Een gezonde start Promotie van gezonde voeding voor baby’s en peuters van 0 tot 2 jaar



Dovnload 432.97 Kb.
Pagina1/6
Datum07.10.2016
Grootte432.97 Kb.
  1   2   3   4   5   6




Katholieke Hogeschool Kempen

Departement gezondheidszorg

ANTWERPSESTRAAT 99

2500 Lier





Een gezonde start





Promotie van gezonde voeding voor baby’s en peuters van 0 tot 2 jaar


Opgemaakt door

Ines Ferny

3 Bachelor in de verpleegkunde



Academiejaar 2009 – 2010






Samenvatting
Voeding heeft een niet te onderschatten invloed op de gezondheid van de mens, al vanaf de geboorte. De voeding die aan een baby en peuter gegeven wordt, is bepalend voor zijn of haar gezondheid op latere leeftijd. Het is dus belangrijk dat hier voldoende aandacht op gevestigd wordt, zodat zo veel mogelijk baby’s en peuters gezonde voeding krijgen. De voedingsaanbevelingen van de eerste levensjaren, van borstvoeding tot vaste voeding, komen dan ook aan bod in dit afstudeerproject. De voedingssituatie van baby’s en peuters in Vlaanderen blijkt vrij goed te zijn, toch wordt er niet steeds met de aanbevelingen rekening gehouden. Vooral het aantal borstgevoede kinderen is laag in Vlaanderen en de duur van de borstvoedingsperiode is kort. Verder zijn er nog wat kleinere werkpunten zoals onder andere het geven van melkproducten voor de leeftijd van 1 jaar en het te vroeg starten met vaste voeding. Daarom heb ik verder gewerkt met volgende vragen: ‘Welke factoren beïnvloeden het al dan niet geven van borstvoeding en de duur ervan?’, ‘Hoe kunnen we aan de hand van deze factoren borstvoeding promoten?’ en ‘Hoe kunnen we de goede voedingssituatie van baby’s en peuters behouden en eventueel nog verbeteren?’. Door deze vragen op te lossen, kan er een mogelijk beleid uitgestippeld worden dat de voedingssituatie van baby’s en peuters en dus hun latere gezondheid verbetert. Hiermee wordt er dus eigenlijk aan gezondheidspromotie gedaan.
Om een antwoord te vinden op bovenstaande vragen, heb ik een literatuuronderzoek uitgevoerd. Vooraleer de resultaten ervan te verwerken, heb ik een theoretische achtergrond weergegeven van gezondheidspromotie. Deze kennis is immers noodzakelijk om een mogelijk beleid te kunnen weergeven. Je kan met de resultaten alleen geen efficiënt beleid opstarten. Er moet ook kennis zijn over hoe je dat doet en waarmee er rekening dient gehouden te worden. Uit het onderzoek bleek dat de factoren die het geven van borstvoeding en de duur ervan beïnvloeden, zowel persoonlijke, omgevingsgerichte als maatschappelijk gerichte factoren zijn. Rekening houdende met deze factoren en de theorie van gezondheidspromotie werd een voorbeeld van een borstvoedingsvriendelijk klimaat opgemaakt. In zo’n klimaat hebben vrouwen bijvoorbeeld recht op betaald borstvoedingsverlof. Niet enkel het geven van borstvoeding heeft aandacht nodig, ook bij andere aspecten van baby- en peutervoeding kunnen er nog verbeteringen aangebracht worden. Daarom komt er ook een mogelijk beleid aan bod dat kan leiden tot een nóg betere voedingssituatie voor baby’s en peuters. Zo’n beleid probeert niet alleen de kennis van de ouders over gezonde voeding voor hun kind te vergroten. Dan zou het enkel om gezondheidsvoorlichting gaan en niet om gezondheidspromotie. Het tracht immers ook veranderingen in de omgeving aan te brengen, zoals het meer aanbieden van gezonde tussendoortjes. Verder kunnen de beleidsmensen tevens hun steentje bijdragen om de gezonde keuzes makkelijker te maken. Er kan bijvoorbeeld bij wet verboden worden om op melkproducten de tekst ‘vanaf 6 maanden’ te zetten.
Er kan besloten worden dat er toch nog wat werk is aan de voedingssituatie van baby’s en peuters in Vlaanderen, vooral met betrekking tot borstvoeding. Daarom is het belangrijk hieraan de nodige aandacht te besteden in de toekomst. Door aan gezondheidspromotie te doen, kan deze situatie waarschijnlijk nog verbeteren. Gezien de belangrijke invloed van gezonde voeding op deze jonge leeftijd, is dit de kosten en moeite tot gezondheidspromotie zeker waard. Op langere termijn levert dit gezondheidswinst en dus ook economische winst op.
Inhoudstafel
Samenvatting 2
Inhoudstafel 3
Inleiding 6
1 Probleemstelling 7

