E. D. Morel een centrale rol nam, en welk onder andere door de schrijver



Dovnload 113.58 Kb.
Datum23.08.2016
Grootte113.58 Kb.
frame1
Vanaf de jaren 1870 werd het land voor het eerst verkend door Europeanen en ontstond de eerste administratie. Het gebied werd voor het eerst in kaart gebracht door de Engelse ontdekkingsreiziger Henry Morton Stanley. In 1885 werd het land op de Conferentie van Berlijn toegekend aan koning Leopold II van België. Hij maakte er zijn persoonlijke eigendom van en noemde het de 'Congo Vrijstaat'. Toen kort daarna rubber een fel begeerd product werd, bracht het land een fortuin op voor Leopold, waarmee hij gebouwen oprichtte in Brussel, Tervuren en Oostende. De Congolezen werden ondertussen uitgebuit, en tussen 1885 en 1908 stierven naar schatting ongeveer 5 miljoen mensen (volgens sommige ramingen zelfs nog meer) aan uitbuiting en ziekten. Dit misbruik werd veroordeeld in een rapport van de Britse diplomaat Roger Casement en in internationaal protest waarin de Britse journalist E.D. Morel een centrale rol nam, en welk onder andere door de schrijver Mark Twain gesteund werd. In 1908 moest het Belgische Parlement plooien onder de druk en nam het de kolonie over van de koning. Het land werd nu Belgisch Congo genoemd. Het bestuur verbeterde aanzienlijk en er werd een niet onaanzienlijke economische en maatschappelijke vooruitgang gerealiseerd. De blanke koloniale heersers legden echter over het algemeen een neerbuigende, bevoogdende houding aan de dag ten opzichte van de inheemse bevolking, welke tot bittere ressentimenten aanleiding gaf. Tijdens de Tweede Wereldoorlog behaalde het kleine Congolese leger verschillende overwinningen tegen de Italianen in Noord-Afrika.

Congo werd onafhankelijk op 30 juni 1960, na bijna 10 jaar strijd; België trok zich uiteindelijk terug uit angst voor een onafhankelijkheidsoorlog zoals die in Algerije. Patrice-Emery Lumumba (1925-1961) werd eerste minister.



frame2
Een regenwoud is een bebost ecosysteem waarin veel regen valt, het hele jaar door. Als minimum wordt wel 1700 of zelfs 2500 millimeter regen aangehouden voor een regenwoud, met een bepaald minimum per maand: als de regen ongelijk over het jaar verdeeld is kan sprake zijn van een moessonbos. Een nevelwoud kan even nat zijn als een regenwoud, maar het water komt in een andere vorm. Regenwoud kan worden aangetroffen zowel in gematigde als in tropische klimaten. In dat laatste geval is sprake van een tropisch regenwoud. Naast de grote hoeveelheid regen, worden regenwouden gekenmerkt door het grote aantal diersoorten dat er leeft, en de enorme biodiversiteit. Deze diversiteit is kenmerkend voor veel oerbos of oerwoud.

De grondbegroeiïng in regenwouden is vaak beperkt door het gebrek aan zonlicht dat de grond bereikt. Dit maakt het mogelijk voor mens en dier om door het regenwoud te lopen. Als het bladerdak om wat voor reden vernietigd of uitgedund is, kan de zon wel de grond bereiken en ontstaat daar al snel een jungle, een ondoordringbaar woud van klimplanten, struiken en kleine bomen. Er wordt veel regenwoud gekapt, waardoor de hoeveelheid regenwoud snel afneemt. In de jaren '90 is de hoeveelheid regenwoud naar schatting afgenomen met circa 58.000 km² per jaar. Tijdens het paleoceen was bijna de hele aarde bedekt door (tropische) regenwouden, inmiddels is dat 6%. (Anderzijds zijn er ook perioden geweest, bijvoorbeeld tijdens de ijstijden dat de oppervlakte van de regenwouden een fractie was van de huidige). Met de huidige kapsnelheid is de rest van de regenwouden mogelijk halverwege de 21e eeuw verdwenen. Een groot aantal wetenschappers bestrijdt deze laatste inschatting, met name gezien de snelle groei van nieuw (tropisch) regenwoud in gekapte gebieden. Daar staat tegenover dat de biologische waarde van dit secundair bos veel geringer is dan die van primair bos. Biologen geven aan dat mogelijk meer dan 50.000 diersoorten per jaar uitsterven door het kappen van regenwouden.

