Drie eeuwen straatverlichting in Monnickendam


Monnickendam zonder verlichting



Dovnload 0.49 Mb.
Pagina3/11
Datum25.07.2016
Grootte0.49 Mb.
1   2   3   4   5   6   7   8   9   10   11

Monnickendam zonder verlichting

Dat de lantaarns vanaf 1798 niet meer brandden, werd duidelijk toen pastoor van Munnik­ree­de (23) op 18 januari 1799 aan het stadsbestuur een brief schreef (24) waarin hij vermeldt dat de 'lantaarns op de straten al twee winters niet gebrand hebben en alzoo binnen als buijten burgers aan alle ongeluk­ken worden blootge­steld'. Oorzaak: de slechte situatie van de gemeente­kas’. Het gaat om de jaren 1798 en 1799, maar het heeft er alle schijn van dat de straatlantaarns tot 1808 niet meer hebben gebrand.


Feestdag

Een uitzonde­ring was 19 december 1799. Op deze nationale vierdag waren er om acht uur, twaalf uur en vier uur telkens 21 schoten met het kanon. De nationale vlag waaide vanaf de torens en publieke gebouwen als het stadhuis, de Waag, de scholen en de stadsdoelen. 's Avonds werden de lantaarns! aangestoken om mede de speeltoren, de vrijheidsboom en het stadhuis te 'illumineren'. Ik vermoed dat het om een vierdag van de revolutie gaat, het vijfde jaar van de Bataafse vrijheid. Het feest werd uitbundig gevierd en dat terwijl er een groot kastekort was!Tja.


Lantaarns bij de poorten branden wel

Op 27 februari 1802 werd in de Raad voorgesteld om 's avonds de lan­taarns aan de poorten te laten opsteken'. Niet lantaarnopstekers maar de portiers van de verschillende poorten waren daar (weer) verantwoor­delijk voor. Zo kregen de portiers van de Noorderpoort (Jan Meij, in 1804 Arie Lakemond) en de Nieuwe­poort (Jan Besem) aan het begin van de 19e eeuw een aantal jaren f 5.5.- uitbetaald voor het aanste­ken van de lan­taarn bij hun poort.


Lantaarnopstekers weer in functie

In de Franse periode kwam er steeds meer overheidsbemoeienis en werd het plaatselijk bestuur onder controle gesteld van regionaal en landelijk bestuur. Een briefwisseling tussen de Raad en het Departementaal bestuur van Holland gaat over de belastingen. Op 12 juni 1806 kwam het lantaarngeld aan de orde: ‘Het Lamptaarngeld zal worden betaald door de bewooners of gebruijkers van huijzen en gebouwen. Volgens de begroting berekent tot 3 Percent, welk belastingen door den thesaurier dezer stad ingevorderd zullen worden door rondgezonden biljetten, op welk ieders aanslag zal worden uitgedrukt’.

Als je lantaarngeld betaalt, dan behoren die lantaarns ook te branden en dat gebeurde dan ook. Op 12 september 1807 besloot de municipaliteit 'de vulders en aanstekers van de lantaarns bij hun aanstelling een gepaste zuinig­heid voor te houden en ook de lantaarns buiten de stadspoorten te laten vullen'. Daarmee verviel het 'douceurtje' dat de portiers/poort­wach­ters tot dan voor hun werkzaamheden kregen. Met deze boodschap van zuinigheid werden in 1808 de voormalige lantaar­nopste­kers Adriaan Groot en Jacob Keleman weer in dienst genomen. Beiden kregen in dat jaar, evenals een jaar of tien eerder, zestig gulden per jaar. Dat bleef zo tot 1811, terwijl hun salaris 'voor het vullen en aansteken van de lamptaarns' over het jaar 1812 in franse francs werd uitbetaald. Die uitbetaling van 252 francs vindt plaats op 'le 5e Octobre 1813'.
Verandering in 1813

Wat er precies gebeurd is heb ik niet kunnen achterhalen, omdat er over het jaar 1813 geen notulen van de stadsregering be­waard zijn gebleven. Maar uit een pakket brieven en stukken, ingeko­men bij het stadsbe­stuur en gelet op de stadsrekenin­gen van 1813, wordt duidelijk dat het werk van de door de gemeente betaalde lantaarnopsteker voorbij is.