1.1 Belang van gezonde voeding vanaf de start 7

1.2 Borstvoeding 8

1.2.1 Definities borstvoeding 8

1.2.2 Voor- en nadelen van borstvoeding 8

1.2.3 Anatomie en fysiologie borstvoeding 9

1.2.4 Voeding borstvoedende moeders 11

1.2.5 Borstvoeding geven 12

1.2.6 Problemen bij borstvoeding 12

1.2.6.1 Stuwing 12

1.2.6.2 Te weinig melk 13

1.2.6.3 Tepelkloven en pijnlijke tepels 13

1.2.6.4 Spruw 14

1.2.6.5 Verstopt melkkanaal 15

1.2.6.6 Borstontsteking (= mastitis) 16

1.2.7 Bewaren moedermelk 16

1.2.8 Borstvoeding en werk 17

1.2.9 Stoppen met borstvoeding 19

1.2.10 Sociale kaart: borstvoeding 19

1.2.11 BFHI 21

1.2.12 Borstvoedingscijfers Vlaanderen 22

1.3 Flesvoeding 22

1.3.1 Soorten 22



1.3.1.1 Indeling op basis van leeftijd 22

a) Startvoeding of eersteleeftijdsmelk 22

b) Opvolgmelk of tweedeleeftijdsmelk 23

c) Groeimelk of derdeleeftijdsmelk 23

1.3.1.2 Indeling op basis van eiwit 24

a) Geadapteerde of WEI-dominante melk 24

b) Caseïnedominante melk 24

1.3.1.3 Indeling op basis van ‘specialiteit’ 24

a) Standaardvoedingen 24

b) Voeding voor digestieve ongemakken 25

c) Hydrolysaten 25

d) Antiregurgitatie 25

e) Sojamelk 25

1.3.1.4 Therapeutische voedingen 26

a) Semi-elementaire voeding 26

b) Elementaire voeding 26

c) Voeding bij stofwisselingsziekten 26

1.3.2 Bereiding flesje 26

1.3.3 Hoeveelheid 28

1.3.4 Het geven van een flesje 29

1.3.5 Hygiëne bij flesvoeding 30

1.4 Vaste voeding 30

1.4.1 Wanneer 30

1.4.2 Hoe starten 31

1.4.3 Groentepap 32



1.4.3.1 Bereiding 32

1.4.3.2 Nitraatrijke groenten 33

1.4.3.3 Toevoeging vlees/vis/gevogelte 33

1.4.3.4 Deegwaren 34

1.4.4 Fruitpap 34



1.4.4.1 Smaakgewenning 34

1.4.4.2 Bereiding 34

1.4.4.3 Fruitsoorten 35

1.4.5 Potjesvoeding 35

1.4.6 Broodmaaltijd 36

1.4.7 Melkproducten 36

1.4.8 Drank 37

1.4.9 Tussendoortjes 37

1.4.10 Voedingsschema 38

1.4.11 Samen aan tafel 39



1.5 Suppletie baby’s en peuters 40

1.6 Voedselweigering bij peuters 41

1.6.1 ‘Lastige eters’ 41

1.6.2 Triple P 42

1.6.2.1 Wat 42

1.6.2.2 Waar 43

a) Lezingen 44

b) Info en tips over opvoedingsvragen 44

c) Persoonlijk advies voor opvoedingsproblemen 44

d) Groepsprogramma 44

e) Intensieve persoonlijke begeleiding 45

1.6.2.3 Triple P bij ‘lastige eters’ 45

1.7 Onderzoek voedingssituatie baby’s en peuters 47

1.8 Vraagstelling 48
2 Methodologie 49
3 Resultaten 50

3.1 Gezondheidspromotie 50

3.1.1 Wat 50



3.1.1.1 Voorlichting 51

3.1.1.2 Voorschriften 51

3.1.1.3 Voorzieningen 51

3.1.2 Principes van gezondheidspromotie 52

3.1.3 Actieterreinen van gezondheidspromotie 52

3.1.4 Methodiek voor gezondheidspromotie 53



3.1.4.1 Probleemanalyse 54

3.1.4.2 Analyse van gedrag en omgeving 54

3.1.4.3 Determinantenanalyse 55

3.1.4.4 Interventieontwikkeling 56

3.1.4.5 Implementatie 57

3.1.4.6 Evaluatie 57

3.1.5 Stages of change model 57



3.2 Promotie gezonde voeding voor baby’s en peuters 59

3.2.1 Factoren m.b.t. het geven van borstvoeding en de duur ervan 60



3.2.1.1 Persoonsgebonden factoren 60

3.2.1.2 Omgevingsgerichte factoren 61

3.2.1.3 Maatschappelijk gerichte factoren 61

3.2.2 Voorbeeld borstvoedingsvriendelijk klimaat 62

3.2.3 Mogelijk beleid om voedingssituatie te verbeteren 65

3.3 Rol van de sociaal verpleegkundige 67
Besluit 69
Literatuurlijst 70

1 Boeken 70

2 Artikels 70

3 Brochures 72

4 Onuitgegeven materiaal 72

5 Elektronische publicaties 72


Bijlagen 75

Bijlage 1 75

Bijlage 2 76

Bijlage 3 77



Bijlage 4 78


Inleiding
Als onderwerp voor mijn afstudeerproject heb ik gekozen voor de promotie van gezonde voeding voor baby’s en peuters. Ik heb hiervoor gekozen omdat ik tijdens mijn stage bij Kind & Gezin merkte dat veel ouders niet goed weten wat ze nu aan hun baby of peuter mogen geven van voeding. De voorlichting die voornamelijk door de regioverpleegkundigen van Kind & Gezin gebeurt, is dus van groot belang. Als toekomstig sociaal verpleegkundige kan zulke voedingsvoorlichting mogelijk deel uitmaken van mijn takenpakket. Hierdoor was het heel interessant om hierover een afstudeerproject te maken. Ook als (hopelijk) toekomstige mama komt al de info die ik hierdoor bijleer, goed van pas. Verder wou ik tevens uitzoeken hoe de voedingssituatie in Vlaanderen is bij baby’s en peuters en hoe we deze eventueel nog kunnen verbeteren. Het preventieve aspect van sociale verpleegkunde spreekt mij immers het meest aan.
Ik ben begonnen met het belang van gezonde voeding te schetsen. De invloed van voeding op de gezondheid komt hierbij kort aan bod. Daarna wordt gezonde voeding voor baby’s en peuters besproken, van borstvoeding en flesvoeding tot vaste voeding en tussendoortjes. Zowel de (melk)voeding zelf, als het bereiden en bewaren ervan wordt besproken. Bij borstvoeding komen ook de mogelijke problemen die kunnen optreden en de sociale aspecten, aan bod. Deze zijn immers van belang om de duur van de borstvoedingsperiode te verlengen. Zo zal bijvoorbeeld een vrouw die geholpen wordt met haar problemen rond borstvoeding, langer volhouden. Tevens wordt het ‘Baby Friendly Hospital Initiative’ kort toegelicht en worden cijfers gegeven over borstvoeding in 2008. Na al deze informatie over gezonde voeding voor baby’s en peuters, worden er voedingsschema’s weergegeven die alles overzichtelijker maken. Vervolgens worden tevens de suppletie bij baby’s en peuters besproken. Daarna wordt er ook kort iets gezegd over voedselweigering bij peuters en het Triple P programma dat daarbij kan helpen. Tenslotte wordt dit deel theorie afgesloten met het bespreken van een onderzoek over de voedingssituatie van baby’s en peuters in Vlaanderen. Hierna heb ik 3 vragen opgemaakt waarrond ik verder wil werken, 2 rond borstvoeding en 1 rond de algemene voedingssituatie.
Om antwoord te vinden op deze vragen ben ik op zoek gegaan in de literatuur. Bij methodologie wordt de juiste werkwijze hiervan besproken. Het antwoord op de vragen uit de vraagstelling, zijn terug te vinden bij de resultaten. Eerst wordt hier het begrip gezondheidspromotie duidelijk gemaakt. De principes, actieterreinen en methodiek ervan komen hierbij ook aan bod. Ook wordt het ‘stages of change model’ kort uitgelegd om een beter zicht te krijgen op gedragsverandering bij mensen. Aan de hand van de gevonden informatie, worden daarna factoren opgesomd die het al dan niet geven van borstvoeding en de duur ervan beïnvloeden. Met behulp van deze factoren en de theorie rond gezondheidspromotie, is een voorbeeld voor borstvoedingsvriendelijk klimaat opgemaakt, dat ook terug te vinden is. Vervolgens wordt er ook een mogelijk beleid tot het verbeteren van de algemene voedingssituatie van baby’s en peuters weergegeven. Tenslotte komt ook de rol van de sociaal verpleegkundige in dit alles, nog aan bod.

