Een gezonde start Promotie van gezonde voeding voor baby’s en peuters van 0 tot 2 jaar



Dovnload 432.97 Kb.
Pagina3/6
Datum07.10.2016
Grootte432.97 Kb.
1   2   3   4   5   6

1.5 Suppletie baby’s en peuters
Indien baby’s en peuters voldoende gevarieerd eten, is het niet nodig om bepaalde supplementen te geven. Enkel vitamine D en K vormen hierop een uitzondering en zijn wel noodzakelijke supplementen.
Vitamine K is van belang voor de aanmaak van bepaalde bloedstollingsfactoren. Een tekort aan deze vitamine kan ernstige bloedingen veroorzaken. Iedere pasgeboren baby heeft echter een vitamine K- deficiëntie. Vitamine K passeert immers moeilijk door de placenta. Het lichaam van de mens kan ook zelf vitamine K aanmaken dankzij de darmflora. Aangezien de darminhoud van pasgeborenen nog steriel is, kunnen zij deze vitamine nog niet zelf aanmaken. Daarom is het noodzakelijk om vitamine K toe te dienen aan pasgeborenen.
Vitamine K wordt aan iedere baby toegediend na de geboorte. Indien dit per os gegeven wordt, bedraagt de dosis 2 mg. Indien er geopteerd wordt om vitamine K intramusculair te geven, bedraagt de dosis 1 mg. In uitzonderlijke gevallen, bijvoorbeeld bij een extreem premature baby, wordt er 1 mg intraveneus gegeven. Deze eerste toediening volstaat indien de baby voor meer dan de helft van de voedingen flesvoeding krijgt. Flesvoeding bevat immers voldoende vitamine K. Indien de baby voor meer dan de helft van de voedingen borstvoeding krijgt, dient er nog verder vitamine K gegeven te worden (De Ronne, Alliet & Van Winckel, 2008). Eén week na de geboorte wordt er dan gestart met het toedienen van vitamine K per os. Ouders kunnen opteren voor een wekelijkse toediening van 1mg of een dagelijkse toediening van 25 microgram, allebei per os. Deze suppletie is noodzakelijk tot en met de leeftijd van 3 maanden (De Ronne et al., 2008). Vitamine K is wel aanwezig in borstvoeding, maar niet voldoende. Vandaar de suppletie bij borstgevoede kinderen.
Vitamine D is nodig voor de botstofwisseling en regelt de opname en uitscheiding van calcium en fosfaat (Stegeman, 2007). Een tekort aan deze vitamine kan rachitis met ernstige skeletmisvormingen tot gevolg hebben. Vitamine D kan opgenomen worden via de voeding. Het menselijk lichaam kan deze vitamine echter ook aanmaken onder invloed van direct zonlicht. Deze aanmaak hangt wel af van de graad van blootstelling, de intensiteit van het zonlicht en de pigmentatie van de huid. Zo zal bijvoorbeeld iemand met een donkere huid meer intens zonlicht nodig hebben voor dezelfde vitamine D- aanmaak dan iemand met een lichte huid. Dit verklaart het feit dat rachitis in Westerse landen wel eens voorkomt bij inwijkelingen met een donkere huid. Aangezien het afgeraden is om zeer jonge kinderen aan direct zonlicht bloot te stellen, is extra toediening van vitamine D nodig.

Baby’s die minstens 500 ml flesvoeding drinken, krijgen voldoende vitamine D binnen en dienen hiervan geen extra toediening te krijgen. Met flesvoeding worden hier zowel eerste-, tweede- en derde leeftijdsmelken bedoeld. In borstvoeding zit er echter een laag en wisselend vitamine D- gehalte. Baby’s die uitsluitend of overwegend borstvoeding krijgen, moeten dus wel extra vitamine D krijgen. Ook voor baby’s en peuters die, in combinatie met vaste voeding, minder dan 500 ml flesvoeding per dag drinken, wordt dit aangeraden (De Ronne, 2008). Wanneer vanaf de leeftijd van 1 jaar gestart wordt met koemelk, dient er tevens extra vitamine D gegeven te worden. Ook baby’s van veganistische of macrobiotische ouders dienen vitamine D- suppletie te krijgen. Met deze suppletie wordt best tijdens de eerste 2 levensmaanden gestart. Tot welke leeftijd deze gegeven moet worden en hoeveel hangt af van de huidskleur van het kind.