De grootste tropische regenwouden komen voor in het Amazonegebied, in de gebieden rond de evenaar in Kongo (Democratic Republic of Congo), en in Indonesië.

frame3
Lees alinea 1 in je handboek p. 35 + bespreek figuur 1 tot en met 4.

frame4
De Pygmeeën zijn een volk dat verspreid over het West-Afrika van Sierra Leone, Kameroen tot in de Congo leeft. Er zijn vandaag naar schatting 200.000 Pygmeeën. Bekende groepen zijn de Aka, Baka, Mbuti en Twa.

Het woord "pygmee" is afgeleid van het Griekse "pygmaios", "zo groot als een vuist". De oudste vermeldingen van Pygmeeën komen voor bij de Egyptenaren rond 2.500 v.Chr. Ze waren er bekend om hun dansen. De mannelijke Pygmeeën zijn meestal kleiner dan 1,50 meter. De vrouwelijke pygmeeën zijn ongeveer 8 cm kleiner. Zij bevolkten oorspronkelijk waarschijnlijk het gehele regenwoud van Centraal-Afrika. Ze leefden als jagers en verzamelaars. Volgens de Nederlandse antropoloog Dr. Paul Julien kenden sommige Pygmeeën die hij tussen 1932 en 1958 bezocht pijl en boog nog niet. Anderen kenden pijl en boog wel en maakten zelfs kruisbogen.

De Bantoe, die de landbouw kenden, begonnen ongeveer 3.000 jaar geleden naar het zuiden en het oosten van Afrika op te rukken vanuit hun land van oorsprong, dat waarschijnlijk in de buurt van Kameroen lag. De Pygmeeën werden naar gelang de streek uitgeroeid, teruggedrongen of opgenomen in de Bantoe-stammen. Het gebied waar ze leefden werd veel kleiner. Omdat de pygmeeën geen ijzer konden maken, maar dat wel konden gebruiken voor hun speren en eventueel pijlpunten, dreven ze ruilhandel met de Bantoe. Bijna overal waar Bantoe en Pygmeeën in mekaars omgeving leven, leven de pygmeeën in een afhankelijkheidsrelatie. Sommige onderzoekers noemen dit feodaal, anderen zelfs slavernij.

Paul Julien vermeldt dat, toen Pygmeeën een olifant hadden gedood, het ivoor naar een Bantoe-stamhoofd ging en veel van het vlees en ingewanden naar de inwoners van een Bantoe-dorp. Ze moeten ook vaak werken op de velden van de Bantoe. In alle gevallen hebben de Pygmeeën de taal van de hen omringende Bantoes overgenomen, maar hun dialecten hebben wel enkele afwijkende woorden. Reeds 70 jaar geleden zijn zij begonnen om op bepaalde plaatsen ook aan landbouw te doen, bijvoorbeeld in verlaten Bantoe-dorpen. De Pygmeeën worden door de Bantoes geminacht en als primitief en minderwaardig beschouwd, alhoewel ze hen aan de andere kant vaak bewonderen omwille van hun moed. Ondanks hun tamelijk primitieve materiële cultuur zijn de pygmeeën zeer muzikaal; zij hebben in hun gezangen zelfs een zekere mate van polyfonie ontwikkeld.

frame5

Lees alinea 1 in je handboek p. 35 + figuren 1 tot en met 4



frame6
Slash and burn' of hak- en brandcultuur is een landbouwsysteem dat in de tropen veel wordt toegepast. Een stuk regenwoud wordt gerooid en gedurende enkele jaren bewerkt. Er worden bijvoorbeeld bananen, manioc, jamswortel, boontjes, maïs, ... geteeld. Dit is grotendeels voor eigen gebruik of om op de lokale markt te verkopen. Ironisch genoeg is de bodem onder zo'n tropisch regenwoud na enkele jaren uitgeput wanneer de rijke vegatatie is verwijderd. De landbouwer laat het stuk terug braak liggen en neemt een ander stuk bos in gebruik. Vele jaren later komt hij er misschien terug en neemt het (intussen terug beboste) stuk terug in gebruik. Zo krijgt men een cyclisch systeem. De afbranding van het regenwoud werkt positief op de grond (de assen zijn zeer vruchtbaar) en door deze hak- en brandcultuur wordt het regenwoud stelselmatig vernieuwd. We kunnen dus stellen dat dit een duurzame manier van landgebruik is.
+ Lees alinea 1 in je handboek p. 35 + figuren 1 tot en met 4

