Dus jij gaat niet meer



Dovnload 419.09 Kb.
Pagina1/13
Datum22.07.2016
Grootte419.09 Kb.
  1   2   3   4   5   6   7   8   9   ...   13
DUS JIJ GAAT NIET MEER

NAAR DE KERK?

Door: Jake Colsen

Vertaling: Coen Groos


Inhoud

Over de schrijvers

1. Een vreemde vreemdeling
2. Een wandeling in het park
3. En dit is christelijk onderwijs?
4. Waarom je beloften niet werkten
5. Liefde met een haak eraan
6. Een liefhebbende Vader of een Goede Fee?
7. Als je een kuil graaft voor een ander, moet je het vuil op jezelf gooien
8. Leugens werken niet
9. Wat voor etiket je er ook opplakt
10. Geef je gewonnen en vertrouw Hem
11. Van de grond komen
12. De Grote Samenkomst
13. Het laatste afscheid

Over de schrijvers



Jake Colsen is het gezamenlijke pseudonym van twee oude vrienden, collega’s en reisgenoten.

Wayne Jacobsen reist over de wereld om mensen te helpen er achter te komen wat Jezus werkelijk onderwees over leven in Zijn Vader en in een relationele gemeenschap met andere gelovigen. Hij is een schrijver en zijn boeken en artikelen kan men vinden op zijn website Lifestream . Hij is ook al 20 jaar redacteur van Leadership Journal (een tijdschrift voor leiders) en schrijft ook wekelijks een column voor thegodjourney (zie zijn website) voor hen die hun blik richten op gemeenteleven buiten het raamwerk van religie als organisatie. Hij woont met zijn vrouw Sara in Moorpark, Californie en is te bereiken op de website van Lifestream.


7228 University Drive
Moorpark, CA 93021
(805) 529-1728
waynej@lifestream.org

Dave Coleman is voorganger van een gemeente geweest en is geestelijk verzorger van een verpleeghuis. Maar hij is ook heel vruchtbaar geweest als een broeder die anderen helpt op hun levensreis in Jezus. Hij heeft veel onderwijs gegeven over het huwelijk en leven vanuit Gods genade en plan en heeft ook als vrijwilliger gewerkt bij dwcdlc@earthlink.net



Met dank aan …

Het tot stand komen van dit boek beslaat een reis van vier jaren, waarin we de grove schets van elk hoofdstuk steeds on-line op het net hebben gezet. We hadden gehoopt dat we het in één jaar hadden kunnen afronden, maar het werden er vier. Daarom willen we vooral onze geduldige lezers bedanken: jullie hebben samen met ons dit experiment ‘uitgezeten’, ons aangemoedigd door jullie commentaar en aan de inhoud bijgedragen door jullie eigen verhalen en jullie vragen door te spelen.

Er zijn ook een aantal fantastische mensen geweest die het manuscript voor ons hebben gelezen en becommentarieerd. Bruce en Judy Woodford hebben elk hoofdstuk met ons doorgenomen, correctie aangebracht waar nodig en hun eigen ideeen aangedragen. Toen het gedrukt zou worden hebben we nog een aantal redacteuren gevraagd ons te helpen met dit manuscript: Julie Williams, Paul Hayden en Mitch Disney. Allemaal heel hartelijk bedankt. Als er toch nog fouten in zijn blijven zitten, komt dat waarschijnlijk door Wayne’s onweerstaanbare drang om het manuscript tot op het laatste ogenblik nog onder de loupe te nemen. Ook willen we onze echtgenotes bedanken voor hun geweldige steun en aanmoediging in dit project en de vele broeders en zusters die ons hebben geholpen om ‘een betere weg’ te laten zien.