Om bovenstaande aanbevelingen overzichtelijk te maken, staan ze hieronder in een schema.




borstvoeding

> 500 ml flesvoeding

< 500 ml flesvoeding

Volle koemelk (boven 12 maanden)

Veganisme/ macrobiotiek

Blanke huid

400 IE vit. D tot 2 jaar

Geen suppletie

400 IE vit. D tot 2 jaar

400 IE vit. D tot 2 jaar

400 IE vit. D tot 2 jaar

Donkere huid

600 IE vit. D tot 5 jaar

600 IE vit. D tot 5 jaar

600 IE vit. D tot 5 jaar

600 IE vit. D tot 5 jaar

600 IE vit. D tot 5 jaar

Tabel 1.5: aanbeveling suppletie vitamine D
Bovenstaande tabel geeft de aanbeveling van vitamine D per dag weer volgens dokter De Ronne, medisch kwaliteitscoördinator bij Kind & Gezin. IE staat voor Internationale Eenheden, dat afhankelijk van het merk van het product, om te zetten is in een aantal druppels. Zo zijn 400 IE bij het merk Davitamon® gelijk aan 5 druppels en bij het merk Dedrogyl® zijn dit maar 2 druppels. Ook in deze tabel worden zowel eerste-, tweede- als derdeleeftijdsmelken onder flesvoeding verstaan.
Kind & Gezin gebruikt deze tabel om advies te geven aan ouders. Toch wijken de regioverpleegkundigen hier af en toe van af. In de stadsregio raden ze aan de meeste ouders sowieso vitamine D –suppletie aan, ook bij flesvoeding. Dit omdat kinderen van de stadsregio minder buiten komen en vaak ook minder gevarieerde voeding krijgen. Ook zijn er in die regio veel kinderen van een andere origine aanwezig, al dan niet met een getinte huidskleur. Voor vele van deze ouders is het moeilijk om de adviezen van de regioverpleegkundigen te verstaan. Vaak begrijpen zij het niet dat ze eerst vitamine D moeten geven, nadien bij overschakeling naar flesvoeding niet meer, en dan uiteindelijk terug bij het geven van koemelk. Daarom wordt er soms aangeraden om gewoon vitamine D door te geven. In de meer landelijke regio’s houden de regioverpleegkundigen zich meer aan deze tabel.

1.6 Voedselweigering bij peuters
1.6.1 ‘Lastige eters’
Zoals reeds vermeld, neemt de eetlust vanaf de leeftijd van 12 maanden af. Dit is normaal als je bedenkt dat een kind het snelst groeit en aankomt in gewicht tijdens het eerste levensjaar.

Daarna vertraagt dit wat en heeft de peuter dus minder energie nodig. Toch maken ouders zich vaak snel ongerust als hun kind een periode eens wat minder eet. Zo’n bezorgde ouders proberen veel zaken uit om hun peuter toch te laten eten, van spelletjes tot beloningen. Wanneer ook deze niet blijken te helpen, worden ouders al eens boos. Beloningen worden afgenomen of er wordt zelfs straf uitgedeeld. Maar een peuter forceren tot eten lukt niet. Erger nog, als het eetgebeuren zo’n dagelijkse strijd wordt, krijgt de peuter al op voorhand een slecht gevoel. Nog voordat hij aan tafel moet, is hij al bang voor wat er weer gaat komen. Vanzelfsprekend is dit niet bevorderlijk voor de eetlust (Gezinsbond, 2009). Onder paragraaf 1.6.2.3 staat er informatie over hoe ouders het eetgebeuren best aanpakken.


Natuurlijk zijn sommige peuters ook gewoon eens koppig en weigeren ze te eten. Deze koppigheid heeft dan niets te maken met het gedrag van de ouder(s).

De weigering om te eten kan bijvoorbeeld het teken zijn dat de peuter zelf wil scheppen en de lepel vasthouden. Laat de peuter dit dan ook doen, ook al gaat het gepaard met veel gemors. De peuter moet dit immers leren en oefening baart kunst. Er hoeft echter niet altijd een reden te zijn voor voedselweigering. Soms wil de peuter gewoon zijn ‘macht’ tonen door niet te eten, is hij gewoon even ‘lastig’ of ziek. Het best besteedt de ouder hier niet te veel aandacht aan en neemt het bord na een kwartiertje weg (Gezinsbond, 2009). Wanneer het tijd is voor de volgende maaltijd zal de peuter wel honger hebben. Belangrijk is wel dat de ouders hem tussendoor niet ‘belonen’ met allerlei lekkers. De peuter moet immers aan tafel leren eten op min of meer vaste tijdstippen.

