Drie eeuwen straatverlichting in Monnickendam



Dovnload 0.49 Mb.
Pagina4/11
Datum25.07.2016
Grootte0.49 Mb.
1   2   3   4   5   6   7   8   9   10   11

Een nieuw contract

Omdat het vijftienjarige contract tussen de gemeente en Tijmen Kater in 1834 afloopt, komt in de Raadsvergade­ring van 20 de­cember 1834 de stadver­lichting ter sprake. 'Is gelezen een missieve van de com­missie tot de Stadswer­ken en financiën d.d. 8 december jl. houdende het doen van een voordragt om voor de tijd van 10 jaren, uit hoofde de tegenwoordige aanbeste­ding verschenen is, de stedelij­ke verlich­ting te besteden en zulks op zodanige wijze als bij een daarbij ge­voegd consept reglement wordt aangeduid'.

Dat concept reglement is vrijwel gelijk aan het contract dat in 1836 zal worden opgemaakt. Een verschil is, dat in december 1834 ook wordt gesproken over ‘elf lampen bij de tekenschool’ die allen op patentolie zullen branden en de aannemer moet zorgen voor de nodige gereedschappen en personen die voor het aansteken en doven van de lantaarns verantwoordelijk zijn.
Vóor dat dit punt in deliberatie (bespreking, caeg) wordt gebracht, stapt de heer H.J. van Marle naar voren en overhandigt de vergade­ring een schrif­telijk rapport, met daarin zijn gevoelens ‘omtrent de stads­verlich­ting, als ten aanzien van het behouden van de oude réverbères, 'of daar tegen de noodzakelijkheid tot het aanschaf­fen van nieuwe lantaarns en verder als daarbij in het brede wordt vermeld'.

Is goedgevonden, alvorens over dit punt van beschrijving te delibere­ren en te besluiten, dit rapport te stellen in handen van voornoemde commis­sie, met verzoek daar op te dienen van berigt consideratie (er kennis van nemen, caeg) en advies'.


Proeflantaarn

Dhr. Kater heeft de commissie, belast met de verbetering van de stadsverlichting, in augustus 1835 toegezegd met een nieuwe proeflantaarn te komen. Maar op 7 september blijkt de levering van die lantaarn aan dhr. Kater en via hem aan de gemeente, te zijn uitgesteld. Daar kan Kater niets aan doen, het probleem ligt bij de maker van de nieuwe lantaarn.

Op 12 september 1835 ontvangt de Raad een brief van de stadswer­ken 'houdende kennis­geving wegens de teleurstelling van het zenden van een proeflantaarn tot verbetering der stedelijke verlichting, dat even­wel deselve dage­lijks wordt tegemoet gezien en alzo in overwe­ging geeft daar de tijd reeds te ver verschenen is om de besteding te doen het oude con­tract nog dit jaar te laten doorlo­pen'. Het stuk is ondertekend door notaris Age Volkerse, secretaris van de commissie der stadswerken.
Materiaal

Waren de van der Heijdenpalen nog van eikenhout, latere ontwikkelingen spreken over gietijzeren palen, met daarop koperen lantaarns die, in verband met diefstal, zijn geverfd. Het gietijzer zou op den duur worden vervangen door getrokken staal en of aluminium, het glas door een slagvaste kunststof.


Verlenging van het contract met een jaar

Op 28 september 1835 besloot het gemeentebestuur om het contract met dhr. Kater, dat inmiddels verlopen was, nog een winter­periode te continue­ren, te weten van 1 oktober 1835 tot 31 maart 1836. Voor een bedrag van f 1000,- zal Tijmon opnieuw de straat­verlich­ting verzorgen. Ook de lantaarns van de Lange brug en aan het haringhuisje, alsmede de benodigde olie in het wachthuis van de nachtwachten vallen onder zijn zorg.