1 Probleemstelling
1.1 Belang van gezonde voeding vanaf de start
De voeding in de eerste levensjaren is bepalend voor de groei en ontwikkeling van de mens. Ze beïnvloedt ook de gezondheid en de kans op het ontstaan van chronische ziektes in het volwassen leven (Scientific Advisory Committee on Nutrition, 2010). Optimale voeding in de eerste levensmaanden zou de incidentie van aandoeningen met betrekking tot het metabolisme, zoals obesitas en diabetes, op latere leeftijd verlagen. Ook aandoeningen betreffende een orgaan of weefsel dat zich na de geboorte nog verder ontwikkelt, zoals de hersenen en de nieren, zouden minder voorkomen indien er gezonde voeding wordt gegeven in de eerste levensmaanden (Barker, 2001).
Gluckman, Hanson, Cooper & Thornburg (2008) spreken zelfs van ‘echo’s uit het verleden’. Zij zeggen dat de pathofysiologie van aandoeningen bij volwassenen in het begin van hun leven moet gezocht worden. Ze noemen dit de ‘metabole afdruk’ of ‘voedingsprogrammering’. Deze afdruk is van toepassing op kritische momenten in de pre- en postnatale ontwikkeling. Deze ontwikkeling kan met andere woorden irreversibel worden beïnvloed, wat langetermijneffecten op het lichaam kan veroorzaken.
Vooral van belang is de aanwezigheid van eiwitten, ijzer en lange keten poly-onverzadigde vetzuren in de voeding (De Norre, 2009). Een teveel aan eiwitten in de voeding tijdens het eerste levensjaar vergroot de kans op het ontstaan van obesitas. Ijzer is dan weer een noodzakelijke stof. Het zorgt voor het zuurstoftransport in het lichaam en heeft een positieve invloed op de psychomotorische ontwikkeling. De laatste in het rijtje,de lange keten poly-onverzadigde vetzuren, zijn van belang voor de enzymactiviteit in de celmembranen en de overdracht van zenuwsignalen.
Tenslotte dient er ook nog iets gezegd te worden over het immuunsysteem. Dit is bij een pasgeboren baby is nog niet volledig, het moet nog verder ontwikkelen. Deze ontwikkeling is sterk afhankelijk van een goede en evenwichtige inname van voedingsstoffen. Deze inname moet meteen na de geboorte starten met het drinken van colostrum. Dit is de eerste ‘melk’ die uit de borst komt en die erg rijk is aan antistoffen. Ze biedt bijgevolg een goede bescherming tegen bacteriën en virussen. Ook bevat ze veel zink, een stof die nodig is voor de groei en ontwikkeling van de baby. Bovendien bevordert colostrum de ontwikkeling van het immuunsysteem (Grant, 2004). Moedermelk bevat ook grote hoeveelheden prebiotica, die van belang zijn voor de ontwikkeling van een gezonde darmflora. Deze speelt op zijn beurt ook een belangrijke rol in de ontwikkeling van het immuunsysteem. Sinds een tijdje worden aan zuigelingenvoedingen ook prebiotica toegevoegd (De Norre, 2009).
Er kan dus besloten worden dat voeding tijdens de eerste leeftijdsjaren een belangrijke invloed heeft op de ontwikkeling van het kind en op zijn gezondheid in het latere leven. Voeding is dus niet zomaar iets om aan de honger- en energiebehoefte te voldoen, maar heeft wel degelijk een belangrijke waarde voor de mens. Er dient dus ook de nodige aandacht aan gegeven te worden. Daarom komt, in wat verder volgt, uitleg over gezonde voeding voor baby’s en peuters aan bod. Ouders zouden hiervan op de hoogte moeten zijn, zodat ze hun kinderen gezond kunnen voeden. Dit kan immers verschillende aandoeningen op latere leeftijd van het kind voorkomen.
1.2 Borstvoeding
1.2.1 Definities borstvoeding
Om eenduidigheid te scheppen is het belangrijk enkele definities van borstvoeding weer te geven. De wereld gezondheidsorganisatie (1991) beveelt aan om volgende definities te gebruiken.


  • Uitsluitend borstvoeding: De zuigeling krijgt enkel borstvoeding van zijn/haar moeder of afgekolfde moedermelk. Andere vloeibare en vaste voeding is niet toegelaten, behalve druppels of siroop van vitamines, mineralen of geneesmiddelen.

  • Overwegend borstvoeding: De zuigeling krijgt overwegend borstvoeding, het is dus zijn belangrijkste voedingsbron. Druppels of siroop van vitamines, mineralen of geneesmiddelen zijn eveneens toegestaan. Ook water, vloeistof op waterbasis, rituele vloeistoffen, vruchtensap en suikerwater mogen aan de zuigeling gegeven worden.

  • Borstvoeding met complementaire voeding: De zuigeling krijgt borstvoeding en halfvaste of vaste voeding. Hierbij is elke voeding of vloeistof toegestaan, ook andere melk dan deze van de moeder.

  • Geen borstvoeding: De zuigeling krijgt geen moedermelk.

De som van uitsluitend borstvoeding en overwegend borstvoeding noemt men volledige borstvoeding. Indien je hierbij nog eens borstvoeding met complementaire voeding rekent, spreekt men van borstvoeding.

1.2.2 Voor- en nadelen van borstvoeding
Borstvoeding biedt heel wat voordelen in vergelijking met flesvoeding, zowel voor de baby en de moeder als voor het gezin en de samenleving. Hoe langer borstvoeding gegeven wordt, hoe meer gezondheidsvoordeel het oplevert voor moeder en baby.
Voor de moeder levert het geven van borstvoeding verschillende voordelen op. Eerst en vooral is moedermelk altijd klaar en beschikbaar, op de juiste temperatuur. Je hoeft dus geen flesjes op te warmen of te steriliseren. Bovendien zorgt het zelf voeden van je kindje voor een intense beleving, zowel gevoelsmatig als lichamelijk. De meeste moeders genieten enorm van het geven van borstvoeding en het unieke contact dat ze dan hebben met hun baby. Vervolgens leidt het geven van borstvoeding ook tot het sneller herstellen van de baarmoeder van de moeder. Als de baby zuigt aan de tepel komt er immers oxytocine vrij. Dit hormoon laat de baarmoeder samentrekken zodat deze haar oorspronkelijke vorm sneller terugkrijgt. Daardoor is de kans op postnatale bloedingen ook beperkt bij het geven van borstvoeding (La Leche League International, 2009). Bovendien bereikt een moeder die borstvoeding geeft, sneller haar oorspronkelijke gewicht. Dit komt omdat het geven van borstvoeding meer energie vraagt. De vetreserves die opgebouwd werden tijdens de zwangerschap, worden hierdoor opgebruikt (Kind & Gezin, 2010). Indien een vrouw minstens drie maanden uitsluitend borstvoeding geeft, heeft ze minder kans op het krijgen van premenopauzale borstkanker en eierstokkanker. Tenslotte hebben deze vrouwen ook minder kans op osteoporose en heupfracturen tijdens de menopauze (La Leche League International, 2009).

Ook voor de baby zelf is borstvoeding een betere keuze ten opzichte van flesvoeding. Moedermelk is immers rijk aan afweerstoffen. Deze beschermen de baby tegen allerlei infecties. Baby’s die borstvoeding krijgen, hebben bijgevolg minder kans op het krijgen van diarree, middenoor- en hersenvliesontstekingen, lucht-, urineweg- en darminfecties. Indien ze het toch ontwikkelen is het verloop ervan meestal minder ernstig. Bovendien beschermt borstvoeding ook tegen allergie. Een baby die uitsluitend borstvoeding krijgt tot de leeftijd van 6 maanden heeft minder kans op het ontwikkelen van een koemelkeiwitallergie (La Leche League Nederland, 2004). Een ander voordeel is de samenstelling van de moedermelk. Deze is altijd aangepast aan de behoefte van de baby. Moedermelk is ook lichter verteerbaar dan flesvoeding. Hierdoor zal de baby minder last hebben van maag- en darmproblemen (Kind & Gezin, 2010). Vervolgens leidt borstvoeding tot het oefenen en ontwikkelen van kaak- en tongspieren van de baby. Het is immers moeilijker om van de borst te drinken, dan van een flesje. Verder zorgt borstvoeding ook voor een versteviging van de band tussen moeder en kind en het gevoel van veiligheid bij de baby. Tenslotte verkleint borstvoeding de kans op overgewicht, diabetes type 1 en wiegendood (La Leche League International, 2009).


