Economie binnen het bestel van de vn



Dovnload 113.34 Kb.
Pagina1/3
Datum17.08.2016
Grootte113.34 Kb.
  1   2   3
Economie binnen het bestel van de VN



De vorige keer heb ik het gehad over de stand van zaken als we het hebben over de internationale rechtsorde. Zeker is dat één partij daar officieel geen rol bij speelt hoewel de invloed van deze partij zeker zo groot is als die van de staten. Ik bedoel de multinationals, die als private ondernemingen geen partij zijn bij welk VN-verdrag dan ook en op zich niet meer aan verdragen zijn gebonden dan iedere andere particulier. Alleen de nationale staat kan zijn onderdanen verplichtingen opleggen op grond van een aangegaan verdrag. Toch draait in de wereld alles om economie en spelen de multinationals daarin een bijzonder grote rol. Ik zal nu gaan bekijken hoe we tegen die rol aan moeten kijken, als het gaat om de internationale rechtsorde en de positie van de VN daarin.
Eigenlijk is het nogal merkwaardig dat de economie en de sociale gevolgen daarvan zo’n geringe rol hebben gespeeld bij de oprichting van de VN. Dat is merkwaardig omdat de denkbeelden over hoe economie het best bedreven kon worden al heel lang ten grondslag lagen aan het denken over internationale samenwerking. President Wilson had ook in zijn Veertienpunten al benadrukt dat het van vitaal belang was dat de scheepvaart vrij moest zijn (punt 2) en dat alle handelsbarrières geslecht moesten worden (punt 3). Zijn afkeer van koloniën was vooral verklaarbaar uit het feit dat koloniën alles te maken hebben met het handelsmonopolie dat de koloniale mogendheden daaraan menen te kunnen ontlenen (punt 5). Uiteraard moest er vrede heersen om de economische ontwikkeling ruim baan te kunnen geven en Wilsons Volkenbond was daarop gericht. We kunnen zelfs verder teruggaan en zien dat het belangrijkste succes van het Congres van Wenen in feite de regelingen op scheepvaart gebied waren. Voor het eerst in de geschiedenis kon men het eens worden over een beheer van de Rijn dat aan alle aangrenzende staten ten goede moest komen. De negentiende eeuw heeft een keur aan internationale organisaties opgeleverd waarvan de meeste economische aspecten betroffen, zoals de regeling van het post-, telefoon- en telegraafverkeer (UPU, ITU e.d.). Bovendien was het duidelijk dat als iets de vrede kon helpen bewaren het wel internationale overeenkomsten waren die staten dwongen tot samenwerken omdat hun belang dat voorschreef.

Niet alleen bij de internationale samenwerking namen economische motieven een belangrijke plaats in, ook bij het voeren van oorlog. Kalevi Holsti geeft in zijn boek Peace and war: armed conflicts and international order 1648-1989 (1991) een overzicht van gevoerde oorlogen en komt tot de conclusie dat de economie een van de belangrijkste drijfveren ervan is geweest. In de door Holsti beschreven periode had zo’n vijfendertig procent van de oorlogen een direct aanwijsbare economische achtergrond. Daar is nog lang niet alles mee gezegd. Vanaf de achttiende eeuw gaan ideologische motieven voor het voeren van oorlog weliswaar een steeds belangrijkere plaats innemen, maar achter ideologische motieven schuilen vaak commerciële belangen. Hitlers drang naar het Oosten mocht dan een ideologische lading hebben, zijn economische motieven waren niet minder duidelijk. Het Oosten moest de graanschuur voor het Deutsche Herrenvolk worden, als compensatie voor het gebrek aan koloniën. De strijd van de westerse staten tegen de onvrijheid van het communisme had ook als meer verborgen motief dat deel van de de vrije markt te heroveren dat met het ontstaan van de Sovjet-Unie verloren was gegaan. En wat te denken over de oorlog tegen Irak? Het beheer van de olierijke velden in dat land behoort zeker tot een van de belangrijkste motieven om zoveel geld en mensenlevens te spanderen aan de verovering van dat land. Ik kom daar later nog op terug.


