom, in de ongevallen aan welke het blootstaat eenig redmiddel of behoeding te brengen. Ik heb het oog op zijne verbetering aan de Brandspuiten en zijne uitvinding van Lantaarnen om, bij nacht, de Straaten te verlichten….’.

In de Koestraat nr. 5 te Amsterdam waar hij van 1681 tot zijn dood in 1712 woonde en werkte is in de gevel een gedenksteen aangebracht, met daarop een olielamp en de slangbrandspuit. 0017




  1   2   3   4   5   6   7   8   9   10   11


De database wordt beschermd door het auteursrecht ©opleid.info 2019
stuur bericht

    Hoofdpagina