frame7
Een savanne is een grasland met verspreid voorkomende bomengroei. In een savanne is gras de overheersende vegetatie gemengd met kruiden en struikgewas. Bomen komen er individueel of in groepen voor. Een savanne is soms een overgangszone tussen een regio met bos en een regio met grasland. Er zijn verschillende soorten savannes.

Het hele jaar door heerst er een hoge temperatuur. De neerslag bedraagt 5 tot 35 centimeter per jaar. Er is afwisseling tussen nat en droog seizoen.


+ handboek p. 35 (2. savannegebieden afhankelijk van de seizoenen)

frame8
De verenigde republiek van Tanzania is een onafhankelijk land in Oost-Afrika en grenst aan Democratische Republiek Congo (Congo Kinshasa), Rwanda, Burundi, Oeganda, Kenia, Mozambique, Malawi en Zambia. Het is een republiek met een federale structuur (Tanganyika en Zanzibar). De naam Tanzania is een samentrekking van de eerste drie letters van beide delen van de federatie: Tan - Zan - ia.

Tanzania is onderverdeeld in 26 regio's.De officiële hoofdstad is Dodoma, maar de voormalige hoofdstad Dar es Salaam huisvest nog vele regeringsinstellingen en ambassades. Andere belangrijke steden zijn Arusha, nabij de Kilimanjaro, Mwanza, Tabora en Zanzibar.

Tanzania heeft enkele toeristische troeven voor safari-trips (het woord safari betekent reis in het Swahili):


  • Ngorongoro: krater met een unieke wildpopulatie

  • Serengeti: wildreservaat, bekend door de jaarlijkse migratie (gedeeld met Kenia)

  • Kilimanjaro : hoogste berg van Afrika (5895m), door toeristen beklimbaar


Klimaat

Tanzania ligt dicht bij de evenaar en heeft daardoor een tropisch klimaat met een gemiddeld verschil tussen de hoogste en de laagste temperatuur van niet meer dan vijf graden. Het kustgebied is bijna het hele jaar door warm en vochtig met temperaturen tussen 22 en 30°C en een luchtvochtigheid tussen 75 en 80%. In bergachtige gebieden, waaronder de Kilimanjaro, het Usambara-gebergte en de noordelijke en zuidelijke hooglanden, kan de temperatuur in de periode mei-augustus tot 12°C zakken. In het bergland komt ook regelmatig nachtvorst voor, en de top van de Kilimanjaro is altijd bedekt met sneeuw en ijs. De warmste tijd van het jaar is over het algemeen oktober tot februari; het koelst is de periode juni tot en met oktober. Op sommige plaatsen in het binnenland kan de temperatuur echter tot meer dan 40°C oplopen. De neerslaghoeveelheden staan onder invloed van de heersende moessonwinden. Een groot deel van het land heeft twee regentijden: oktober-november met de zogenaamde kleine regens, en maart-mei met de zogenaamde grote regens. De neerslag varieert sterk en is onregelmatig gespreid over het land. Gemiddeld valt er over het hele land ca. 750 mm per jaar. Er zijn ook gebieden waar meer dan 1250 mm valt, terwijl de droge gebieden, vooral het Centraal Plateau, nog geen 500 mm per jaar halen.



frame9
Gierst is een geslacht van graangewassen met kleine korrels, die tot de grassenfamilie behoren. Meestal wordt echter met gierst de soort Panicum miliaceum bedoeld. De korrelopbrengst per ha is ongeveer 700 kg.

In China wordt de Gierst Panicum miliaceum al vanaf 4000 v. Chr. verbouwd. Gierst werd vroeger ook in Europa als voedsel gebruikt. In vele gebieden van Afrika en Azië zijn de verschillende gierstsoorten het belangrijkste voedingsmiddel.