Adam Smith
In theorie leiden economische activiteiten in het geheel niet tot oorlog. Integendeel. Montesquieu zei dat ‘vrede het natuurlijke resultaat is van handel’. De tijd van de Verlichting leverde veel staatstheorieën en filosofische denkbeelden op die niet zelden terug te voeren zijn naar het verlangen het bezit veilig te stellen. Alle rechten die mensen volgens die theorieën toe zouden komen waren in feite vooral bestemd voor mannen met enig bezit. Die hadden belang bij vrede en een overheid die het bezit kon beschermen door de vrede te handhaven en de chaos te voorkomen. Voor sommige theoretici zoals Locke en Hobbes was falen op dit punt ook een reden om in opstand te mogen komen tegen die overheid. Mensen die op het verband tussen vrede en handel bijzondere nadruk legden waren de vertegenwoordigers van de Schotse Verlichting, David Hume en Adam Smith. Vooral de laatste zou zeer invloedrijk worden met zijn boek Inquiry into the Nature and Causes of the Wealth of Nations, dat in 1779 verscheen en waar hij tien jaar aan gewerkt had. Smith verzette zich tegen het zondebesef, zowel in de katholieke als de Calvinistische variant, en stelde dat de mens alleen zelf verantwoordelijk was en gedreven werd door zijn instinct om zichzelf een betere positie te verwerven. De staat was daarbij in wezen irrelevant, behalve dat die voor de condities kon zorgen waarbinnen het individu kon gedijen. De economische ontwikkeling moet aan de werking van de vrije markt overgelaten worden. ‘De onzichtbare hand’ zou er voor zorgen dat vrije handelingen van zelfzuchtige lieden uiteindelijk vanzelf zouden leiden tot sociale harmonie en tot optimale maatschappelijke welvaart. De ontwikkeling van de internationale vrije markt was onontbeerlijk voor maximalisatie van de winsten en een juiste arbeidsverdeling.
Van een van de volgelingen van Smith, Richard Cobden (1804-1865), is de uitspraak afkomstig dat de beste buitenlandse politiek geen buitenlandse politiek is. Internationale ontwikkelingen konden het beste overgelaten worden aan private ondernemingen die gehoorzaamden aan de wetten van de markt. Hij schreef twee invloedrijke pamfletten – England, Ireland and America (1835) en Russia (1836), waarin hij zich keerde tegen de al eeuwen heersende opvatting dat machtsevenwicht voor vrede kon zorgen. Deze zou naar zijn idee eerder voortkomen uit het bevorderen van internationale economische expansie, bevorderd door het vrije verkeer van mensen en goederen, niet gehinderd door nationale beperkingen. De door hem opgerichte Anti-Corn Law League die de invoerrechten op graan moest tegengaan, markeerde zijn succes. Hij en de andere leden van wat de Manchester School werd genoemd, keerden zich tegen het imperialistische streven van het Verenigd Koninkrijk naar het bezit van koloniën om dezelfde motieven die Wilson en de Amerikaanse presidenten na hem zouden aanvoeren. Koloniën waren een beletsel voor de internationale vrijhandel en gingen gepaard met een te grote invloed van de overheid op de politiek, aangestuurd door een elite die alleen tot zijn eigen glorie handelde en het welzijn van de burgers uit het oog verloor.
Later waren liberalen als John Stuart Mill wel geneigd de overheid ook nog een taak toe te delen op het sociale vlak omdat het algemeen belang niet altijd in goede handen was van mensen die het maken van winst als enig oogmerk hebben. De welvaartsstaat is in de eerste plaats ontstaan uit de behoefte een uitweg te bieden aan de mensen die voor hun voortbestaan afhankelijk bleven van hun werkkracht en die aanvankelijk door uitbuiting die de industriële revolutie voor hen meebracht volkomen gemarginaliseerd dreigden te raken. Toen dezen zich gingen verenigen en geïnspireerd bleken door de theorieën van Karl Marx werd het de hoogste tijd het gevaar dat uit deze hoek kon komen te beteugelen met een reeks sociale maatregelen. Maar aan de economische theorieën van Smith c.s. deed dat verschijnsel uiteindelijk niets af. Het geloof in de vrije markt bleef recht overeind en alle nevenverschijnselen vormden daarvoor alleen maar een beletsel. Het bleef zaak hier iedereen van te overtuigen en dat lukte het beste door alle mensen in zekere zin deelgenoot te maken van de gedachte dat zij iets te verliezen hadden als hun bezit werd aangetast.