1.6.2 Triple P
1.6.2.1 Wat
Triple P staat voor Positive Parenting Program en is ontstaan in Australië. Vertaald wil dit positief pedagogisch programma zeggen. De nadruk ligt hierbij op positief opvoeden. Dit laatste is gebaseerd op goede communicatie en positieve aandacht. De grondlegger van Triple P is Matt Sanders, professor in de klinische psychologie en directeur van het Parenting and Family Support Centre aan de universiteit van Queensland. Hij ontdekte dat veel ouders hun kinderen opvoeden zonder beroep te kunnen doen op informatie hierover. Samen met zijn collega’s is hij op zoek gegaan naar een gepast opvoedingsprogramma. In 1992 ontstond hieruit Triple P (Triple P, 2009).
Het Triple P-programma probeert ouders een houvast te geven en uit te leggen waarom kinderen op een bepaalde manier reageren. Het probeert een positieve band tussen ouder en kind te scheppen. Bovendien wil het ouders aanleren hoe ze gewenst gedrag kunnen stimuleren en ongewenst gedrag kunnen aanpakken. De strategieën die Triple P hiervoor gebruikt, zijn allen wetenschappelijk onderzocht. Dagelijks proberen wetenschappers over heel de wereld het programma nog te verbeteren. In provincie Antwerpen verrichten professor dokter Dirk Deboutte en Inge Glazemakers van de universiteit van Antwerpen onderzoek naar de effecten van Triple P. De Wereldgezondheidsorganisatie (WHO) beveelt Triple P zelfs aan. Onlangs stond in de krant dat ook de provincie Antwerpen het Triple P programma aanbeveelt en er zelfs in investeert. De provincie zorgde er zo bijvoorbeeld voor dat 425 professionelen uit de welzijnssector een Triple P opleiding konden volgen. In bijlage 3 staat het volledige artikel.

Het Triple P programma steunt op 5 principes (Triple P, 2009):


1) Kinderen hebben een veilige en stimulerende omgeving nodig.

Wanneer kinderen goed kunnen spelen, is er minder kans dat ze negatief gedrag gaan ontwikkelen. Als ze bovendien in een veilige omgeving kunnen spelen, hoef je als ouder minder te verbieden. Ouders hoeven dan niet steeds te zeggen ‘pas op voor ...’ of ‘daar niet aankomen’.


2) Kinderen leren het meest door positieve aandacht en steun.

Steun, aanmoedigingen, complimenten en allerlei positieve aandacht stimuleren het kind tot het leren van nieuwe dingen en helpt het zich te ontwikkelen. Ouders moeten tijd maken voor hun kinderen. Als het kind iets vraagt, dient de ouder te stoppen met zijn bezigheid en aandachtig te luisteren. Verder is het ook goed om als ouder het kind eerst zelf te laten zoeken naar het antwoord op zijn vragen. Tenslotte leer je het kind best nieuwe handelingen aan door deze eerst uit te leggen, voor te doen en vervolgens het kind zelf te laten oefenen.


3) Ouders reageren snel, consequent en beslist op ongewenst gedrag van hun kind.

Wanneer een kind ongewenst gedrag stelt, is het belangrijk dat ouders hierop duidelijke instructies geven en snel, consequent en kalm reageren. Ook moeten ouders hun kind aanleren hoe het zich wel goed kan gedragen. Het is immers belangrijk dat een kind goed weet hoe het wel moet en wat de verwachtingen van zijn ouders zijn. Straffen en roepen op het kind helpen niet op termijn. Als het kind ongewenst gedrag stelt, is het beter om de activiteit te stoppen en het kind apart te zetten. Bij het Triple P programma wordt dit ook wel ‘time-out’ genoemd.


4) Koester realistische verwachtingen. Ideale kinderen bestaan niet, ideale ouders evenmin.

