Een gezonde start Promotie van gezonde voeding voor baby’s en peuters van 0 tot 2 jaar



Dovnload 432.97 Kb.
Pagina4/6
Datum07.10.2016
Grootte432.97 Kb.
1   2   3   4   5   6

1.8 Vraagstelling
Uit bovenstaande cijfers blijkt dat de voedingssituatie van de kinderen in Vlaanderen goed is, maar dat er toch nog wat werkpunten zijn. Zeker met betrekking tot borstvoeding is er nog veel werk. Slechts een minderheid van de kinderen krijgt borstvoeding zoals aanbevolen door de WHO. Dan stel ik mij volgende vragen; ‘Welke factoren leiden tot het al dan niet geven van borstvoeding en de duur ervan?’ en ‘Hoe kunnen we aan de hand van deze factoren borstvoeding promoten?’

Is het met andere woorden niet mogelijk om het aantal uitsluitend borstgevoede baby’s tot 6 maanden te vergroten en hoe pak je dit aan?


Verder vraag ik mij ook af hoe we aan de andere knelpunten kunnen werken en hoe we deze toch al vrij goede voedingssituatie kunnen behouden. Zo kom ik tot een derde vraag: ‘Hoe kunnen we de goede voedingssituatie van baby’s en peuters behouden en eventueel nog verbeteren?’ Deze vraag heeft natuurlijk ook betrekking op het promoten van borstvoeding. Omdat borstvoeding echter nog de meeste aandacht vraagt, heb ik ervoor gekozen om dit nog extra te benadrukken door twee aparte vraagstellingen daaromtrent.


Voedingssituatie baby’s en peuters in Vlaanderen: Werkpunten!


Promotie gezonde voeding voor baby’s en peuters Verbeterde voedingssituatie




Beïnvloedende factoren (persoon, omgeving, maatschappij) + gezondheidspromotie


Figuur 1.8: Conceptueel model: Verbetering voedingssituatie baby’s en peuters in Vlaanderen



2 Methodologie
Om een antwoord te vinden op de bovenstaande vragen ben ik eerst op zoek gegaan naar wetenschappelijke artikel in de bibliotheek van de KHK in Lier via het BIDOC-systeem en via Pubmed. Eerst heb ik gezocht naar artikels die mij konden helpen de vragen rond borstvoeding te beantwoorden. Ik gaf op het BIDOC-systeem in de bibliotheek de trefwoorden ‘borstvoeding’ en ‘GVO’ in. Hierbij kreeg ik 52 artikels als resultaat. De artikels van voor 2000 heb ik geschrapt omdat ik op zoek was naar recentere artikels. Daarna heb ik op basis van titel enkele artikels opgezocht. Degene die mij relevant en bruikbaar leken, na oriënterend lezen, kopieerde ik.
Met dezelfde trefwoorden ben ik ook op zoek gegaan naar boeken. Dit leverde me één goed boek op over een vrij recent onderzoek in Vlaanderen omtrent borstvoeding.
Ook heb ik nog gezocht op Pubmed. Hierbij gaf ik de trefwoorden ‘breastfeeding’ en ‘promotion’ in. Bovendien duidde ik ook ‘free full text’ aan en gaf ik een datum van publicatie in, van 01-01-2001 tot heden. Vervolgens heb ik ook Engels en Nederlands als talen aangeduid. Op basis van titel of samenvatting selecteerde ik enkele artikels. Dit waren enkel de artikels die een onderzoek in een Westers land beschreven. Onderzoeken uitgevoerd in landen als Ghana of Brazilië vond ik immers niet relevant voor dit project. Dit leverde me nog 3 goede artikels op.
Om de derde vraag met betrekking tot de andere knelpunten te kunnen beantwoorden ben ik ook op zoek gegaan via het BIDOC-systeem. Ik gaf hierbij de de trefwoorden kindervoeding in en nadien ook babyvoeding. Dit leverde me verschillende artikels en ook enkele boeken op. Toch vond ik weinig artikels in verband promotie van gezonde voeding voor baby’s en peuters. Daarom ben ik ook in sommige tijdschriften gaan bladeren (browsing). Dit leverde me nog 3 bruikbare artikels op. Tevens heb ik de sneeuwbalmethode toegepast en ben ik gaan zoeken naar artikels die in de literatuurlijst van relevante artikels stonden. Dit leverde me nog enkele artikels op.
Aangezien ik ook wat rond gezondheidspromotie wilde werken, ben ik nog op zoek gegaan naar boeken hierover. Hiervoor gaf ik het trefwoord GVO in en kon ik toch enkele interessante boeken vinden. Voor dit onderwerp ben ik ook op Pubmed gaan zoeken. Ik gaf de trefwoorden ‘education’, ‘nutrition’ en ‘children’ in, maar vond jammer genoeg geen bruikbaar artikel.
Tenslotte heb ik ook gezocht in de bibliotheek van Kind & Gezin. Hier heb ik een interessant onderzoek gevonden en een goed boek rond gezondheidsvoorlichting.