Wel is er in dat jaar nog sprake van levering van vuur en licht aan de nacht­wach­ten, waarbij de aanvraagbrief­jes ondertekend worden door wacht­meester Pieter van Hoorn. Maar voor de lichtvoorziening in de stad is vanaf 1813 éen man verantwoordelijk: Tijmon Cornelisz Kater. We zullen nog veel van hem horen.
Overlijden van de laatste lantaarnopstekers in dienst van het stadsbestuur

Hoe de ontsla­gen lantaarnopstekers finan­cieel het hoofd boven water hebben kunnen houden weet ik niet. Jacob Keleman had als turfdra­ger nog wel wat inkomen, maar Adriaan niet. De laatste is 65 jaar als hij op 25 juli 1821 in het huis op de Zarken, wijk 1 nr. 132 's mor­gens om zes uur overlijdt. Hij wordt begra­ven in de kerk, grafrij 28, graf 7, hetzelfde graf waarin zijn vrouw Saartje Pont­man op 10 decem­ber 1825 zal worden begraven.

Jacob Keleman overlijdt op 30 september 1830 en wordt 4 oktober 1830 in de kerk begraven, het laatste jaar dat dat wettelijk nog was toegestaan (25).
The Old lamplighter

Tot ver in de 20e eeuw zijn er in ons land lantaarnopstekers werkzaam geweest. Maar omdat, zoals we straks zullen zien, in steeds meer plaatsen werd overgegaan op elektrische straatverlichting, is het beroep geleidelijk aan uitgestorven. De laatste lantaarnopsteker van Haarlem ging in 1957 met pensioen (26). 0029


De ouderen onder ons herinneren zich misschien nog die country-hit uit 1960, toen het trio 'The Browns' het door hen zeer bekend gewor­den lied 'The old lamp­lighter' zong, met als refrein:
He made the night a little brighter, wherever he would go,

the old lamplighter of long, long ago.

His snowy hair was so much whiter, beneath the candle glow,

the old lamplighter of long, long ago (27).


We sluiten de eerste periode van de straatverlichting van Monnickendam af. Voor we verder gaan, kijken we eerst kort naar ontwikkelingen bij de buurgemeenten Edam en Broek in Waterland.
Straatverlichting in Edam (28).

In een artikel over ‘Edams straatmeubilair’ vertelt Corrie Boschma dat er voor het eerst over straatverlichting in Edam wordt geschreven in een keur van 4 mei 1764. Het vernielen van de ‘nieuwgesette Lantarens’ is verboden. De boete voor de overtreder bedraagt f 20, - Mevr. Boschma voegt er aan toe: ‘Of de nieuwe lantaarns een vervanging waren van oudere modellen, valt te betwijfelen. In de oudere keuren wordt nergens over straatverlichting gesproken’.

Met alle respect, ik heb daar m’n twijfels over. Als Monnickendam al in 1692 lantaarns heeft aangeschaft, zal Edam vast niet achtergebleven zijn. Ik adviseer leden van Oud-Edam de vroedschapsresoluties en/of de notulen van hun stadsbestuur er eens op naslaan. Wellicht komt er dan meer duidelijkheid over het jaar wanneer in Edam de straatverlichting een feit is geworden.
Straatverlichting in Broek in Waterland (29) 0030

In 1785 krijgt het dorpsbestuur van Broek in Waterland een legaat van

f 40.000. De gulle geefster is Geertje Claas Pols (1726-1785), in 1764 getrouwd met Jacob Cornelisz. Ploeger, lid van de vroedschap en meerdere keren burgemeester tussen 1765 en 1780. Van dat bedrag worden zeventig hardstenen palen met olielantaarns bekostigd, de eerste straatverlichting van Broek. Ook in Zuiderwoude en Uitdam die onder Broeks bestuur vallen, worden zulke lantaarns geplaatst. Evenals in Monnickendam branden de lantaarns alleen in de donkere maanden, van eind september tot eind maart. Jacob Poolman, tevens omroeper en later ook nachtwacht, is de eerste lantaarnopsteker.