Nieuw langdurig contract

Was er in september nog teleurstelling over de vertraagde leve­ring van een nieuwe réverbère, op 7 december meldt de commissie, dat de beloofde proeflantaarn ontvangen is. Hij hangt aan de speeltoren en 'zal aldaar, te beginnen woensdag aanstaande, een week 's avonds bran­den en daarna nog een week, met bij te voegen verandering’.

In dat schrijven wordt ook melding gemaakt van een lantaarn voor het huis van dhr. Esveldt. Doctor van Beveren Esveld woonde aan het Noordeinde nr. 24-26 (dubbel huis) (39).

Beide lantaarns zullen door de leden van de gemeente goed bekeken worden ‘ten einde nader bij een raadsvergadering, voor de straatverlichting in volgende jaren te kunnen besluiten.’


De proef met de nieuwe lantaarn is goed bevallen. Daarom wordt op 12 december 1835 besloten om de stadsverlichting opnieuw aan de heer Kater uit te besteden voor de duur van 15 jaar en voor de somma van

f 1000,- per jaar. De oude lantaarns zijn nu eigendom van de stad en worden opgeslagen op de zolder van het stadhuis. Dat blijkt uit een lijst van goederen, behorende aan de stad, die op 17 december 1840 wordt opgemaakt. Op die zolder liggen o.a. de spullen van de schutterij en ‘70 tot 80 lamptaarnen’.

Kater zal voor nieuwe lantaarns zorgen. De commissie van de stadswerken wordt verzocht om een concept contract op te maken.
Op 16 september 1836 wordt het concept contract door de Raad goedgekeurd en worden B&W geautoriseerd om met dhr. Kater de verbintenis te sluiten.

Op 31 december 1836 wordt de definitie­ve overeenkomst tussen het stadsbestuur en dhr. Kater getekend. De volgende bepalingen zijn van kracht:


art.1. Door de aannemer of van zijnentwegen zullen er gedurende de tijd van de eerstvolgende vijftien jaren ter stedelijke algemene verlichting geleverd, gevuld, gereinigd en opgestoken worden de volgende objecten: 38 réverbères, die van de Lange brug daar onder geteld; de lantaarn bij het haringhuisje; een lamp bij de wagt.

art.2. De aannemer zal voor dit alles genieten duizend guldens in het jaar en alzo voor vijftien jaar vijftien duizend guldens.

art.3. De réverbères zullen branden vanaf het laatste kwar­tiermaan welke 't naast aan de eerste october is, tot den eenendertigste maart, telkens gedurende de tijd tussen het laatste en eerste kwartier maan, beide dagen incluis van een uur na zonsondergang af tot midder­nacht twaalf ure.

art.4. De lantaarn op de Lange brug zal daarenboven, bij elke mane­schijn nog drie dagen eerder en drie dagen later branden dan de andere en telkens tot een uur voor zonsopgang moeten blijven branden. De lantaarn bij het haringhuisje en de Lamp bij de Wagt zullen moeten branden als het nodig is.

art.5. De brandstof zal zijn patentolij.

art.6. De wachtronde van elf uur zal nachtelijks aantekenen welke réverbères door hen brandende en niet brandende zijn bevonden.

art.7. Dit rapport zal dagelijks aan de Policie worden ingezonden.

art.8. Alle reparatie en onderhoud aan al het hier voorengemelde met de daartoe behorende palen, touwen, katrollen en wat dies meer zij is voor rekening van de aannemer.

art.9. De nieuwe réverbères worden terstond bij de levering het eigendom van de stad, zullende de aannemer na expiratie (afloop, caeg) van deze aanbesteding verpligt zijn de réverbères heel en in goede staat, met alles wat daartoe behoort, aan de stad over te leve­ren.

art.10. De aannemer zal ten zijnen kosten moeten zorgen voor de tot executie dezes, nodige gereedschappen en personen

art.11. De betaling zal geschieden bij zes termijnen, te beginnen met oktober tot ultimo maart van ieder jaar.

art.12. Heeren aanbesteders reserveren aan zich de uitlegging dezer artikelen, voor zoo verre daar in eenige duisternisse of verkeerde begrip­pen mogten voort komen.
De ondertekening namen het stadsbestuur wordt gedaan door burge­meester D. Arbman en wethouder J. Wijndels de Jong. Ook de aanne­mer onderte­kent de overeenkomst. 0036

Tot 1851 is de lichtvoorziening op de straten van de stad dus opnieuw in handen van dhr. Kater. Dat niet altijd alles naar wens verliep, wordt in het volgende stukje duidelijk.