Ieder kind is uniek en ontwikkelt op zijn manier. Elk kind maakt ook fouten. Dit geldt evenzeer voor ouders. Het is belangrijk dat ouders zich daarvan bewust zijn. Perfect zijn is onmogelijk. Bij ouders die dit niet beseffen, kan dit leiden tot frustraties.


5) Zorg goed voor jezelf als ouder.

Ouders dienen zich niet weg te cijferen voor hun kind. Ze mogen zeker eens tijd maken voor zichzelf en eens iets leuk doen zonder de kinderen. Ouders hoeven zich hiervoor geen schuldgevoel aan te praten. Indien ouders zich goed voelen, hebben ze ook meer energie voor hun kinderen.



1.6.2.2 Waar
Triple P medewerkers werken bij verschillende instellingen, zijn huisarts of privé-therapeut. Voorbeelden van instellingen waar Triple P medewerkers werken zijn Kind & Gezin, CLB, CAW en opvoedingswinkels. Bij Kind & Gezin zijn het voornamelijk de sociaal verpleegkundigen die deze extra opleiding tot Triple P medewerker gevolgd hebben. Een up-to-date lijst met contactgegevens van deze medewerkers staat op de site (www.triplep.be). Bij deze medewerkers kunnen ouders voor meer dan enkel advies terecht. Hieronder worden de verschillende mogelijkheden weergegeven.

a) Lezingen


Ouders, grootouders of opvoeders die meer willen weten over positief opvoeden, kunnen de Triple P lezingen volgen. Een lezing bestaat uit 3 sessies van elk ongeveer 2 uur. Een medewerker van Triple P vertelt hierin over de opvoeding en ontwikkeling van het kind. Tijdens elke sessie wordt een bepaald thema besproken. In sessie 1 is dit ‘de kracht van positief opvoeden’, in sessie 2 ‘opvoeden tot zelfzekere, bekwame kinderen’ en in sessie 3 ‘veerkracht bij kinderen bevorderen’. Tijdens de sessie kunnen er vragen gesteld worden. Na de sessie krijgen de aanwezigen een informatieblad mee met de besproken thema’s. Er zijn meer dan 45 informatiebladen beschikbaar. Deze Triple P informatiebladen bevatten informatie over 1 specifiek thema, bijvoorbeeld ‘problemen bij het eten (kleuters)’. Hierop staat dan uitgelegd wat vaak voorkomende problemen zijn bij het eten en hoe je deze kan voorkomen.

b) Info en tips over opvoedingsvragen
Ouders die specifieke vragen hebben met betrekking tot de opvoeding van hun kind, kunnen bij een Triple P medewerker terecht voor een antwoord hierop. Zo kan de medewerker bijvoorbeeld helpen bij vragen rond zindelijkheidstraining. Tijdens een kort gesprek worden de ouders dan verder geholpen en krijgen ze tips en advies. Bovendien krijgen ze ook een informatieblad over het thema waarover hun vraag handelt, indien dit bestaat. Tevens wordt de algemene brochure over positief opvoeden meegegeven zodat ouders over deze opvoedingsstrategie meer kunnen lezen.

c) Persoonlijk advies voor opvoedingsproblemen
Indien ouders zich zorgen maken over een bepaald gedrag van hun kind, bijvoorbeeld driftbuien of ongehoorzaamheid, kunnen ze beroep doen op persoonlijk advies van een Triple P medewerker. Het persoonlijk advies bestaat uit maximaal 4 gesprekken van zo’n 30 à 45 minuten. De medewerker zal hierbij dieper ingaan op het probleemgedrag van het kind en ouders aanleren hoe ze er best mee omgaan. Ook zal de ouders aangeleerd worden hoe ze de ontwikkeling van hun kind het best kunnen stimuleren. Tenslotte worden er enkele vaardigheden geoefend en een dvd met reële situaties bekeken. Op het einde krijgen de ouders ook hier weer een brochure over positief opvoeden mee en een informatieblad over het probleemgedrag van hun kind. Tevens krijgen de ouders soms werkbladen mee naar huis. Deze handelen meestal over het probleemgedrag en moeten worden ingevuld door de ouders. Zo krijgt de Triple P medewerker een beter zicht op het gedrag en de thuissituatie.

d) Groepsprogramma
Wanneer ouders problemen ondervinden bij de opvoeding van hun kind en soms het gevoel hebben er alleen voor te staan, kunnen ze beroep doen op het groepsprogramma van Triple P. Dit bestaat uit 5 sessies en 3 persoonlijke telefoongesprekken met een medewerker.