De korrels zijn glutenvrij en bestaan bij de meeste gierstsoorten voor 60 tot 80 % uit koolhydraten, 6 tot 20 % eiwit met belangrijke aminozuren en 1 tot 6 % vet.

Verteerbaarheid


Gierst en sorghum bevatten meer onverteerbare stoffen (phytinezuur, oxaalzuur, kiezelzuur) dan andere graansoorten gebruikt voor volkorenbrood. Daarom is het beter ongepelde gierst niet in volkoren te verwerken. Ongepelde gierst smaakt bitter.

Gebruik


De gepelde gierstkorrel kan net zoals rijst gegeten worden. Parelgierst wordt het meeste gegeten als cous-cous. Gierst wordt ook verwerkt tot meel, griesmeel, vlokken en popcorn.

+ Lees handboek p.36: de savannegebieden



frame10
Sorghum (Sorghum bicolor) wordt ook sorgo, durra, kafferkoren, kafir genoemd en behoort tot de grassenfamilie. Sorghum werd in Etiopië in ongeveer 3000 v. Chr. gedomesticeerd en heeft zich van daar uit verspreid over heel Afrika. Ongeveer 2000 v. Chr. wordt sorghum ook verbouwd in Centraal-India. In Egypte werd sorghum als cultuurplant belangrijk vanaf de vroeg Islamitische tijd. Afrikaanse slaven brachten aan het begin van de 17e eeuw sorghum naar de Verenigde Staten, waar nu het grootste gedeelte van de wereldproductie plaats vindt in de vorm van veevoer als vervanger voor maïs.

Gebruik


Sorghum wordt gebruikt als voedsel, veevoer en de productie van alcoholische dranken (Kafir bier). De plant is droogte tolerant en is vooral belangrijk voor semi aride (droge) gebieden. Het is een belangrijk voedselgewas in Afrika, Centraal Amerika en Zuid-Azië en staat op de vijfde plaats van de verbouwde granen.
+ Lees handboek p.36: de savannegebieden


frame11


frame12
Cassave of maniok is de eetbare wortelknol van de plant (Manihot esculenta), een verhoutende, overblijvende heester.

Cassave wordt in Afrika en Zuid-Amerika veel gegeten. Oorspronkelijk komt hij uit Brazilië. Alle huidige geteelde variëteiten zijn cultivars.


Gebruik


Hoewel de plant veel zetmeel bevat en voedzaam is bevat hij ook het giftige blauwzuur in de vorm van glycosiden, dat er bij soorten met hoge gehalten voor de consumptie eerst uit moet worden verwijderd. Het gehalte loopt uiteen van 20 mg HCN/kilo verse knollen tot wel 1000 mg/kilo. Soorten met hoge gehalten worden 'bittere cassave' genoemd, met lage 'zoete'. Het eten van rauwe bittere cassave is gevaarlijk. De ziekte konzo is in feite een vorm van chronische cyanidevergiftiging, veroozaakt door het eten van cassave, tapioca of fufu waar het blauwzuur niet of onvoldoende uit is verwijderd. Dit kan lijden tot gebreksziektes door jodiumdeficiëntie.

Maniokbloem kan ook gebruikt worden om tarwebloem te vervangen, het wordt daarom ook wel gebruikt door mensen met allergieën. Tapioca en fufu worden gemaakt van de zetmeelrijke bloem van de maniokwortel.

In Congo worden ook de bladeren van de cassaveplant bereid als een soort spinazie, onder andere in het typische Congolese gerecht Saka Saka. Moambe is ook een Congolees gerecht.

In Tanzania worden de bladeren gebruikt voor het gerecht Kisamvu.


+ Lees handboek p.36: de savannegebieden

frame13
De Sahel is een landstreek in Afrika die gelegen is tussen de subtropen in het zuiden (10 graden NB) en de Sahara-woestijn in het noorden (ongeveer 23,5 graden NB). Aan de westzijde wordt zij begrensd door de Atlantische Oceaan en aan de oostzijde door de Indische Oceaan. Ongeveer hetzelfde gebied had vroeger de naam Soudan, niet te verwarren met het huidige land Sudan.