3 Resultaten
3.1 Gezondheidspromotie
3.1.1 Wat
Gezondheidspromotie is formeel ontstaan in 1986 door de publicatie van het Ottowa Charter for Health Promotion door de WHO. In dit charter wordt gezondheidspromotie gedefinieerd als ‘het proces waardoor individuen en gemeenschappen in staat worden gesteld om meer controle te verwerven over de determinanten van hun gezondheid en om deze zo te verbeteren’. Gezondheid duidt daarbij niet enkel op de afwezigheid van een ziekte, maar moet gezien worden als een toestand van volledig fysiek, sociaal en psychisch welbevinden. Gezondheidspromotie is volgens dit charter een emancipatorisch proces. Mensen moeten zelf meer controle kunnen verwerven over hun gezondheid. Hiervoor moeten de nodige voorwaarden gecreëerd worden, deze komen wat verder aan bod als de strategieën van gezondheidspromotie. (Scheerder, Van den Broucke & Saan, 2003).
Vroeger werd er van gezondheidsvoorlichting en -opvoeding (GVO) gesproken in plaats van over gezondheidsbevordering of – promotie. Er werd vroeger immers gedacht dat het geven van informatie of voorlichting voldoende was om gedrag te veranderen (Vanhauwaert, Buytaert, Moens & Wouters, 2007). Dit bleek echter niet zo te zijn. Ook omgevingsveranderingen en beleidsmaatregelen zijn van belang wil men tot gedragsverandering komen. Bovendien gebruikt gezondheidspromotie een ruimere wetenschappelijke basis dan GVO en heeft het veel meer aangrijpingspunten.
Om een duidelijk overzicht te scheppen tussen GVO en gezondheidspromotie, worden de 2 begrippen hieronder in een tabel weergegeven (Scheerder et al., 2003).





GVO

Gezondheidspromotie

Aangrijpingspunten

Leefstijl

Leefstijl, omgeving en gezondheidszorgsysteem

Methoden

Voorlichting en opvoeding

GVO, structurele en beleidsmatige interventies

Wetenschappelijke basis

Gedragswetenschappen

Gedragswetenschappen, sociologie, economie, politieke wetenschappen

Doelen

Gedragsverandering (gezonde keuze maken)

Gedrags- en structurele verandering (maken dat gezonde keuzes voor de hand liggen)

Actoren

Paramedici

Paramedici, organisatiedeskundigen en beleidsmakers

Tabel 3.1.1: Verschil GVO en gezondheidspromotie (naar Scheerder et al., 2003)
Gezondheidspromotie maakt gebruik van 3 strategieën, ook wel de 3 V’s genoemd, om mensen aan te zetten tot gezond gedrag (Vanhauwaert et al., 2007) . Deze 3 strategieën zijn voorlichting, voorschriften en voorzieningen. Hieronder worden ze kort toegelicht.
3.1.1.1 Voorlichting
Voorlichting geven is eigenlijk hetzelfde als informatie of instructies geven. Bij gezondheidspromotie handelt dit over een gezondheidsthema, bijvoorbeeld gezonde voeding. Voorlichting mag in ruime zin bekeken worden, zowel het individu als zijn omgeving kunnen worden aangespoord tot het maken van gezonde keuzes. Het belangrijkste doel van voorlichting is mensen kennis en vaardigheden bijbrengen, zodat ze bewuster voor een gezond gedrag kunnen kiezen. Bovendien probeert voorlichting mensen ook kritischer te maken ten opzichte van ongezond gedrag.
Er zijn verschillende methoden van voorlichting (Scheerder et al., 2003). De eerste is het gebruik van massamediale communicatie. Hierbij wordt een doelpubliek geïnformeerd over een aspect van gezondheid of ongezondheid. De meest gebruikte media hiervoor zijn radio, tv, krant, tijdschrift en internet. Deze methode is zinvol wanneer men de aandacht van een vrij groot publiek wil vestigen op een bepaald thema. Ook de volgende methode is gericht op een vrij ruim publiek, namelijk het gebruik van educatief materiaal. Door middel van folders, brochures en posters kan het publiek ook ingelicht worden over een bepaald gezondheidsthema. De laatste methode is meer persoonlijk. Indien er bijvoorbeeld mondeling toelichting wordt gegeven bij een folder wordt er gesproken van de interpersoonlijke communicatie. Hierbij is er rechtstreeks contact tussen de voorlichter en zijn publiek, dit kan een individu zijn, maar ook een groep. Met behulp van deze methode kunnen houdingen beïnvloed worden, vaardigheden aangeleerd worden en kan er informatieoverdracht plaatsvinden. Indien er gebruik gemaakt wordt van verschillende methoden, heeft de voorlichting meer impact. Zo kan een huisarts bijvoorbeeld een patiënt voorlichting geven over gezonde voeding. Dezelfde patiënt kan wat later een tv-spotje zien waarin men het heeft over het belang van gezonde voeding. Zo komt deze patiënt via 2 kanalen in contact met voorlichting.