Klacht van Valentijn over het (te) vroeg doven van de lantaarns

Op 23 december 1837 ontvangt de Raad een brief van Willem Valentijn, een paar dagen eerder 36 jaar geworden, zoon van deur­waarder Klaas Valen­tijn, inwoner alhier. Hij klaagt dat de réverbères 's nachts om twaalf uur al worden gedoofd en schrijft: 'Ik neem de vrijheid bij deze ter kennisse van Uwedelachtba­ren te brengen dat ik heden nacht ten Een ure met mijne hoogbejaarde moeder (Eva Houting, bijna 70 jaar, caeg) van een partijtje komende, naar huis willende gaan, het onaangename heb moeten ondervinden, dat op de straat alle de Lantaarns uit waren, zoo dat ik met haar, dan hier dan daar tegen aan lopende en door dik en dun heen badende, want het regende ook, eindelijk braaf bemorst ben thuisgekomen. Toen wij ons nog onderweg bevonden hoorden wij aan voetstappen dat ons iemand naderde; ik riep: 'zijt gij het Wagt'? en het antwoord was: 'Ja'.(Ik hoorde aan de stem dat het Hendrik Meijer was). Ik vroeg hem of het waarheid was dat zijlieden order hadden om des nachts de lantaarns uit te doen en op welk uur? Zijn antwoord was: 'ja, om twaalf uur'.

Ik behoef Uwlieden dus niet te zeggen dat met betrekking der Lan­taarns ter deze stede, het ware doel uit het oog verloren wordt, daar men des nachts, even als des 's avonds het licht derzelven wel degelijk noodig heeft en daar ook voorheen de lantaarns den gehelen nacht door tot de aanko­mende dageraad gebrand hebben, zo neem ik de vrijheid Uwedelen te verzoeken dat het daarhenen mag worden gedirigeerd, dat zulks in het vervolg wederom zal mogen plaats hebben. Uw dienaar, J. Valentijn'.
De brief wordt bij de griffier gedeponeerd en zal 'bij een raads­ver­gadering, wanneer de betere verlich­ting dezer stad een onder­werp van deliberatie is zoude uitmaken, voor te lezen'. Helaas, Valentijns brief heeft, zeker op korte termijn niet het gewenste effect gehad, zoals nog zal blijken.
Kater actief

Dhr. Kater was een belangrijk figuur in de Monnickendamse gemeenschap. Samen met o.a. notaris Age Volkerse schrijft hij op 19 maart 1836 een brief aan B&W. Zij zijn leden van de Gereformeerde kerk die overigens al geruime tijd Nederlands Hervormde kerk heet. Zij achten het plicht de heren op het vriendelijkst te verzoeken het collegie van heeren Regenten van het Gereformeerd Weeshuis aan te willen vullen of te doen aanvullen’. Dhr. T. Hondius is recentelijk overleden en dhr. A.T. Tinne is wethouder geworden. Het kan, aldus deze heren, niet zo zijn dat er maar éen regent van het weeshuis is. Ze ondertekenen met ‘Uw achtbare medeleeden en vrienden’.


Op 20 juni 1836 ontvangen B&W een brief van G.S. Noord-Holland dat Tijmon Kater benoemd is tot dammeester van de Nieuwendam tussen de Katwouder zeedijk en Monnickendam. Hij volgt de heer H.J. van Marle op.
Kater is ook rentmeester van de huiszittende armenkas. In die positie vraagt hij op 13 mei 1837 of de gewone Pinkxter Collecte aan de huizen van de inwoners van de stad gehouden mag worden. Een dag later meldt hij dat deze collecte f 59,10 heeft opgebracht.