Er zijn tenslotte ook nog voordelen voor het gezin en de samenleving. Een baby die borstvoeding krijgt, is minder vaak ziek en kost dus minder aan zijn gezin en aan de gezondheidszorg. Bovendien is borstvoeding zelf ook gratis en bespaart het gezin hiermee ook al kosten uit, want flesvoeding is vrij duur. Borstvoeding geven is ook goed voor het milieu. Bij flesvoeding heb je immers verpakkingsafval, bij borstvoeding niet.
Aan borstvoeding zijn ook enkele nadelen verbonden, voornamelijk voor de moeder. Zij is immers meer gebonden want ze moet zelf de baby voeden, ook ’s nachts, tenzij ze afkolft. Borstvoeding vraagt ook heel wat energie van de moeder. De hulp van je partner en/of familie kan hierbij verlichting bieden. Zij kunnen bijvoorbeeld de baby eens een badje geven, een luier verversen,… (Kind & Gezin, 2010). Het feit dat moedermelk lichter verteerbaar is, heeft ook een nadeel. De baby is immers minder lang verzadigd dan wanneer hij flesvoeding zou krijgen en zal sneller terug voeding willen. Borstvoeding kan in het begin ook moeilijk of pijnlijk zijn (‘Hoe moet ik de baby aanleggen?’). Goed advies is dus zeker noodzakelijk. Ook niet iedere moeder voelt zich op haar gemak bij het voeden op openbare plaatsen of wanneer er anderen in de buurt zijn. Dit kan een enorme last betekenen voor de moeder (La Leche League Nederland, 2004). Tenslotte moeten kinderen die borstvoeding krijgen, vitamine K en D innemen. Dit is immers in te lage concentratie aanwezig in moedermelk. Vitamine K is noodzakelijk voor de bloedstolling en vitamine D voor de ontwikkeling van het beendergestel. Kinderen die flesvoeding krijgen, moeten enkel vitamine D innemen. Later volgt hierover meer.
Toch is het duidelijk dat de voordelen van borstvoeding opwegen tegen de nadelen ervan. Voor enkele nadelen zijn er bovendien oplossingen te vinden, zoals hulp inschakelen en goed advies krijgen.

1.2.3 Anatomie en fysiologie borstvoeding


Vanaf het begin van de zwangerschap veranderen de borsten van de vrouw onder invloed van de hormonen oestrogeen en progesteron. Ze worden zwaarder en voller omwille van uitbreiding van het melkklierweefsel.

De tepel en het tepelhof worden groter en donkerder. De bloedtoevoer neemt ook toe, dit kan je zien aan de aftekening van aders (Kind & Gezin, 2010).


Moedermelk wordt geproduceerd in de melkklieren of alveoli. De alveoli zijn trosvormig en nemen de nodige voedings- en afweerstoffen uit het bloed op om melk te produceren. Het aantal melkklieren is bij iedere vrouw ongeveer evenveel, ongeacht de grootte van de borsten. De alveoli of melkklieren worden omringd door spiercellen. Deze spiercellen kunnen samentrekkende bewegingen maken waardoor melk wordt uitgescheiden in kleine melkgangen (La Leche League Nederland, 2004).

Afbeelding 1.2.3: Anatomie borst


De kleine melkgangen (= ductuli) vertrekken vanuit de alveoli en monden uit in de melkreservoirs (= ampullae). Dit zijn eigenlijk grotere melkgangen (= ducti) die zich net achter het tepelhof bevinden. Deze monden op hun beurt uit in de tepel. Twee hormonen, prolactine en oxytocine, spelen een belangrijke rol bij borstvoeding. In wat verder volgt, wordt dit uitgelegd.
Tijdens de vijfde zwangerschapsmaand maken de borsten reeds een beetje melk aan onder invloed van prolactine. Toch wordt dit hormoon en dus ook de melkproductie nog onderdrukt door oestrogeen, afgescheiden door de placenta. Na de geboorte neemt de productie van oestrogeen echter sterk af en gaat de hypofyse nog meer prolactine produceren. Dit hormoon zorgt ervoor dat de melkklieren melk gaan produceren. De eerste melk die door de alveoli wordt uitgescheiden is stroperig en geelachtig van kleur. Ze heet colostrum en is rijk aan antistoffen (La Leche League Nederland, 2004).
De hoeveelheid melk die geproduceerd wordt, hangt af van het drinken van de baby. Hoe vaker de baby drinkt, hoe meer melk er geproduceerd wordt en andersom. Dit komt doordat er meer prolactine wordt aangemaakt door de hypofyse bij prikkeling van de tepel, dus bij het zuigen van de baby. Wanneer er binnen de vier uur na het voeden of afkolven geen prikkeling van de tepel plaatsvindt en de melk niet verwijderd wordt uit beide borsten, zal de melkproductie verminderen. De oorzaak hiervoor is een stof geproduceerd door de hypothalamus, prolactin inhibiting factor (PIF). Deze zorgt voor de regulatie van de melkproductie en kan de prolactine-afgifte verhinderen bij onvoldoende stimulatie (La Leche League Nederland, 2004).
Als de baby zuigt aan de borst, worden de zenuwuiteinden in de tepel en het tepelhof gestimuleerd. Dit zorgt voor de afscheiding van het hormoon oxytocine, eveneens geproduceerd door de hypofyse. Oxytocine zorgt er op zijn beurt voor dat de spiercellen rond de melkklieren gaan samentrekken. Hierdoor wordt de afgescheiden melk via de melkgangen naar de melkreservoirs gestuwd en kan de baby drinken. Dit noemt men de toeschietreflex en wordt dus opgewekt door het zuigen van de baby. In een later stadium kan dit ook gebeuren wanneer de moeder de baby hoort huilen, of wanneer ze zelfs nog maar gewoon denkt aan haar baby. De afgifte van oxytocine is immers psychisch beïnvloedbaar. Dit kan dus ook voor moeilijkheden zorgen wanneer de moeder vermoeid of onzeker is. Het kan dan zijn dat er geen toeschietreflex plaatsvindt en dat de baby minder melk heeft (La Leche League International, 2009).
Wanneer een baby aangelegd wordt, krijgt hij eerst melk die tussen twee voedingen is aangemaakt en zich in de melkreservoirs bevindt.

De vetten die er zich in bevinden, hebben de kans gehad om zich te hechten aan de wanden van de melkreservoirs en melkgangen. De eerste melk die de baby krijgt, is daardoor eerder mager, maar wel suikerrijk. Deze melk wordt voormelk genoemd. Door het zuigen van de baby, komt er echter oxytocine vrij en dit hormoon zal zorgen voor de toeschietreflex waardoor er verse melk naar de tepels gestuwd wordt. De aangehechte vetten komen hierbij vrij en mengen zich met de melk. Deze melk is dus veel vetrijker dan de voormelk en wordt achtermelk genoemd. Om goed te kunnen groeien, heeft een baby voornamelijk deze achtermelk nodig (Kind & Gezin, 2010). Hij moet dus voldoende lang en krachtig drinken. De toeschietreflex vindt meestal plaats één tot drie minuten na het aanleggen. Terwijl de baby aan de ene borst drinkt, wordt in de andere borst de voormelk al vermengd met de achtermelk. Als de baby beide borsten aangeboden krijgt bij een voeding, zal bij de tweede borst de melk dus al meteen vetrijk zijn.

