Duitsland: Beierse Alpen & München. Land, Volk en Cultuur. Ontstaan van het landschap. De Alpen



Dovnload 31.87 Kb.
Datum24.08.2016
Grootte31.87 Kb.

Duitsland: Beierse Alpen & München.



Land, Volk en Cultuur.
Ontstaan van het landschap.

De Alpen.

  • De Alpen behoren tot de jongste gebergten ter wereld   dat is aan hun ruwe, kantige, nog niet afgesloten vormen te zien.

  • Met het oog op hun ontstaansgeschiedenis worden ze tot de plooiingsgebergten gerekend.

  • Waar zich nu o.a. de Alpen bevinden lag zo'n 200 miljoen jaar geleden een grote, diepe zee, de Tethys, die tot in Zuid-Azië reikte.

  • De bodem van de zee bestond uit kristallijn gesteente, waaronder graniet, dat ontstaan was door stolling van gloeiend magma uit het binnenste der aarde (stollingsgesteente).

  • In de loop der tijd werd de bodem opge­hoogd met door rivieren aangevoerde verweringsproducten van het vasteland en door skeletten en schelpen van zeedieren.

  • Zo werd een kilometers dik pakket kalk afgezet, dat onder druk van de bovenlaag en het water samengeperst werd en versteende (sedimentsgesteente).

  • Dit proces moet ergens in het Mesozoïcum, de geologische Middeleeuwen (200   50 miljoen jaar geleden), hebben plaatsgevonden.

  • Aan het eind van het Mesozoicum werden de toppen van het gesteente bo­ven de zeespiegel geheven.

  • Op de droogvallende delen zorgden afster­vende landplanten op den duur voor een laag steenkool.

  • Dit proces van geleidelijke ophoging werd onderbroken door een con­tinentverschuiving vanuit het zuiden.

  • Het Afrikaanse continent verplaatste zich naar het noorden in de richting van Eurazië, waarbij de zee Tethys steeds smaller werd.

  • Uiteindelijk schoof Afrika in noor­delijke en noordwestelijke richting tegen Europa aan en werd het ge­steentepakket van de zee omhoog geperst.

  • De verschillende lagen wer­den over elkaar geschoven, geplooid en verspreid.

  • Op veel plaatsen kwamen oudere gesteenten op nieuwere te liggen.

  • Zwaartekracht en erosie deden de rest; door de zwaartekracht gleden de bovenliggende gesteentepakketten (dekbladen) over grote afstanden af.

  • De Noordelijke Kalkalpen bijvoorbeeld danken hun huidige lokatie aan zo'n 'overschuiving'.

  • Water, ijs, wind en temperatuurschommelingen zorg­den voor de gedetailleerde uitbeiteling van het berglandschap: er ont­stonden v  en u vormige dalen, kammen en bergtoppen.




  • De Noordelijke Kalkalpen, waarvan de Beierse Alpenrand deel uit­maakt, bestaan uit kalksteen en dolomiet, vrij zachte gesteenten.

  • De bergen danken hun grillige vormen aan het verschil in oplosbaarheid van de gesteenten.

  • Kalk en dolomiet (een calcium-magnesiumverbinding) worden chemisch opgelost door koolzuur, of andere zu­ren, in het water.

  • Naarmate het water meer koolzuur bevat kan er meer kalk en dolomiet worden opgelost.

  • Zo ontstonden pijlers, torens, bizar gevormde kammen en karstplateaus, een `Karrenfeld'   Karren zijn de harde ribben die tussen de uitgespoelde geulen overblijven   is een veel voorkomend karstverschijnsel.

  • Andere bekende verschijnse­len van verkarste gebieden zijn onderaardse rivieren en druipsteen­grotten.

  • Een specialiteit van dit deel van de Noordelijke Kalkalpen zijn ijsgrotten, o.a. te vinden in de Untersberg bij Berchtesgaden/Salz­burg.

  • Het zout (ongeveer 260 miljoen jaar geleden ontstaan) dat voorkomt in het Berchtesgadener Land is samen met het kalkdekblad afgegle­den en tijdens het transport en de plooiing met leem, gips en andere materialen samengeperst tot de gesteenten van het zogenaamde Ha­selgebirge, een vrij smalle band die zich uitstrekt tot ver in Oostenrijk.

  • Zout wordt hier vanouds gewonnen door deze gesteenten uit te logen en vervolgens het water te laten verdampen.

  • Tijdens en na de plooiing van de Alpen werd veel afbraakmateriaal di­rect ten noorden van de Alpen afgezet in de tot een trog versmalde Te­thys, een gebied dat toen nog volop in beweging was, zodat dit sedi­ment hier vervolgens tot nieuwe bergen werd opgestuwd.

  • Flysch wordt het genoemd.