Wayne Jacobsen en Dave Coleman


Hoofdstuk 1

Een vreemde vreemdeling


Op dat moment was hij wel de laatste die ik wilde ontmoeten. Mijn dag was al beroerd genoeg geweest en ik was er zeker van dat die nog slechter ging worden. Ik keek tussen mijn vingers door en zag dat hij zich had omgedraaid. Nu leunde hij tegen de toonbank aan en dronk iets terwijl hij het zaaltje in keek. Toen keek hij mijn richting uit en merkte dat hij niet alleen was. Met een verraste blik in zijn ogen kwam hij mijn kant op. ‘Waarom vanavond, waarom hier, waarom nu,’ vroeg ik me af?
Het was de ergste dag die we ooit hadden meegemaakt gedurende een lange periode van folterende strijd. Vanaf drie uur die middag, toen de eerste astma-aanval kwam en onze twaalfjarige dochter Andrea bijna stikte, hadden we bij haar gewaakt en we vreesden voor haar leven. We waren zo snel mogelijk met haar naar het ziekenhuis gegaan en zagen hoe ze voor iedere ademhaling moest vechten. We keken toe hoe de doktoren en verpleegsters hun best deden om de astma onder controle te krijgen zodat ze vrijer zou kunnen ademhalen.
Ik geef toe dat ik hier niet zo goed mee om kan gaan, al zou je kunnen denken dat – met alle ervaring die ik heb – ik dat wel zou moeten kunnen. Mijn vrouw en ik hebben onze dochter al haar hele leven zien lijden, en we wisten nooit wanneer een plotselinge aanval haar leven zou bedreigen en we weer halsoverkop naar het ziekenhuis zouden moeten. Ik werd echt boos als ik haar zo zag lijden en hoe we ook voor haar baden, samen met anderen, de astma werd steeds erger. Een paar uur geleden begon de medicatie eindelijk te werken en kon ze vrijer ademhalen. Mijn vrouw ging naar huis om de nodige slaap in te halen en haar ouders die waren komen oppassen op onze andere dochter, af te lossen. Ik bleef die nacht in het ziekenhuis. Tenslotte viel Andrea in slaap en ik zocht het ziekenhuisrestaurant op om wat te drinken en een rustig plekje op te vinden om wat te lezen. Ik was te gespannen om in slaap te kunnen komen.
Ik was dankbaar dat ik de enige bezoeker was, schonk een kop koffie in en ging in de verste hoek van het restaurant zitten, in een spaarzaam verlicht gedeelte. Ik was zo boos dat ik niet eens helder kon denken. Wat had ik voor verkeerds gedaan dat mijn dochter zo erg moest lijden? Waarom luisterde God niet naar mijn smeekbeden om haar te genezen? Andere ouders klagen als ze weer voor ‘taxi’ moeten spelen vanwege al de actviteiten van hun kinderen waar ze naar toe gebracht moeten worden. Ik weet niet eens of Andrea haar volgende astma-aanval zal overleven en ik maak me er zorgen over dat de steroïden die ze moet gebruiken haar groei zullen belemmeren.
Ergens, terwijl ik weer zo’n fikse woedebui voelde aankomen, verscheen zijn hoofd ineens in mijn prive heiligdom. En nu kwam hij naar mijn tafel toelopen en ik was echt van plan hem op zijn gezicht te slaan als hij het in zijn hoofd zou halen om z’n mond open te doen. Al wist ik diep binnenin dat ik dat niet zou doen. Ik ben alleen van binnen gewelddadig, niet aan de buitenkant, waar iedereen het kan zien.
Ik heb nog nooit eerder meegemaakt dat iemand zo’m frustrerende uitwerking op me had. En dat terwijl ik zo opgewonden was geweest die eerste keer dat we elkaar hadden ontmoet, en eerlijk gezegd, ik heb nog nooit iemand ontmoet die zo wijs is als hij. Maar ik vondd dat hij me niets dan narigheid had gebracht. Sinds hij in mijn leven is verschenen, ben ik m’n droombaan kwijtgeraakt, ben ik uit de gemeente gezet (die ik 15 jaar geleden heb helpen opstarten) en is zelfs mijn huwelijk in ruw vaarwater terechtgekomen, erger dan ik ooit eerder heb meegemaakt.