Het woord Sahel komt uit het Arabisch en betekent 'kust' of grens, waarmee de kust van de woestijn bedoeld wordt. Vandaar dat bijvoorbeeld ook de relatief kleine kuststrook bij Sousse in Tunesië Sahel wordt genoemd.

De volgende landen, opgenoemd van west naar oost, maken deel uit van de Sahel: Senegal, Gambia, Mauritanië, Mali, Burkina Faso, Niger, Nigeria, Tsjaad, Sudan, Ethiopië, Eritrea, Djibouti, Somaliland en Somalië. Ook de noordelijke delen van Ivoorkust, Ghana, Togo en Benin kunnen er toe worden gerekend.

De Sahel is een overgangsstreek die vrij droog is en waar verwoestijning van het oorspronkelijke savannelandschap het belangrijkste milieuprobleem is. De gemiddelde neerslag bedraagt zo'n 150-500mm per jaar. De meeste regen valt in het regenseizoen. Doordat de groeiende bevolking veel (brand)hout gebruikt en kuddes vee de jonge scheuten aan de vegetatie opeten, verdwijnt veel vegetatie en rukt de woestijn op. Het vinden van geschikt drinkwater is voor veel mensen een groot probleem.

Veel Sahellanden behoren tot de armste ter wereld.

+ redenen voor verwoestijning zoeken in handboek p.35




frame14
Een pinda (ook: aardnoot, olienoot of apennoot) is ondanks die naam een vrucht, (een peulvrucht en geen noot) van een tot de familie der Fabaceeën (bonenfamilie) behorende plant genaamd Arachis hypogaea. Zoals bij andere planten bevindt de bloem zich bovengronds, en daaruit ontwikkelt zich na bestuiving een peul met meestal twee vruchten. Daarna ondergaat de vrucht een bijzondere ontwikkeling: de stengel waaraan de peul groeit wordt langer en langer en boort zich in de grond. Onder de grond rijpt de vrucht en gaat vervolgens (onder natuurlijke omstandigheden) over tot ontkieming.

De pindaplant is een eenjarige plant die afkomstig uit Zuid-Amerika en door de Spanjaarden in de 16e eeuw over tropische en subtropische gebieden over de gehele wereld verspreid.

In september en oktober worden de pindaplanten geoogst, waarna ze met de pinda's omhoog gelegd worden om te drogen. Uitgegraven pinda's bevatten 25 - 50 procent vocht en moeten indrogen tot 10 procent of minder voordat ze opgeslagen kunnen worden.

Ongebrande (rauwe) pinda's kunnen gepeld en gegeten worden. Voor menselijke consumptie is echter het aan te raden de pinda's eerst te branden. In de winter kunnen ze ongepeld gebruikt worden om aan een snoer te rijgen voor de vogels.



Consumptie


De pinda's voor consumptie worden gepeld en kort geblancheerd zodat het vliesje loslaat. Hierna worden ze gebrand of vermalen tot pindakaas. Ook satésaus wordt van pinda's gemaakt. Pinda's worden zowel in zoete als in hartige gerechten gebruikt, of los gegeten, vaak gesuikerd of bestrooid met zout. Ook worden ze veel verwerkt in koekjes, borrelnootjes en andere snacks.
frame15
Een plantage is een stuk grond waarop op grote schaal gewassen in monocultuur verbouwd worden. Plantages komen meestal voor in de tropen, met gewassen als bijvoorbeeld suikerriet, koffie, thee, bananen, ananas, Aloë vera, teakhout, cacao, coca, hennep, opium en tabak.

Plantages zijn op grote schaal aangelegd in de 16de en 17de eeuw door de Portugezen, Spanjaarden, Engelsen, Fransen, Nederlanders en andere Europeanen die in de 16de en 17de eeuw het hele Caribisch gebied en grote delen van het Amerikaanse vasteland koloniseerden. Met slaven als werkkrachten - eerst Indianen, later Afrikanen - verbouwden de Europese eigenaars van de plantages in deze zogenaamde 'plantagekoloniën' tropische landbouwproducten voor de Europese markt. Ook Nederlands-Indië kende plantages op grote schaal. Vanwege de grote hoeveelheid goedkope inlandse arbeidskrachten was het hier echter niet noodzakelijk slaven in te zetten.