De karakteristieke vierkante (koperen) armatuur is in de loop van de tijden meerdere keren vervangen, maar de robuuste vierkante lantaarnpalen van ‘Naamse steen’ vormden anderhalve eeuw de basis voor straatverlichting, zoals uit talloze foto’s en prentbriefkaarten blijkt (30).0030a

Helaas heeft de gemeente rond 1920 besloten om deze oude, originele lantaarnpalen niet te vervangen door exemplaren van dezelfde soort, maar door goedkopere, moderne lichtmasten, met een afgeplatte bolle kop, in Broek wel aangeduid als 'ufo‘s'. De oude lantaarnpalen werden gebruikt als ophoogmateriaal, straatmarkering en drempels. Gelukkig zijn er nog enkele palen bewaard gebleven, o.a. in het Openluchtmuseum bij Arnhem en het Zuiderzeemuseum in Enkhuizen. Jammer, want bij het vaststellen van de verlichtingsinstallatie mag nooit uit het oog worden verloren dat het aanzien van het dorp op het spel staat.

Maar er is goed nieuws. In 2007 heeft zich een particulier gemeld die, ter verfraaiing van het dorp,150.000 euro uittrekt om de huidige 40 lichtmasten te vervangen door replica’s van de ‘oorspronkelijke’ hardstenen lantaarns.. Dat ziet er dus goed uit voor wie het zo karakteristieke Broek in Waterland van harte liefhebben. De gulle gever(s) zijn de heer (Dirk) en mevrouw (Letty) Broeder, inwoners van Broek. De bedoeling is om een aantal palen in het voorjaar 2008 te plaatsen en die bij het Havenrak begin 2009. De vereniging ‘Oud Broek’ is bijzonder dankbaar voor dit geweldige geschenk. Op 7 april jl. is op ludieke wijze de eerste paal feestelijk onthuld op een locatie halverwege de Erven. Daarbij was ook een lantaarnopsteker uit’1786’ aanwezig.

Nog een notitie over de verlichting in Broek in Waterland. Mevr. N.C. Rümke-Bakker, dochter van dr. Bakker, huisarts in Broek in Waterland aan het begin van de vorige eeuw, schrijft: ‘Als Piet de Wit, gemeentewerkman ’s avonds de lantaarns kwam opsteken en met zijn laddertje voorbijkwam, mocht de lamp op en deden we spelletjes. Die lantaarns waren olielampjes en brandden niet met volle maan, behalve éen bij ons en bij de burgemeester (31).

Monnickendam. Tijmon Cornelisz Kater

Terug naar Monnickendam. Het beheer over de straatverlichting is meer dan honderd jaar in handen van het stadsbestuur geweest. Maar, in navolging van andere steden, werd in de Franse periode de zorg voor de lantaarns uitbesteed aan particulieren. In Amsterdam was dat vanaf 1809 een particuliere maatschappij, opgezet door Fréderic Louis Behr, in Monnickendam werd de zorg voor de straatverlichting toevertrouwd aan één man: Tijmon Cornelisz. Kater, telg uit een Monnickendamse familie, waarvan de oudste generaties teruggaan tot circa 1600 (32).


0031

Tijmon Kater, bijgenaamd ‘de jonge’,ter onderscheiding van zijn oudere oom, werd op zondag 15 april 1787 geboren en donderdag de 19e april in de Gereformeerde gemeente van Monnickendam ge­doopt. Hij was een zoon van scheepstimmermansbaas Cornelis Klaasz Kater, die op 16 februari 1783 trouwde met Sijbrich Corne­lis Hoen. Het trieste einde van Cornelis Klaasz. Kater is elders beschreven (33.