Overal kwam trouwens wel geld vandaan. Op 26 augustus 1837 schrijft Tijmon dat de inzameling van gelden aan het hek van het land, waar een harddraverij is gehouden, f 35,05 heeft opgebracht.


Meer dagen en/of uren licht

Dat de gemeenteraad nog niet helemaal tevreden is over de lichtvoorziening op straat, blijkt op 16 januari 1838. Er ligt een voorstel ter tafel 'hoe wen­schelijk het zoude zijn, wanneer een langere tijd van verlichting bij den avond plaats had, zoo, dat in plaats van 16 nu 20 dagen en een maand langer in het voorjaar de réverbères konden bran­den. Kater wordt gevraagd wat de meerprijs is. Een antwoord volgt schriftelijk op 22 november van dat jaar: Voor zeven lantaarns meer dan het aangenomen getal en het extra aantal uren komt hij uit op een jaarbedrag van f 1634,-


Twee dagen later schrijft de gemeentearchitect, Cornelis Tijmensz. Kater (inderdaad de zoon van) aan B&W. Hij heeft een plan tot betere verlichting van de stad. Er ontbreken zeven ‘lamptarens’:

1. in het Noordeinde

2. voor de Damsluis over het Zand

3. in de Smidssteeg

4. op de Zarken

5. op het Padje keer weder

6. in het Beemsterste

7. op het Nieuweland

‘De verlichting zou vier avonden, in iedere donkere maand meerder moeten geschieden, evenwel niet langer dan tot middernacht. Thans branden de 35 Lamptarens in een winter 19440 uur; met 43 lamptarens en 24 avonden meer zal dat getal tot 29412 uren vermeerderen’. Het geheel zou dan f 1513, moeten kosten.

Gelet op wat volgt, zal het stadsbestuur dat echter te duur hebben gevonden.


Elf december 1841 wordt besloten om een voorstel van de heer J. Nooij, waarne­mend commissaris van politie, te honoreren. Tijdens de langste winternachten zal de réverbère voor het wacht­huis van de ‘wachts des nachts’ moeten doorbran­den. De lampen zullen door de ‘nacht­wachts’ worden uitgedaan. Aanne­mer T. Kater zal worden kennisgegeven om zich daarnaar te gedra­gen.
Lantaarn en baken in de Gouwzee

Een apart verhaal is de lantaarn en het baken in de Gouwzee.

Tijdens de watersnood van 1825 stonden grote delen van Waterland onder water. Daarom gaf koning Willem I, nadat in 1824 het Noord-Hollands Kanaal was klaargekomen, in april 1825 opdracht tot afdamming van het IJ en de aanleg van het zogeheten Goudriaan-kanaal. De inspecteur-generaal van Waterstaat, Adrianus Francois Goudriaan maakte tekeningen voor een kanaal van ca. 150 meter breedte door Waterland, van IJdoorn (Durgerdam) via de af te dammen Gouwzee naar de oostkant van Marken. In 1826 werd met de werkzaamheden begonnen, maar in 1828 gestaakt (40).0037

Belangrijk voor ons verhaal is, dat, in verband met deze werkzaamheden, er een kribdam werd gelegd tussen de noordpunt van het eiland Marken en de vaste oever bij Katwoude, de Noord genoemd. Die kribdam, gemaakt van samengevlochten rijshout en daarom een rijzendam genoemd, had in het midden een doorgang. Voor de veiligheid van de schepen was op het uiteinde een baken met lantaarn geplaatst.

Op 12 december 1826 stuurt de Gouverneur van Noord-Holland een brief aan B&W waarin hij zegt ‘dat door mij eene voordragt aan het Gouvernement gedaan is tot het plaatsen van eenen lantaarn op het rijswerk ter afsluitjng van de Goudzee, mij vleijende dat daaraan spoedig gevolg zal gegeven worden’. (Terzijde, in allerlei stukken wordt de Gouwzee vaak Goudzee of Goutzee genoemd).