One World Concept
Aan de oprichting van de Verenigde Naties lagen althans bij de Amerikanen dezelfde liberale ideeën ten grondslag. President Franklin D. Roosevelt pleitte voor ‘One World’. Naar zijn idee moest de wereld een iedereen omvattende vrije markt worden, waar men zich vrij kon bewegen en geen angst hoefde te hebben dat zijn bezit of zijn persoon werd aangetast. Hij moest over zijn eigen lot kunnen beschikken. Daarvoor was vrede nodig – zeker – en de Verenigde Naties kregen wat dat betreft een belangrijke rol toebedeeld. Dat hij daarbij ook nog zat met een deel van de wereld dat er zeker op economisch gebied hele andere ideeën op nahield, scheen hem niet te deren. Waarschijnlijk was hij er allang van overtuigd dat het kapitalistische systeem dermate superieur was dat het andere ideeën vanzelf zou overvleugelen. Het was dat andere deelnemers aan het VN-concept er zo op aandrongen want anders had het voor de Amerikanen niet gehoeven dat er ook nog van alles werd vastgelegd op het gebied van de rechten van de mens en de sociale en economische ontwikkeling. Dat laatste kon je met een gerust hart aan het spel van de maatschappelijke krachten overlaten, zo was het idee. Politieke beslissingen daarover moest je vermijden want die zouden alleen maar de controverses aan het licht brengen die er in de wereld op dit punt bestonden. Het leek dan ook een verstandig idee om de begeleiding van het economische proces aan de vrije maatschappelijke krachten over te laten en aan afzonderlijke instituties die los van de VN zouden kunnen opereren. De Verenigde Staten zouden er zelf wel voor waken dat het daarbij niet zou gaan over de vraag welk economisch model het beste resultaat zou opleveren voor de mensen, want die vraag was immers al door Adam Smith beantwoord. Maar er waren natuurlijk wel een aantal praktische zaken die geregeld dienden te worden in een wereld waar net een verwoestende oorlog overheen gegaan was. Bovendien wilde Washington voor alles zien te voorkomen dat de economische crisis van 1929 en volgende jaren zich nogmaals zou herhalen.
Daartoe werden al in 1944, dus nog voordat de Verenigde Naties waren opgericht, in Bretton Woods bij Washington de Wereldbank en het Internationaal Monetair Fonds opgericht. Het idee van Keynes om deze instituten een eigen financiële politiek te laten voeren, los van welk land ook, werd uiteraard - met name in de Amerikaanse financiële wereld - verworpen en de instituties werden vlak bij het ministerie van financiën in Washington gevestigd om er op toe te zien dat die neiging ook nooit zou opkomen. De economische crisis na de beurskrach in New York in 1929 en wat daarna volgde hadden echter duidelijk gemaakt dat men in het vervolg moest voorkomen dat de economie op nationaal niveau gereguleerd zou worden. Dat betekende in de praktijk dat alle markten in principe open moesten blijven staan voor iedereen. De economische conferenties die in het kader van de Volkenbond georganiseerd werden waren op niets uitgelopens omdat iedere staat destijds vasthield aan zijn eigen nationale belangen. Het was ook niet moeilijk in te zien dat de Tweede Wereldoorlog mede voortgekomen was uit economische motieven. De instituties van Bretton Woods werden nodig geacht om een herhaling van de geschiedenis te voorkomen en om ervoor te waken dat staten een eigenstandige financieel-economische politiek gingen bedrijven ter bescherming van de eigen markt. Dit werd het dogma vanwaaruit met name het IMF voortaan te werk zou gaan. De landen die ten gevolge van de oorlog en door andere oorzaken in financiële nood kwamen te verkeren waren de eersten om het strakke regime van de Bretton Woods-instellingen aan den lijve te ondervinden. Washington maakte bijvoorbeeld bezwaar tegen het oprichten in Nederland van het Centraal Plan Bureau toen dat de ‘geleide economie’ een stap naderbij dreigde te brengen. Dat leek wel erg veel op de planeconomie van het communistische Rusland en daar zaten liberale ondernemers niet op te wachten. Op aandrang van de Wereldbank werd het Nederlandse instituut gedegradeerd tot een statistisch bureau. Ook rezen er bezwaren op tegen leningen aan Nederland omdat dat kennelijk nog niet genezen was van het idee dat het een actieve koloniale politiek moest bedrijven (de politionele acties in Nederlands-Indië). Met probeerde te voorkomen dat leningen aan Nederland gebruikt zouden worden om een oorlog tegen de opstandelingen in Indonesië te kunnen bekostigen.