Om te kunnen begrijpen hoe gefrustreerd ik was, moet je eigenlijk even samen met me terugkijken naar de dag waarop ik John voor de eerste keer ontmoette. Zo ongelofelijk als het begin was, is het niet te vergelijken met wat ik sindsdien allemaal heb meegemaakt.
Mijn vrouw en ik vierden onze zeventien-jarige bruiloft met een driedaags bezoek aan Pismo Beach, aan de kust in Midden Californie. Het was zaterdag en we waren op weg naar huis. We stopten in het centrum van San Luis Obispo om te lunchen en wat boodschappen te doen. Het onlangs ongeknapte centrum is een trekpleister voor de hele omgeving en op die zonnige dag in april waren de straten vol mensen.
Na de lunch gingen we allebei een andere kant uit, omdat onze voorkeur voor bepaalde winkels nogal verschillend is. Ik slenterde wat langs de boekwinkels, terwijl zij bij de kledingzaken en souvernierwinkels ging kijken. Nog voor het afgesproken tijdstip om elkaar weer te ontmoeten, had ik een plekje gevonden tegen de pui van een winkel, een chocolade ijsje in de hand.
Ik kon er niets aan doen dat ik getuige was van een verhitte woordenwisseling een paar meter verderop in de straat, op de stoep voor The Gap (een bekende winkel). Vier jonge studenten en twee mannen van middelbare leeftijd stonden daar met blauwe strooibiljetten in de hand en praatten druk gebarend met elkaar. Ik had die pamfletten al eerder gezien, achter de ruitenwissers van de auto’s, op straat en ook her en der verspreid liggend in de goot. Het was een uitnodiging voor een toneelstuk over ‘de vlammen van de hel’ dat in een plaatselijke kerk zou worden opgevoerd.
“Wie wil er nu naar zo’n tweederangs voorstelling..?”
“Ik zet geen voet meer in die kerk..!”
“Het enige wat ik in een kerk geleerd heb is me schuldig voelen...”
“Ben er ook geweest, ook meegemaakt, ook de littekens opgelopen en kom er nooit meer..!”
In de paar minuten dat ik meeluisterde naar die conversatie hoorde ik niet een van hen z’n zin afmaken. De een onderbrak de ander alsof hij uit elkaar zou springen als hij zich in zou moeten houden en niet ook zijn gal zou kunnen spugen.
“Wie denken deze arrogante lui wel dat ze zijn, dat ze mij kunnen veroordelen en ..?”
“Ik zou wel eens willen weten wat Jezus ervan zou denken als Hij nu een van deze kerken zou binnenwandelen ...”
“Ik denk niet dat Hij dat zou doen, Hij scheen ...”
“En als Hij het deed zou Hij waarschijnlijk in slaap vallen!”
Het gelach van de anderen smoorde zijn stemgeluid.
“Of misschien dat Hij het zou besterven van het lachen..!”
“Of van het huilen,” zei iemand, waardoor de anderen even stil waren en nadachten.
“Denk je dat Hij een pak zou dragen en ...?”
“Alleen maar om de zweep te verbergen die Hij naar binnen zou willen smokkelen om een beetje schoonmaak te houden in die kerk.”
Het volume was zo toegenomen dat ze de aandacht hadden getrokken van de voorbijgangers. Sommigen liepen wat langzamer toen de commotie hun aandacht trok. Anderen werden getrokken door de passie en de aanval die men deed op iets zo heiligs als godsdienst, en voegden zich bij de discussierenden als jonge hondjes die op de etensbak afkomen. Weer anderen bleven aan de rand staan luisteren. Sommigen vroegen zelfs aan mij wat er aan de hand was.