1.2.4 Voeding borstvoedende moeders
Borstvoedende moeders zouden net zoals iedereen, een gezonde en gevarieerde voeding moeten eten. Aangezien het geven van borstvoeding energie kost, hebben deze vrouwen wel behoefte aan wat extra calorieën (La Leche League Nederland, 2004). Deze kunnen ze bekomen door elke dag genoeg melkproducten, voldoende vlees, vis of ei, een grote portie groenten, minstens twee stukken fruit, aardappelen en brood te eten. Wanneer de vrouw voldoende gevarieerd eet, heeft ze geen vitamine- of voedingssupplementen nodig.
Vrouwen die borstvoeding geven, hebben wel nood aan extra vocht (Kind & Gezin, 2010). Baby’s drinken na enkele weken immers ongeveer één liter en dit vocht wordt onttrokken aan het lichaam van de moeder. Borstvoedende moeders kunnen best water of vruchtensappen drinken. Het drinken van koffie, thee en cola moet beperkt blijven omwille van het cafeïnegehalte erin. Cafeïne kan de baby onrustig en prikkelbaar maken, en kan zelfs slapeloosheid uitlokken.
Er wordt vaak beweerd dat sommige voedingsmiddelen (bijvoorbeeld ui en kolen) die de moeder eet, krampjes veroorzaken bij de baby. Dit is echter nooit wetenschappelijk aangetoond (La Leche League International, 2010). Daarom wordt aanbevolen om gewoon goed gevarieerd te eten. Indien de baby gevoelig is voor bepaalde voedingsmiddelen of iets niet graag lust, zal de moeder dit gauw merken.
Van sommige voedingsmiddelen, zoals donker bier en bepaalde kruidentheeën wordt beweerd dat ze de melkproductie bevorderen. Ook dit is niet wetenschappelijk aangetoond, het kan echter wel psychologisch werken (La Leche League Nederland, 2004). Donker bier wordt wel afgeraden omdat het alcohol bevat. Met het gebruik van kruiden moet er tevens opgepast worden omdat deze wel eens een negatieve invloed kunnen hebben.
Roken, alcohol en drugs worden erg afgeraden (Kind & Gezin, 2010). Ze bevatten schadelijke stoffen die via de borstvoeding bij de baby terechtkomen en tot gezondheidsrisico’s kunnen leiden. Ook het gebruik van medicijnen wordt afgeraden, tenzij echt nodig en door de arts voorgeschreven.
Tenslotte wordt diëten ook sterk afgeraden. Een vrouw die borstvoeding geeft, valt gemakkelijk af omwille van de energie die het geven van borstvoeding kost.

Zolang ze voldoende en gevarieerd eet, is er geen probleem. Toch moet erop gelet worden dat de vrouw niet te veel en te snel afvalt. Diëten is dus absoluut af te raden. Het lichaam heeft tijd nodig om te herstellen van de zwangerschap en bevalling, en om een goede melkproductie op gang te brengen. Bovendien komen er schadelijke stoffen zoals dioxines en PCB’s vrij uit het vetweefsel wanneer iemand veel afvalt. Deze komen dan ook terecht in de moedermelk en bij de baby (Kind & Gezin, 2010).

1.2.5 Borstvoeding geven
Bij het geven van borstvoeding wordt aangeraden om te voeden op verzoek (La Leche League International, 2009). De moeder moet dus geen voedingsschema, maar wel de baby zijn ritme volgen. Het is uiteraard belangrijk dat moeder en baby dan zo veel mogelijk samen zijn. Hierdoor leert de moeder haar baby goed kennen en weet ze na een tijd wanneer hij voeding nodig heeft.
Het is onmogelijk strikte richtlijnen te geven over het tijdstip waarop een moeder haar baby moet voeden. De eerste dagen na de geboorte, zullen de meeste baby’s om de 2 à 3 uur om voeding vragen. De baby heeft tijdens deze eerste dagen ongeveer zo’n 8 à 12 voedingen per dag nodig. Na enkele weken vermindert dit naar 6 à 8 voedingen per dag (La Leche League International, 2009). Het gaat hierbij om gemiddelde waarden. Het is best mogelijk dat een baby hiervan afwijkt. Dit is geen probleem indien hij goed groeit en in gewicht bijkomt.
Tijdens het geven van borstvoeding worden, zeker in de eerste weken na de bevalling, best beide borsten aangeboden (La Leche League Nederland, 2004). Dit stimuleert de melkproductie immers goed. Wanneer de baby de ene borst loslaat, wordt de andere borst aangeboden. De borst die als laatste aangeboden wordt, wordt bij de volgende voeding als eerste aangeboden. De duur van een borstvoeding verschilt van baby tot baby. Deze zou wel minstens 10 minuten per borst moeten zijn, zodat de baby ook de rijkere achtermelk krijgt. Een baby geeft meestal zelf aan wanneer hij genoeg heeft en zal de borst loslaten. Wanneer de baby na een lange tijd nog niet losgelaten heeft of niet meer zuigt op de tepel, kan de moeder hem er zelf afnemen. Het vacuüm dat ontstaan is door het zuigen, dient dan wel eerst onderbroken te worden. Dit kan door de pink in de mondhoek van de baby te steken en zo zijn onderkin zachtjes naar beneden te duwen.

1.2.6 Problemen bij borstvoeding


1.2.6.1 Stuwing
Stuwing ontstaat ongeveer drie à vijf dagen na de bevalling (Kind & Gezin, 2010). De borsten worden zwaarder en kunnen gespannen aanvoelen. Dit komt door de verhoogde doorbloeding en doordat de melkgangen nog niet zo goed doorgankelijk zijn. Deze stuwing kan gepaard gaan met erg pijnlijke borsten, hoofdpijn en/of verhoogde lichaamstemperatuur. Dit is een normale reactie en is tijdelijk.
Later na de bevalling kan zich echter ook stuwing voordoen, het wordt dan melkstuwing genoemd. Deze wijst vaak op het niet in evenwicht zijn van vraag en aanbod, bijvoorbeeld door een voeding over te slaan.

Ook hierbij kan lichte koorts mogelijk zijn. De borsten zijn erg gezwollen, glanzend en pijnlijk bij aanraking. Als de stuwing niet verholpen wordt, kan ze leiden tot een borstontsteking.


Er kunnen verschillende zaken helpen om de stuwing te verminderen (La Leche League Nederland, 2004). Ten eerste wordt de baby best op verzoek gevoed. Hij moet dus vaak genoeg aangelegd worden, minstens om de twee à drie uur. Laat de baby hierbij niet te lang aanliggen, dan verhoogt de melkproductie immers. Vaak en kort voeden doet de stuwing verminderen binnen de vierentwintig uur. Vervolgens kan het ook helpen de borsten voor de voeding even te masseren en warmte aan te wenden. Dit bevordert de toeschietreflex. Een beetje melk afkolven voor de voeding kan tevens helpen. Het zorgt ervoor dat de borst minder gespannen is en dat de baby beter kan drinken. Tenslotte kunnen koude kompressen na het voeden verlichting bieden aan de moeder.

1.2.6.2 Te weinig melk
Sommige moeders zijn ongerust dat hun baby niet genoeg drinkt of dat ze zelf te weinig melk aanmaken. Meestal is dit onterecht, de melkproductie wordt immers bepaald door de baby. Wanneer de baby zes tot acht natte luiers en drie à vier stoelgangsluiers heeft per dag tijdens de eerste zes weken en wanneer hij goed bijkomt in gewicht, is er geen reden tot ongerustheid (Le Leche League International, 2009). Wanneer dit niet zo is, is het aangeraden om de baby wat vaker aan te leggen, minstens om de twee uur. Hij moet ook voldoende lang aanliggen zodat hij de vetrijkere achtermelk krijgt. Baby’s die veel slapen en niet goed bijkomen in gewicht, moeten wakker gemaakt worden voor de voeding bijvoorbeeld door de luier te verversen.