3.1.1.2 Voorschriften
Voorschriften hebben meer te maken met het creëren van regels. Zo kunnen er wetten of regels vastgelegd worden die gezond gedrag en een gezonde omgeving in de hand werken. Niet enkel bij wet vastgelegde regels vallen hier echter onder, ook bepaalde regels die een school of een bedrijf handhaaft om een gezonde omgeving te creëren, horen hierbij. Zo kan een school bijvoorbeeld alle frisdranken verbieden. Er wordt dus via het beleid getracht om gezondheid te bevorderen. Dit doet men ofwel door de mogelijkheden voor gezond gedrag of een gezonde omgeving te vergroten, ofwel door de mogelijkheden voor ongezond gedrag of een ongezonde omgeving te verkleinen (Scheerder et al., 2003). Een voorbeeld van dit eerste is de mogelijkheid geven aan iedere moeder om tot minstens 6 maanden na de geboorte van haar kind thuis te kunnen blijven, zodat ze tot die leeftijd borstvoeding kan geven. De mogelijkheid voor ongezond gedrag of een ongezonde omgeving te verkleinen is bijvoorbeeld een verbod op roken in alle eetgelegenheden.

3.1.1.3 Voorzieningen
Voorzieningen moeten mensen helpen om gezonde keuzes te maken en ontmoedigen om ongezonde keuzes te maken.

Onder voorzieningen kunnen verschillende zaken verstaan worden, onder andere infrastructuurveranderingen en aanbod van producten of diensten. Een voorbeeld hiervan is een speciale ruimte maken in een winkelcentrum waar vrouwen hun baby rustig borstvoeding kunnen geven. Ook de organisaties zoals La Leche League die vrouwen begeleiden en helpen bij het geven van borstvoeding, zijn hiervan een voorbeeld.


Het is beter om gezond gedrag te stimuleren dan om ongezond gedrag te ontmoedigen. Iets aanprijzen is immers positiever dan iets verbieden. Door het vergemakkelijken van gezonde keuzes worden zelfs alternatieven voor ongezonde keuzes aangeboden. Een mooi voorbeeld hiervan is fruit aanbieden in scholen of bedrijven en niet enkel snoep of koeken.

3.1.2 Principes van gezondheidspromotie


Gezondheidspromotie hanteert 5 principes of waarden die in elke campagne of actie aan bod moeten komen (Scheerder et al., 2003). Deze zijn: gerichtheid op de populatie als geheel, werken aan de oorzaken en determinanten van gezondheid, combineren van complementaire methoden en benaderingen, aansturen op effectieve participatie van de bevolking en nastreven van een gezond overheidsbeleid.
De eerste 3 principes hiervan komen eigenlijk neer op de holistische benadering. Gezondheidspromotie heeft aandacht voor de gezondheid van de gehele populatie en niet enkel voor die van een bepaalde risicogroep. Bovendien moet daarbij gewerkt worden aan alle oorzaken en determinanten (= bepalende factoren) van gezondheid en niet slechts aan enkele ervan. Hiervoor is het nodig dat medewerkers van verschillende disciplines aan acties van gezondheidspromotie meewerken.
De laatste 2 principes benadrukken dat gezondheidspromotie een actieve deelname van de bevolking vereist. Het is niet de bedoeling om diensten te verlenen aan de bevolking maar wel dat er samengewerkt wordt met de bevolking. Mensen moeten zelf proberen te werken aan hun gezondheid. In plaats van gezondheid te verstrekken, moet er een duurzame verandering bekomen worden. Deze verandering zal op termijn tot een betere gezondheid, in de ruime betekenis van het woord, moeten leiden. Hiervoor is het belangrijk dat ook regionale, lokale en nationale overheden meewerken om een gezond beleid uit te stippelen.

