Dus jij gaat niet meer



Dovnload 419.09 Kb.
Pagina2/13
Datum22.07.2016
Grootte419.09 Kb.
1   2   3   4   5   6   7   8   9   ...   13

Hoofdstuk 2

Een wandeling in het park


In de weken daarna beleefde ik in gedachten wel duizend keer de gebeurtenissen van die ochtend, en dan vooral wat die man had gezegd. De gedachte dat hij me deed denken aan de Apostel Johannes schoof ik aan de kant, hoewel hij het scheen te bevestigen door zijn indringende knipoog.
Maar hoe kon dat nou, dat Johannes na 2000 jaar nog steeds leefde? Zou het een wonderbaarlijke verschijning zijn geweest, net zoals Mozes en Elia verheerlijkt werden in Jezus aanwezigheid? Zelfs al zou dat het geval zijn geweest, dan nog kon hij toch niet mijn gedachten lezen, of zo gemakkelijk uit zicht verdwijnen?
Ik zocht verder in de bijbel en las opnieuw de raadselachtige woorden die Jezus tot Petrus sprak over de toekomst van Johannes. Hij had Petrus net gewaarschuwd dat er een dag zou komen, waarop men hem ter dood zou brengen vanwege zijn vriendschap met Christus.
In de war gebracht door die gedachte en misschien omdat hij die weg niet alleen wilde gaan, wees Petrus op Johannes en vroeg wat er met hem zou gebeuren. Het antwoord dat Jezus gaf, shockeerde hen allen:”Als Ik wil dat hij blijft totdat Ik terugkom, wat gaat jullie dat aan? Volg Mij.”
Johannes schreef, dat vanaf dat moment onder de andere discipelen het gerucht de ronde deed dat Johannes niet zou sterven. Maar hij ging verder en zei dat Jezus dat niet gezegd had. Hij had alleen maar gezegd “Als...?” Klaarblijkelijk was de les waar het om draaide in wat Jezus zei, dat Petrus de weg moest gaan die de Heer voor hem had uitgestippeld, zonder dat hij zichzelf aan de anderen moest spiegelen. Dat is een goede les, ongetwijfeld, maar bedoelde Jezus nog meer met die illustratie?
Ik ging alles wat er die morgen was gebeurd nog eens na. Het hielp ook niets toen ik het verhaal aan mijn vrouw en een goede vriend van me vertelde en ze de herkenningsmelodie van ‘Twilight Zone’ (een bekend TV-programma) begonnen te neurieen en mijn verhaal lachend wegwuifden. Omdat ze me niet serieus namen voelde ik me veel minder zeker over wat er die dag nu eigenlijk gebeurd was. Wat ik echter niet kon ontkennen was dat wie die man ook geweest mocht zijn, zijn woorden mij hadden geschud tot op de grondvesten van mijn christenzijn.
Ik had nog nooit eerder iemand zo over Jezus horen spreken als hij had gedaan en hij had een onverzadigbare honger in me opgewekt om meer over deze Jezus te weten te komen. In de weken die volgden herlas ik alle vier de evangelien – deze keer niet zozeer om te weten wat Jezus onderwees als wel wat voor soort iemand Hij was. Ik besefte dat hoewel ik al meer dan 20 jaar christen was, ik er geen idee van had wie Jezus als persoon was en ik wist niet hoe ik daar verandering in kon brengen. Hoe meer ik het probeerde, hoe gefrustreerder ik werd. Ik wierp me met alles wat ik had op mijn bediening, in de hoop dat ik de honger op die manier zou kwijtraken en de vragen die de vreemdeling bij mij had opgeroepen.
Vier en een halve maand na die eerste ontmoeting werd alles nog vreemder. Ik had een ochtend apart gezet om bijbelstudie te doen omdat ik weer eens voor mocht gaan in onze zondagochtenddienst. Maar er gebeurde van alles waardoor ik niet eens de kans kreeg om mijn boeken open te slaan.
In de eerste plaats zou onze geluidsman er zondag niet zijn omdat hij voor een weekendje de stad uitging. ‘Of ik voor een vervanger kon zorgen?’
En er kwam iemand langs om te komen zeggen dat ze onze kerk wel erg onvriendelijk vond. Ze kwam al twee jaar in onze gemeente en er was nog nooit iemand geweest die haar had gevraagd om eens langs te komen.
Vervolgens kwamen Ben en Martha langs om te vertellen dat ze er die avond niet bij zouden zijn op de huiskringavond. Dit was al de derde keer achter elkaar dat ze verstek lieten gaan. Niet bepaald een goed voorbeeld voor iemand die mijn assistent-huiskringleider was. Toen ik begon aan te dringen zeiden ze tenslotte dat ze niet erg gelukkig waren met de gemeente en erover dachten om te vertrekken. Ik probeerde hen dat uit het hoofd te praten. Ik had er heel wat uurtjes in gestopt om hen klaar te stomen voor deze taak, zodat ze uiteindelijk zelf een huiskring zouden kunnen leiden. Hoe konden ze dan nu vertrekken? “Onze kinderen gaan naar een jeugdgroep in een andere gemeente dicht bij ons in de buurt en ze vinden het daar erg fijn en we vinden het al een tijdje niet meer zo fijn in deze gemeente- het is nogal onpersoonlijk geworden.”