1.2.6.3 Tepelkloven en pijnlijke tepels
Kort na de bevalling ervaren veel moeders pijnlijke tepels. Als de baby goed wordt aangelegd en drinkt, zal dit waarschijnlijk snel verdwijnen. Toch ontstaan er bij sommige moeders tepelkloven. Dit zijn pijnlijke wondjes aan de tepel. De meest voorkomende oorzaken ervan zijn het niet goed aanleggen van de baby, irritatie en het onvoldoende droog houden van de tepels.
Tepelkloven kunnen vermeden worden door volgende tips. De baby moet goed aangelegd worden aan de borst. Dit wil zeggen dat hij niet enkel op de tepel moet zuigen, maar ook op een groot deel van het tepelhof. Wanneer de baby enkel op de tepel zuigt, worden de melkkanaaltjes dicht gezogen en komt er dus geen of weinig melk. Bij een goed aangelegde baby is de onderste lip naar buiten gekruld en zuigt de baby ritmisch met diepe teugen. Het neusje van de baby moet vrij zijn, zodat hij goed kan ademen.
Vervolgens kan het goed droog houden van de huid tepelkloven ook voorkomen. Vrouwen die borstvoeding geven, wordt aangeraden na de voeding een druppel moedermelk op de tepel uit te wrijven en te laten drogen aan de lucht (La Leche League Nederland, 2004). Een katoenen bh dragen en kompressen gebruiken, die regelmatig vervangen worden, kunnen ook helpen bij het voorkomen van kloven. Er wordt afgeraden om de borsten met zeep te wassen.

Dit droogt immers uit, waardoor er kloven kunnen ontstaan. Een goede lichaamshygiëne en de borsten wassen met zuiver water volstaat. Tenslotte is het ook belangrijk om het vacuüm, gecreëerd door het zuigen van de baby, eerst te verbreken alvorens de baby van de borst te nemen.


Indien er ondanks bovenstaande tips toch tepelkloven ontstaan, is het belangrijk om toch deze tips te blijven volgen. Natuurlijk moeten de tepelkloven best zo snel mogelijk genezen. Volgende verzorgingsadviezen kunnen daarbij helpen.
Zoals hierboven reeds beschreven staat, is het goed om een druppel moedermelk uit te wrijven op de tepel. Moedermelk bevat immers stoffen die genezing bevorderen. Indien er tepelkloven zijn, dien je de tepel echter niet te laten drogen aan de lucht. Vroeger werd dit wel aangeraden, maar tegenwoordig kiest men voor een vochtige wondgenezing. De tepel moet zodanig bedekt worden dat de onderhuidse vochtigheid blijft bestaan (La Leche League International, 2009). Om de tepel vochtig te houden en korstvorming tegen te gaan kan er ook gebruik gemaakt worden van zalven. Toch moet hier ook mee opgepast worden. Sommige zalven bevatten immers schadelijke stoffen voor de baby. Een goede tepelzalf, zoals bijvoorbeeld alcoholvrije en gezuiverde lanoline, bevordert de genezing van tepelkloven en is niet gevaarlijk. Na iedere voeding kan een laagje zalf aangebracht worden op de tepel. Dit hoeft niet verwijderd te worden voor een nieuwe voeding.
De baby aanleggen in een andere houding kan ook helpen om de pijnlijke tepel minder te belasten. Als er maar aan één kant kloven zijn, kan je de baby best eerst aan de andere kant aanleggen. Zo zal hij minder hard zuigen aan de pijnlijke tepel (La Leche League Nederland, 2004). Vervolgens kan het ook helpen om de baby vaker en korter dan gewoonlijk aan te leggen. De baby zal dan minder honger hebben en bijgevolg rustiger zuigen. Wrijven met een koud kompres over de tepel voor het voeden, kan een verdovend effect hebben. Ook het gebruik van tepelhoedjes kan verlichting van pijn geven. Toch worden ze afgeraden omdat ze de melkproductie negatief beïnvloeden.
Wanneer de tepel uit de kloof bloedt, hoeft de borstvoeding niet stopgezet te worden. Het kan geen kwaad dat de baby wat bloed zou binnenkrijgen, alhoewel dit voor sommige moeders erg raar klinkt. De baby zal hier niet misselijk van worden. Een bloedende kloof is minder pijnlijk dan een kloof met korsten. Wanneer je bovenstaande verzorgingsadviezen toepast, zal korstvorming vermeden worden en de kloof waarschijnlijk snel genezen.

1.2.6.4 Spruw
Spruw is een schimmelinfectie in de mond die veroorzaakt wordt door de gist candida albicans. Deze gist is aanwezig in het maag- darmkanaal en in het baringskanaal, en veroorzaakt normaal gezien geen problemen. Soms kan deze gist echter gaan overwoekeren en veroorzaakt hij een ontstekingsreactie. Mogelijke symptomen van zo’n ontstekingsreactie bij baby’s zijn onder andere witte plekjes in de mond, parelmoerachtige lippen, luieruitslag, klikkend geluid tijdens het drinken, winderigheid, borst weigeren en met tegenzin drinken. Bij de moeder zijn de mogelijke symptomen de volgende: stekende pijn in de borst tijdens of na het voeden, rode, pijnlijke en/of jeukende tepels, witte stippen in de huidplooien van de tepel, branderig gevoel aan de tepel en glimmend of schilferachtig tepelhof.

Spruw is geen reden om te stoppen met borstvoeding geven, het moet echter wel behandeld worden (La Leche League Nederland, 2004). Deze behandeling dient gericht te zijn op moeder en baby, ook al heeft één van beide geen symptomen. Indien dit niet gebeurt, kunnen moeder en kind elkaar blijven besmetten. Geschikte middelen om schimmelinfectie bij borstvoeding te behandelen, zijn de volgende schimmeldodende middelen: nystatine, miconazol en clotrimazol. Voor een voorschrift hiervoor kan de moeder terecht bij de huisarts.

Tijdens de behandeling van spruw wordt het wel aangeraden om de tepels na de voeding te reinigen met water en ze hierna goed te laten drogen aan de lucht. Het inwrijven van een druppel melk na de voeding is bij een schimmelinfectie ten sterkste afgeraden. Schimmel gedijt immers goed in melk. Daarom de aanbeveling om de tepels na het voeden te reinigen, zodat alle melkresten verwijderd worden (La Leche League Nederland, 2004). Tevens wordt het afgeraden om tijdens de behandeling melk af te kolven en te bewaren. Vers afgekolfde melk aan de baby geven, kan geen kwaad, maar bewaren wel. De schimmel wordt immers niet gedood door het invriezen van de melk, waardoor het kind mogelijk terug besmet geraakt bij het drinken ervan.
Tenslotte zijn er nog enkele hygiënische maatregelen die verdere verspreiding van de besmetting kunnen voorkomen. Vaak handen wassen is een eerste belangrijke maatregel. Degene die de voeding geeft, zou zeker voor en na de voeding de handen moeten wassen. Na het verversen van de luier en eigen toiletbezoek is handen wassen zeer sterk aangeraden (La Leche League International, 2009). Vervolgens is het ook aangewezen om de borstvoedingskompressen vaak genoeg te vernieuwen. Vochtige kompressen zijn immers een voedingsbodem voor schimmels. Elke dag een schone bh aandoen en zo weinig mogelijk zeep gebruiken, is ook aan te raden. Wanneer je afkolft, kan je best elke dag de kolf steriliseren. Dit geldt ook voor gebruikte spenen, flesjes en fopspenen.