Tijdens de eerste vier sessies in groep komen volgende thema’s aan bod; positief opvoeden, gewenst gedrag aanmoedigen, grenzen stellen en met stressvolle situaties omgaan. De groepen bestaan uit 10 à 12 personen en zijn dus klein. De telefoongesprekken geven ouders de kans om hun persoonlijke zorgen en situatie met de medewerker te bespreken. Tijdens de vijfde en laatste sessie krijgen de ouders de kans om in groep te overlopen wat ze geleerd hebben. Op het einde van het groepsprogramma krijgen de ouders een werkboek mee waarin alle informatie van de sessies staat met oefeningen. Het positieve van deze groepsprogramma’s is dat ouders hun ervaringen met elkaar kunnen delen.



e) Intensieve persoonlijke begeleiding
Als ouders zich ernstig zorgen maken over het gedrag en de ontwikkeling van hun kind, is dit misschien de beste oplossing voor hen. Bij deze begeleiding krijgen ouders persoonlijk advies en training in 10 gesprekken. De medewerker van Triple P zal tijdens deze gesprekken trachten de ouders zicht te doen krijgen op het gedrag van hun kind en hun reactie hierop. Samen met de ouders wordt er een plan van aanpak opgesteld. Ouders krijgen ook een werkboek met informatie en oefeningen. Een deel van deze begeleiding bestaat ook uit oefensessies in de thuissituatie. De medewerker kan dan concrete tips en adviezen geven aan de ouders.

1.6.2.3 Triple P bij ‘lastige eters’
Bij ‘lastige eters’ wordt het Triple P programma soms ook gebruikt. Er bestaat zowel een informatieblad voor peuters als kleuters dat handelt over het eetgebeuren. Bij kleuters is de titel ‘problemen bij het eten’ en bij peuters ‘alleen leren eten’. Hieronder wordt er verder ingegaan op de manier hoe Triple P het eetgebeuren bij peuters aanpakt.
Het informatieblad voor peuters is er voornamelijk op gericht om de peuter alleen te leren eten. Eerst leert een kind met zijn vingers eten en rond de leeftijd van 12 maanden kan het een lepel vasthouden. Het gebruik daarvan leren ze tussen 1 en 2 jaar. Peuters moeten voldoende gevarieerd eten, toch kunnen ze moeilijk zijn en steeds 1 favoriet gerecht eisen. Een ouder mag hier zeker niet op in gaan. Indien de ouder gewoon gevarieerde voeding blijft aanbieden, zal de peuter hier na een tijd mee ophouden. Na deze korte inleiding volgen er tips voor het maaltijdgebeuren van een peuter. Deze worden hieronder kort besproken.
Hoe moet de ouder zich voorbereiden op de maaltijden? Er zijn hierbij verschillende aandachtspunten. Ten eerste is het belangrijk om op regelmatige tijdstippen te eten. De ouders kunnen hiervoor bijvoorbeeld een maaltijdschema opstellen. Het ideale scenario is 3 maaltijden en 2 tussendoortjes per dag, telkens op min of meer vaste tijdstippen. H apjes en drank voor de maaltijd moeten vermeden worden, anders is de kans groot dat de peuter niet (veel) zal eten. Het best bepalen ouders ook een vaste duur voor een maaltijd, zo’n 20 à 30 minuten zijn voldoende voor een peuter om te eten.
Vervolgens wordt ook best met het hele gezin samen gegeten. Peuters leren immers veel door naar anderen te kijken. In het begin zal het nog moeilijk zijn voor de peuter om zelf met de lepel te eten.

Dit gaat meestal gepaard met morsen, wat normaal is. Het is vaak voor ouders moeilijk om kalm te blijven. Belangrijk is toch te proberen niet boos te worden, tenminste als de peuter niet met opzet morst. De peuter kan alleen maar leren eten door veel te oefenen en fouten maken hoort daar bij.