Toen ze bij ons in de gemeente kwamen stonden ze op het punt om te gaan scheiden. Ik had veel tijd met ze door gebracht om ze te helpen nieuw leven in hun huwelijk te blazen. En nu ze binnenkort in de gelegenheid zouden zijn om iets terug te kunnen doen gingen ze ervan door: naar ‘groenere weidegronden’.
En bovenop dit alles liet de voorganger net na de lunch weten dat een bijeenkomst met mij en twee van onze oudsten - die problemen hadden met ons bouwprogramma - niet doorging. Hij zei dat hij er vandaag geen trek in had. Het had mij drie weken gekost om deze afspraak rond te krijgen. Ik was woest en ging naar buiten om even frisse lucht te happen. Toen ik de deur van mijn kantoor harder dichtsloeg dan de bedoeling was, was het voor de anderen duidelijk dat ik behoorlijk gefrustreerd was. Mijn secretaresse schrok ervan en in de gang keken ze me na. Ik maakte een geergerd gebaar naar de deur, alsof hij de oorzaak was van al die herrie. Toen ik achterom keek bleven mijn ogen even rusten op het zo vertrouwde bordje op de deur van mijn kantoor: Jake Colson, Assistent Voorganger.
Ik herinner me nog de eerste keer dat ik door die deur naar binnen ging, verbaasd dat het naamplaatje al klaar was en onder de indruk van de verantwoordelijkheid die ik gekregen had. Het was nooit mijn bedoeling geweest om full-time in de bediening te gaan, maar toen ik op die eerste dag door die deur naar binnen ging had ik het gevoel dat al mijn dromen werkelijkheid waren geworden. Binnen vier jaar bleken die dromen net zo ongrijpbaar te zijnn als ze vroeger steeds waren geweest.
Ik kom uit de werkende klasse en ben als het ware in de kerk grootgebracht. Zelfs in de stormachtige jaren ‘70 heb ik mijn geestelijke wortels nooit losgelaten. Nadat ik in 1979 afstudeerde met een graad in de zakenwereld werd ik makelaar in vastgoed in Kingston, een bloeiende stad in het vruchtbare boerenland van Midden Californie. In de jaren ‘80-’90 was de economie omhoog geschoten en ik had een lucratieve praktijk opgebouwd en stond goed bekend. Mijn vrouw en ik hadden geholpen de gemeente waar ik nu voor werkte te stichten. Vijftien jaar geleden besloten enkele gezinnen en een paar universiteits studenten, die teleurgesteld waren in de ‘kracht’ demonstraties van de traditionele kerken die we bezochten, dat we maar beter een nieuwe gemeente konden stichten. Een tijd lang kwamen we samen aan huis, en genoten van de fellowship die we met elkaar hadden. Maar al spoedig huurden we een gebouw en zorgden we voor naamsbekendheid in de buurt waar we zaten. Aanvankelijk was er weinig groei, maar de afgelopen tien jaar waren we gegroeid tot over de 2000 leden, hadden we ons eigen gebouw neergezet en beschikten we over een complete staf.
Wat voelde ik me gevleid toen de voorganger me vroeg om deel uit te maken van de staf om toezicht te houden op de zakelijke kant van de gemeente en te helpen met de pastorale zorg in de gemeente. Op dat ogenblik was ik 39, had een heel goede baan en was vader van twee jonge kinderen.
De zondagsschool voor volwassenen waaraan ik les gaf was een van de populairste in de gemeente en ik had er net twee termijnen opzitten als bestuurslid van de gemeente.
De voorganger vertelde me dat hij me er erg graag bij wilde hebben, zodat ik zijn taak kon helpen verlichten door een aantal verantwoordelijkheden waar hij minder sterk in was op me te nemen.
Hoewel ik meer dan genoeg verdiende in de vastgoedwereld wist ik dat het daar alleen maar om geld draaide – de god van de mammon, zoals ik er altijd over had horen prediken. Verspilde ik m’n leven niet door alleen maar bezig te zijn met ‘de dingen van de wereld’? Waar leefde ik eigenlijk voor? Ik had nauwelijks tijd over voor de dingen die ik het belangrijkste vond en dus nam ik de ‘baan’ in de gemeente aan, in de hoop dat ik op die manier eindelijk dat knagende schuldgevoel zou kwijt raken.
Een tijd lang was dat ook wel het geval. De eerste twee jaren voelde ik me heel wat, nu ik een belangrijk iemand was geworden in de staf van een groeiende gemeente. Nu had ik tenminste tijd om te bidden en bijbelstudie te doen. Al spoedig echter nam de werkdruk toe. Ik werkte niet alleen vijf dagen per week, maar was daarnaast ook nog eens vijf a zes avonden per week bezig met gemeentezaken. Ik had zelfs geen tijd over om af en toe nog iets te doen in de makelaardij, zoals ik had willen doen om mijn lagere inkomen te compenseren.