1.2.6.5 Verstopt melkkanaal
Verstopte melkkanalen zijn te herkennen aan een rood, hard, gevoelig en soms pijnlijk plekje in de borst. Doordat de melk niet goed door het melkkanaal kan stromen, is het weefsel er rond geïrriteerd. Een verstopt melkkanaal kan na een tijdje leiden tot een borstontsteking (Kind & Gezin, 2010). Een verstopt melkkanaal kan veroorzaakt worden door het niet goed leegdrinken van de borsten of te weinig en/of overslaan van voedingen, bijvoorbeeld wanneer de baby plots doorslaapt ’s nachts.

Ook druk op de borst door te strakke kleding of te spannend ondergoed en drukken met de vinger op de borst tijdens de voeding, kunnen dit mogelijk veroorzaken.


Het is heel belangrijk niet te stoppen met borstvoeding omwille van een verstopt melkkanaal (La Leche League International, 2009). Dit kan immers leiden tot stuwing en nog meer pijn. Bij de eerste tekenen van een verstopt melkkanaal is rusten essentieel. De moeder kan dus best in bed kruipen en haar baby meenemen. De baby moet immers vaak genoeg aangelegd worden zodat de borst tamelijk leeg blijft. Hierdoor gaat de melk makkelijker stromen en helpt dit tegen de verstopping. Bij het voeden kan best de pijnlijke borst eerst gegeven worden. Verandering van houding bij het voeden zorgt ervoor dat de borst beter geledigd wordt. Vervolgens kan ook masseren van de borst richting de tepel, voor en tijdens de voeding hulp bieden bij verstopping.

Om de pijn te verzachten gebruikt de moeder best warmte voor het voeden en koude erna. Tenslotte is het belangrijk knellende kleding te vermijden en ’s nachts zeker geen bh te dragen.



1.2.6.6 Borstontsteking (= mastitis)
Wanneer een verstopt melkkanaal niet of onvoldoende behandeld wordt, kan het leiden tot een borstontsteking of mastitis. Net zoals bij een verstopt melkkanaal is er een rood, hard en pijnlijk plekje in de borst. Bij een borstontsteking zal de moeder zich vaak echter ook niet goed voelen en koorts hebben. Dan kan er best een arts geraadpleegd worden.
Bij een borstontsteking zijn sommige moeders geneigd om te stoppen met de borstvoeding omdat het pijnlijk is. Toch is het belangrijk om verder te gaan met het geven van borstvoeding. Anders gaat de ontsteking verergeren en kan ze zelfs leiden tot een borstabces. Net zoals bij een verstopt melkkanaal is het belangrijk dat de moeder goed rust en de baby veel drinkt, in verschillende houdingen, aan de pijnlijke borst. Warmte voor en koude na het voeden helpen ook hier de pijn te verzachten. Tenslotte wordt het dragen van knellende kleding afgeraden (La Leche League Nederland, 2004).
Wanneer bovenstaande tips geen verbetering brengen na 24 uur, kan de moeder best naar een arts gaan. Deze zal dan mogelijk een antibioticatherapie opstarten of pijnstillers voorschrijven. Toch zal dit meestal niet nodig zijn en zal de borstontsteking met bovenstaande tips verdwijnen.

1.2.7 Bewaren moedermelk


Afgekolfde moedermelk moet bewaard worden in een gesteriliseerd potje of flesje, of in speciaal daarvoor voorziene steriele moedermelkbewaarzakjes. Wanneer de afgekolfde melk dient om binnen enkele dagen te gebruiken, wordt ze best bewaard in de koelkast. De melk wordt bij voorkeur achteraan in de koelkast bewaard en niet in de deur, zodat de koeling ook gewaarborgd blijft bij het openen van de koelkast. De melk blijft dan zo’n 72 uur goed op voorwaarde dat ze hygiënisch werd afgekolfd (Kind & Gezin, 2010). Volgens Stegeman (2007) blijft de moedermelk zelfs tot 5 dagen goed in de koelkast. Het is belangrijk de afgekolfde melk zo snel mogelijk in de koelkast te zetten. Hoe sneller dit gebeurt, hoe kleiner het verlies aan vitamines en andere unieke eigenschappen van moedermelk.
Wanneer de melk langer dan 72 uur dient bewaard te worden, moet ze ingevroren worden. Dit gebeurt best ook zo snel mogelijk na het afkolven (Stegeman, 2007). Moedermelk invriezen kan in een diepvriezer of in het vriesvakje van een koelkast, als dit vier sterren heeft. De datum van invriezen breng je best aan met een etiket of stift op het potje, flesje of de zakjes. Moedermelk kan 3 tot 6 maanden bewaard worden bij een temperatuur van - 18 °C of lager. Invriezen verandert de kwaliteit van de moedermelk niet, maar wel de samenstelling, het uitzicht, de geur en de smaak. De antistoffen en andere beschermende stoffen blijven echter grotendeels behouden.
Ingevroren moedermelk wordt het best langzaam ontdooid door ze in de koelkast te zetten, ook weer best achteraan (Kind & Gezin, 2010). Als de melk snel gebruikt moet worden, kan ze ontdooid worden door ze onder stromend water te houden, eerst koud en dan langzaam naar warm water. Wanneer het water te heet is, gaan er antistoffen verloren, dus dat moet vermeden worden. Ook bij ontdooien in de microgolfoven gaan er belangrijke voedingsstoffen verloren. Eens de melk ontdooid is, moet ze gebruikt worden binnen de 24 uur. Ze mag ook niet terug ingevroren worden.
De melk wordt best opgewarmd in een pan met warm water (au bain-marie) of in een flessenverwarmer tot ze ongeveer 37 °C is. Als ze warmer is, verliezen de antistoffen en eiwitten hun kwaliteit. Bovendien bestaat de kans dat de baby zijn mond of slokdarm verbrandt. Ook voor het opwarmen wordt er best geen microgolfoven gebruikt, omdat verwarming hier erg onregelmatig gebeurt. Hierdoor kan de melk bijvoorbeeld bovenaan heet zijn en onderaan nog lauw. Daarenboven gaan er ook belangrijke voedingsstoffen verloren bij het opwarmen in de microgolfoven. Indien het toch niet anders kan, moet de microgolfoven in een zo laag mogelijke stand gezet worden. Het is ook belangrijk de melk kortstondig op te warmen, bijvoorbeeld 15 seconden, en dan even te schudden. Nadien kan ze weer kort opgewarmd worden.
Alvorens de melk aan de baby te geven, moet er steeds gecontroleerd worden of deze niet te warm is. Hiervoor kan best de fles eerst geschud worden zodat de temperatuur gelijkmatig verdeeld is. Daarna moet de temperatuur gecontroleerd worden, bijvoorbeeld door enkele druppels op de binnenkant van de pols te doen. De melk moet lauw zijn en niet echt warm.