Er had zich een complete discussie ontwikkeld toen enkele nieuwkomers de anti-kerk cynisten aanvielen. Over en weer vlogen de beschuldigingen door de lucht. De meeste daarvan had ik al eens gehoord – klachten over buitensporige gebouwen, huichelaars, saaie preken, altijd om geld zeuren en opgebrande mensen door de vele diensten die ze bij ‘moesten’ wonen.
Degenen die de kerk probeerden te verdedigen moesten toegeven dat er zwakke punten waren, maar probeerden ook te wijzen op de vele goede dingen die de kerken hadden gedaan.
En toen zag ik hem.
Hij was ergens tussen de 30 en 50 jaar oud. Het was moeilijk te zeggen. Hij was niet lang, misschien nog geen 1.70 m. lang en hij had donker, golvend haar en een groezelige baard, allebei met wat grijs erin. Door z’n wat verbleekte groene sweatshirt, vaal blauwe spijkerbroek, z’n eens witte sportschoenen en zijn verweerde gelaat vroeg ik me af of hij een ‘fosiel’ was uit de rebelse jaren ‘60, met dit verschil dat hij niet doelloos maar wat rondliep.
Wat mij in feite aan hem opviel was zijn vastberaden tred, zoals hij rechtstreeks naar de groeiende groep discussierenden toe liep. Zijn ogen waren net zo gefixeerd als van een Duitse herdershond die een onbekend geluid heeft opgepikt in de nacht. Hij leek op te gaan in de menigte en kwam toen in het midden van de groep weer tevoorschijn, de ‘sprekers’ onderzoekend aankijkend. Toen zijn ogen mijn kant op gingen, werd ik gepakt door de intensiteit erin. Ze waren diep – en vol leven! Ik stond als aan de grond genageld.
Het leek alsof hij iets wist wat niemand anders wist.
De discussie was nu vijandig geworden. Degenen die de kerk hadden aangevallen richtten hun boosheid nu op Jezus Zelf, en zeiden spottend dat Hij een bedrieger was. Dit maakte de kerkgangers alleen maar nog woester – wat dan ook de bedoeling was.
”Wacht maar tot je voor Hem staat en Hem moet aankijken terwijl je de hel in zinkt!” zei een van hen. Ik dacht dat ze elkaar elk moment te lijf zouden gaan, toen de vreemdeling plotseling zijn vraag in de menigte neer legde.
“Jullie hebben er geen flauw idee van hoe Jezus echt was, wel?”
De woorden kwamen van zijn lippen zo zacht als een briesje dat door de bomen heen glijdt en stonden in schril contrast met de verhitte discussie die om hem heen raasde. Hij had zo zachtjes gesproken, dat ik de woorden meer van zijn lippen af kon lezen dan dat ik ze kon horen. Maar ze hadden een grote impact op de mensen om hem heen. Het lawaaiige geruzie verstomde al snel en de gezichten waarop de spanning viel af te lezen kregen een niet-begrijpende blik.
“Wie zei dat,” was de onuitgesproken vraag die je kon zien in de ogen van de verbaasde gezichten, terwijl ze onderzoekend de kring rondkeken.
Ik moest even grinniken omdat niemand naar de man keek die zo juist had gesproken. Hij was zo klein van gestalte dat je hem makkelijk over het hoofd zou kunnen zien. Maar ik had de afgelopen paar minuten naar hem en de menigte gekeken en zijn gedrag intrigeerde me.
Terwijl de mensen om zich heen keken sprak hij weer in de verbaasde stilte.”Hoe was Hij denk je?”
“Wat weet jij daarvan, ouwe?” Uiteindelijk deed een van hen z’n mond open en de spottende toon droop van elk woord af, tot de misprijzende blikken van de mensen om hem heen hem tot zwijgen brachten. Hij lachte wat schaapachtig en keek beschaamd een andere kant op, dankbaar dat ze hun aandacht opnieuw op de vreemdeling richtten. Maar die had geen haast om verder te spreken. De stilte die daarop volgde hing in de lucht, maar niet op een vervelende manier. Sommigen keken wat zenuwachtig rond en haalden hun schouders op, maar niemand zei er wat en er liep niemand weg. Ondertussen keek de man de kring rond en vestigde zijn blik op ieder persoon afzonderlijk gedurende een paar tellen. Toen hij mij aankeek leek het of alles binnenin mij begon te smelten. Ik keek meteen een andere kant op. Even later keek ik weer naar hem en ik hoopte dat hij niet meer mijn kant op keek.