+ Lees handboek p.37 (3. Op de rand)

frame16

“Eindelijk kan ik een nieuw huis bouwen.”

Efigenia Reyes Irlanda, werkster op een bananenplantage


Efigenia werkt al zeven jaar voor de bananenplantage El Prieto. Ze staat elke ochtend vroeg op en maakt dan ontbijt voor haar drie kinderen. Een ontbijt bestaande uit koffie, zelfgemaakt brood, witte kaas en bananen. Haar man is overleden, daarom moet zij nu veel in haar eentje doen. Maar gelukkig helpt iedereen elkaar. Na het ontbijt gaat ze naar één van de inpakstations op de bananenplantage. Samen met haar collega’s wast ze de bananen en controleren ze de bananen op hun kwaliteit. Een klein schrammetje op de schil en de banaan mag niet in de doos mee. De bananen worden ingepakt in dozen en ingeladen in de vrachtwagen.Tussen de middag gaan de meeste mensen naar huis om te lunchen. Daarna wordt er weer gewerkt op het inpakstation tot de vrachtwagen vol zit en weg kan naar de haven.
Als ze thuiskomt, maakt ze samen met haar kinderen het avond eten en kijken ze met zijn vieren naar een van de vele soaps op tv. Haar zoon gaat vaak voetballen. De meeste mensen in het dorp zijn gek op voetballen. De plantage heeft een eigen team. Vaak worden er ook voetbal wedstrijden georganiseerd. Voor alle bananenbedrijven uit de omgeving.

Omdat Efigenia nu al enkele jaren voor de plantage werkt, heeft ze geld gekregen om een nieuw huis te bouwen, in de tuin van haar huidige huisje, dat gemaakt is van planken en een golfplaat. “We wonen hier nu met zijn vijfen. Dat is erg klein”.


Er staan al vier muren van stevige bakstenen met dikke lagen cement ertussen, er ligt een dak op en de leidingen zijn getrokken. Met hulp van vrienden en familie heb ik dat gebouwd. “Binnenkort ontvang ik gelukkig weer een premie om het huis af te bouwen. En dat is net op tijd want het regenseizoen komt eraan. En ik weet niet of mijn huidige huisje dat nog volhoudt”.

Er is veel veranderd sinds men is gaan verkopen aan de Max Havelaar markt. Daarnaast is de plantage ook biologisch gaan telen. Door gebruik van chemicaliën groeit de banaan snel, maar worden wij en de natuur ziek.  We gebruiken geen chemicaliën meer. De kwaliteit van de banaan, maar vooral ook de kwaliteit van ons leven is erop vooruit gegaan. We hebben een eigen associatie waarin we besluiten maken over wat voor ons belangrijk is. We hebben een medisch centrum waar we terecht kunnen, met een tandarts en een apotheek. En gediplomeerde artsen die ons behandelen. We hebben ook een winkeltje opgezet waar we onze eigen geteelde papaja, paprika’s, rijst, maïs, en kippen verkopen en kopen tegen eerlijke prijzen. Iedereen die werkt op de plantage profiteert van het feit dat wij onze bananen aan de Max Havelaar markt verkopen. Het vraagt heel veel aandacht en tijd maar we krijgen er ook veel voor terug. We zijn trots. Trots op onze gezonde banaan die ook gezond is voor de natuur en onze kinderen.”



Naar boven
frame17
Lees handboek p. 37, 3. Op de rand.

frame18

Lees handboek: synthese p.37




frame19
Hoe de slavendrijver Chiquita een wereldverbeteraar werd...
“Sinds het roer van Chiquita in ‘jongere’ handen is gekomen, streeft het bedrijf de principes van het maatschappelijk verantwoord ondernemen na”, zegt George Jaksch, communicatieverantwoordelijke van het bananenbedrijf. Dat was anders in 1998, toen er wereldwijd protest kwam naar aanleiding van een onverkwikkeljjk verhaal over uitbuiting en pesticiden. Heeft Chiquita echt zijn leven gebeterd of was de ethische toer een slimme marketingzet? Vacature debatteerde met George Jaksch van Chiquita en Leo Ghysels van Oxfam-Wereldwinkels.