1.2.8 Borstvoeding en werk


Veel moeders vragen zich af of het wel mogelijk is om borstvoeding en werk te combineren. Dit is zeker mogelijk. Het vraagt echter wel een extra inspanning, er zullen plannen gemaakt moeten worden en vooruit gedacht worden. Sommigen vrouwen zien dit echter niet zitten en stoppen met borstvoeding als ze gaan werken. Anderen vinden het juist ontspannend dat ze hun kindje ’s avonds na het werk nog de borst kunnen geven.
Een vrouw heeft recht op 15 weken zwangerschapsverlof, waarvan maximaal 14 na de bevalling kunnen opgenomen worden (FOD sociale zekerheid, 2010). Voor vrouwen die zelfstandig zijn, zijn dit 8 weken, waarvan maximaal 7 na de bevalling. Dit is dus lang niet genoeg om de aanbevolen zes maanden uitsluitend borstvoeding te geven. Om deze reden schakelen er dus veel vrouwen over op flesvoeding. Toch zijn er enkele mogelijkheden om langer thuis te blijven.
Zo kan de moeder (ook de vader) ouderschapsverlof nemen. Dit biedt de mogelijkheid om tijdelijk de loopbaan te onderbreken om voor de opvoeding van een kind te zorgen. Hieronder wordt uitgelegd hoe dit ouderschapsverlof in z’n werk gaat bij werknemers, omdat de meeste mensen bij dit stelsel behoren.
Per kind heeft iedere ouder recht om ouderschapsverlof te nemen tot het kind 12 jaar is. Vroeger was deze leeftijdsgrens 4 jaar voor personeel van het onderwijs en de centra voor leerlingenbegeleiding.

Ook dit is sinds 1 april 2010 opgetrokken tot 12 jaar. Voorwaarde voor het recht op ouderschapsverlof is wel dat de ouder in de periode van 15 maanden voor de aanvraag, minstens 12 maanden gewerkt heeft bij deze werkgever. Verder dient de werknemer zijn werkgever minstens twee maanden op voorhand in te lichten.


Het ouderschapsverlof kan op drie manieren opgenomen worden (FOD sociale zekerheid, 2010). De eerste is de mogelijkheid om gedurende drie maanden de uitvoering van de arbeidsovereenkomst volledig te schorsen. Hierbij moet de moeder of vader dus voor drie maanden niet gaan werken. Deze periode kan ook opgesplitst worden in één maand of een veelvoud ervan. De tweede manier is om gedurende zes maanden halftijds te gaan werken. Hiervoor moet de ouder voor het ouderschapsverlof natuurlijk al voltijds werken, anders maakt dit geen verschil. Ook hier hoeft dit niet aan één stuk opgenomen worden. Het is immers opsplitsbaar in periodes van twee maanden. Tenslotte kan een voltijds tewerkgestelde werknemer gedurende 15 maanden 4/5 gaan werken. Ook deze periode is weer opsplitsbaar, in periodes van 5 maanden. Tijdens de periode van het ouderschapsverlof krijgt de ouder een onderbrekingsuitkering. Bovendien bestaat er ook nog een aanmoedigingspremie van de Vlaamse gemeenschap. Deze geeft nog een extra premie aan een ouder die ouderschapsverlof opneemt, indien er voldaan wordt aan bepaalde voorwaarden.
Sommige vrouwen hebben ook recht op borstvoedingsverlof. Er bestaan twee soorten borstvoedingsverlof: het profylactisch borstvoedingsverlof en het borstvoedingsverlof dat individueel wordt toegestaan. Dit eerste wordt om medische redenen opgelegd, bijvoorbeeld wanneer de moeder werkt met gevaarlijke chemische stoffen die via de borstvoeding bij het kind zouden terecht kunnen komen. De moeder mag dan niet gaan werken en ontvangt een uitkering van het ziekenfonds, die 60% van haar begrensd loon bedraagt.
Het borstvoedingsverlof dat individueel wordt toegestaan is een gunst van de werkgever, of het gevolg van een collectieve arbeidsovereenkomst (CAO). De duur ervan is afhankelijk van de CAO of van de gemaakte afspraken met de werkgever. De moeder krijgt hiervoor geen uitkering, maar blijft wel in orde met de ziekteverzekering en de bijdragen ervan. Ze blijft dus recht hebben op geneeskundige verzorging. Hiervoor moet ze wel een attest van haar werkgever voorleggen en een speciale bijdrage betalen.
Natuurlijk kan je het geven van borstvoeding ook combineren met werken. Als moeder heb je meestal recht op borstvoedingspauzes. Dit zijn pauzes waarin de moeder haar baby kan voeden of melk kan afkolven. Wanneer de moeder 4 uur per dag werkt, heeft ze recht op een pauze van een halfuur. Indien ze 7,5 uur werkt, heeft ze recht op 2 pauzes van een halfuur. Deze pauzes kunnen opgenomen worden tot 7 maanden na de bevalling. De moeder moet de werkgever wel 2 maanden op voorhand hierover inlichten en ze moet een attest van Kind en Gezin of een arts kunnen voorleggen. De werkgever moet op zijn beurt voorzien in een goed verluchte, onopvallende, propere en verwarmde plaats waar de moeder kan rusten, borstvoeding geven of afkolven op een discrete manier.
1.2.9 Stoppen met borstvoeding
Er zal een moment komen waarop de moeder besluit om borstvoeding af te bouwen of volledig te stoppen. Belangrijk is om het afbouwen van borstvoeding steeds geleidelijk aan te doen. Als de moeder beslist om gedeeltelijk te stoppen, zullen er één of meerdere voedingen vervangen worden (Kind & Gezin, 2010). Dit is bijvoorbeeld zo wanneer het kind, rond de leeftijd van 6 maanden, start met het eten van groente- en fruitpap. Maar het kan evengoed zijn dat de moeder al sneller de borstvoeding wil afbouwen en dat er voor sommige voedingen overgeschakeld wordt op flesvoeding. Om de melkproductie niet te snel te doen afnemen, werkt de moeder het best met een schema. Op bepaalde vaste tijdstippen wordt er dan geen borstvoeding meer gegeven, maar flesvoeding of vaste voeding.
Wanneer de moeder besluit om helemaal te stoppen met borstvoeding, kan ze best stap voor stap werken. De moeder vervangt eerst slechts één voeding door flesvoeding. Indien de baby dit goed verdraagt en de moeder geen last heeft van stuwing, meestal na 3 à 4 dagen, kan er een tweede voeding vervangen worden. Zo kan de moeder doorgaan tot alle voedingen vervangen zijn door flesvoedingen.
Stoppen met borstvoeding is een grote stap voor moeder en kind (La Leche League International, 2009). Het is een nieuwe stap in het scheidingsproces. Sommige moeders hebben het hier moeilijk mee. Het is echter niet zo dat wanneer de moeder geen borstvoeding meer geeft, ze geen contact meer heeft met de baby. Deze heeft immers nog steeds veel aandacht en knuffels nodig. Voor de baby zelf is de overstap ook even wennen. Hij leert een nieuwe smaak kennen door de kunstvoeding. Bij sommige baby’s verloopt dit niet zo vlot.

1.2.10 Sociale kaart: borstvoeding


Vrouwen die borstvoeding geven, hebben af en toe nood aan steun, bevestiging of een antwoord op hun vragen. Ze kunnen hiervoor terecht bij de regioverpleegkundigen van Kind & Gezin. Er zijn echter ook verschillende andere organisaties die hulp en ondersteuning bieden aan vrouwen die borstvoeding geven. Daarom vermeld ik hieronder de adressen en werking van zulke organisaties in regio Antwerpen.


  1   2   3   4   5   6


De database wordt beschermd door het auteursrecht ©opleid.info 2019
stuur bericht

    Hoofdpagina