Drie eeuwen straatverlichting in Monnickendam



Dovnload 0.49 Mb.
Pagina6/11
Datum25.07.2016
Grootte0.49 Mb.
1   2   3   4   5   6   7   8   9   10   11

Kolenaanvoer 0047

Het gas werd gewonnen uit kolen, die over het water werden aangevoerd, immers de gasfabriek lag dicht bij water. Als zo’n schip met kolen arriveerde, waren er altijd wel van die losse arbeiders die, tegen betaling uiteraard, bereid waren om een handje te helpen. Het is uiteraard ook mogelijk dat de directeur van de gasfabriek daar zelf mensen voor had of inhuurde.


Gasfabriek gekocht door Tijmon Kater

Schellinger heeft de levering van gas slecht een maand of vier volge­houden. Een goed notaris is niet automatisch een goed fabrikant, technicus of directeur van een gasfabriek. Op 28 maart 1857 is hij genoodzaakt om de gasfabriek, nabij de touwslagerij, onder goedkeuring van het stadsbestuur, met het bijbeho­rende woonhuis, de bergplaats, smederij, grote stenen loods en gashouder te verkopen. Koper is, jawel, de dan 70-jarige Tijmo­n Corne­lisz. Kater, die de gasfabriek op 1 april voor

f 18.000,- ten eigendom krijgt.

Notities uit het contract: ‘De koper zal het recht hebben tot het vrije gebruik en genot der regenbak, staande bij het woonhuis, ten deele op de bij deze acte verkochte grond en ten deele op de grond welke eijgendom van den verkoper is gebleven’.

‘Onder de verkoop zijn mede begrepen de aanwezige voorraad steenkolen, de gazometers die in het magazijn’ voorhanden en bij de verschillende particulieren in gebruik zijn’
‘Het moet Tijmon, ondanks zijn leeftijd, een oneindige vreugde hebben gegeven (…..) toch zijn doel bereikt te hebben tegenover het zo krenterige en weinig meewerkende stadsbestuur. Werd de rijk geworden aannemer wel zo geaccepteerd in de kring van notabelen en academici van de stad’? (50).
Voor de heer Schellinger kreeg zijn betrokkenheid als voormalige eigenaar van de gasfabriek twee jaar later nog een staartje. Het stadsbestuur deed in 1859 moeilijk over een stukje grond van de stadsvesting dat, volgens hen ten onrechte, bij het terrein van de gasfabriek zou zijn getrokken. Echter, bij de start van de gasfabriek was dat niet aan de orde geweest en ook de stadsarchitect had er nooit aanmerkingen over gemaakt (51).
Gasverlichting in Monnickendam

Dacht men in 1851 van de heer Kater af te zijn, nu moet de Raad opnieuw met de ingenieur om de tafel gaan zitten. Op 15 augustus 1857 wordt er een contract opgemaakt, bestaande uit 14 artikelen, dat op 1 september zal ingaan en een looptijd kent van 33 jaar. Dat contract omvat de verlichting met gas van 41 lantaarns binnen de stadsmuren, met inbegrip van de lantaarn op de lange brug. Daar­naast de lantaarn bij het haring­huisje en een goede gaslamp in het lokaal van de nachtwacht. Ook voor het onderhoud is dhr. Kater geheel verantwoordelijk. Er is ook een nieuw model lantaarn die niet meer op houten, maar op ijzeren palen staat. Op het Weezenland heeft er één proefgedraaid, met goed resultaat.

Evenals dhr. Schellinger krijgt ook Tijmon Kater jaarlijks f 1000,- voor zijn werkzaamheden betaald.
Het werk zelf wordt uitbesteed aan lantaarnopstekers. Zij moeten overdag de ruitjes van de lantaarns poetsen, de gasbranders reinigen, gaskousjes verwisselen en gebroken lantaarnruiten vervangen (baldadigheid). Om hun handen te beschermen, dragen de heren polsmoffen.
Ondanks verzoek geen dubbelfunctie

U las het al eerder, de heer Kater had jarenlang twee petten op. Hij was lid van de Raad geweest en tegelijk aanne­mer met werk voor de stad. Volgens de nieuwe wet der Gemeente­besturen was het echter niet langer mogelijk, vanwege belangenverstrengeling, die twee functies te verenigen. Op 1 september 1857 vraagt Kater aan G.S. om dispensatie van art. 24 van deze Gemeentewet, maar het verzoek wordt afgewezen. Het wetsartikel kent geen uitzonderingen. Kater wordt dus niet (opnieuw) toegelaten tot de Raad.