Als mijn frustratie me te veel werd, ging ik vaak een eind wandelen om wat rust te zoeken. Ik zei dan tegen mijn secretaresse dat ik even weg was en verliet het kerkcomplex om ergens in een park, twee blokken verder, te gaan wandelen. Deze plek was vaak mijn toevluchtsoord geweest en soms ook mijn gebedsplek, hoewel ik er niet vaak was geweest in de drukkend hete zomermaanden. Deze dag was het iets meer dan 80 graden F (26,6 C) – wat een teken was dat de zomer bijna voorbij was en dat de koelere herfstdagen in aantocht waren.
Toen ik de hoek omsloeg naar het park was ik verbaasd nogal wat kinderen te zien, totdat ik me herinnerde dat mijn vrouw had gezegd, dat de kinderen vandaag op school een korte dag zouden hebben. Teleurgesteld keek ik onderzoekend het park door om te zien of er nog ergens een rustig plekje voor me was. En toen zag ik hem.
Een eenzame figuur, op een van de banken aan de andere kant van het park. Zelfs vanaf het punt waar ik stond leek hij op de vreemdeling die ik had gezien in San Luis Obispo. Mijn hart sloeg een paar keer over. Ik had God vaak gevraagd me de gelegenheid te geven om nog eens met die man te praten, maar inmiddels had ik alle hoop al opgegeven. De gedachte aan hem bracht weer ongelofelijke herinneringen aan die ochtend naar boven en ook die honger begon weer te knagen. Ik was er bijna zeker van dat het hem niet was, maar ik vond dat ik op z’n minst voor de zekerheid wat dichterbij zou kunnen gaan kijken, nu ik hier toch was.
Toen ik hem naderde zag ik dat hij wel de juiste lengte had, maar dat was toch moeilijk te zien omdat hij zat. Zijn lichaamsbouw en zijn baard leken wel hetzelfde, maar hij had een zonnebril op en een baseballpetje op, waardoor het moeilijk was om er zeker van te zijn. Hij leek in de verte te staren, zich niet bewust van mijn nadering.
Ik kon mijn ogen niet van hem afhouden en mijn hart ging te keer.
Als het hem nu eens was?
Wat zou ik doen?
Toen ik hem voorbij liep, draaide hij zijn hoofd om en ik keek meteen de andere kant op. Dit kon hem niet zijn. Ik wist niet wat ik moest doen. Ik had er geen flauw idee van wat ik zou moeten zeggen en treuzelde net zolang met doorlopen als ik kon zonder iets tegen hem te zeggen, en liep toen verder. Ik was hem zo’n drie meter voorbij gelopen, toen ik genoeg moed had verzameld om even stil te staan en net te doen alsof ik het park bekeek, als voorwendsel om nog eens even naar de man op de bank te kijken.
Hij leek er wel op!
Hij draaide langzaam zijn hoofd om en weer keek ik meteen de andere kant op. Wat voelde ik me opgelaten. Voordat ik het wist, liep ik al weer verder. Zo’n twintig meter verderop was nog een lege bank. Ik liep er via een slingerend pad naar toe en ging zitten. Nu kon ik minder opvallend naar hem kijken. Hij stond net op en liep weg, de andere kant op.
Oh neen! Wat nu? Het is nu of nooit, dacht ik.
Ik sprong op van m’n bank en liep snel achter hem aan. Met iedere stap kwam ik dichterbij hem. Tenslotte was ik zo dichtbij hem, dat ik of hem weer voorbij zou lopen of zou zeggen:”Neemt u mij niet kwalijk, meneer!”
De woorden kwamen er uit voordat ik het wist.
Hij stond stil en keerde zich naar me toe.”Ja?” Eén lettergreep was wel een erg karige reactie, maar de stem klonk dichtbij.
“Misschien klinkt het stom, maar u lijkt op iemand die ik een paar maanden geleden gezien heb aan de kust, in het centrum van San Luis Obispo. Was u dat misschien?`
Zijn zonnebril keek me uitdrukkingsloos aan. Als ik nu zijn ogen zou kunnen zien zou ik het zeker weten...
“Om u de waarheid te zeggen, ik was daar inderdaad een paar maanden geleden, maar slechts voor een paar dagen. Hebben we elkaar daar ontmoet?”
“Neen, maar iemand die op u lijkt bemoeide zich met een woordenwisseling tussen wat mensen daar.”
“Dat zou ik geweest kunnen zijn,” antwoordde hij en haalde z’n schouders op.
“Het ging over religie. En als u die man bent, dan nam u deel aan die discussie en sprak over Jezus en hoeveel hij wel van ons mensen houdt. Kunt u me volgen?”
“Ja, zeker. Ik praat vaak met mensen, vooral met hen die op zoek zijn naar geestelijke dingen.”
“Ik heet Jake Colson.” Ik stak m’n hand uit om de zijne te schudden.
“Hallo Jake, ik ben John,” antwoordde hij en gaf me een hand.
“Bent u die man die met die mensen heeft gesproken? Het was op een zaterdagochtend. Zag u me daar?”