  • In de naam komt de neiging tot glijden (Flieschen) tot uitdrukking die dit uit leem, mergel en keien bestaande sediment van nature bezit.

  • Aan deze eigenschap danken de Vooralpen, die noorde­lijk aan de Kalkalpen aansluiten, hun ronde vormen.

  • Voorbeelden van Flysch bergen in Zuid Beieren zijn de Hörnergruppe in de Allgäu, de Hörnle bij Bad Kohlgrub, de Zwiesel Berg bij Bad Tölz, de Schliers­berg bij Schliersee en de Teisenberg ten noorden van Inzell.


Gletsjers vormden het Alpenvoorland.

  • Een praktisch aaneengesloten ijskap heeft in de periode van 2,5 mil­joen tot 20.000 jaar geleden een aantal malen het hele Alpengebied en een deel van het voorland bedekt.

  • In deze periode, het Pleistoceen, zijn minstens vier hoofdstadia van afwisselende koude (ijstijden) en warmere perioden (interglacialen) te herkennen.

  • De laatste ijstijd, Würm geheten, heeft het duidelijkst zijn stempel gedrukt op het Alpenlandschap. Tijdens en na de ijstijden schoven grote ijsmassa's door de rivierdalen naar beneden en slepen daarbij de oorspronkelij­ke v vorm tot een ruwe u vorm.

  • Deze dalvormen zijn niet in Beieren te vinden omdat hier slechts de noordelijke rand van de Alpen ligt.

  • In de Beierse Alpen bevinden zich nog slechts enkele kleine glets­jers, Blaueis op de Hochkalter en Schneeferner bij de Zugspitze.

  • De grote ijstijdgletsjers hebben in Beieren vooral invloed gehad op het landschap in de Vooralpen en hebben de vlakten ten noorden daarvan vormgegeven.

  • De grote Beierse meren (Bodensee, Ammersee, Stam­berger Sec, Chiemsee) zijn ontstaan doordat na het terugtrekken van het ijs smelt  en rivierwater aanvankelijk door de eindmorenen (de massa keien en leem die een gletsjer voor zich uit schuift) werd tegen­gehouden.

  • De belangrijkste gletsjers in Zuid Beieren waren die van de rivieren Iller, Wertach, Lech, Ammer, Isar, Inn en Salzach.

  • In het moreneheuvellandschap, met name in het Fünfseenland en rond de Chiemsee, werd het reliëf voornamelijk gevormd door de zij  en mid­denmorenen (puin en leem dat naast en tussen de gletsjers werd mee­gevoerd).

  • Grenzend aan de meren komen nogal wat moerasgebieden voor.

  • Dit zijn hoofdzakelijk dichtgeslibde meerdelen. Uit grondmore­nen (puin en stenen onder de gletsjer) ontstonden de zogenaamde Drumlins, langwerpige heuveltjes met afgeronde toppen.

  • Ze verlopen parallel aan de stroomrichting van de gletsjers en komen groepsgewijs voor. `Drumlinfelder' vindt u tussen de Salzach en de Waginger See en ten westen van Seeshaupt.




  • Het vrij vlakke gebied dat op het morenelandschap aansluit bestaat uit `Schotterebenen', gruisvlakten.

  • Tijdens het smelten van de gletsjers vormden de grote hoeveelheden smeltwater brede, wilde stromen.

  • De­ze braken door de eindmorenen heen en voerden veel grote en kleine stenen mee (`Schotter' betekent steenslag, puin).

  • Na de doorbraak ver­breedden de stromen zich waardoor de stroomsnelheid afnam. Gelei­delijk werden de rolstenen afgezet, eerst de grote en uiteindelijk (ver­der noordelijk dus) alleen nog maar gruis.

  • Zo ontstonden de gruispla­teaus die tot 50 60 km van de morenen reiken.

  • De Iller Lech­ Schotterplatte, de Münchener Schotterebene en het Mühldorfer Schotterfeld zijn de grootste.


Het landschap in vogelvlucht.
Beierse Alpen en Vooralpen.

  • Van de Noordelijke Kalkalpen ligt maar een klein deel op Beiers grondgebied: het hooggebergte van de Allgäu, het Wetterstein ge­bergte en een deel van het Karwendel gebergte, uitlopers van de

  • Lofe­rer Steinberge en de Berchtesgadener Alpen.

  • Omdat veel toppen ruim boven de 2000 m uit komen, liggen grote delen boven de boomgrens.

  • In het hooggebergte regent het veel, vooral in de zomer.

  • Van oktober tot mei zijn de hoogste delen met sneeuw bedekt.

  • De temperatuur in de dwarsdalen wordt in het vroege voorjaar door de warme föhn beïnvloed.

  • De bergbossen bestaan voornamelijk uit sparren, tegen de boomgrens komen meer lariksen en arven voor.