Na wat een ondraaglijk lange tijd leek te zijn, sprak hij opnieuw. Hij fluisterde haast en zijn woorden waren gericht tot de man die de anderen met de hel had bedreigd.
“Wat motiveert jou, denk je?” Zijn stem klonk bedroefd en zijn woorden hielden een uitnodiging in. Er zat geen greintje boosheid in.
Van zijn stuk gebracht stak de man zijn handen in de lucht en vertrok zijn mond alsof hij de vraag niet had begrepen.
De vreemdeling liet hem even over aan zijn gedraai terwijl de mensen om zich heen keken, en toen keek de vreemdeling de kring rond en sprak opnieuw, op zachte toon:”Hij zag er niet bijzonder uit. Hij zou vandaag hier rond kunnen wandelen en je zou het niet eens in de gaten hebben. In feite had hij een gezicht waarvoor je weg zou lopen, omdat hij ‘anders’ was dan je zou verwachten. Maar hij was de zachtaardigste man die je je maar kan voorstellen. Hij kon lasteraars tot zwijgen brengen zonder zelfs maar zijn stem te verheffen. Hij walste nooit over anderen heen, vestigde nooit de aandacht op zichzelf en hij deed nooit alsof. Hij was echt, tot het diepste van Zijn binnenste. En in het diepste van Zijn binnenste was liefde.”
De vreemdeling stopte even en schudde zijn hoofd.
“Wauw! Wat een liefde had Hij!” Zijn ogen dwaalden weg, voorbij de menigte, alsof hij in de verte tuurde, verder dan tijd en ruimte.
“We wisten niet eens wat liefde inhield, totdat we het in Hem zagen. Dat gold voor iedereen, zelfs voor degenen die Hem haatten. Nog steeds gaf Hij om hen, in de hoop dat ze een uitweg zouden vinden voor hun (door hen zelf) verwonde ziel, door te ontdekken Wie er zich onder hen bevond. In die liefde was Hij volkomen eerlijk. Zelfs wanneer Zijn daden of woorden de meest duistere motieven van de mensen blootlegden, voelden de mensen zich niet te schande gemaakt. Ze voelden zich veilig, echt veilig bij Hem. In Zijn woorden zat geen zweem van veroordeling, alleen maar een uitnodiging om tot God te komen. Er is niemand geweest die je eerder je diepste geheimen zou willen toevertrouwen. Als je aan iemand zou moeten denken die jou op de slechtste momenten van je leven zou mogen zien, dan zou je Hem kiezen.
Hij verspilde Zijn tijd niet met anderen bespotten, en Hij was ook niet onder de indruk van hun religieus gedrag.”
Hij wierp een blik op degenen die dit net gedaan hadden.
“Als Hij ze iets wilde zeggen, dan deed Hij dat en ging weer verder en je was je ervan bewust dat je Hij meer van je hield dan iemand ooit had gedaan.”
Hier stopte hij even, sloot zijn ogen en hield zijn lippen stijf op elkaar, alsof hij moeite had om z’n tranen tegen te houden.
“Ik heb het ook niet over een ‘aai poes’ sentimentaliteit. Hij had iemand echt lief. Het maakte niet uit of je een Farizeeer was of een hoer, een discipel of een blinde bedelaar, een Jood of een Samaritaan of een heiden. Zijn liefde strekte zich uit naar ieder persoon. En de meeste mensen naar wie Hij die liefde uitstrekte hielden ook van Hem als ze Hem tegenkwamen. Hoewel weinigen Hem volgden, proefden degenen die misschien slechts enkele momenten in Zijn nabijheid waren een frisheid en kracht in Hem die ze jaren later nog niet vergeten waren. Op de een of andere manier wist Hjj alles over hen en hield toch nog van hen, met heel Zijn hart.”