“Ik kan me niet echt herinneren of ik u daar gezien heb, maar het klinkt wel als het soort gesprek dat ik vaak met mensen heb.”
“Kunnen we even met elkaar praten?”
Ik keek op mijn horloge en merkte dat ik nog maar 30 minuten had voordat ik voor een afspraak op m’n kantoor terug zou moeten zijn. Ik gebaarde naar een bank even verderop.
“Maar natuurlijk.”
We liepen er naar toe en gingen zitten. We keken allebei naar het park vlak voor ons.
“Dit zal wel wat vreemd klinken,”begon ik tenslotte,”maar ik heb gebeden voor een gelegenheid om u te ontmoeten. Uw woorden hebben me op die dag echt geraakt. U had het over Jezus alsof u hem persoonlijk gekend hebt. Op een gegeven moment dacht ik zelfs dat u de apostel Johannes was.”
Hij grinnikte. “Dat zou wel een beetje vreemd zijn, nietwaar?”
“Ik weet dat het zot klinkt, maar toen die gedachte bij me opkwam stopte u midden in een zin, keek mijn richting uit en knikte alsof u het met me eens was. Ik heb geprobeerd achter u aan te gaan toen u wegliep, maar ik ben u ergens in een drukke straat kwijtgeraakt.”
“Misschien was het nog niet het juiste moment. Maar, hoe het ook zij: nu zijn we hier. Waar wou u het over hebben?”
“Bent u het?”
“Ben ik wat?”
“Bent u John?”
“Johannes, de discipel van Jezus?” Hij glimlachte, klaarblijkelijk geamuseerd bij het vooruitzicht alleen al. “Nou, je weet dat ik John heet, en ik kan inderdaad zeggen dat ik een discipel van Hem ben.”
“Maar ben je de Johannes??”
“Waarom vind je dat zo belangrijk?”
“Als je het bent, zou ik je een paar dingen willen vragen.”
“En als ik het niet ben?”
Ik wist niet wat ik moest zeggen. Ik was diep geroerd door wat hij had gezegd, wie hij ook mocht zijn. Het leek erop dat hij dingen over Jezus wist die mij duidelijk waren ontgaan. “Ik denk dat ik gewoon met je wil praten.Wat je zei, toen je in San Luis Obispo was, heeft me diep geraakt. Jij schijnt Jezus te kennen op een manier waar ik alleen maar op kan hopen. Ik ben assistent-voorganger van een gemeente in deze stad, de City Center Gemeente. Ooit van gehoord?” “Neen, ik geloof van niet.” Hij schudde zijn hoofd.
Zijn antwoord ergerde me een beetje. Waarom had hij nog nooit over ons gehoord?
“Woon je hier in de buurt?”
“Neen. Dit is pas de eerste keer dat ik in Kingston ben.”
“Echt waar? Waarom ben je hier?”
“Misschien omdat jij erom gebeden hebt,” lachte hij. “Ik weet het niet zeker waarom.”
“Luister, ik moet zo weg. Kunnen we elkaar nog eens ontmoeten?”
“Dat weet ik niet. Ik ben eigenlijk niet vrij om me vast te leggen door een afspraak te maken. Als het nodig is dat we elkaar weer zien, weet ik zeker dat het zal gebeuren. Deze ontmoeting vond ook plaats zonder agenda.”
“Kan je vanavond bij ons komen eten? Dan zouden we verder kunnen praten.”
“Neen, het spijt me. Ik heb vanavond al wat. Is er iets?”
Waar moest ik beginnen? Ik wilde hem zoveel vragen, maar ik had nog maar 20 minuten voordat ik terug zou moeten zijn op kantoor, en zelfs dan zou ik nog te laat zijn.
“Ik voel me zo gefrustreerd. Het lijkt erop dat iedereen die ik onlangs gesproken heb uitgeblust is geraakt – zelfs christenen die ik al jaren ken. Gisteren had ik een gesprek met een van onze oudsten, iemand waarvan ik altijd had gedacht dat hij solide was. - Jim, onze voorganger, heeft de moed geloof ik opgegeven. Hij vertelde me dat hij zich vaak afvraagt of God wel echt is of dat dit hele christelijke gedoe alleen maar een farce is.”
“Wat heb je tegen hem gezegd?”
“Ik heb geprobeerd hem te bemoedigen. Ik zei hem dat we niet moeten leven door wat we zien maar door geloof; dat hij veel mooie dingen voor God heeft gedaan en dat God hem hiervoor wel zal belonen. We moeten gewoon trouw zijn en niet op onze gevoelens afgaan.”
“Dus je hebt hem verteld dat hij geen gevoelens mocht hebben, en ook niet het recht heeft om vragen te stellen?”
“Neen, dat heb ik niet gezegd.”
“Weet je het zeker?” De vraag klonk vriendelijk, niet beschuldigend.
Ik was een beetje van m’n stuk gebracht en ik herhaalde nog eens wat ik tegen hem gezegd had.