In 1945 kwamen de Verenigde Staten met een plan voor een internationaal handelsverdrag om beschermende maatregelen op nationaal niveau die de internationale handel kunnen bedreigen, terug te dringen. Het plan voorzag in de oprichting van een International Trade Organization (ITO), naar analogie van het Internationaal Monetair Fonds, die toezicht moest houden op het wereldhandelssysteem. In het Amerikaanse plan was geen ruimte meer voor het gangbare systeem van handelspreferenties en daar vond Washington al meteen Engeland op zijn weg, dat zijn banden met het Gemenebest niet op wilde geven ten behoeve van een wereldomvattend vrijhandelsysteem. De Verenigde Staten waren niet van plan geweest om zich met de investeringen van multinationale ondernemingen te gaan bezighouden, maar onder druk van de Amerikaanse zakenwereld behelsde het plan, zoals dat er in 1947 op de vervolgconferentie in Genève uitzag, ook een artikel over buitenlandse investeringen. Hierin werd - geheel in overeenstemming met de westerse liberale houding tegenover buitenlandse investeringen en de rechten van de kapitaalexporterende landen - voorzien in bescherming tegen nationalisatie en discriminatie van bedrijven. Toen dit onderwerp echter eenmaal op de agenda stond, veranderde de inhoud door toedoen van de ontwikkelingslanden onder leiding van Latijns-Amerikaanse staten drastisch en werd niet de kapitaalverstrekker, maar de ontvanger beschermd. De ontvangende landen moesten volgens deze opvatting het recht krijgen voorwaarden te stellen aan de bestaande en toekomstige investeerders. Bovendien moesten ze het recht krijgen hun opkomende industrie te beschermen door het nemen van protectionistische maatregelen en het vaststellen van minimumprijzen.
Het Amerikaanse zakenleven trok toen zijn steun aan het plan in. Met de verwerping van de oorspronkelijke Amerikaanse plannen ging ook het idee van tafel dat ontwikkelingslanden het recht zouden moeten krijgen om grondstoffenovereenkomsten te sluiten en een systeem op te zetten om de ontwikkeling van hun regio te bevorderen door het maken van onderlinge handelsafspraken. Wereldwijd nam men voorlopig genoegen met een reeks onderlinge vrijhandelsafspraken die samengebundeld het General Agreement on Tariffs and Trade (GATT) vormden. Binnen dit kader is sedertdien geprobeerd in verschillende onderhandelingsronden aan alle handelsbarrières een einde te maken. In 1995 mondde dit - als sluitstuk van de Uruguay-ronde - uiteindelijk uit in de World Trade Organization (WTO), dat met meer bevoegdheden werd uitgerust en de mogelijkheid heeft landen die zich niet aan handelsafspraken houden, sancties op te leggen. In het Dispute Settlement Body (DSB), onderdeel van de WTO, wordt zoiets als een Veiligheidsraad gezien maar dan op het gebied van de handel en economie. De WTO is expres buiten de VN gehouden, omdat men aan dat instituut te veel bezwaren vond kleven.