Twee jaar later, op 3 november 1828 schrijven B&W een brief aan de Gouverneur met een contract ‘wegens het branden van eene lamptaarn en het onderhouden van een baken op den gelegden dam in de Goudzee, ten behoeve van de scheepvaart’. De werkzaamheden aan het eerder genoemde Goudriaankanaal waren inmiddels gestaakt. B&W zien ‘de noodzakelijkheid van de opgelegde dam in de Goudzee ter vereeniging van het Eiland Marken met den vaste wal, eene lantaarn en een baken te onderhouden, ter aanwijzing der opening die in gelegden dam voor de scheepvaart behouden is’. De kosten worden bepaald op f 800,- per jaar. Als de dam er na drie jaar nog ligt, zal een nieuw contract worden opgemaakt.


Dat laatste gebeurt op 3 november 1831. Het gaat om een nieuw, door de koning goedgekeurd, contract ‘wegens het branden van een lantaarn en het onderhouden van een baken op de kribdammen in de Goudzee’. Het stadsbestuur verbindt zich om van 1 september 1831 tot 1 september 1834 de lantaarn en het baken te onderhouden ‘op de uiterste einde van den dam bij de daar gelaten opening’.

Drie jaar later volgt opnieuw zo’n contract voor drie jaar, lopend tot 1 september 1837.

Deze dam heeft er gelegen tot na 1850, want op de kadasterkaart van dat jaar staat hij nog aangegeven, zoals de illustratie laat zien. Maar op een kaart van 1865/1870 is geen dam meer getekend.
Tijmon verantwoordelijk

Uit een brief van 10 december 1832 blijkt dat Tijmon Kater verantwoordelijk is voor de lantaarn en het baken. Hij maakt B&W er op attent dat de betalingstermijn al lang is overschreden en heeft een bedrag van f 1400,- tegoed. Dat geld heeft hij hard nodig in verband met andere projecten.


Tijmen Kater heeft ruim tien jaar de zorg voor lantaarn en baken gehad. In 1838 en 1841 wordt een nieuw driejarig contract opgemaakt. Op 29 januari 1841 schrijft Tijmon Kater ‘dat het Hoofd op de Rijzendam in de Goudzee door zware steenen, betreizeringen met palen en planken samengesteld, door de ijsschuiving geheel is weggeschoven in de avond van den 27 dezer’. Of B&W dat de hoofdingenieur van de provincie willen laten weten.
Twee jaar later, op 1 september 1843, schrijft het stadsbestuur een brief aan de Staatsraad van de provincie met het verzoek om ontslagen te worden van het steeds weer een contract met Kater te moeten sluiten, met betrekking tot dat baken en die lantaarn. Kater zou bereid zijn om dat werk in plaats van 800,- voor 600 gulden te doen. Het provinciebestuur vraagt twee weken later om de beweegredenen van dit verzoek en ook of er bij het stadsbestuur de zekerheid bestaat of het werk voor het verminderd bedrag evengoed als voorheen zal worden gedaan.
Over het functioneren van de werkzaamheden aan baken en lantaarn zijn regelmatig klachten, aldus dhr. de Kruijf, hoofdingenieur van Waterstaat in de provincie Noord-Holland. Op 11 december 1843 schrijft hij een brief aan Zijne Excellentie den Heere Staatsraad Gouverneurs etc.

‘Daar nu de regering van Monnickendam verlangt van die zorg te worden ontheven en dhr. T. Kater als de persoon aanwijst met wie tegen een verminderde jaarlijksche prijs van f 600,- (was f 800,-) zoude kunnen worden gecontracteerd, doch daar die heer als nu achterlijk in het voldoen aan zijn verpligtingen was gebleven, heb ik enige informatie genomen of er niet directelijk met een der inwoners van het eiland Marken, van waar het licht dagelijks moet worden ontstoken en waar vandaan de baak ook het best kan worden onderhouden, dienaangaande een overeenkomst te sluiten zoude zijn’.