  • Hoger volgen nog de lage bergdennen en daarna de kale Alpenweiden.

  • Grote alpiene wei­den zijn alleen in het westelijk deel van de Allgäu te vinden.

  • Dorpjes en stadjes ontstonden hoofdzakelijk in de bredere dalen (Werdenfel­ser Land) en bekkens (Oberstdorf, Berchtesgaden).




  • De Allgäuer/Oberbayerische Vooralpen tonen een geheel ander beeld dan de Kalkalpen.

  • De bergtoppen blijven doorgaans onder de 1800 m.

  • Ten westen van de Iller liggen glooiende molasse bergen (zandsteen).

  • De Vooralpen ten oosten van de Lech worden aan de noordzijde ge­flankeerd door de Flysch zone met beboste bergen van 1200 tot 1500 m.

  • Diepe dwarsdalen verdelen de Vooralpen in een serie bekende berggroepen (Ammergebirge, Walchenseeberge, Tegernseer Berge).

  • De meeste winters ligt er meer dan drie maanden een laag sneeuw over dit Vooralpen gebied.

  • Het hele gebied is tamelijk bosrijk. Het boerenbedrijf wordt voornamelijk in de dalen en op de lage hellingen uitgeoefend; zelden ligt een boerderij boven de 1000 m.




  • De Oberbayerische Alpen strekken zich tussen de Lech en de Inn uit.

  • Van de hoge Kalkalpen maken ze slechts deel uit met de steile bergke­tens van Wetterstein (met Duitslands hoogste berg, de Zugspitze; 2962 m) en Karwendel.

  • Deze ruwe gebergten hebben met puinvelden beklede, steile hellingen.

  • De grillig gevormde toppen torenen hoog bo­ven het Werdenfelser bekken uit.

  • Dit bekken van Garmisch-Partenkirchen is echter ook omgeven door lieflijke berglandschappen met meertjes, bossen en bergweiden.

  • Het gebied gaat over in de hiervóór al genoemde Vooralpen als het Ammergebirge, de bergen rond de Wal­chensee (met de Herzogstand, 1761 m) en de Tegernseer en Schlier­seer Berge (met de Wendelstein, 1838 m).

  • Tussen de Inn en de Saalach liggen de Chiemgauer Berge die zelden boven de 1800 m uit komen.

  • De bosrijke wandelbergen zijn slechts op enkele plaatsen spectaculair zoals de fraai getande rotskam van de Kampenwand (1669 m).




  • De Berchtesgadener Alpen vormen het meest oostelijke deel van de Beierse Alpen.

  • Dit hooggebergtegebied tussen de rivieren Saalach en Salzach wordt gekenmerkt door markante toppen (zoals Watzmann, 2713 m en Hoher Göll, 2522 m) en door machtige kalkmassieven met de karakteristieke droge karstplateaus (bijv. Steinernes Meer, Unters­berg, Reiter Alpe).

  • Midden in dit veelbezochte berglandschap liggen het bekken van Berchtesgaden en de prachtige fjordachtige Königs­see.


Het Beierse Alpenvoorland.

  • Met de naam Alpenvoorland wordt het gehele gebied aangeduid tus­sen Alpen en Donau en tussen Bodensee en Salzach.

  • ‘Alpenvoorland’, want het gebied werd door alpiene krachten gevormd.

  • In de tertiaire lagen rust het kleine beetje bruin­kool dat Beieren bezit (Penzberg, Peissenberg, Hausham   de delving is inmiddels gestopt).

  • De IJstijdgletsjers groeven de bekkens van de vele Oberbayerische meren en transporteerden hun morenemateriaal tot ver in het Voorland.

  • Kleinere bekkens zijn inmiddels verland of vermoerast.

  • Het door de morenen gevormde heuvellandschap strekt zich in de Allgäu tot de hoogte van Kaufbeuren uit; de begrenzing van dit lieflijke heuvellandschap wordt verder oostelijk gevormd door een slingerende lijn langs Landsberg, Fürstenfeldbruck, Miesbach, Was­serburg, Altenmarkt tot Tittmoning.

  • Ten noorden van het golvende eindmorene landschap strekken zich de eentonige gruisvlakten uit waarvan de grootste zijn die tussen Iller en Lech, rond München en rond Mühldorf.

  • Deze poreuze grintplateaus zijn voor een deel met naaldbossen bedekt en voor het overige voornamelijk met akkers.

  • De in dikte variërende gruislagen rond München bevatten grote hoeveel­heden grondwater die belangrijk zijn voor de watervoorziening van de miljoenenstad.





Samengesteld door: BusTic.nl






De database wordt beschermd door het auteursrecht ©opleid.info 2017
stuur bericht

    Hoofdpagina