3.1.3 Actieterreinen van gezondheidspromotie


Het Ottowa charter vermeldt ook duidelijk de actieterreinen van gezondheidspromotie, dit zijn er 5 (Scheerder et al., 2003). Het eerste actieterrein is het ontwikkelen van persoonlijke kennis, waarden en vaardigheden. Indien we een gezonde levensstijl willen bevorderen bij mensen is het belangrijk dat zij op de hoogte zijn van de oorzaken van gezondheid en de factoren die er een invloed op hebben. Verder dienen ze ook inzicht te hebben in hun mogelijkheden tot een bepaald gedrag en te beschikken over een aantal vaardigheden. Een voorbeeld van zo’n vaardigheid is kunnen sporten/bewegen om een sportieve en dus gezonde levensstijl te bekomen. GVO valt onder dit actieterrein en maakt dus ook deel uit van gezondheidspromotie.

Een volgend actieterrein is het creëren van een ondersteunende omgeving. Zowel de sociale, culturele, economische en ecologische context leveren een bijdrage aan de gezondheid (holistische visie). Bij de inrichting van de woon-, werk- en schoolomgeving moet rekening gehouden worden met de effecten op de gezondheid. Zo moeten mensen met een zittend beroep een aangepaste stoel krijgen. Een ander voorbeeld hiervan is de woonomgeving van bejaarden zodanig inrichten dat het risico op vallen klein is. Bovendien moet de invloed van sociale netwerken op de gezondheid erkend en gestimuleerd worden. Iemand met een groot sociaal netwerk heeft bijvoorbeeld minder kans op een depressie. Lokale en nationale overheden, maar ook producenten van goederen kunnen bij dit actieterrein een grote rol spelen. Zij kunnen immers maatregelen treffen door de keuze voor een gezonde leefstijl makkelijker te maken. Een voorbeeld hiervan is de kostprijs van erg ongezonde goederen verhogen.


Het derde actieterrein is het versterken van gemeenschapsactiviteiten. In de gemeenschap zijn immers hulpbronnen aanwezig die kunnen ingeschakeld worden om mensen leren controle uit te oefenen op hun gezondheid en om deze te verbeteren. Men bedoelt hiermee dat acties voor gezondheidspromotie kunnen aansluiten bij activiteiten in de gemeenschap. Bestaande netwerken of groepen worden dan bij acties betrokken. Een voorbeeld hiervan is de buurtwerking betrekken in een project rond depressie bij sociaal geïsoleerden. Door acties van gezondheidspromotie te doen aansluiten bij gemeenschapsactiviteiten, is er een grotere inzet en betrokkenheid van de bevolking.
Vervolgens is er ook nog het ontwikkelen van een gezond (overheids)beleid als actieterrein. Zo’n beleid kan op nationaal, regionaal en lokaal niveau mee toezien op de gezondheid van de burgers. Het ontwikkelen van een gezond beleid vereist een goede samenwerking van alle sectoren die betrokken zijn bij gezondheid. Verder houdt zo’n gezond beleid ook in dat bij iedere beslissing rekening dient gehouden te worden met de effecten ervan op de gezondheid. Deze effecten dienen dus onderzocht te worden en aan de bewoners meegedeeld te worden.
Het vijfde actieterrein tenslotte gaat over de plaats en de rol van gezondheidszorgvoorzieningen. Gezondheid is absoluut geen exclusieve bevoegdheid van de gezondheidszorg, maar de gezondheidszorgverstrekkers hebben wel een belangrijke taak. Toch moet hun rol herzien worden. In plaats van gewoon louter zorgen te verstrekken, zouden zij ook meer actief moeten worden in het bevorderen van de gezondheid. Verpleegkundigen, artsen, … moeten dus ook aan gezondheidspromotie doen! Hiervoor zullen ze nieuwe vaardigheden moeten aanleren en nog meer moeten samenwerken met andere disciplines.