De brief van de dhr. de Kruijf zegt verder dat er een vertrouwd persoon is, die ‘bij aldien het licht gebrand wordt van den 1e Augustus tot eind maart – zoo als tot nu toe vanwege Monnickendam heeft plaatsgehad – zich tegen f 400 a f 500,- jaarlijks met de zorg en tevens die van de baak zou willen belasten’.

Het voorstel van de ingenieur is:



  1. dat B&W dhr. Kater verzoeken om de lantaarn tot 31 december te doen branden

  2. dhr. Kater voor die vier maanden (1.9.-31.12) f 300,- krijgt

  3. dhr. de Kruijf permissie krijgt om met de door hem geschikte persoon op Marken een contract te sluiten voor een jaar (1844). Daarna kan er met dezelfde persoon of een ander een nieuw contract gesloten worden, naar gelang of deze persoon al of niet behoorlijk aan zijn verplichtingen zal hebben voldaan.

De Staatsraad Gouverneur van de provincie Noord-Holland die de brief van dhr. de Kruijf meestuurt met een eigen schrijven, is het met de inhoud eens. Belangrijk is wel dat dhr. Kater genegen zal zijn om voor het branden van die lantaarn tot 31 december zorg te dragen, tegen de voorgestelde vergoeding.

Op 26 januari meldt de Staatsraad Gouverneur dat die persoon op het eiland Marken een contract zal worden aangeboden voor onderhoud van het licht en de baak. Kater krijgt een schadeloosstelling van

f 300,-
Straat

Dat Kater ook oog had voor andere zaken dan de verlichting, blijkt uit een briefwisseling over de straat voor zijn huis. Die zou vernieuwd en gerepareerd worden maar dat is nog steeds niet gebeurd. Kater vraagt of een aannemer de zaak gaat verhelpen of hij toestemming krijgt om dat, voor eigen kosten, zelf te doen. Het probleem is dat de straat veel lager ligt dan de stoep en dat wil Kater graag veranderd zien.

De straat is gemaakt, maar niet overeenkomstig de bepalingen van het bestek, zo moet Kater in juni van dat jaar helaas constateren, Hij is zelfs over de hele lengte 30 duimen minder breed geworden als in dat bestek is bepaald. Met klem vraagt hij dan ook dat de straat voor zijn woning op het Nieuweland gemaakt mag worden zoals het behoord.


Een nieuwe ontwikkeling: gasverlichting

De straatlantaarns van Monnickendam brandden op (dure) raapolie, maar er was verandering op komst: gasverlichting. Het zou echter nog een aantal jaren duren voordat de lantaarns de binnenstad van Monnickendam zouden verlichten op ‘pijpgaz’. Een factor van belang om te zoeken naar nieuwe vormen van verlichting was, vanwege de oorlogen van Napoleon met Rusland, dat land voor een groot deel uitviel als talgleverancier, de belangrijkste grondstof voor het maken van kaarsen voor alledaags gebruik


III. GAS

0038 of 0038a

Al in 1659 deed de Engelsman Chirley proeven met gas, verkregen uit steenkool. In ons land was de in Maastricht geboren apotheker, later leraar in natuur- en scheikunde, Jan Pieters Minckelers (1748-1824) de eerste die onderzoek deed naar het winnen van gas. Minckelers ontdekte o.a. het lichtgevend vermogen van steenkoolgas. In 1785 zag hij kans om zijn ‘çollegezaal’ in Leuven, waar hij professor was, met gas te verlichten. Het licht van de nieuwe gasvlam zorgde er voor dat de belangstelling voor dit fenomeen snel groeide. 0039

Ook de Nederlandse predikant Bernardus Koning (1778-1828) (41), in 1807 dominee in Akersloot, maakte zich verdienstelijk voor de gasverlichting. In zijn ‘Verhandeling’ schrijft hij dat de nevenproducten van steenkoolverlichting zeer waardevol zijn. Cokes is een prima brandstof voor ijzer-, glas- en steenbakkerijen. Steenkolenteer was een middel om de beruchte paalworm te doden (42).