Vernieuwingen in en aan de gasfabriek

In juli 1858 stuurt de Heer Kater een brief naar B&W waarin hij aangeeft dat de door hem overgenomen fabriek ‘gebrekkig’ was. ‘Thans zijn alle gebreken hersteld en door de Engelsche Ingenieur John Brijcan geheel gereconstrueerd’. Er is een nieuw zuiveringstoestel geplaatst, de teerleiding is veranderd, er is een nieuwe condenser en pijpen gesteld. Dat alles is zodanig ingericht dat alle toevoerpijpen gemakkelijk schoongemaakt kunnen worden’. Dhr. Kater nodigt B&W uit om de fabriek (na een afspraak) te komen bezichtigen.


Gas in het weeshuis

Zo is Monnickendam dus in 1857 het ‘gastijdperk’ binnengegaan. Zowel buiten- als binnenshuis werd gasverlichting gebruikt. Dhr. Kater zorgde er bijvoorbeeld ook voor, dat het weeshuis door ‘pijpgaz’ werd verlicht. Op 17 augustus 1857 hadden de regenten daartoe besloten.

0048

Varia

De veertien bepalingen bij de overeenkomst met dhr. Kater leren ons hoe de stadsverlichting er destijds bij stond. Gesproken wordt over verlichting met uit steenkolen verkregen pijpgas. De gaslantaarns hebben 'zogenaamde vleermuis vleugels' en staan op ijzeren palen of kandelabers. De, op het moment van het afsluiten van het contract, nog gebruikte réverbères met houten palen en ijzeren armen worden het eigendom van de heer Kater.

De nieuwe gaslantaarns moeten om het jaar worden geschilderd met goede olieverf in een kleur die het stadsbestuur zal bepalen. Alle palen hebben een duidelijk zichtbaar nummer. Een en ander dient goed onderhouden te worden.
Werkzaamheden van Kater in mei 1858, ten behoeve van de verlichting van het haringhuisje en de daarop gevolgde rekening zorgen ook voor heen en weer geschrijf. Het gaat zover dat B&W op 22 maart 1859 Kater er aan herinneren ‘wanneer de afrekening op 1 juni e.k. niet heeft plaatsgehad, die rekening overeenkomstig de wet vervallen is. Nog steeds zijn de goede verhoudingen blijkbaar ver te zoeken tussen het stadsbestuur en dhr. Kater.
Op 19 april 1858 verzoekt Tijmon Kater om de stads­straten ook in de maanden mei en augustus geheel of gedeeltelijk met gas te verlich­ten. Dat gaat op jaarbasis f 78,- meer kosten, maar B&W wijzen het voorstel af.
Stadsburgerschool

Dhr. Kater heeft er ook voor gezorgd dat de StadsBurgerschool gaslicht heeft gekregen. Op 15 december 1859 wordt aan hoofdonderwijzer Andries Lodewijk Schmidt geschreven ‘dat het gaslicht niet langer zal mogen branden dan de schooltijd duurt, in geen geval later dan 61/4 uur des avonds van die dagen wanneer er school gehouden wordt.


Ontevredenheid

In januari van dat jaar was Kater door het gemeentebestuur op de vingers getikt. ‘Bij een nauwkeurige aanschouwing van de door u aangenomen straatverlichting door middel van gas, moeten wij, bij de uitvoering daarvan, u onze ontevredenheid kenbaar maken daar overeenkomstig art. 5 van onze voorwaarden geenszins gevolg wordt gegeven. Immers de vlammen welke tien duimen breed moeten zijn en zeven duimen hoog hebben over het algemeen dat caliber niet en zijn veel kleiner, terwijl de rode gloed van de vlammen ook in strijd is met genoemd artikel daar deselve wordt geschreven te moeten zijn zuiver wit zonder schakering. Aangenaam zal het ons zij te mogen ondervinden dat deze kennisgeving de strekking zal hebben dat dergelijke aanmerkingen geen plaats meer zullen hebben, daar wij ongaarne de daar op staande boeten van toepassing zouden willen brengen’.