Weer stopte hij en keek de menigte onderzoekend aan. Ondertussen waren er ongeveer 30 mensen stil blijven staan om te luisteren. Ze hadden hun ogen op hem gericht en keken hem met open mond. Ik geef zijn woorden hier weer, maar ik weet niet goed hoe ik de impact die ze hadden moet beschrijven. Er was niemand die binnen gehoorsafstand van hem stond die zou ontkennen dat z’n woorden vol kracht en echtheid waren. Ze kwamen uit het diepst van zijn hart.
“En toen Hij daar aan dat smerige kruis hing,” de ogen van de man zwierven naar de boomtoppen boven onze hoofden,”stroomde die liefde nog steeds naar de mensen – zowel naar de spotter als naar de teleurgestelde vriend. Toen Hij de duistere ruimte van de dood naderde, uitgeput door de martelingen, en toen Hij zich verlaten van zijn Vader voelde, ging Hij door met de beker te drinken die vol zat met ons egoisme en onze schaamte. Er was geen mooier moment dan dit in de hele geschiedenis van de mensheid. Zijn zielsangst werd het kanaal waardoor Hij Zijn leven met ons kon delen. Hij was niet gek. Hij was Gods Zoon, die Zichzelf gaf, tot z’n laatste ademtocht, zodat er een onbeperkte en vrije toegang voor jullie is tot Zijn Vader.”
Terwijl hij sprak werd ik getroffen door de intimiteit van zijn woorden. Hij sprak als iemand die met Hem opgetrokken had. Ik herinner me dat ik zelfs dacht: ”Deze man is precies zoals ik me voorstel dat Johannes de Discipel moet zijn geweest.”
Terwijl ik hierover nog aan het nadenken was stopte hij midden in een zin. Hij draaide naar rechts en zijn ogen leken iets in de menigte te zoeken.
Plotseling bleef zijn blik op mij rusten. De haren op mijn nek gingen recht overeind staan en de rillingen liepen me over de rug. Hij bleef me een tijdje aankijken en toen verscheen er – heel kort – een vage glimlach op zijn gezicht terwijl hij me een knipoog gaf en even knikte.
Zo herinner ik het me nu tenminste. Ik was geschokt. Bevestigde hij mijn gedachten?
Dat zou al te dwaas zijn. Zelfs al zou het de Johannes zijn, dan nog zou hij geen gedachten kunnen lezen. Wat dacht ik nou eigenlijk? Hoe kan hij nou een discipel van 2000 jaar oud zijn? Dat kan gewoon niet.
Toen hij zich weer omdraaide, keek ik achter me om te zien of hij misschien naar iemand anders had gekeken. Daar leek het niet op en geen van de omstanders om me heen scheen enige notitie te hebben genomen van zijn knipoog en zijn glimlach. Ik was met stomheid geslagen, net alsof ik zojuist een verdwaalde voetbal tegen m’n hoofd had gekregen. Ik voelde een stroomstoot door mijn lichaam gaan terwijl allerlei vragen door mijn gedachten schoten. Ik moest meer te weten komen over deze vreemdeling.
Er kwamen steeds meer mensen bij en ze gingen op hun tenen staan om te zien wat er aan de hand was. Zelfs de vreemdeling leek zich steeds ongemakkelijker te gaan voelen door de vertoning die het nu leek te gaan worden.
“Als ik jullie was,” zei hij met een knipoog en een glimlach terwijl zijn ogen over degenen gingen die de discussie begonnen waren,” zou ik minder tijd verspillen aan het belachelijk maken van religie en gaan ontdekken hoe graag Jezus je vriend wil zijn, zonder bijbedoelingen. Hij zal om je geven en als je Hem de gelegenheid geeft zal Hij échter voor je worden dan je beste vriend en zal je Hem meer koesteren dan wie of wat dan ook. Hij zal je een doel geven en volheid van leven waardoor je door elke stress en pijn heen gedragen zult worden en dit zal je van binnenuit veranderen, zodat je echte vrijheid en vreugde zult ervaren.”