De hierboven geschetste ontwikkelingen op sociaal-economisch gebied gingen in feite geheel buiten de Verenigde Naties om. Maar de oprichters van deze organisatie beseften dat de verbreiding van de welvaart in de wereld die een alles en iedereen omvattende, vrije wereldeconomie mogelijk moest maken, wel een handje geholpen diende te worden. Wanneer de wereld niet als geheel welvarender werd, zou er ook niet veel van de belangrijkste doelstelling van de VN, de handhaving van de vrede, terechtkomen. Het was om die reden dat naast de Veiligheidsraad en de Algemene Vergadering als onderdeel van de Verenigde Naties de Economische en Sociale Raad (ECOSOC) opgericht werd. Hierin zagen sommigen een soort economisch parlement, waarin sociaal-economische vraagstukken aan de orde konden komen, maar die rol heeft het nooit vervuld. De Sovjet-Unie had aanvankelijk geen belangstelling voor een organisatie die zich met economische en sociale vraagstukken zou bezighouden. Dat zou toch alleen maar in het voordeel zijn van de dominerende kapitalistisch orde en daar had Moskou geen belang bij. De Verenigde Staten waren slechts geïnteresseerd in de consolidering van die orde, en daarbij paste geen actieve politieke rol van de Verenigde Naties op sociaal-economische gebied. Naast de Veiligheidsraad, waar de werkelijke macht moest liggen, konden er in de opvatting van de Amerikaanse oprichters wel allerlei organisaties bestaan die zich met technische zaken zouden kunnen bezighouden om bestaande sociaal-economische en technische problemen op te lossen. Het streven naar functionalisme stond daarbij voorop. Alle suborganisaties van de VN moesten een technisch karakter dragen en geen politiek willen bedrijven. Over de economische orde hadden ze niets te zeggen. Hoe die er uit moest zien, was al beslist. De functionele organen hadden tot taak een blijvende vrede te waarborgen en vanuit hun deskundigheid de kunstmatige scheidslijnen, die inherent zijn aan het systeem van soevereine staten, af te breken. Zo zou men kunnen komen tot het ‘one-world-concept’ dat Roosevelt voor ogen had gestaan.
Opkomst van Derde Wereld
Alles scheen naar wens te verlopen totdat de samenstelling van de Algemene Vergadering door de toestroom van de net onafhankelijk geworden gebieden in Afrika en Azië de verhoudingen in de organisatie dusdanig veranderde dat van de oorspronkelijke opzet van de Amerikanen niet veel meer overbleef. Zij hadden in de VN een instrument gezien dat hun belangen zou kunnen dienen, maar de macht van het getal dreigde het te gaan winnen van de macht van het kapitaal. De meerderheid van Derde Wereld-landen leek vanaf de jaren zestig - gesteund door het Sovjet-blok - een eigen politiek te willen gaan voeren, vooral op economisch gebied. Het eerste teken aan de wand was wat dat betreft het ontstaan van de Organization of Petroleum Exporting Countries (OPEC), de organisatie van olieproducerende landen. Dat vergrootte de macht van de producenten. Kolonel Khadaffi die in 1969 in Libië de macht aan zich getrokken had, ging daarbij nog veel verder. Hij liet zien hoe je de oliemaatschappijen onder druk kon zetten door met nationalisatie te dreigen. Een eerdere poging daartoe in begin jaren vijftig was in Iran mislukt toen het Westen nog een einde had weten te maken aan pogingen van premier Mosaddeq om de olieindustrie te nationaliseren. Khadaffi had meer succes en kreeg volgelingen in het Midden-Oosten wat dat betreft. De nationalisatie van de olieindustrie in 1972 in Irak was uiteindelijk een van de redenen voor de Amerikanen om Saddam Hoessein te verdrijven om zo de overheersende positie van de Anglo-Amerikaanse oliemaatschappijen in dat land die zij daar vóór 1972 gehad hadden, te herstellen en te voorkomen dat Russen, Fransen of Chinezen hun plannen waar konden maken waar het om de Iraakse olie gaat. Ik kom daar op terug.