In december 1806 werd Tijmon als lidmaat van Gereformeerde gemeente, de latere Nederlands Her­vorm­de Kerk, aangenomen. Hij was eerst timmerman, maar werd later aanne­mer van rijks­werken, aannemer van publieke werken en in 1839 ingenieur genoemd. Op 12 februari 1809 trouwde hij met Annetje Dirks Slot, geboren in Edam op 18 mei 1783 en daar de 21e gedoopt, doch­ter van Dirk Jansz. Slot, in 1779 te Edam getrouwd met Marie Francoise Cailliau. Annetje Slot werd in december 1809 als lidmaat van de Hervormde gemeente van Monnickendam ingeschreven. Volgens het lidmatenboek kwam ze toen uit Broek in Waterland.
Tijmon en Annetje kregen twaalf kinderen waar van er tenminste drie jong zijn overleden. Bij de geboorte van het laatste kind, op 21 mei 1829, was moeder Slot 46 jaar (34).

Het gezin Kater woonde jarenlang in een groot huis met tuin en vijver op de Nieuwezijds Burgwal 4/178.

Op maandag 5 maart 1821 lieten beiden, met waagmeester Jan Bloem, chirurgijn Lodewijk Paulus Schmidt, apotheker Cornelis Westplate en kuiper Johan Hartwigsen als getuigen, bij notaris Age Volkerse een testament opmaken. Tijmen benoemde Annetje als zijn enige erfgename, maar wel met een deel voor de kinderen, zoals de wet dat voorschreef. Annetje noemde in haar testament, naast Tijmon, ook haar ouders Dirk Slot en Anna Maria Caillou uit Edam, als die bij haar overlijden nog zouden leven.
Tijdsbeeld begin 19e eeuw 0032

Tijmon Kater begon met zijn werkzaamheden voor de stad in een moeilijke tijd. Vanaf het midden van de 18e eeuw kreeg West-Europa te maken met een omvangrijke armoede, die tot ver in de 19e eeuw heeft geduurd. Verschillende factoren hebben aan deze armoede bijgedragen: een sterk toenemende populatie in Europa, mechani­satie van de landbouw, opkomende industrialisatie, oorlogen met Engeland met als gevolg bezetting van de koloniën, de opheffing van de VOC op 31 december 1799 met daarbij kapitaalverlies en (aan het eind van de 18e eeuw) een zware belastingdruk vanwege de 'broe­derschap' met de Fransen. Frankrijk eiste een 'schade­ver­goe­ding' van 100 miljoen gulden en daarnaast diende de Republiek ook nog eens 25.000 franse soldaten te onderhou­den. Dat alles als dank voor vrijheid, gelijkheid en broederschap!

Om Engeland klein te krijgen werd in 1806, via het zogeheten Conti­nentale stelsel, alle handel met dat land verboden, hetgeen zeer nadelig was voor de Noordelijke Nederlanden.

Tijdens het koningschap van Lodewijk Napoleon (1806-1810) zou de staatsschuld onrustba­rend stijgen, waar­door de rente niet meer betaald kon worden. De staatsschuld die in 1805 1 miljard gulden bedroeg, zou in 1815 oplopen tot 1.25 mil­jard. Hoewel Lodewijk Napoleon het goede voor ons land zocht, heeft hij vanwege zijn verspilzucht (bv. het enkele keren van residentie veranderen met grote uitgaven wegens verbouwing en inrichting) de staatskas meer belast dan nodig was. 0033

Maar vooral de zogeheten tiërcering zorgde voor grote problemen. Keizer Napoleon gaf zijn broer vanuit Frankrijk de raad om nog slechts een derde van de rente op de staatsschuld uit te keren. Lodewijk Napoleon was daar allesbehalve blij mee en reageerde: 'wat voor een voorbeeld zou de staat aan de burgers geven als zij haar financi­ële verplichtingen niet meer nakwam'? Van die maatregel zouden bovendien vooral de kleine spaarders de dupe zijn die vol vertrouwen hun centjes aan de staat hadden toevertrouwd.

Echter, toen Lodewijk Napoleon in 1810 moest vertrekken, kwam het er toch van. Van de staatsschuld werd nog maar een derde deel van de rente uitbetaald. En aangezien de steden overal geld hadden uitstaan, kwam er nog maar een derde binnen van wat men al die jaren daarvoor had ontvangen aan interest.