Het stadje Freiburg in Saksen/Duitsland was het eerste met openbare gasverlichting. Londen (Pall Mall) volgde in 1812, Parijs in 1819 en Berlijn in 1826. Elf jaar later stonden er in Londen al een kleine 40.000 van deze gaslantaarns.

Voor gasverlichting was heel veel steenkool nodig. In 1840 werd voor de stadsverlichting van Londen 180.000 ton steenkool gebruikt. Maar Groot-Brittannië had voldoende kolen ter beschikking.

De nieuwe lichtvoorziening zorgde voor heel wat werkgelegenheid. Er moesten gasleidingbuizen worden aangelegd en gazometers (gashouders) aangesloten, werk dus voor de metaalnijverheid. Honderden mijnwerkers waren nodig voor de winning van de benodigde steenkool. Ook de chemische industrie profiteerde, omdat steenkoolgas gezuiverd moest worden. Het gebruik van gas uit olie stimuleerde de landbouw omdat oliegas o.a. uit koolzaad werd gewonnen.

Daarnaast was er behoefte aan meteropnemers, administratief personeel en andere hulpdiensten.


Verzet 0040

Nieuwe ontwikkelingen worden meestal met argusogen bekeken. De kerken bijvoorbeeld, zagen hun stemmige illuminatie met kaarslicht veranderen in verlichting ‘nieuwe stijl.’ Veelzeggend is het volgende vers: (43)


‘Och arme gemeente, och dwaze predikant,

uw woord is enkel gas, uw zinnen zijn verduistert,

geheel de kerkenraad is van haar eer ontluistert,

die vrijheid gave om gas in ’t Heiligdom te planten,

de eer van God is weg, dat blijkt van alle kanten’.
Maar niet alleen vanuit de kerk klonk kritiek. De gasverlichting zou de gezondheid ernstig schaden, zo schreef in 1819 een Keulse krant. Wandelen in de avondlucht werd daarom ten sterkste afgeraden. Ook zou het licht paarden schuw maken. En toen er in 1836 een onbekende iepenziekte ontdekt werd, veroorzaakt door een soort wormen, werd dat ‘kwaad’ aan het gas toegeschreven.
Gas uit Engeland

Een grote Britse maatschappij, de Imperial Continental Gas Association (I.C.G.A.) sloot overal in Europa contracten af voor de levering van kolengas. In 1834 kreeg deze Maatschappij toestemming om ook in ons land gas uit steenkool en hars te stoken. Maar van openbare verlichting middels gas was voorlopig nog geen sprake. Veranderingen kosten nu eenmaal tijd. 0041

Nadeel van deze Engelse Maatschappij was, dat er veel geld naar het buitenland verdween en dat de gasbuizen, lantaarns, kandelabers en lampen uitsluitend door Engelse fabrieken werd geleverd, waar Nederlandse bedrijven ook zeker in staat waren die te fabriceren. Vandaar dat er gaandeweg de 19e eeuw overal eigen gasfabrieken werden opgericht.
De op olie brandende lantaarns verspreidden een mooi licht, hoewel, het zij herhaald, raapolie duur was.

In 1840 nam Amsterdam een proef met gasverlichting op straat. Daar was men zo enthousiast over dat er een netwerk van buizen de grond in ging en het aantal lantaarns gestadig toenam. In 1849 werd de hele binnenstad van Amsterdam door gaslampen verlicht. De ontwikkeling van op gas brandende verlichting was niet meer te stuiten. Ook Monnickendam zou er kennis mee maken. Maar niet iedereen was even enthousiast zoals blijkt uit een rijmpje:


‘Toen het licht stond op de palen, kon iedereen het nog betalen,

toen het licht hing aan de touwen, was het nog goed uit te houwen,

maar nu het komt uit de grond, is het allemaal str….’.




1   2   3   4   5   6   7   8   9   10   11


De database wordt beschermd door het auteursrecht ©opleid.info 2019
stuur bericht

    Hoofdpagina