Behalve uit de successen van de OPEC putten de Derde Wereld ook moed uit het aanvankelijke succes van de UN Conference on Trade and Development (UNCTAD), een organisatie die ondanks het tegenstribbelen van Amerika c.s. in 1964 een permanent karakter had gekregen. De UNCTAD moest tegenwicht bieden tegen de door het Westen gedomineerde GATT en ECOSOC. De organisatie moest de onvrede wegnemen die de ontwikkelingslanden hadden ten aanzien van het functioneren van de bestaande organen. Met name wilde men tot een snelle afbraak komen van de handelsbarrières die de ontwikkelde landen opwierpen voor goederen uit de Derde Wereld. Bovendien wilde men de stemverhoudingen binnen de Wereldbank en het IMF zodanig veranderen dat de Derde Wereldlanden daar ook enige invloed zouden kunnen krijgen. Het streven naar een grotere rol van de ontwikkelingslanden op economisch gebied kreeg in de jaren zeventig pas echt gestalte toen de Algemene Vergadering van de VN - in speciale zitting bijeen - de Nieuwe Internationale Economische Orde aankondigde en tezelfdertijd Het Handvest van Economische Rechten en Verplichtingen tot stand kwam (1974). In dit Handvest zijn een groot aantal eisen vastgelegd ten aanzien van de soevereine rechten van staten. Zo zouden deze gezag moeten mogen uitoefenen over buitenlandse investeringen op haar grondgebied, en zeggenschap moeten hebben over de exploitatie van natuurlijke rijkdommen. De ontwikkelde landen zouden op allerlei manieren moeten meewerken aan de bevordering van de algemene economische vooruitgang van de ontwikkelingslanden. Staten zouden moeten meewerken aan de overdracht van technologische kennis. Volledige ontwapening zou geld moeten vrijmaken voor de economische en sociale ontwikkeling van met name de ontwikkelingslanden. Het Handvest werd op een vergadering van de UNCTAD met 120 tegen 6 bij 10 onthoudingen aangenomen, en die uitslag is tekenend voor de nieuwe verhoudingen binnen de VN-organen in die jaren. De westerse landen behoorden uiteraard niet tot de voorstemmers en zo werden de middelen aan de ontwikkelingslanden natuurlijk toch onthouden al wisten die dan een meerderheid te mobiliseren.
Vanzelfsprekend lieten Amerikanen en hun bondgenoten dit niet op zich zitten. De oprichting van de zogenoemde G-7 van belangrijkste industrielanden is wat dat betreft tekenend. In dit kader komen sinds 1975 de regeringsleiders van de Verenigde Staten, Canada, Japan, Frankrijk, Duitsland, Italië en Groot-Brittannië bijeen om over belangrijke economische en ook politieke zaken te praten, dikwijls met voorbijgaan van de gremia die daarvoor in een eerder stadium waren opgericht – zoals de Verenigde Naties. Belangrijke drijfveer voor deze ontwikkeling werd gevormd door de grote ondernemingen die er geen enkel belang bij hadden dat de ‘have-nots’ in deze wereld het voor het zeggen zouden krijgen.
Ondernemerskritiek op de VN
Het grote zakenleven werd steeds kritischer ten aanzien van de Verenigde Naties en Washington volgde dezelfde weg. Toen de regering-Reagan in 1981 aan de macht kwam, kregen de discussies over de VN in de VS steeds meer de toon van heilige verontwaardiging. Zoals een rapport hierover van de invloedrijke Heritage Foundation bevestigt: “De oorlog tegen economische vrijheid, het systeem van vrije ondernemingen en de multinationale corporaties doordringt de VN-structuur”. “Deze ideologie”, vervolgt het rapport, “....gaat lijnrecht in tegen de belangen en politiek van de VS” en dus tegen de belangen van die ondernemingen zelf. Terwijl de ‘global market’ vorm kreeg, lieten de zakenwereld en de financiële bonzen een eerder inzicht varen dat welwillend stond tegenover regulering en nationale sociale bescherming. Deze nieuwe transnationale conservatieven probeerden in plaats daarvan de sociale en regulerende politiek van staten af te zwakken, de belastingen te verlagen en iedere barrière die kapitaalbewegingen, de wereldhandel en wereldwijde investeringen in de weg staat te verwijderen. Dit alles in het kader van wat als neo-liberalisme wordt aangeduid.