Al deze negatieve ontwikkelingen hadden ook ernstige gevolgen voor Monnickendam. Met name de handel, de visserij en de daarbij beho­rende nijver­heid als visverwerking, zeilmakerijen, scheeps­bouw en onderhoud kregen rake klappen (35).
Réverbères (lantaarns)

In verband met de straatverlichting komen we Tijmen voor het eerst tegen bij betalingen van het stadsbe­stuur vanwege 'respect (aandacht of zorg voor, caeg) réverbères' (36).Tijmon bleek in 1813 verantwoordelijk te zijn voor 102 straatlantaarns. Omdat de Fransen het in ons land nog voor het zeggen hadden, werd hij in franse francs uitbetaald: deux cent vingt francs et cinquante centimes, oftewel 220 en een halve franc per maand gedurende het winterseizoen dat zes maanden duurde.


De réverbère, een uitvinding uit 1745! van de Fransen Matherot de Preigney en Bourgeois de Chataublance, was een nieuw soort lantaarn. Een olielamp in een glazen kastje, met in plaats van éen, vier pitten aan de zijden van een centraal reservoir. Een reflector zorgde voor grote lichtopbrengst, terwijl het olie­ver­bruik drie keer minder was dan dat van de oude lantaarns. Zo 'n réverbère hing dikwijls aan een touw tussen huizen boven de straat. Als de lamp bijgevuld moest worden, werd het touw gevierd, zodat deze naar beneden kwam. De réverbère werd in het begin van de 19e eeuw een concurrent, later vervanger van de tot dan toe gebruikte straatverlichting. 0034 reverbere
De olie voor de lantaarns kwam uit de zeepziederij. In 1813 kocht Tijmen 9 aam raapolie en 1 aam lijnolie. Een aam is ongeveer 145,5 liter, dus reken maar uit.
Protest op Overleek

Tot nu toe ging het steeds over de verlichting binnen de stadsmuren, maar hoe zat dat met de buitengebieden?

Alle inwoners van Monnickendam, ook de mensen buiten de stad, betaalden lantaarngeld. Overleek bijvoorbeeld viel onder de jurisdictie (rechtelijke bevoegdheid, caeg) van Monnickendam. Er was sprake van kerkelijke betrokkenheid; er moest stedelijke belasting betaald worden en de justitiële regels golden er.
Op 3 augustus 1816 schreven een aantal bewoners van Groot- en Klein Overleek een brief aan koning Willem I. Jan Plaggenburg, Jaap Smit, Jacob Kroon, Jan Pietersz. Esselman, Klaas Zinger, Gerrit Oud, Jan Bart, Reijer Oud, Hendrik de Haas, Dirk Laan, Jan Oderkerk, Bart Wiedemeijer, Pieter Kout, Frederik Springveld en Klaas Pronk deelden de koning mee dat de meeste van hun huizen een half uur en sommigen zelfs een uur gaans van Monnickendam lagen. Zij klaagden dat zij lantaarnbelasting moeten betalen, terwijl alleen de bewoners van de stad het voordeel van de straatverlichting hadden. Daartegenover zou moeten staan, dat de weg naar hun buurtschap goed onderhouden zou moeten worden, maar het tegendeel was het geval. De weg was zelfs enkele maanden per jaar absoluut onbruikbaar en door het onderlopen van de landerijen was er geen gelegenheid voor de brandspuit om, bij calamiteiten, in actie te komen. Maar zij betaalden wel ieder jaar het brandspuitengeld! Blijkbaar, zo is de conclusie van de heren, zag de stadsregering op tegen de kosten, die de reparatie van de weg zal vragen. De magistraat hield hen graag onder hun gezag, omdat zij ‘meestal redelijk welgestelde lieden zijn’, zo laten zij de koning weten.

Zij vragen de koning of Overleek niet van Monnickendam kan wordt ‘afgenomen’ en bij Broek in Waterland gevoegd, temeer daar de meeste landerijen dichter bij Broek dan bij Monnickendam liggen’. Hun argumenten zijn:



a. het dorp Broek in Waterland zal voordeel van hun betrokkenheid hebben;

b. ze zijn niet zo groot in aantal zijn, dat is dus geen bezwaar voor een gemeente;

c. ze in dat geval het onderhoud van de weg voor eigen rekening nemen, zodat Broek in Waterland niet voor deze kosten behoeft op te draaien.