“In mei 1998 lag het bedrijf wereldwijd onder vuur”, zegt Leo Ghysels. “Haast symbolisch, want het bedrijf was niet slechter dan sommige andere multinationals. Er kwam zeer veel protest tegen de zware pesticiden en fungiciden waarmee de bananenplantages besproeid werden tegen ziektes. Ook de manier waarop werd gespoten, moest het ontgelden. Getuigen vertelden hoe sproeivliegtuigjes overvlogen terwijl er op de plantages mensen aan het werk waren. Als de wind slecht zat, kwam het spul op mensen en in de natuur terecht.

“De arbeidsvoorwaarden en de werkomstandigheden waren vaak barslecht”, vervolgt Leo Ghysels. “Werkdagen van 16 uur waren geen uitzondering. De lonen waren erg laag. Soms verdienden de arbeiders 27 dollar per week, terwijl ze elke dag vier uur onderweg waren naar hun werk. Dat kwam omdat de plantage weigerde in de buurt slaapgelegenheid te voorzien.”

“Chiquita wilde af van de kritiek”, zegt Leo Ghysels. “Wat heeft het voor zin om handenvol geld aan reclame uit te geven als de reputatie van het bedrijf intussen door het slijk gehaald wordt? Chiquita stelde een programma maatschappelijk verantwoord ondernemen op en is


frame20
Lees het bijgevoegde artikel


21. Pindanootjes en Afrikaanse boeren

22. Verwoestijning in de sahel

Verzand in armoede
Bron : De Standaard, 17 juni 2005

Woestijnen rukken op, met wereldwijde gevolgen voor mens en natuur.
De uitputting van kwetsbare gronden stort hele bevolkingsgroepen in armoede

Gemiddeld 54 van de 1000 kinderen in droge gebieden in ontwikkelingslanden sterven op jonge leeftijd. Dat is dubbel zoveel als in andere gebieden in ontwikkelingslanden, en tien keer meer dan in geïndustrialiseerde landen. Twee miljard mensen wonen op droog land, dat meer dan veertig procent van het landoppervlak op Aarde beslaat. De kwetsbaarste gebieden liggen in Centraal-Azië en onder de Afrikaanse Sahara, zoals in de Sahel, de hoorn van Afrika en Zuidoost-Afrika.

De woestijnvorming neemt toe, en dreigt nog eens miljoenen mensen uit hun woongebied te verdrijven. Gemeenschappen geraken uit balans, de armoede verergert en vluchtelingen die op zoek gaan naar een minder onherbergzame thuis, verhogen de druk op nabijgelegen kwetsbare gebieden.

Woestijnvorming is een van 's wereld grootste milieuproblemen, en heeft ook zware gevolgen elders in de wereld. Dikke stofwolken uit de Mongoolse Gobiwoestijn dalen neer in China, Korea en Japan. Zelfs ademhalingsproblemen in Noord-Amerika worden toegeschreven aan een verslechterde luchtkwaliteit door stofwolken uit de groeiende woestijnen in Azië en uit de Sahara. Ook koraalriffen in de Caraïben zouden onder het neerdalende stof lijden.


Andere neveneffecten van woestijnvorming zijn een vermindering van de koolstofopslag in planten (wat het broeikaseffect in de hand werkt), en plaatselijke en wereldwijde klimaatveranderingen. Woestijnvorming tast ook de soortenrijkdom van planten en dieren aan, en leidt tot overstromingen in lager gelegen gebieden, want op de kale vlakten heeft het (zeldzame) neerslagwater vrij spel.
De sombere berichten komen uit een rapport over woestijnvorming dat gisteren is vrijgegeven. Het is het derde van zeven rapporten van de Millennium Ecosystem Assessment, de grootste studie ooit over de ecosystemen in de wereld en de effecten van de veranderingen op de mens.

"Droogte is niet de enige oorzaak van verwoestijning", zegt Gregoire de Kalbermatten van de Verenigde Naties en medeauteur van het rapport. "Droogte brengt de gebieden niet noodzakelijk uit balans." Maar de ecosystemen zijn kwetsbaar, en groeiende menselijke activiteit heeft hun gevoeligheid voor wisselende seizoenen vergroot. Herders en kleine landbouwers wonen al eeuwen in zulke streken, zonder ze aan te tasten. De groepen waren klein, ze hadden maar een beperkte veestapel en lieten de dieren over grote gebieden grazen. Veel van dat land is intussen omgezet in akkers. Daardoor is er te weinig oppervlakte voor de kudden en om brandhout te sprokkelen, en wordt het land te intensief gebruikt.