Verkoop van de gasfabriek

In 1860 vraagt Tijmon Kater, inmiddels de 70 ruim gepasseerd, of hij het verlichtingscontract mag overdoen aan zijn zoon Cornelis. Maar de Raad geeft geen toestemming, met als gevolg dat Tijmon op 30 oktober de gasfabriek aan de Heerengracht met bijhorend woonhuis, bergplaats, smederij en gashouder voor f 21.500,- verkoopt aan architect Pieter Hendrik Peletier (52). De Raad had daar op 25 september toestemming voor gegeven. 0049

Peletier krijgt in diezelfde maand van het stadsbestuur toestemming om de taak van Kater als aannemer van de straatverlichting over te nemen. Ook zijn verzoek om ‘vrijgesteld te mogen worden van de verpligting om borgen te stellen in betrekking als aannemer der straatverlichting dezer stad’ wordt gehonoreerd.

Op 29 december 1860 ondertekenen Kater en Peletier het contract dat de overname van de straatverlichting regelt. Op diezelfde dag wordt ook het contract getekend tussen B&W en de heer Peletier. Tot 1867 is hij de nieuwe man voor de stadsverlichting.


De jaren Peletier

Op 19 maart 1861 stuurt de stadsarchitect, de heer Jan van Leeuwen Azn een brief met aandachtspunten. Peletier moet de straat in het Zuideinde en de Haven boven de gaspijp aan het profiel brengen. Hij krijgt daarvoor acht dagen de tijd. Vermoedelijk gaat het om het om een verzakking in de weg.


Een lantaarn aan een van de huizen van de Nieuwezijds Burgwal heeft al enige tijd niet gebrand.

Volgens de overeenkomst moet de vlam in de lantaarns te allen tijde een breedte van tien en een hoogte van zeven duimen hebben. Dat is de laatste tijd niet het geval geweest (een duim is ongeveer 2,5 cm). Er is dus sprake van een behoorlijk vlam!

Peletier wordt ook verzocht ‘de gaz zoodanig en zoodikwijls te zuiveren, dat zij zonder dwaling, rook en stank is en een helder wit licht verspreidt’.

Als laatste moet Peletier, gelet op de overeenkomst, de lantaarns schilderen en nummeren. Dat moet klaar zijn voor 1 mei 1861.


OverlijdenTijmon Kater

Op 1 augustus 1863 stuurt Tijmon Kater een brief naar B&W waarin hij, vanwege zijn hoge leeftijd, vraagt ontslagen te worden als commissaris van de Stadstekenschool. Tegelijk schuift hij dhr. Peletier als opvolger naar voren, maar hij heeft daar niet tevoren met de gasfabrikant over gesproken, noch hem gevraagd. Volgens Tijmon is Peletier echter een uitmuntend tekenaar.

0050

Op 12 februari 1864 viert het echtpaar Kater/Slot hun 55-jarig huwelijksverbintenis. De foto is op die heugelijke dag gemaakt. Het is de laatste grote gebeurtenis in het leven van Tijmon en zijn vrouw, want veertien dagen later, 26 februari 1864 ’s avonds om half tien, overlijdt de 76-jarige Kater op de Nieuwezijds Burgwal wijk 4 nr. 178.



Drie dagen later maakt vrouw Annetje bij notaris Merens een (nieuw) testament op, met Klaas Houtman en Andries Strubbe als getuigen. Het gereformeerd weeshuis krijgt duizend gulden, vrij van kosten en haar zoon Jan in Zwolle (53) wordt aangesteld als executeur van de boedel.

Annetje Slot is dusdanig verzwakt dat ze, hoewel ze heeft leren schrijven, niet in staat is om de acte te ondertekenen. Op diezelfde dag! 29 februari (1864 was een schrikkeljaar) overlijdt ‘des namiddags tien uur’ de 80-jarige Annetje. Haar laatste woorden zijn: ‘ik ga vader na…’

Daarmee komt er een einde aan ongeveer vijftig jaar straatverlichting in Monnickendam waar Tijmon Kater verantwoordelijk voor is geweest. Een bekwaam man met visie en ambitie, zo mag je deze telg uit de Kater-familie toch wel typeren, was niet meer.
Verbetering van de lichtvoorziening