“Je moet iets begrijpen, Jake, dit leven in Jezus is het ware leven. Het is geen spelletje. Als mensen vinden dat er iets niet klopt… Weet je wat ik heb ontdekt? Meestal is dat dan ook het geval.”
“En ik zei tegen hem dat hij dat moest negeren.” Ik zei het meer tegen mezelf dan tegen John. Ik schudde mijn hoofd nu ik inzag wat ik eigenlijk tegen hem had gezegd.
“Denk je dat je hem hebt geholpen?”
“Ik weet het niet. Ik heb hem wel bemoedigd, het leek er tenminste op dat hij zich wel beter voelde.”
John zei niets, hij liet mij verder denken...
“Je hebt gelijk, ik heb hem helemaal niet geholpen. Ik denk dat ik hem berispte.”
“Denk je dat hij de volgende keer weer bij je zal komen als hij weer zulke gedachten heeft?”
Ik schudde alleen maar m’n hoofd en had er spijt van dat ik hem alles wat er die morgen was gebeurd had verteld.“Ik denk dat ik hem weer ga bellen en het nog eens probeer...”
“Maar hoe is het met jou, Jake. Werkt het bij jou?”
“Wat werkt er bij mij?”
“Je geloof. Ervaar jij Gods leven in de mate dat je ernaar verlangt?”
“Ik raak soms gefrustreerd, net zoals vandaag. Maar over het algemeen gesproken kan ik niets bedenken dat ik liever zou doen dan wat ik nu doe.” John bewoog niet.
“Ik bedoel, ik mis het geld en de vrije tijd die ik vroeger had, maar dit is veel meer de moeite waard. We hebben aardig wat invloed op de deze stad.”
Hij bleef weer stil zitten. Ik wist niet wat ik nog meer moest zeggen, maar voor ik het wist kwamen er tranen in m’n ogen en ik hapte naar adem. Opeens voelde ik me ontzettend eenzaam.
Tenslotte keerde John zich naar mij toe. “Ik heb het niet over wat je doet. Ben je vervuld met de liefde van Jezus net zoals toen je voor het eerst in Hem geloofde?”
De woorden zochten hun weg naar mijn ziel en ik voelde hoe mijn binnenste smolt als boter in een hete pan. ‘N..n...n..neen!” Ik kreeg het er haast niet uit, mijn stem schokte met korte ademstoten. Toen ik het tenslotte over m’n lippen kreeg, gebeurde dat met een diepe zwaarklinkende zucht. “Het werkt al jaren niet meer. Het is net alsof hoe meer ik m’n best doe voor God hoe verder Hij van mij vandaan lijkt te raken.”
“Of misschien hoe verder jij van Hem vandaan raakt.”
“Wat?” Wie hij ook mocht zijn, het was duidelijk dat hij alles vanuit een andere gezichtshoek bekeek.
“Weet je waarom je je zo leeg voelt?”
“Daar heb ik nog niet over nagedacht, John. Ik heb het erg druk gehad en Hij schijnt me te gebruiken om andere mensen aan te raken. Ik dacht dat dit de manier was hoe het werkt. Ik denk er gewoon niet te veel over na. Ik word er zo moe van. Ik bedoel, er is heel veel waar ik dankbaar voor ben, ik heb een liefhebbende begripsvolle vrouw, heerlijke kinderen, een fijn huis en ik dien God met alles wat ik heb. Maar binnenin me, hier, is het leeg, hol.” Ik sloeg met mijn vuist op mijn borst en mijn ogen werden nog vochtiger.
“Jim maakte je bang, heh?”
“Wat?” Voor de tweede keer kon ik hem niet volgen.
“Misschien voelde jij je net zo leeg als hij, maar wilde je dat niet toegeven.”
“Daar heb ik nog nooit aan gedacht, maar ik kan me wel herinneren dat ik me knap ongemakkelijk voelde toen hij met me sprak. Hij stelde me vragen waarop ik geen antwoord wilde geven.”
“Weet je waar het allemaal om draait, Jake?” John leunde achterover, sloeg z’n armen over elkaar en keek naar de speelplaats een eindje verderop. “Het gaat om leven – Gods echte leven dat jouw leven vervult. Hij komt binnen zodat je geen twijfels meer voedt ten aanzien van Zijn werkelijkheid, Zijn aanwezigheid. Het is de soort relatie waarvan Adam heeft geproefd toen hij met God in de hof wandelde en hoorde dat Hij een geweldig plan had om een volk te hebben door wie Hij Zijn realiteit op een onvoorstelbare manier aan de wereld. zou kunnen laten zien. Het is het soort leven dat Jezus leefde en dat voldoende was om aan iedere behoefte tegemoet te komen, van het voeden van een menigte met de lunch van een kleine jongen, tot het genezen van een zieke vrouw die de zoom van zijn mantel aanraakte.Dit leven is niet de een of andere filosofische gedachte die je kunt oproepen door middel van meditatie of de een of andere theologische abstractie waarover je kunt debateren. Het is de volheid. Het betekent vrijheid. Het is vreugde en vrede, ongeacht wat er gebeurt –zelfs al gebruikt je arts het woord met een ‘K’ wanneer hij je komt vertellen wat de uitslag van de MRI scan is. Dit is het soort leven dat Hij wil delen met iedereen die er genoeg van heeft zijn leven in eigen hand te nemen en alles te willen controleren, en in plaats daarvan kiest voor Zijn agenda. - Het is zeker niet wat zoveel mensen denken dat het inhoudt, zoals hard werken, een grote bediening hebben of een nieuw, groot gebouw neerzetten. Het gaat om het leven dat zichtbaar en tastbaar is, waar je iedere dag van je leven van mag genieten. - Ik weet dat mijn woorden tekort schieten om het adequaat te beschrijven, maar je begrijpt me wel. Jij hebt die momenten toch ook gekend, nietwaar?”