Verder is het aangeraden om alles wat ouders aan tafel nodig denken te hebben, klaar te zetten voordat de peuter aan tafel wordt gezet. Zo hoeft hij niet te wachten en is er minder kans op gemopper. De peuter zit zelf, indien mogelijk, in een kinderstoel of op een stoelverhoger. Het materiaal dat hij mag gebruiken, is best onbreekbaar.
Tenslotte is het beter om de peuter kleine porties voor te schotelen dan grote die hij nooit opkrijgt. Indien de peuter niet genoeg heeft met de kleine portie, kan hij nog steeds bijvragen. De introductie van nieuwe voedingsmiddelen dient geleidelijk aan te gebeuren. Er moet met een kleine hoeveelheid gestart worden, best in combinatie met gekende voeding. Ouders vertellen hun kind wat het nieuwe voedingsmiddel is en geven de peuter een compliment als hij ervan proeft. Indien de peuter het niet lust, dienen de ouders hier niet verder op in te gaan. Na een tijdje kunnen ze het voedingsmiddel opnieuw aanbieden.
Niet enkel een goede voorbereiding is van belang. Ook het alleen leren eten is een belangrijk aspect. Hoe kunnen ouders dit stimuleren bij hun peuter? Ook hierover worden enkele adviezen gegeven. De eerste daarvan is de peuter vingervoedsel geven. De peuter kan immers best eerst met de vingers leren eten en dan overschakelen naar eten met de lepel. Voedsel dat goed vastgenomen kan worden met de vingers is bijvoorbeeld een stukje brood of fruit. Peuters knabbelen graag aan vingervoedsel en zo leren ze alleen te eten. Wanneer de peuter met de vingers kan eten, kan er overgeschakeld worden op eten met een lepel. In het begin zal het nog heel moeilijk zijn om met de lepel te eten. Ouders dienen hun kind dan ook complimenten te geven wanneer het moeite doet om voeding op te lepelen en met de lepel naar zijn mondje te brengen. Ook zal hulp in het begin wel nodig zijn. Naarmate de peuter het zelf beter kan, wordt deze hulp uiteraard afgebouwd, anders kan de peuter het nooit leren. De peuter zal uiteindelijk een betere controle hebben over zijn maaltijd.
Tenslotte wordt er ook nog de stimulatie van gewenst gedrag en het negeren van ongewenst gedrag besproken. Wanneer de peuter flink in zijn stoel zit, nieuw voedsel proeft of zijn best doet de lepel te gebruiken, dient dit gestimuleerd te worden. Alle gedrag dat gewenst is, mag gestimuleerd worden. Dit stimuleren kan men door de peuter te belonen voor het stellen van dat bepaald gedrag. Het belonen stimuleert de peuter om dit gedrag opnieuw te stellen. Natuurlijk hoeven ouders geen cadeaus te kopen voor ieder gewenst gedrag dat de peuter stelt. Onder belonen wordt immers ook een knuffel, een positieve opmerking, een lach, enzovoort verstaan. Wanneer de peuter echter ongewenst gedrag, of zelfs probleemgedrag stelt, dienen er gepaste maatregelen getroffen te worden. Voorbeelden van ongewenst gedrag zijn het opzettelijk gooien met voedsel, opzettelijk uitspuwen van voedsel en het weigeren te eten, zoals in paragraaf 1.6.1 beschreven staat. Indien de peuter zulk gedrag stelt, mogen de ouders zeker niet beginnen te lachen. Dit moedigt het gedrag enkel aan. Volgens Triple P (2009) mogen de ouders zeker geen extra aandacht geven als de peuter zo’n gedrag stelt. Kwaad worden op de peuter geeft hem ook extra aandacht en is dus niet goed.

Beter is de peuter gewoon te negeren en wanneer het gedrag echt erg is, ook het eten even weg te nemen. Indien de peuter terug rustig is, dienen de ouders hun kind terug aan te kijken en kunnen ze het eten weer terug zetten. Als het kind dan terug flink eet, mag hij beloond worden. Indien de peuter nog niet flink wil eten, mag hij zeker niet gedwongen worden. Zoals reeds eerder vermeld, werkt dit enkel probleemgedrag in de hand. De peuter gaat eten dan immers meer als een straf bekijken of bang zijn voor wat er gaat komen. Wanneer de vooraf bepaalde tijdsduur voor de maaltijd verstreken is, nemen de ouders het bord gewoon weg. Belangrijk is wel dat het kind dan pas terug eten krijgt bij de volgende geplande maaltijd.