3.1.4 Methodiek voor gezondheidspromotie


Bij gezondheidspromotie is het belangrijk om doelgericht, planmatig en systematisch te werk te gaan (Brug, Schaalma, Kok, Meertens & Van Der Molen, 2005). Doelgericht houdt in dat de doelen op voorhand goed geformuleerd dienen te worden. Zo kan je bij gezondheidspromotie op voorhand gaan formuleren welke verandering er moet bekomen worden, bij welke groep en welke bepalende factoren van gedrag er daarvoor aangepakt dienen te worden. Het best wordt hierbij gewerkt met tussen- en einddoelen. Het voordeel van zo’n tussendoel is dat de interventie nog kan aangepast worden indien er iets niet goed loopt.

Indien het wel goed verloopt, werken tussendoelen motiverend. Het werken met doelen maakt het gemakkelijker om na de interventie te controleren of het gewenste resultaat bekomen is.


Planmatig te werk gaan wil zeggen dat de interventie stapsgewijs wordt uitgevoerd. Er wordt gewerkt volgens een vooraf opgesteld plan dat aangeeft wat wanneer moet gebeuren en op welke wijze dit dient te gebeuren. Op deze manier wordt een betere controle gehouden op het interventieproces en kan ieder stap goed afgestemd worden op de vooraf opgestelde doelen.
Systematisch tenslotte, wil zeggen dat de verschillende vooropgestelde stappen stap voor stap doorlopen dienen te worden. Er wordt dus niet zomaar in het wilde weg een actie opgestart, zonder vooraf na te denken en zaken te onderzoeken. Vooraleer een actie op te starten voor gezondheidspromotie, moeten er immers voldoende gegevens verzameld worden. Anders bestaat de kans dat er een onbelangrijk probleem wordt aangepakt, dat men zich op de verkeerde factoren richt die niets met het probleem te maken hebben of dat de gekozen interventie niet geschikt is om aan het probleem te werken. Daarom is het belangrijk om een goede analyse te doen, alvorens te starten met een actie of project. Werken met objectieve feiten is van belang om een goede actie op poten te zetten.
Om al de stappen duidelijk te maken, wordt er best gebruik gemaakt van een planningsmodel. In wat volgt wordt er gebruik gemaakt van een planningsmodel gebaseerd op dat van Green en Kreuter, dat uit 5 fasen en een evaluatie bestaat die hieronder verduidelijkt worden (gebaseerd op de cursus gezondheidsvoorlichting van Baldewijns K., 2008).

3.1.4.1 Probleemanalyse
Het heeft niet echt zin om een interventie te ontwikkelen voor een probleem dat onbelangrijk is. Daarom moeten er eerst voldoende objectieve gegevens bekomen worden over het probleem. Zulke gegevens kunnen verkregen worden uit epidemiologisch onderzoek. Dit onderzoek kan gegevens geven over de prevalentie, de incidentie en de verspreiding van het probleem. Bovendien kan er ook een evolutie van het probleem doorheen de tijd vastgesteld worden dankzij epidemiologisch onderzoek. Problemen waarvan de verspreiding, incidentie en prevalentie toeneemt, zijn meer zinvol om een actie rond op te starten dan ‘onbelangrijke’ problemen. Ook is het van belang om de consequenties, zowel sociaal-economisch als psychosociaal, in kaart te brengen. Als deze ernstig zijn, kan een actie opgestart worden.

3.1.4.2 Analyse van gedrag en omgeving
Bij de analyse van gedrag en omgeving wordt gezocht naar de oorzaken van het probleem. Deze worden gezocht in het gedrag, levensstijl en omgevingscondities. Zij kunnen immers allen al dan niet bijdragen tot gezondheid, denk maar aan veel sporten, niet roken, een gezond voedingsbeleid, … Er wordt op zoek gegaan naar een verband tussen het probleem en de beïnvloedende factoren. Indien er een verband gevonden wordt, wordt tevens nagegaan hoe dit eruit ziet en hoe sterk het is.

3.1.4.3 Determinantenanalyse
In de vorige fase zijn de oorzaken van het probleem geïdentificeerd. Hierdoor kan er op zoek gegaan worden naar welke specifieke determinanten van het ongewenst gedrag, dit gedrag uitlokken. Er zijn 2 soorten determinanten, de persoonlijke en de externe. Onder de eerste behoren onder andere kennis, attitude en eigeneffectiviteit van een persoon. Eigen-effectiviteit wil eigenlijk zeggen ‘ziet de persoon zichzelf in staat om een bepaald gedrag te stellen’. De externe determinanten zijn onder andere sociale druk of steun. Er bestaat een model dat deze determinanten van gedrag weergeeft, het ASE-model. ASE staat voor attitude, sociale invloed en eigeneffectiviteit. Dit model verklaart waarom mensen een bepaald gedrag al dan niet stellen. Het wordt in Nederland vaak gebruikt als basis voor gezondheidspromotie.
Attitude Barrières