De stadsarchitect zat ook niet stil. Op 20 januari 1865 doet hij een aantal aanbevelingen om de straatverlichting uit te breiden en te verbeteren. Hij schrijft: ‘Het zou beter zijn als de lantaarns tot vijf uur ’s morgens zouden branden. Het blussen kan dan nog door de nachtwacht plaatsvinden. Hij vestigt de aandacht ook op weinig verlichte plaatsen. Op de Binnendijk is de afstand tussen de lantaarns te groot. Er zouden er twee bij moeten komen. Op de Heerengracht, in het Zuideinde bij het dijkmagazijn en in de Roozendaalstraat (Beemstertje) kan volslagen duisternis heersen. De verlichting op de laatstgenoemde plaats is van nut bij het bezoeken van de kerk, terwijl een verlichting op de beide laatstgenoemde plaatsen wenselijk is, wanneer gedurende de kermisweek, de passage met rijtuigen langs deze weg is’.

Of een en ander verwezenlijkt is ben ik niet nagegaan, maar dat het stadsbestuur over de financiële consequenties heeft gesproken, blijkt uit een brief van de stadsarchitect van 29 november van dat jaar.
Belasting voor onderhoud lantaarns

Elk jaar stelde het gemeentebestuur de hoogte van het te betalen lantaarngeld en dat voor de nachtwacht vast. Je moest wel een bepaalde ondergrens als inkomen hebben om die belasting te hoeven betalen. Op 27 september 1865 lag die grens op f 31,- ‘Zij van wier woning de huurwaarde volgens de Personele Belasting minder dan f 31,- bedroeg zijn vrij van deze belasting’. Zo werden dus de allerarmsten ontzien.


Onrust wegens diefstallen

Op 13 maart 1866 klimmen drie notabelen in de pen, P.L. Thierens, N. Costerus en J. Boerlage. Wat is het geval? Er worden ‘bij herhaling diefstallen gepleegd’ en dat vraagt om maatregelen. De drie heren doen verschillende aanbevelingen: Meer ‘blauw op straat, d.w.z. een verdubbeling van de plaatselijke nachtwacht; vier patrouilles tegelijk door de stad tussen zonsondergang tot zonsopgang; verdachte personen nauwkeurig in de gaten houden; een geldelijke beloning ‘voor ‘wie een dief of dieven, zelfs poging tot diefstal, weet aan te wijzen of te ontdekken. Daartoe zal langdurige straatverlichting behulpzaam zijn’. Als B&W niet met spoed maatregelen nemen, zullen de heren zich ‘direct met de bevolking verstaan omtrent de noodige maatregelen ter herkrijging van veiligheid en rust onzer inwoners’.


B&W hebben van zich laten horen en ‘nemen tijdelijke maatregelen ter verbetering van de policie’. De door de drie voorgestelde maatregelen worden echter niet gehonoreerd ‘uit hoofde dat de financiële toestand van de gemeentekas de vereischte uitgaven niet toelaten’.

Maar de drie mannen hebben ‘zich verpligt geacht, niet lijdelijk in dit besluit van den Raad te berusten’. Op de 18e is een adres de inwoners ter tekening aangeboden, waarin uitdrukkelijk op het nemen van betere voorzorgsmaatregelen bij de Policie alhier aangedrongen wordt’. Een handtekeningen-actie dus. Hoe het afliep?


Nieuwe eigenaar van de gasfabriek 0051

Op 16 april 1867 vertrekt het echtpaar Peletier naar Hilversum. Zes weken eerder, op 28 februari 1867, had Pieter Peletier de gasfa­briek voor f 22.000,- verkocht aan Willem Carel Ross-Vosmaer (54), die niet lang daarvoor was teruggekomen uit Nederlands Indië, waar hij geruime tijd heeft gewoond. Vosmaer is op 1 mei 1867 in Monnickendam ingeschreven op adres Nieuwezijds Burgwal.