1.7 Onderzoek voedingssituatie baby’s en peuters
Begin 2002 voerde Lenaers, Goffin, Alliët, Raes en Vinck vanuit SEIN, het onderzoeksinstituut van de universiteit van Hasselt, een onderzoek uit naar de voedingssituatie van jonge kinderen in Vlaanderen. De opdrachtgever was Kind & Gezin. Het onderzoek bestond uit twee luiken: een kwalitatief en een kwantitatief luik. In dit eerste luik werd onderzocht welke factoren het starten, volhouden en stoppen met borstvoeding beïnvloeden. In het kwantitatieve deel van het onderzoek werd de voedingssituatie van jonge kinderen in zijn geheel onderzocht.
Uit dit onderzoek (Lenaers et al., 2002) blijkt dat voedingssituatie van kinderen in Vlaanderen goed is. Veel ouders zijn op de hoogte van wat goede voeding is voor hun kind en van de richtlijnen ervan. Ze passen deze kennis ook toe. Natuurlijk wil dit niet zeggen dat er niet meer gewerkt hoeft te worden aan een goed voedingsbeleid voor baby’s en peuters. Dit blijft noodzakelijk om deze goede resultaten te behouden. Bovendien kwamen er toch enkele zaken in het onderzoek naar voren die nog konden verbeterd worden. De belangrijkste punten hiervan worden hieronder toegelicht.
Hetgeen waar het meest aan gewerkt moet worden, is het aantal starters met borstvoeding vergroten. Ongeveer 60% van de baby’s krijgt na de geboorte borstvoeding. In 2008 was dit volgens het jaarrapport van Kind & Gezin 65 %. Dit is weinig en hier moet aan gewerkt worden, onder andere door middel van een mentaliteitswijziging.
Een tweede punt waar nog aan gewerkt moet worden is de duur van de borstvoedingsperiode verlengen. Slechts 16 % van de kinderen krijgt volgens dit onderzoek nog borstvoeding op 6 maanden. Dit is bijzonder weinig! Een kleine minderheid van de kinderen krijgt dus borstvoeding zoals aanbevolen door de WHO.
Verder kan er ook nog een verbetering optreden bij de suppletie voor baby’s. Ook hier worden nog fouten gemaakt door ouders, zowel bij de vitamine D als de vitamine K suppletie.
Vervolgens zijn er ook nog wat knelpunten in verband met de vaste voeding. 28% van de ouders start hier vroeger mee dan op 4 maanden. Dit is niet goed voor de baby en moet dus afgeraden worden. Bij het maken van de groentepap wordt door 29 % van de ouders geen vetstof toegevoegd, terwijl de baby deze vetten nodig heeft. Verder weten veel ouders niet tot welke leeftijd gluten af te raden zijn.

Tenslotte geven ouders nog vaak yoghurt of platte kaas aan kinderen onder 12 maanden. Ook dit is niet zo goed want het kan op lange termijn leiden tot zwaarlijvigheid en kan de nieren van het kind overbelasten (De Norre, 2009).


Er zijn ook nog wat werkpunten in verband met de melkvoeding. Sommige ouders schakelen bij de minste problemen over op een andere soort flesvoeding. Toch zijn problemen niet altijd toe te schrijven aan de flesvoeding. Te veel van flesvoeding veranderen wordt afgeraden. Op de leeftijd van 1 jaar krijgen 10% van de kinderen geen volle melk, naarmate de leeftijd stijgt, stijgt dit aantal ook. Veel ouders geven hun kind halfvolle melk, terwijl dit op deze leeftijd niet aangeraden is.
Tenslotte zijn er nog 2 werkpunten om een gezonde eetcultuur te bevorderen. 10% van de kinderen in Vlaanderen gaat slapen met een papfles. Dit is absoluut niet goed voor de tanden en moet dus vermeden worden. Verder komt in het onderzoek naar voren dat tussen de leeftijd van 1 en 2 jaar een introductie van zoetmiddelen in dranken en tussendoortjes plaatsvindt. Dit is vanzelfsprekend niet zo gezond en moet beperkt blijven.



1   2   3   4   5   6


De database wordt beschermd door het auteursrecht ©opleid.info 2019
stuur bericht

    Hoofdpagina