Externe variabelen Sociale invloed Intentie Gedrag





Eigeneffectiviteit Vaardigheden

Schema 3.1.4.3 ASE-model (Brug et al., 2005)


Om dit schema wat te verduidelijken wordt het hieronder aan de hand van een voorbeeld uitgelegd. Aan de hand van dit schema zal geprobeerd worden te verklaren waarom een vrouw al dan niet borstvoeding geeft.
Er wordt links in het schema gestart met de externe variabelen. Hieronder vallen onder andere leeftijd, sociaal- economische status en culturele waarden en normen. Uit onderzoek van Ghillemyn (2006) bleek dat moeders uit een hogere sociaal-economische klasse meer geneigd zijn om borstvoeding te geven dan moeders uit een lagere klasse. Dit is dus al een beïnvloedende factor. De externe variabelen beïnvloeden op hun beurt de attitude, de sociale invloed en de eigeneffectiviteit. Zo zal iemand die gezondheid een belangrijke waarde vindt, een positievere attitude hebben ten opzichte van borstvoeding.
Attitude, sociale invloed en eigeneffectiviteit hebben allen een belangrijke invloed op de intentie van de persoon om een gedrag al dan niet uit te oefenen. Zo zal een vrouw die positief ten opzichte van borstvoeding staat, meer geneigd zijn om borstvoeding te geven dan een vrouw die borstvoeding maar niets vindt. Een vrouw die aangemoedigd wordt door haar partner en familie om borstvoeding te geven, zal meer de intentie hebben om dat ook werkelijk te doen. Ook wanneer er vrouwen in de omgeving van de vrouw reeds borstvoeding geven of hebben gegeven, zal de vrouw meer geneigd zijn dit zelf ook te doen. Tenslotte zal een vrouw die zichzelf in staat acht om borstvoeding te geven, ook meer de intentie hebben om dat ook te doen, dan een vrouw die denkt dat ze dit niet zal kunnen.
Indien de intentie om borstvoeding te geven aanwezig is door bovenstaande factoren, dan is de kans groot dat de vrouw dit ook effectief zal doen. Toch kunnen er belemmeringen zijn waardoor zij beslist om geen borstvoeding te geven. Voorbeelden hiervan zijn snel terug moeten gaan werken, schaamte om te voeden waar andere mensen bij zijn en angst voor te weinig vrije tijd. Tenslotte kunnen vaardigheden ook nog mee bepalen of het gedrag uiteindelijk tot stand komt of niet. Een vrouw moet immers in staat kunnen zijn om borstvoeding te geven. De meerderheid van de vrouwen is hier anatomisch en fysiologisch gezien toe in staat. Toch zijn er sommige vrouwen waarbij dit niet lukt en zij zullen geen borstvoeding kunnen geven.
Bovenstaand schema en de uitleg daarbij geven een beter zicht op hoe beredeneerd gedrag tot stand komt. Hierdoor is het duidelijker welke determinanten aangepakt kunnen worden voor de promotie van borstvoeding en is het dus makkelijker een gepaste interventie op te starten.

3.1.4.4 Interventieontwikkeling
Op basis van de bekomen informatie kan dan uiteindelijk een interventie ontwikkeld worden. Die heeft tot doel de gezondheid te verbeteren. Bij het ontwikkelen moet er rekening gehouden worden met een aantal zaken. Deze worden hieronder kort toegelicht.
Ten eerste moet rekening gehouden worden met de te verwachten effecten van de interventie. Er bestaan verschillende soorten interventies. Jammer genoeg kan op voorhand niet voorspeld worden welke interventie het meest geschikt zal zijn voor het probleem. Om toch min of meer een idee te krijgen van de effecten van een interventie, kan er wel op zoek gegaan worden naar vorige acties. Hiervoor kan de literatuur geraadpleegd worden. Zo kan toch een beetje voortgegaan worden op vroegere acties. Ook is het aangeraden om de interventie die men wil gebruiken, eerst op een kleine groep uit te testen. Uiteraard geeft dit nog geen 100% zekerheid, maar indien de resultaten positief zijn, is de kans wel groot dat de interventie zal werken. Bovendien biedt zo’n test een gelegenheid om eventuele ‘foutjes’ nog op te sporen en aan te passen.
Vervolgens moet er ook rekening gehouden worden met de betrokkenheid van de doelgroep. Interventies worden vaak opgezet vanuit een expert-standpunt. Dit wil zeggen dat de keuze van het probleem, de methode die gebruikt wordt, de planning en de uitvoering van de interventies allen in handen zijn van een professionele gezondheidswerker. Dit heeft als nadeel dat maar een kleine minderheid van gemotiveerde mensen bereikt kan worden met de interventie. Bovendien blijkt dat de veranderingen die aangebracht worden door de interventie, na een tijd terug afzwakken. Gedrag wordt immers gemotiveerd door een geloof in eigen kunnen en door sociale steun. Wanneer het echter om zo’n professionele interventie gaat, wordt dit geloof in eigen kunnen aangetast. Mensen schrijven dan hun succes toe aan de professionele begeleider van de interventie. Ook valt de sociale steun vaak weg nadat de interventie wordt stopgezet, zeker indien personen uit de sociale omgeving zelf niet betrokken werden bij de interventie. Daarom zouden er best vertegenwoordigers van de doelgroep waarop de interventie op gericht is, betrokken worden bij de verschillende fasen van de planning ervan. Zo kunnen er bij de ontwikkeling van een interventie voor jonge ouders, best enkele jonge ouders betrokken worden om hun mening, wensen en dergelijke te horen.