Pieter Hendrik Peletier was een vermogend man. Dat bleek toen er op 6 december 1869, door notaris Merens, een openbare verkoping plaatsvond van negen percelen onroerend goed ‘in de Krim’, te weten zeven huizen, een stuk moesgrond en een strook grond langs de touwbaan van de gebr. Jacobus en Cornelis Groenewoud. Peletier heeft deze percelen op 25 oktober 1867 gekocht, hetgeen het aardige sommetje opleverde van f 3982,- . Daarbij zijn de panden 6 en 7 niet inbegrepen.
Waarnemers

Het werk gaat echter door. Er komen twee waarnemend pijpgasfabrikanten, die verantwoordelijk zijn voor het runnen van de gasfabriek: apotheker Adrianus Franciscus Pieter van Son (55) en notaris Dirk Coste­rus (56). Samen met een zus van Vosmaer, Guillomine Caroline Vosmaer als erfgename, zijn zij verantwoordelijk voor de gaslevering.


Overlijden Adrianus van Son

Dhr. van Son is echter maar korte tijd medeverantwoordelijk voor de gasvoorziening. Hij overlijdt op 5 juni 1874, 41 jaar oud. Zijn vrouw is dan net in verwachting van hun derde kind, William Hendrik, dat op 23 februari 1875 geboren zal worden.

Op 20 november 1874 schrijft mevrouw van Son een briefje aan de controleur en het ‘collegie van Zetters der gemeente Monnickendam’ en zegt: ‘geeft bij deze te kennen dat, tengevolge van het overlijden van haar echtgenoot, het door dezen uitgeoefende bedrijf van Pijpgasfabrikant is overgegaan op den mede ondergetekende Dirk Costerus, candidaat notaris mede te Monnickendam woonachtig’. Beiden verzoeken dat ‘het patent van genoemde heer van Son, voor zover betreft het bedrijf van Pijpgasfabrikant, word overgeschreven ten name van voornoemde Dirk Costerus’. Met de drie, nog jonge, kinderen Wilhelmina Elisabeth, Adrianus François Pieter en William Hendrik vertrekt Elisabeth naar Haarlem.
Poging tot verkoop van de gasfabriek

In dat zelfde jaar, op 15 october 1874, is notaris Arnout Vosmaer uit Zeist in Monnickendam, in zijn hoedanigheid als schriftelijk gevolmachtigde van de zus van wijlen de heer Vosmaer, Guillelmine Jacoline Vosmaer. Hij is gekomen om de gasfabriek te verkopen met alles wat er toe behoort. Een reeks artikelen stellen de voorwaarden van de koop vast. De prijs is bepaald op f 1625,-

Het woonhuis is tot 1 mei 1875 verhuurd aan dhr. J.C. Kremer, daarna is kan het vrij bewoond worden.

Maar de verkoop lukt niet. ‘En is het genoemde perceel na opbod en afslag afgehouden’, zo moet notaris Vosmaer, zijn collega Cramer uit Edam Merens uit Monnickendam, in gezelschap van logementhouder Dirk Klaver constateren. Tien jaar later zal dat anders blijken te zijn.


IJken

Op 21 november 1879 stuurt de Raad de chef van het ijkbureau in Hoorn een (antwoord)brief 'dat blijkens informatie bij de directeur der gasfabriek, er kort na het in werking treden der wet, een aanvang is gemaakt met de in gebruik zijnde gasmeters aan de ijk te onderwerpen; dat op heden 59 dier gasmeters geijkt zijn en nog 34 stuks geijkt moeten worden en dat de gasfabriek in deze gemeente gedurende het hele jaar werkzaam is'.

Wat is het geval? In 1869 is er, bij het in werking treden van de nieuwe ijkwet, een verplichte keuring van alle toestellen. Het toezicht op de ijkwet is overgenomen door landelijke in plaats van stedelijke ijkers. In 1882 is die verplichting overigens alweer afgeschaft en dat is zo gebleven tot 1937.
Verlichting laat te wensen over.

Op 30 oktober 1880 ligt er een rapport van de stadsar­chitect met de mededeling 'dat de gazlan­taarns vuil, het gazlicht niet zuiver en niet wit is en de vlam niet voldoet aan de bestaande voorschriften'. De Raad zal den Directeur der gazfabriek aan de bepalingen uit het betreffende con­tract herinneren, met het verzoek tot verbetering.


Op 18 december antwoordt Dirk Costerus, directeur der gazfabriek, 'dat ingevolge ontvangen schrijven d.d. 13 december het opste­ken der straatlantaarns thans meer geregeld gaat dan vroeger en voor de grootte der gazvlam en de helderheid reeds is gezorgd'.
Onderhandeling over de verkoop van de gasfabriek

Op 1 april 1881 overlijdt in Leiden Guillemine Caroline Vosmaer, de eerder genoemde zus en erfgename van Willem Carel, weduwe van mr. Lambert van Meerten (57).