De politiek van de Verenigde Naties begunstigde volgens de neo-liberalen staatsregulering, economische interventie en humanitaire sociale overwegingen. Daarmee gaf de VN weliswaar de zienswijze van menig staat weer – inclusief het Sovjet-blok, de Derde Wereld, de Aziatische ‘tijgers’ en de West-Europeanen – van wie de meesten zich verzetten tegen het neo-liberale recept, maar dat vermocht geen indruk te maken op de voorstanders van het ongebonden vrije ondernemerschap. De Heritage Foundation vond gewillige aanhangers in het Amerikaanse Congres, waar het conservatieve tij sterk opkwam en de invloed van de transnationale ondernemingen bijzonder groot was. De regering-Reagan omarmde de nieuwe benadering van de hervorming van de VN in neo-liberale richting van harte, terwijl in Londen de regering-Thatcher diende als een onmisbare internationale partner bij dit streven.
De ‘hervormers’ van Heritage probeerden menig VN-initiatief te blokkeren dat transnationale ondernemingen aan banden zou kunnen leggen, controleren en zelfs belastingen zou kunnen opleggen – zoals de ‘Law of the Sea’ (die gericht is op de exploitatie van de diepzee), de Gedragscode voor multinationals, de conventies op het terrein van het arbeidsrecht [van de ILO] en de vanuit de VN opduikende reguleringen op het gebied van het milieu. Menig industrieel samenwerkingsverband zette haar eigen campagne tegen de VN op of werkte via organisaties als de Internationale Kamer van Koophandel (ICC), de belangrijkste internationale lobby als het om multinationals gaat. Zij gebruikten hun aanzienlijke invloed op de media en op beleidsmakers om de tekortkomingen van de VN te benadrukken en om op te roepen te snijden in financiële middelen en te ijveren voor politieke veranderingen. De florerende wapenindustrie en zijn vrienden binnen het Pentagon wilden het streven naar ontwapening van de VN ondermijnen, terwijl machtige oliemaatschappijen de VN-initiatieven op het gebied van milieu en klimaatverandering bestreden middels lobby's als de Global Climate Coalition. Menig multinational verzette zich tegen het partnerschap tussen Unicef en NGO’s die de gevaarlijke babymelk-formule van Nestlé wilden blokkeren, en de transnationale ondernemingen kantten zich tegen VN-sancties die investeringen in het Zuid-Afrika van de apartheid tegen moesten gaan.
De tabaksindustrie verzette zich in het bijzonder tegen het WHO-programma dat er op gericht is het gevaar van roken en de verslaving aan nicotine duidelijk te maken. Halverwege de jaren ’80 lanceerden de tabaksgiganten een geheime campagne om de WHO aan te vallen, haar werk in diskrediet te brengen en haar budget terug te dringen. Aangetoond is hoe topfunctionarissen van 's werelds leidende tabaksfirma’s samenzwoeren tegen de WHO, een organisatie die zij zagen als “een van hun belangrijkste vijanden”, en dat zij globale strategieën opzetten om de WHO in diskrediet te brengen en te belemmeren bij de uitvoering van haar missie.” De Wall Street Journal publiceerde in 1996 een typerend artikel onder de titel “WHO schrijft socialistische medicijnen voor”, dat stelde dat de WHO “rechtvaardiging biedt voor de nooit beëindigende expansie van de welvaartsstaat”. De tabaksindustrie stak veel geld in campagnes tegen de WHO en gebruikten hun uitgebreide netwerk binnen de voedingsindustrie en andere bedrijven die niets met tabak te maken hadden om hun anti-VN doel te bereiken.
Deze en andere ondernemingen haalden beleidsmakers in Washington ertoe over de VN ‘terug te pakken’ door haar socialistische neigingen en tendensen tot herverdeling er uit te stampen, door de tegen de onderneming gerichte neigingen en populistische impulsen uit te roeien, en door het VN-apparaat tot een betrouwbaar instrument te maken voor het globaliserende kapitalisme en wel speciaal voor de op Amerika gerichte investeerders en ondernemingen. Multinationale ‘spindoctors’ lieten het voorkomen dat het groeiende anti-VN sentiment in Washington een afspiegeling was van de ontgoocheling bij het publiek ten aanzien van het wereldorgaan, hoewel de resultaten van de opiniepeilingen voortdurend het tegendeel aantoonden – sterke politieke steun bij het publiek voor de VN, die zich mocht verheugen in veel meer geloofwaardigheid bij het Amerikaanse publiek dan in het Congres zelf.