Tenslotte moet ook rekening gehouden worden met de methoden voor verandering.

Er zijn verschillende methoden om gedragsverandering te bekomen, zoals onder andere maatschappelijke interventies uitvoeren of gedragsbeïnvloeding. Uiteindelijk zijn deze allen onder te brengen in 1 van de 3 strategieën die gebruikt worden om aan gezondheidspromotie te doen; voorlichting, voorschriften en voorziening. Deze hoeven absoluut niet apart gebruikt te worden. Het is zelfs effectiever om een mix te gebruiken van deze 3. Ze moeten dan wel goed afgestemd worden op elkaar zodat er geen tegenstrijdige informatie gegeven wordt. Ook is het best om ze eerst uit te testen op een kleine groep, zoals al eerder aan bod kwam.

3.1.4.5 Implementatie
De implementatie is de fase waarin de interventie effectief uitgevoerd wordt. In de praktijk gebeurt het wel eens dat dit niet lukt. Meestal heeft men dan onvoldoende aandacht besteed aan de bovenstaande fasen.

3.1.4.6 Evaluatie
Na het uitvoeren van de interventie, moet ze geëvalueerd worden. Dit kan op 2 niveaus. Het eerste niveau is de procesevaluatie. Hierbij gaat men zien hoe het proces verlopen is. Een vraag die bij deze evaluatie gesteld kan worden is: ‘Waren er voldoende gegevens verzameld?’. Het tweede niveau is een eindevaluatie, waarbij nagegaan wordt of het gewenste effect bereikt is. Bij een interventie die tot meer lichaamsbeweging zou moeten leiden, kan hier bijvoorbeeld afgevraagd worden of mensen effectief meer bewegen.

3.1.5 Stages of change model


Tenslotte moet er ook nog iets gezegd worden over waarom mensen hun gedrag veranderen of waarom niet. Dit is immers belangrijk om een gepaste interventie te kunnen ontwikkelen. Een veelgebruikt model dat probeert te verklaren waarom mensen hun gedrag veranderen of juist niet, is het stages of change model van Proshaska, Diclemente en Norcross (Scheerder et al., 2003). Dit model beschrijft hoe gezondheidsgerelateerd gedrag verandert en deelt gedragsverandering op in 5 fasen. Deze fasen worden op de volgende bladzijde op een figuur weergegeven en verder uitgelegd.