De erfgenamen, over wie verderop meer, vragen aan het gemeentebestuur of er onderhandeld kan worden over de verkoop van de gasfabriek. De Raad is daartoe wel genegen, zo blijkt op de 24e november 1881. Maar er is geen overeenstemming bereikt. Ik vraag me wel af wat we ons bij die onderhandelingen moeten voorstellen, immers de fabriek was particulier eigendom!
Gas in de Grote kerk

We gaan nog even terug naar het jaar 1857. Niet alleen het weeshuis, ook de Nicolaaskerk is door Tijmon Kater van gaslicht voorzien. Niet zo eenvoudig om een zo grote hallenkerk als die van Monnickendam goed verlicht te krijgen. Er waren voor de diensten jarenlang tientallen kaarsen nodig in de kroonluchters, op de banken en de preekstoel. 0052

Op 21 april 1857 schrijft Tijmon Kater een brief aan de kerkvoogden, waarin hij voorstelt om de kerk, middels zestig branders, met pijpgas te verlichten. Een commissie van zes leden buigt zich over het plan en het wordt metterdaad uitgevoerd. Op 2 oktober 1857 vermelden de notulen van de Kerkvoogden dat de gasverlichting in de kerk voor 1253 gulden zal worden aangelegd. Deze zal bestaan uit hoofdbuizen en pijpen, zeven kronen met kandelabers, waarvan ieder met 32 lichten zullen hangen in het schip van de kerk. De noord- en zuidzijde zullen verlicht worden door in ieder twee kronen, elk van 24 lichten, te plaatsen. Boven de kap van de preekstoel zal een gasvlam worden aangebracht.

Er is vlot gewerkt want op 27 november van dat jaar blijkt dat de nieuwe verlichting al een paar keer gebrand heeft. Een eerste voordeel is, dat er nu ook weer kerkdiensten op donderdagavond gehouden kunnen worden. Die hadden, vanwege een te hoog kostenplaatje, geruime tijd stil gelegen.


Niet alles gaat meteen goed. In de laatste maand van dat jaar vinden de kerkvoogden de verlichting onvoldoende. Dat wordt in februari 1858 verholpen, doordat men, in plaats van ijzeren, porseleinen branders gaat gebruiken.

Met dhr. Kater wordt een verlichtings- en onderhoudscontract aangegaan voor tien jaar. De overeenkomst eindigt op 31 december 1867, maar dan is er, zoals we zagen een andere verantwoordelijke gasleverancier.


Voordat de heer Ross-Vosmaer een nieuw contract met de kerkvoogdij aan wil gaan, moet eerst de hoofdgasleiding vanuit de toren naar de kronen vernieuwd worden, want die is in slechte staat. Dat gebeurt en een nieuw tienjarig, vrijwel ongewijzigd, contract wordt op 1 januari 1868 van kracht.

Als de Heer van Son, na het overlijden van de heer Ross-Vosmaer, de nieuwe verantwoordelijke man voor het gas is, krijgt hij begin 1874 een brief van de kerkvoogden dat de verlichting behoorlijk te wensen overlaat omdat de kranen niet voldoende gas aangevoerd krijgen. Dat wordt verbeterd.


Het volgende contract, gesloten met de heer Costerus, wordt 1 juli 1878 van kracht. Het gaat nu om zes, in plaats van tien jaar, maar met de mogelijkheid van verlenging. Dat laatste gebeurt ook (58).
Tot 1895 wordt alleen de kerk met pijpgas verlicht. De bijruimten en de woning van de koster worden echter dat jaar ook voorzien van gas.
Inmiddels had het gas- of gloeikousje (59) z’n intrede gedaan en dat gaf een veel beter licht dan wat men tot dusver gewend was. Kortom, er komt gasgloeilicht in de kerk dat bovendien minder zal gaan kosten.
Weer een klacht over de verlichting

Dat het met de straatverlichting niet altijd naar wens ging blijkt ook op 14 januari 1883. De gemeentearchitect heeft een lijst van gebreken opgesteld en daarom stuurt de Raad de heer Costerus een brief met een klacht over de slechte verlichting en de manier waarop deze lantaarns onderhouden worden. Alle klachten hebben tot dusver echter niet tot een gewijzigd beleid omtrent het onderhoud van de lantaarns geleid. Er zitten in een aantal lantaarns gebroken ruiten en in sommigen ontbreken ruitjes. De vlam heeft zelden de vereiste hoogte vanwege te weinig gasdruk, er is sprake van oxydatie, vervuiling van de opstaande pijpjes, de bran­ders en de kraanopeningen. Ook een lekkende pijp wordt gemeld. Kortom, een en ander beantwoord niet was er destijds in het con­tract (1857) is afgesproken.