“Ja. Jazeker, maar ze duurden nooit zo lang. Ik weet nog wel hoe geweldig het was de eerste dagen, maar dat ben ik nu aardig kwijt. Wat is er met me aan de hand? Hoe is het mogelijk dat ik al zo lang christen ben, zo aktief in de kerk, en nog steeds heb ik het niet door? Hoe heb ik dit leven kwijt kunnen raken? Ik was er in ieder geval niet op uit.”
“Ik heb het al zo vaak zien gebeuren,” antwoordde John. “Het lijkt wel een epidemie vandaag de dag. Op de een of andere manier maakt onze geestelijke ervaring de verkeerde dingen belangrijk en trekken ze ons weg van Zijn ware leven. Dat gebeurde ook in de eerste gemeente. Herinner je je wat er in Efeze gebeurde en wat Jezus tegen ze zei in zijn brief in Openbaringen? Hun theologie was onberispelijk. Ze kenden de waarheid zo goed dat ze een dwaling net zo vlot in de gaten hadden als een vlieg in een kommetje soep op een afstand van 100 meter. Ze waren ook niet bang om degenen die zich naar voren werkten in de bediening te confronteren, om te zien of ze wel de waarheid vertelden of dat ze een zelf verzonnen boodschap brachten, alleen maar om zichzelf een naam te verwerven. Hun volharding in tijden van lijden was ongeevenaard binnen het Christendom. - Hoe meer ze te lijden hadden, hoe sterker ze schenen te worden en ze klaagden nooit wanneer ze aangevallen werden door anderen. Maar was Jezus niettegenstaande dat tevreden met ze?”
Niet zo lang geleden had ik over dit gedeelte onderwijs gegeven, dus ik wist waar John het over had. “Neen, hij berispte hen, omdat ze hun eerste liefde waren kwijtgeraakt.”
“Dat klopt. Is dat niet verbazingwekkend? Wat ze misten veroorzaakte zo’n leegte in hen dat die al het goede wat ze verder ook maar deden opzoog. Ze hadden de verrukkelijke liefde die ze in het begin voor Jezus hadden, verloren. En zonder die liefde was wat ze deden zonder inhoud. Je kunt zo druk bezig zijn voor Hem, dat je het zicht op ‘Hem kennen’ kwijtraakt. Er was maar weinig bij hen wat voortkwam uit hun liefde voor Hem of uit Zijn liefde voor hen. En dat maakte alles wat ze deden niet alleen waardeloos maar in feite zelfs afbrekend.”
“Zo ben ik,” zei ik. “Je hebt het over mij.”
“Het is het oude, bekende verhaal, Jake. En het wordt miljoenen keren herhaald, zelfs onder miljoenen andere namen. Weet je nog toen de liefde van Jezus je hart veroverde?”
De herinneringen daaraan stroomden binnen. “Ja, ik was toen op de middelbare school, ongeveer twaalf of dertien jaar oud, maar ik wist dat er iets aan de hand was. Mijn ouders zaten in de andere kamer met zo’n dertig mensen en ze waren aan het bidden. Zo waren ze al vier uur bezig zonder te verflauwen. En ze vonden het nog fijn ook. Zo ging het iedere vrijdagavond. Ze konden gewoon niet wachten om weer samen te komen en te bidden. Soms zongen ze, soms lachten ze en soms huilden ze zelfs. Ze stopten zelden voor 23.00 u. en vaak gingen ze nog langer door. Dat was een hele verandering voor mijn ouders, die net zoals wij zelf opgegroeid waren in de kerk. We waren de derde generatie Baptisten van mijn vaders kant en Presbyteriaans van mijn moeders kant. Mijn ouders waren aktief betrokken bij de Baptistenkerk –gingen regelmatig naar de kerk en zaten in heel veel commissies. Maar ze vonden het er niet fijn, naar het leek. Het kwam soms voor dat ze we ze zover kregen dat ze niet gingen. - Maar dit was anders. We hadden ze zelfs met een sleepauto niet weg kunnen krijgen. Ze waren veranderd, van alleen maar kerkbezoekers in mensen die vol passie waren ten aanzien van hun wandel met God. En in dit proces veranderde God hun leven. Ze raakten oude gewoontes kwijt, Gods tegenwoordigheid was sterker dan hun noden en ze lazen bij elke gelegenheid in de bijbel. Ik herinner me ook dat ze voor alle dingen baden. Voor het eerst waren ze vol vreugde, blijdschap en leven in hun geloof. Dat maakte ons als kinderen ook hongerig. Ze baden voor ons en dat was de eerste keer, herinner ik me, dat ik het leven van God leerde kennen. Ik kan me zelfs herinneren dat ik voor het eerst Gods stem hoorde.”