Maar – het viel te verwachten - het verzoek van de Overlekers maakten geen schijn van kans. Zij bleven onder bestuur van Monnickendam en dus meebetalen aan de lichtvoorziening waar ze, het zij gezegd, geen enkel voordeel van ondervonden. Hun bezwaar met betrekking tot het te betalen lantaarngeld was wel te billijken.


Een eenjarig contract voor Tijmon Kater

Terug naar de straatverlichting in de stad. Op 6 september 1817 notuleert de secretaris van de burgemeesters: 'Uit hoofde van de behandeling omtrent de verligting van deze stad gedurende het aanstaande saisoen geheel door den Raad aan Burge­meesteren is overgelaten, zijn hun edelacht­baren ten gevolge daarvan met Tijmen Cornelisz Kater overeengeko­men, om de verligting van deze stad bedragende uit 105 lantaarns op de oude conditie te besteden voor f 750,- alzo voor f 125 per maand (zes maanden winterseizoen). De thesauriër zal van deze resolutie een afschrift ontvangen'. Tijmen Kater heeft dus blijkbaar al enige tijd een jaarcontract. Omdat er een paar lantaarns zijn bijgekomen, is de vergoeding voor onderhoud en verzorging wat verhoogd.


Een meerjarig contract

Een jaar later, op 19 september 1818, lezen we in de notulen van de gemeenteraad: 'Is goedgevonden aan Tijmon Kater de jonge het verligten der lantaarns op den ouden voet te prolongeren tot ultimo december, terwijl in de maand october zal worden overge­gaan tot de aanbeste­ding voor de tijd van drie jaren. Deze drie jaar zijn niet lang daarna vijftien jaar geworden, want op 3 april 1819 wordt de volgende overeenkomst opgemaakt tussen het stadsbestuur en Tijmon Ka­ter:

'Compareerde Tijmon Kater de jonge aan wie als nu finaal is aanbe­steed het leveren van het benodigde aantal réverbères tot verlichting van de gehele stad op de volgende condities:
1. De aannemer zal vijftien jaren achter den anderen de verligting van de stad doen voor een somma van 1000 gulden 's jaars.

2. Dezelve zal 15 jaren achter elkanderen moeten zorgen dat alles in een behoorlijke order blijft, zoowel de réverbères, verlichting derzel­ver, lantaarnpalen etc. in een (..?) dat de stad geene kosten van wat dan ook heeft dan alleen de jaarlijkse uitkering van f 1000,- waaron­der begrepen is de aankoop der réverbères en alle verdere benodigdhe­den.

3. De tegenwoordige conditie van aanbesteding zal voor zoverre met alteratie (verandering, caeg) van deze twee artikelen in zijn geheel van kragt blijven, behoudens zoodanige wijzigingen als uit den aard der zaak mogt voorkomen.

4. De registratiekosten bij het maken van het contract, zegels etc. komen alleen voor rekening van de aannemer.

5. Burgemeesteren geven aan den aannemer de verzekering van onder welke tijd en regeringen, als anderszinds, deze conditiën in zijn volle kracht zullen blijven tot expiratie (afloop, caeg) van de termijn van 15 jaren.

En zal van deze bepalingen contract worden opgemaakt, door den aannemer en burgemeesteren getekend en aan dezelve worden ter hand gesteld en een bij het archief op de secretarie worden gedepo­neerd.


Het verhaal is duidelijk. Tijmen was tot 1834 verantwoordelijk voor de ruim honderd straatlantaarns die er in de stad stonden.
Straatverlichting in Purmerend (37)

Als Tijmon met het gemeentebestuur van Monnickendam het verlichtingscontract heeft afgesloten, richt hij zijn blik op Purmerend. In deze stad was in 1816 een hoedenmaker uit Zaandam, Hendrik Liwijn (38) (A’dam 1788 – Zaandam 1874), verantwoordelijk voor ‘het onderhouden van alle gewone en buitengewone StadsLamptaarnen (…) met alles wat er toe behoort alsmede de leverantie van de benodigde olij en katoen’. Voor het vullen, opsteken, schoonmaken en bewerken kreeg hij f 755,- per jaar. De gemeente had in 1816 een uitgebreid bestek (reglement, caeg) gemaakt, waaraan Liwijn, die van 1809 tot 1816 in Monnickendam woonde, zich diende te houden.