Costerus krijgt te horen dat de bepalingen van het contract 'stiptelijk moeten worden opgevolgd en dat wat de veiligheid aangaat, door te nemen maatregelen, het gevaar moet worden afgewend'.

Het rapport van de gemeentearchitect liegt er niet om.


Het blijkt nodig om dhr. Costerus op 2 februari nog eens te herinne­ren aan de brief van 14 januari. Hem wordt gevraagd 'om met enige spoed te willen berichten welke maatregelen door u genomen zijn of genomen zullen worden en in het laatste geval, wanneer tot ophef­fing van het gevaar, welke de gashouder of stolp van de gasfabriek alhier voor de openbare veiligheid oplevert en waarop gedoeld wordt in het slot van bovengenoemde missieve'.

Uit een schrijven van de Commissaris van de Koning in Noord-Holland d.d.19.1.1883 blijkt dat men advies heeft gevraagd, hoe te handelen in verband met de veiligheid van de fabriek. Het antwoord daarop is:

‘dat het doen instellen door een bevoegd deskundige, van een onderzoek naar de toestand van de verschillende toestellen, tot de gasfabriek behorende, dus ook van de gashouder, staat aan het gemeentebestuur, aan hetwelk de wet van 2 juni 1875 het toezigt op inrigtingen welke gevaar, schade of hinder kunnen veroorzaken, is opgedragen’. Mocht de oplegging van nieuwe voorwaarden nodig zijn, dan kan dat op grond van de laatste wijzigingen van dat voornoemd besluit, d.d. 3 augustus 1876.
Antwoord van Costerus

Op 6 februari schrijft Costerus een brief met vier kantjes tekst om de klachten te ontzenuwen. Omdat deze brief een goed inzicht geeft hoe de gasfabriek en de straatverlichting in de praktijk functioneerde, zal ik er enkele belangrijke gedeelten uit citeren.


Costerus begint met de opmerking dat de geuite klachten niet geheel ongegrond zijn, maar noemt vervolgens een aantal redenen die de problemen veroorzaken. ‘Het stormachtige weer in de laatste maanden zo dikwijls voorgekomen, heeft werkelijk vele lantaarnruiten doen breken, doch tot mijn genoegen kan ik u melden, dat reeds op 11 en 12 januari jl. op mijne orders, alle gebroken lantaarnruiten door gave waren vervangen, terwijl ook voor het vervolg omtrent dit punt aan mijn ondergeschikten de kansen op vervuiling der branders, door het inwaaien van stof de strengste bevelen heb gegeven’.

Over de vlam zegt Costerus het volgende: ‘Het zij verre van mij te willen beweren, dat alle lantaarns te allen tijde branden met een vlam ter hoogte van zeven en ter lengte tusschen de uiteinden van tien centimeters; plotselinge verstopping van een brander, het breken van een ruit, waardoor de wind vrij spel krijgt met de vlam enz. zijn oorzaken dat werkelijk niet iedere lantaarn altijd aan dat voorschrift voldoet, ja zelfs voldoen kan. Het verschil in mening betreft dus niet het feit zelf, hetwelk ik erken, als wel de veelvuldigheid daarvan. De buitengewoon hooge drukking toch, die reeds sinds geruime tijd wordt gegeven wanneer de lantaarns branden is oorzaak dat, gemiddeld genomen, meer lantaarnvlammen boven de vereischte maat branden dan daar beneden’.