En toen draaide hij zich om en liep weg tussen de mensen door, in de tegenovergestelde richting van waar ik stond. Een tiidje bewoog of zei niemand iets, onzeker als men was over hoe deze confrontatie beeindigd zou kunnen worden en men weer verder zou kunnen lopen.
Ik probeerde me door de menigte heen te werken, zodat ik deze man persoonlijk zou kunnen spreken. Zou het werkelijk de Johannes geweest kunnen zijn? Zo niet, wie was hij dan wel? Hoe wist hij die dingen over Jezus, waarover hij met zoveel vrijmoedigheid gesproken had?
Het was niet eenvoudig om tussen de mensen door te laveren en tegelijkertijd mijn oog op ‘Johannes’ gericht te houden. Ik baande me een weg en zag nog net dat hij een steegje tussen twee gebouwen inliep. Hij liep in de richting van Bubble Gum Alley, langs een ongeveer 15 meter lange muur die van het winkelcentrum naar het parkeerterrein daarachter liep. Ze hadden dit gedeelte deze naam gegeven omdat in de loop der jaren de muur volgestopt was met duizenden stukjes uitgekauwde kauwgum. De melee van al de kleuren zorgde voor een indrukwekkend zo niet potsierlijke aanblik.
Hij was maar 5 meter voor me uit toen hij uit het zicht verdween en ik was blij dat ik tenmiste een gelegenheid zou krijgen om met hem te praten, want niemand anders was achter hem aangegaan. Ik ging de hoek om en stond op het punt om naar hem te roepen om even stil te staan, maar in plaats daarvan stond ik zelf meteen stil toen ik het steegje in keek. Er was niemand!
Ik liep weer terug naar de straat en was in de war. Was hij echt dat steegje ingegaan? Ik keek in beide richtingen, maar zag nergens een groen sweatshirt zoals hij droeg. Neen, deze straat was niet ingegaan. Dat wist ik zeker. Maar hij kon toch ook niet in 3 seconden de 15 meter van dat steegje hebben afgelegd? Want dat had het mij gekost om daar naar toe te lopen.
Mijn hart ging tekeer omdat ik bang was dat ik hem mis zou lopen. In paniek rende ik tenslotte door het gangetje langs de helder gekleurde stukken kauwgum. Er was nergens een doorgang of portiek waar hij kon zijn. Aan het einde rende ik het parkeerterrein op en keek meteen scherp naar alle kanten. Niets... Er kwamen wat mensen uit hun auto, maar er was taal nog teken van de vreemdeling.
Verbijsterd rende ik terug, het gangetje door, de straat in, goed kijkend of ik ergens een groen sweatshirt zag, ondertussen biddend dat ik hem zou vinden. Ik keek door de etalages de winkels in en naar passerende auto’s, maar tevergeefs.
Hij was verdwenen. Ik kon mezelf wel een schop geven, omdat ik hem niet dichter op z’n hielen had gezeten. Tenslotte ging ik ergens op een bank zitten, een beetje van streek door het hele gebeuren. Ik wreef over mijn voorhoofd en leunde naar voren, terwijl ik probeerde helder te denken. Ik kon niet eens één zin helder in mijn gedachten formeren, of de volgende diende zich al aan. Wie was hij, en wat was er met hem gebeurd? Zijn woorden hadden een diepe honger in mijn hart wakker gemaakt en als ik terugdacht aan zijn knipoog naar me liepen de rillingen me over de rug.
Ik wist dat ik hem nooit meer zou terugzien en beschouwde de hele ochtend als een van die onverklaarbare gebeurtenissen in het leven die je nu eenmaal niet kan verklaren.
Ik had me niet erger kunnen vergissen.

  1   2   3   4   5   6   7   8   9   ...   13


De database wordt beschermd door het auteursrecht ©opleid.info 2017
stuur bericht

    Hoofdpagina