“Wat gebeurde er daarna?”
“Het groeide een paar jaar, en ze wilden graag dat hun kerk dit ook zou leren kennen. Maar er kwam achterdocht en de beschuldigingen waren niet van de lucht. Toen het stof een paar maanden later was neergedaald, was het duidelijk dat ze niet meer welkom waren in de kerk. Veel mensen zeiden hun lidmaatschap op, maar het doofde hun ijver niet. Ze beschouwden het als een soort vervolging. - Aangezien ze niet meer welkom waren in die kerk, besloten ze samen een nieuwe gemeente te stichten. Op de eerste samenkomst zaten er wel meer dan 80 mensen opeengepakt in een klein huis. De sfeer was hooggespannen. - Ze vonden dat er wat struktuur nodig was, dat ze een gebouw moesten huren en dat er een voorganger nodig was.”
En toen zag ik het voor de eerste keer, zo duidelijk als wat. “En toen stierf het langzaam aan.” Ik mompelde, erover verbaasd dat ik het me nu pas bewust werd.
“Vreemd heh, dat het stichten van wat men dacht dat het een kerk zou zijn iets ten gevolge had wat vervolging niet voor elkaar kreeg? Er bestaat niets ter wereld wat de Vader liever ziet dan dat je pardoes in zijn schoot van liefde valt en daar voor altijd blijft. Gods plan vanaf de scheppingsdagen tot aan de dag van de Wederkomst werd ontworpen om mensen in de liefdesrelatie te brengen die de Vader, Zoon en Geest al met elkaar gedeeld hebben sinds de eeuwigheid. Hij wil niets minder – en niets anders! - Dit is geen God die Zijn Zoon stuurde met een lijst regels waaraan je je moest houden of rituelen die je moest toepassen. Zijn missie was ons uit te nodigen om kennis te maken met Zijn liefde – en een relatie met Zijn Vader te hebben die hij omschreef als diepe vriendschap. - Maar wat doen we? We laten ons zo snel gevangen nemen door een op werken gebaseerde religieuze cultuur die gedijt in een klimaat van schuld, conformeren en manipulatie, dat het de liefde die ze in stand wil houden juist dood maakt. - In Efeze spoorde ze valse leraars op. In Galatie zorgde ze ervoor dat iedereen de rituelen uit het Oude Testament hield. Tegenwoordig brengt ze mensen ertoe om mee te werken aan het gemeenteprogramma. - Het maakt niet uit waardoor mensen vervreemd raken van Gods leven. Dat kan door van alles gebeuren, zo lang het ze maar genoeg bezighoudt met ‘dienen’, als een adequaat vervangingsmiddel voor het ware. Je hebt het eerder in de gaten als het gaat om besnijdenis zoals in Efeze, dan wanneer het gaat om het bezoeken van de zondagochtendsamenkomst in Kingston. Maar ze kunnen de mensen allebei naar dezelfde plek leiden: van verveelde en teleurgestelde gelovigen, die Vaders leven niet meer kennen.”
Ik wist niet wat ik moest zeggen. Ik was er ook niet zeker van of ik het wel met hem eens was. Wat had kerkgang nu te maken met besnijdenis? “Mag ik je een vraag stellen, Jake? Hoeveel plafondplaten telt jullie kerkzaal?”
Ik hoefde niet eens na te denken. “Er zijn 312 lange en 98 korte.”
“En hoe komt het dat je dat weet?”
“Ik tel ze als ik me verveel.”
“Dan moet je je wel vaak verveeld hebben. Weet jij voor hoeveel anderen dit ook geldt? Ik heb eens iemand ontmoet die de getallen van de gezangen en psalmen die gezongen zouden worden optelde, om te kijken of ze bij elkaar opgeteld het getal 666 vormden. Denk je niet dat mensen die samen Gods leven delen in deze dingen niet zo goed zullen zijn? Zou het kunnen betekenen dat er iets fout zit?”
Nou, misschien had hij gelijk.
“Waar zat jij aan te denken afgelopen zondag toen je de kerk binnenkwam?”
Daar moest ik wat langer over nadenken. “Ik keek mijn aantekeningen nog even na, en probeerde een passende illustratie te bedenken.... die had ik nog niet.” “Okee. Maar wat zei je tegen jezelf toen je je auto parkeerde bij het gebouw?”
Het kostte me even tijd om dat boven water te krijgen. “Ik zal blij zijn als dit voorbij is en ik weer naar huis kan gaan.” Ik moest wel even grinniken. “Hoe wist je dat?”
“Ik wist het niet, maar het verbaast me niet. Weet je hoeveel mensen dat denken? Zelfs degenen die ervoor worden betaald om daar te zijn, zoals jij? Door de sleur verwelkt het leven, hoe goed het ook mag lijken te gaan.”