Een nieuw bestek volgde op 30 januari 1820 ten behoeve van de publieke aanbesteding die op 1 maart van dat jaar zou plaatsvinden ‘wegens het plaatsen van réverbères en het verlichten van dezelve voor de tijd van vijftien jaren, met ingang van 1 oktober van dat jaar en eindigend 30 april 1835. Misschien heeft Liwijn uit Zaandam afgehaakt, of deed hij zijn werk niet naar behoren.

Er waren drie inschrijvers, twee uit Alkmaar en, jawel, Tijmon Kater. Het zegt iets over de ambities van deze man. Krijn van der Kaaij, aannemer in Alkmaar zet in op f 2075, Wijnand Hofdijk, eveneens aannemer in Alkmaar op f 2165 en Tijmon op f 2200,- Je zou zeggen van der Kaaij, met de laagste inschrijving, kreeg de job. Maar nee, de besteding werd bij opbod geveild, ‘wierd hetzelve op eene somma van Een Duizen Gulden ingesteld in ’t Jaar en gebleeken zijnde, dat dezelve door Tijmon Kater, aannemer te Monnickendam, Duizend Zeven Honderd Gulden in ’t Jaar en dus over de vijftien jaren voor de somma van Vijf en Twintig Duizend en Vijf Honderd Gulden is gemeind, hebben burgemeesteren gedeclareerd (verklaard, caeg) dat gemelde Tijmon Kater, na bekomen approbatie (toestemming, caeg) van de heren Gedeputeerde Staten (in het vervolg G.S.) dezer Provincie zal wezen aannemer dezer besteding voor de totale somma als genoemd’. Getekend door de burgemeesters en Tijmon Kater.

Tijmon had het voor elkaar, zou je denken, maar helaas, het plan werd van hogerhand ‘geïmprobeerd’, (afgewezen, caeg). Het jaarlijkse verschil in kosten (f 800,- eerst, nu f 1700,) vonden G.S. te groot.

Hoe men in Purmerend verder te werk is gegaan moeten de leden van Oud-Purmerend maar eens napluizen. G. van Sandwijk schrijft in zijn kroniek, ‘dat per 1 oktober 1821 de verlichting der Stad zeer is verbeterd, alzo de eerste model lantaarn zijn geplaatst’ . 0035


Tijmon lid van de gemeenteraad

Terug naar Monnickendam. Vanaf 11 oktober 1826 maakte Tijmon Kater deel uit van het gemeentebestuur. Het was wel handig om ‘de man van het licht’ tijdens de gemeenteraadsvergaderingen direct te kunnen aanspreken. In april 1838 bleek Kater ook (nog steeds?) lid te zijn van de commissie Financiën Stedelijke Werken. Verderop in de tijd zou die ‘dubbelfunctie’ voor problemen zorgen, maar vooralsnog was daar geen sprake van.


Klachten

Het is 1831 als er klachten zijn over de straatverlichting. Daarom gaat er op 21 januari een brief naar dhr. Kater met de volgen­de inhoud: 'De menigvuldige klachten welke er tegenwoordig bestaan wegens de ondoelmatige verlichting binnen deze stad heeft ons, hoe ongaarne ook, doen besluiten Uw edele onze gegronde ontevreden­heid dienaangaande bekend te maken met instantie om ter vermindering van onaange­naamheden hier in te voorzien, hetgeen wij zeker, in overwe­ging nemende uw bijzondere ambitie, met grond dit mogen ver­wach­ten'.




1   2   3   4   5   6   7   8   9   10   11


De database wordt beschermd door het auteursrecht ©opleid.info 2019
stuur bericht

    Hoofdpagina