De bevolkingsgroei gaat samen met een daling van de waterbeschikbaarheid. Een mens heeft minimum 2 000 kubieke meter water nodig per jaar om te overleven. In droge gebieden is er gemiddeld 1 300 kubieke meter per persoon, en het zal nog minder worden. Bevolkingsgroei, de opwarming van het klimaat, de economisch groei en sommige aspecten van de globalisatie zijn daarvan de oorzaak. Ook slechte politiek , zoals de meer dan 250 miljard dollar aan landbouwsubsidies.

Omdat er zoveel mensen in droge streken wonen, treft woestijnvorming waarschijnlijk een groter deel van de wereldbevolking dan gelijk welk ander milieuprobleem. De helft van alle arme mensen woont in droge gebieden. Vaak hangen ze voor hun levensonderhoud sterk af van hun omgeving. Hun problemen staan niet hoog op de politieke agenda, de gezondheidsvoorzieningen en het onderwijs blijven ondermaats.

De achteruitgang kan gekeerd worden door duurzame landbouwmethoden, die erosie en verzilting tegengaan. De plantengroei moet beschermd worden tegen overbegrazing, over-ontginning, vertrappeling en slechte irrigatiepraktijken. En vooral: de bevolking van droge gebieden moet andere mogelijkheden krijgen om aan een inkomen en voedsel te geraken.
KIDR, De Standaard

Geografie

Afrika is een afwisselend continent. Onder de rijke en vruchtbare noordkust ligt de droge Sahara-woestijn. Ten zuiden van de Sahara liggen vele regenwouden. Het zuiden en het oosten van het continent bestaan voor een groot deel uit savannen: droge grasvlakten met hier en daar bomen en struikgewas. De rest van Afrika bestaat voornamelijk uit grasland. Aan de westkust ligt de Atlantische Oceaan en aan de oostkust de Indische Oceaan. In het noordwesten wordt Afrika door slechts enkele kilometers zee gescheiden van Europa en in het uiterste noordoosten door het water van het sluisloze Suezkanaal van Azië.
De 53 zelfstandige staten van Afrika omvatten een veelvoud aan volkeren en culturen. Noord-Afrika is gericht op de islamitische cultuur van het Midden-Oosten, terwijl de overige delen van Afrika een geheel andere cultuur hebben.

Platteland


De meeste Afrikanen wonen op het platteland. Meestal verbouwen ze hun eigen voedsel. Zelden komt het voor dat zij genoeg hebben om ook iets te verkopen of te ruilen. De meeste stammen bebouwen al generaties lang dezelfde akkers en wonen met hun hele familie in hetzelfde dorp. Soms trekt de jeugd naar de stad om voor een paar jaar geld te verdienen, bijvoorbeeld in de mijnbouw of in een fabriek. Ze komen dan met spaargeld terug en stichten een gezin.

Er worden veel verschillende gewassen verbouwd, afhankelijk van de locatie. In de vruchtbare tropische gebieden en regenwouden verbouwt men bijvoorbeeld yams, maniok en bananen, terwijl de boeren in drogere streken vee fokken en graan verbouwen.


Stammen


De dorpen op het platteland worden door verschillende stammen bevolkt. Sommige volksstammen, zoals de Kikuyu's in Oost-Afrika, leven al generaties lang in hetzelfde dorp. Andere volken, zoals de Arabieren, zijn nog niet zo lang geleden vanuit andere delen van Afrika of zelfs andere continenten naar hun huidige woongebied gekomen. Weer andere volkeren trekken voortdurend naar nieuwe oorden. Hiervan zijn de nomaden een bekend voorbeeld.

De verschillende culturen houden niet op bij de landsgrenzen. Mensen met dezelfde cultuur wonen soms in delen van een aantal aangrenzende landen. Andersom wonen in één land vaak verschillende stammen.



De database wordt beschermd door het auteursrecht ©opleid.info 2017
stuur bericht

    Hoofdpagina