Permanente uitgang
Gedrags- Terugval

behoud


Gedrags- Precontemplatie

verandering Start












Voorbereiding Contemplatie

Tussentijdse uitgang




Figuur 3.1.5 Stages of change model


De eerste fase is de precontemplatie fase. In deze fase bevinden zich mensen die ‘probleemgedrag’ stellen, bijvoorbeeld roken, maar die hier niets aan willen veranderen (Scheerder et al., 2003). Dit kan om verschillende redenen. Soms hebben ze gewoon nog nooit gehoord van een bepaald alternatief gedrag, of zijn ze niet op de hoogte van de gevolgen van hun huidig gedrag. Ook kan het zijn dat ze al pogingen hebben ondernomen om hun gedrag te veranderen maar dat ze hierin faalden. Er bevinden zich dus verschillende personen in deze fase. Wat wel gemeenschappelijk is, is dat ze geen informatie willen krijgen over ander, gezonder, gedrag. Erger nog, soms bieden ze zelfs weerstand tegen zulke informatie. In deze fase moeten mensen vooral gemotiveerd worden tot gedragsverandering. Een voorbeeld van deze fase is een persoon die heel ongezond eet omdat hij niet weet wat gezonde voeding is.
De volgende fase is de contemplatiefase. Hierin worden mensen zich bewust van het probleemgedrag en hebben ze de neiging hieraan iets te veranderen binnen de 6 maanden. Er worden wel nog geen concrete plannen gemaakt. De voor- en nadelen van een mogelijke gedragsverandering worden afgewogen, waarbij toch nog de meeste aandacht naar de nadelen gaat. In deze fase staat het willen veranderen op de voorgrond (Scheerder et al., 2003). Om terug op het vorige voorbeeld te komen; in deze fase zou die persoon de voor- en nadelen van gezond eten afwegen. Mogelijke voordelen zijn betere conditie, gezonder lichaam, … Mogelijke nadelen voor die persoon zijn niet meer lekker kunnen eten, niet meer genieten van eten, …
Vervolgens gaan mensen over naar de voorbereidingsfase. Hier nemen ze zich voor binnen de maand hun gedrag te veranderen. Alles wordt gepland en voorbereid. In deze fase staan mensen het meest open voor programma’s die hen kunnen helpen hun gedrag te veranderen (Scheerder et al., 2003). Toegepast op bovenstaand voorbeeld kan het dan zijn dat de persoon die ongezond eet in deze fase op zoek gaat naar informatie over de Weight Watchers®.
De vierde fase is de fase van gedragsverandering. Hier wordt de gedragsverandering effectief uitgevoerd.

Meestal wordt het nieuwe gedrag een zestal maanden uitgeprobeerd. Afhankelijk van hoe de persoon dit ervaart, zal hij het gedrag voortzetten of ermee stoppen (Scheerder et al., 2003). De persoon uit het voorbeeld zal in deze fase gezonder gaan eten.


De laatste fase is die van gedragsbehoud. Mensen kunnen pas in deze fase komen als ze erin slagen om hun gedragsverandering langer dan 6 maanden vol te houden. Het gedrag is dan geen bewuste keuze meer, maar wordt een gewoonte. Het gedrag gebeurt automatisch en is niet meer onderhevig aan veranderingen (Scheerder et al., 2003). Indien de persoon uit ons voorbeeld langer dan 6 maanden gezond eet, zal hij in deze fase terechtkomen.
In bovenstaande uitleg wordt alles mooi voorgesteld. Jammer genoeg gebeurt het vaak dat mensen niet verder komen dan de voorbereidingsfase en dan uiteindelijk terugvallen naar de precontemplatiefase (tussentijdse uitgang). Hun gedrag wordt dus niet veranderd. Ook kan het zijn dat mensen die in de fase van gedragsbehoud zitten, een terugval hebben. Meestal is dit dan geen terugval naar de precontemplatiefase, maar eerder naar de voorbereidings- of contemplatiefase.
Waarom is dit model nu van belang bij het opstellen van interventies? Het antwoord hierop is vrij simpel. De reden waarom een interventie al dan niet succesvol is, ligt immers aan het feit of ze goed is afgestemd op de fase waarin de doelgroep voor de interventie zich bevindt, of niet. Veel acties zijn afgestemd op de fase van gedragsverandering, terwijl slechts weinigen zich hierin bevinden.
Afhankelijk van de fase waarin de doelgroep zich bevindt, zijn andere processen van invloed (Scheerder et al., 2003). Zo is bewustmaking van het probleem in de eerste fase van groot belang. In de tweede fase is het dan weer belangrijk dat de persoon sociale steun krijgt en zichzelf in staat acht de verandering door te voeren. Deze laatste is ook in de derde fase van belang, samen met het stellen van doelen, het overwinnen van barrières en het formuleren van intenties tot verandering. In de fase van gedragsverandering is het vooral belangrijk om de gedragsverandering te bekrachtigen en positieve feedback te geven. In de laatste fase tenslotte, is het belangrijk dat de persoon gesteund wordt door zijn sociale omgeving om het nieuwe gedrag vol te houden. Ook mag dit nieuwe gedrag nog steeds bekrachtigd worden en aan de persoon zelf toegeschreven worden. Dit laatste leidt tot een extra motivatie om het nieuwe gedrag vol te houden.



1   2   3   4   5   6


De database wordt beschermd door het auteursrecht ©opleid.info 2019
stuur bericht

    Hoofdpagina