“Dus is Jims ontgoocheling een goede zaak?” vroeg ik ongelovig.
“Misschien kan je het zo stellen, ja. Maar dat geldt ook voor jou. Als je beseft dat de sleur waar je in terecht bent gekomen je verlangen om God beter te leren kennen niet echt stimuleert, kunnen er een aantal ongelofelijke dingen gebeuren. Als je week na week hetzelfde programma uitzit raak je je enthousiasme kwijt. Krijg je daar niet genoeg van om jaar na jaar ten prooi te vallen aan dezelfde verleidingen, dezelfde onbeantwoorde gebeden te bidden en te merken dat er geen bewijs is dat je gegroeid bent in het duidelijker verstaan van Gods stem?”
“Jawel.” Ik was verbaasd dat het antwoord zo vlot over mijn lippen kwam - met de frustratie. “Waarom deed je het dan...? Het antwoord daarop, Jake, zal meer over jezelf zeggen dan over de kerk. Op dit moment kan je volstaan met eerlijk te zijn over je eigen verveling en ontgoocheling. Deze Vader heeft nooit zijn verlangen opgegeven om de vriendschap met jou te hebben die je had toen je dertien was.”
“Ook daarna heb ik wel van die momenten gehad!”
“Natuurlijk, maar dat duurde niet zo lang, toch? Als dat wel het geval was geweest, had je niet mensen zoals Jim het bos in hoeven te sturen en hem en anderen te ‘versterken’ met nietszeggende algemeenheden. Je moet mensen zoals hij niet het zwijgen opleggen alsof ze te weinig geloof hebben. Geef ze liever een compliment omdat ze de moed hadden om met hun geestelijk leven om te gaan als met iets dat echt is. Om je de waarheid te zeggen, Jims eerlijkheid laat meer geloof zien dan jouw onbehagen mét geloof.”
“Wat moet ik doen, John? Ik wil dat leven waar jij het over hebt.”
“Jij hoeft daar niet zo veel voor te doen, Jake. Wees gewoon echt naar de Vader toe en geef niet toe aan de neiging om in je schulp terug te kruipen en stilletjes de toestand van levenloosheid te verdragen. Je strijd komt voort uit de roep van Gods Geest naar jouw geest. Vraag Hem je te vergeven dat je andere zaken in de plaats hebt gesteld van de kracht van zijn liefde en nodig Hem uit je te laten zien hoe jouw ijver en inspanning om goede werken te doen Zijn liefde voor jou heeft verduisterd. Laat God de rest doen. Hij zal je naar Zich toe trekken.”
Ik keek op m’n horloge en zag dat ik moest gaan. “Het spijt me, ik moet er vandoor. Het heeft lang geduurd, John, maar ik ga er voor!”
“Mooi zo. Zal het niet geweldig zijn om ´s morgens op te staan met de zekerheid dat je iedere dag geliefd bent door Vader, zonder dat je het door welke rechtvaardige daad dan ook hoeft te verdienen? Dat is het geheim van de eerste liefde. Probeer het niet te verdienen. Weet, dat je aanvaard en geliefd bent, niet vanwege wat jij voor God zou kunnen doen, of door op de een of andere manier te hopen dat je het waard bent dat Hij je aanvaardt, maar omdat het Zijn grootste wens is dat jij een van Zijn kinderen bent. Jezus is gekomen om alle obstakels die dat tegenhouden weg te nemen.”
Ik stond op en greep John’s hand. Hij kneep in de mijne en hield hem even vast.
“En dat is niet moeilijk, Jake. Ik dit Koninkrijk krijg je echt wat je zoekt. Daar draait het om. Als jij op zoek bent naar deze intieme relatie met God zal je die vinden.”
“Waarom heb ik die dan nog niet? Ik dacht dat ik daar al die tijd al naar op zoek was...”
“Ongetwijfeld, dat zal in het begin ook zo zijn geweest. Maar je kan het ook van een andere kant bekijken. Als je ziet waar je nu bent, dan zal je merken waarin je het in feite hebt gezocht!” Hij liet m’n hand los.
Zijn stem klonk beslist, maar ik had geen tijd om er op in te gaan. Mijn afspraak wachtte. Ik kon alleen maar knikken. Maar op dat moment had ik er geen idee van wat hij bedoelde.
“Ik hoop je gauw weer te zien,”zei ik en keek hem aan.
“Oh, dat gebeurt wel... op het juiste moment.”
Ik bedankte hem, zwaaide gedag en omdat ik nu echt te laat zou zijn voor mijn afspraak, spurtte ik naar de uitgang van het park.

Het heeft me altijd verbaasd dat de grootste ´reizen´ in ons leven vaak zo simpel beginnen dat we het niet eens in de gaten hebben dat hij al is begonnen. We merken het pas wanneer we al een eind op weg zijn en terugkijken.


En zo zou het ook voor mij zijn.

1   2   3   4   5   6   7   8   9   ...   13


De database wordt beschermd door het auteursrecht ©opleid.info 2017
stuur bericht

    Hoofdpagina