Een derde klacht gaat over de helderheid en kleur van de vlam. Costerus zegt daarover dat de bepaling in het contract geen andere kan zijn dat de aannemer zich verplicht tot het leveren van zo zuiver mogelijk goed lichtgevend gas. Hij voegt daar aan toe dat ‘geen steenkolen-gasvlam zuiver wit kan zijn, daar een blauwachtige kern een kenmerkende eigenschap is, terwijl evenmin het steenkolen-gas, in de praktijk, zó zuiver kan worden geleverd, dat alle aanslag vermeden wordt’. Er worden prima Engelse gaskolen gebruikt en ook op de zuivering van het gas wordt nauwkeurig toegezien. 0053

Belangrijk punt van kritiek was ook de veiligheid. ‘Tegen de grief omtrent een lek in de gasleiding zij het mij vergund in te brengen 1. dat mij nimmer van lekkage of storing in den gas-omloop is gebleken, of ik heb zo spoedig mogelijk door opgravingen naar de oorzaken gezocht en de bevonden gebreken doen herstellen; 2. dat mij uit de in November of December jl. gedane opgraving en herstelling, door niets het vermoeden is gegeven dat hier of daar lekkage bestaat’.

De Raad heeft in hun schrijven ook opmerkingen gemaakt over ‘het veronderstelde gevaar, dat de toestand van den gasfabriek oplevert’. Costerus schrijft: ‘In ’t algemeen genomen zal wel elke gasfabriek gevaren opleveren; althans de mogelijkheid van ontploffingen bestaat, hoewel ik vermeen dat dergelijke ongelukken aan de gasfabriek zelve, slechts zeer zelden voorkomen. Hoe nu echter de bij het rapport beweerde slechte toestand van den gashouder alhier het gevaar voor de bewoners in de nabijheid zou kunnen vermeerderen, begrijp ik niet. Dit gevaar bestaat toch bij een ouden gashouder in geen meerdere mate dan bij een nieuwen en ijzersterke het geval zou zijn. Immers tegen ontploffing, waarop het rapport dan toch zeker doelt, is niets bestand. De onjuiste onderstelling dat een gashouder, lek wordend, daardoor ontploffing zou veroorzaken, kan m.i. alleen tot deze vrees voor gevaren geleid hebben. Ik noem deze onderstelling onjuist, daar zij alle grond mist. Zodra toch een gashouder, oud of nieuw, lek wordt, stroomt het gas naar buiten en stijgt onmiddellijk naar de bovenste luchtlagen. Ontploffing kan daardoor, zonder invloeden van buiten af, niet ontstaan (…). De reden waarom ik mijn principalen steeds heb gewezen op de noodzakelijkheid der bijbouwing van een tweede gashouder was dan ook niet de zorg

voor de publieke veiligheid, doch de zorg voor het bestaan der aan mijn administratie toevertrouwde fabriek die met geheelen financieelen ondergang bedreigd wordt, indien de ene gashouder, te eeniger tijd de levering van gas, bij gebrek aan een tweede gashouder, onmogelijk zou zijn’. Alle pogingen van Costerus om gelden te verkrijgen voor een tweede gashouder, waarbij de eerste gewoon door zou functioneren, zijn mislukt ‘evenzoo alle pogingen tot verkoop van de fabriek, publiek en uit de hand, tot zelfs voor uiterst lage prijs. In het belang van de eigenaresse (zie bij de verkoop van de fabriek verderop) zal ik echter nogmaals de aandacht op dit voor haar zo gewichtige punt vestigen’.

Als laatste tekent Costerus protest aan tegen de beschuldiging dat hij ‘alle waarschuwingen of verzoeken, klachten, officieus en zoo welwillend mogelijk ter kennis gebracht’ in de wind zou hebben geslagen. Het stadsbestuur mag hem ‘op gebreken wijzen, opmerkingen maken, verzoeken of waarschuwingen doen’. Maar de gasfabrikant verklaart ‘dat geen opmerking, klacht, waarschuwing of verzoek betreffende de stadsverlichting te mijner kennis is gebracht na de opmerkingen, mij dienaangaande in het verlichtings-saizoen van 1881/82 gemaakt’.

Costerus sluit af met de verzekering ‘dat ik naar een eerlijke uitvoering van het contract zal blijven streven, terwijl ik voor de Gasfabriek dezelfde welwillendheid inroep die het Gemeentebestuur daaraan tot heden heeft bewezen’.




1   2   3   4   5   6   7   8   9   10   11


De database wordt beschermd door het auteursrecht ©opleid.info 2019
stuur bericht

    Hoofdpagina