In de loop van meer dan twee decennia hebben de neo-liberale propagandisten de VN gedefinieerd als een inefficiënte en starre bureaucratie die zij dreigt aan de wereldbevolking op te willen dringen. Telkens opnieuw hebben hoofdartikelschrijvers en nieuwslezers de term herhaald van “uitgebreide, opgeblazen bureaucratie”, hoewel de VN-staf in feite zelfs tamelijk klein is (tegenwoordig minder dan 10.000 personeelsleden op alle niveaus). Hoewel het Amerikaanse publiek de VN blijkbaar steunde, kreeg vrijwel iedereen binnen de Amerikaanse overheid een hekel aan de organisatie. Sedert begin ’80 noemden Amerikaanse regeringskringen de VN bureaucratisch, ouderwets, onhandelbaar, kostbaar en inefficiënt en beschuldigden ze de VN er van zich te verzetten tegen de verspreiding van de ‘vrijheden van de markt’ over de wereld onder Amerikaanse ‘leiding’. In 1983-85 nam het Congres verschillende wetten aan die de Amerikaanse bijdragen aan de VN op selectieve wijze verminderden, waarbij zij fondsen aan programma’s die de VS niet ondersteunden, ‘onthield’. Daar Amerika de belangrijkste betaler is, resulteerden deze en andere politieke manoeuvres in serieuze financiële problemen bij de VN naarmate de Amerikaanse schuld aan de organisatie toenam. De Amerikanen dwongen andere lidstaten ook er in toe te stemmen dat de VS controle uitoefenen op het VN-budget. Volgens het VN-Handvest dient de Algemene Vergadering het budget van de VN met een meerderheid van tweederde goed te keuren. De Verenigde Staten hielden een deel van zijn jaarlijkse betalingen achter op grond van het feit dat de zwaarte van de stem bij de stemming over het budget gerelateerd moest worden aan de bijdrage die ieder land levert. Uiteindelijk stemden de leden van de VN er op het hoogtepunt van de crisis mee in dat er ‘consensus’ moest bestaan over budgettaire beslissingen waardoor de VS in feite het vetorecht kregen. De Amerikanen dwongen de VN daarna zijn budget met tien procent in te krimpen, bijna duizend leden van de staf te ontslaan en menig programma te besnoeien. Per 28 februari 2003 stonden de VS voor $ 1,4 miljard in het krijt bij de volkerenorganisatie, zijnde 42 procent van het totaal verschuldigde bedrag.
Nadat dramatische wereldwijde politieke veranderingen hadden geleid tot het opbreken van het Sovjet-blok en de ineenstorting van communistische regimes, gingen de Verenigde Staten begin jaren negentig nog agressiever te keer tegen de VN. Washington was nu de ongeëvenaarde supermacht. En tegelijkertijd ondermijnde de door Washington geleide globalisering de regelgeving en door de staat gecontroleerde economische instellingen in de Derde Wereld, in Europa en in Azië, wat in vele landen tot wijzigingen in de politiek leidde. Dergelijke veranderingen in de macht en de politiek resulteerden in het toenemen van de officiële acceptatie van het neo-liberalisme en de ideologie van de privatisering in iedere regio en door alle facties binnen de VN. De meeste regeringen gaven er verder de voorkeur aan een directe confrontatie met de VS te vermijden, met zijn unieke combinatie van militaire en economische macht. Weinigen waren bereid zich actief te weer te stellen tegen de Amerikaanse politiek van kortingen op het VN-budget en het chanteren van de organisatie om zo fundamentele politieke veranderingen te kunnen bewerkstelligen.


  1   2   3


De database wordt beschermd door het auteursrecht ©opleid.info 2017
stuur bericht

    Hoofdpagina