Een gezonde start Promotie van gezonde voeding voor baby’s en peuters van 0 tot 2 jaar


Promotie gezonde voeding voor baby’s en peuters



Dovnload 432.97 Kb.
Pagina5/6
Datum07.10.2016
Grootte432.97 Kb.
1   2   3   4   5   6

3.2 Promotie gezonde voeding voor baby’s en peuters
Na deze theoretische toelichting over gezondheidspromotie, is het ook belangrijk om eens naar de praktijk te gaan kijken. Natuurlijk is het niet mogelijk om interventies naar baby’s en peuters zelf te richten. Zij zijn immers veel te jong om dit alles te begrijpen. Bovenstaande modellen, het ASE-model en het stages of change model, zijn dan ook eerder van toepassing op de ouders of opvoeders van de baby of peuter. Gezondheidspromotie met betrekking tot voeding voor baby’s en peuters richt zich dus tot de ouders of opvoeders ervan. Ook kan er naar de ouders een interventie gericht zijn met betrekking tot hun voeding. Dit kan op termijn positieve gevolgen hebben voor het kind, want kinderen leren van hun ouders. Wanneer ouders gezond eten, nemen kinderen dit doorgaans over.
Aangezien er multidisciplinair gewerkt dient te worden bij het realiseren van interventies voor gezondheidspromotie, is het niet mogelijk voor mij om zo’n interventie zelf te maken, als is het maar op papier. Toch heb ik een kleine literatuurstudie gedaan naar de factoren die bepalend zijn voor het al dan niet geven van borstvoeding en de duur ervan. Aan de hand van deze factoren heb ik een voorstel gemaakt van een meer borstvoedingsvriendelijk klimaat in Vlaanderen ten opzichte van nu. Ik heb hierbij zo goed mogelijk proberen rekening te houden met de theorie rond gezondheidspromotie. In wat volgt komt dit aan bod.
Tenslotte heb ik ook nog, op basis van de resultaten van het onderzoek van Lenaers et al. (2002), een beleid uitgewerkt dat mogelijk kan helpen de voedingssituatie van baby’s en peuters te behouden of zelfs te verbeteren. Dit volgt na het voorstel van een meer borstvoedingsvriendelijk klimaat.

3.2.1 Factoren m.b.t. het geven van borstvoeding en de duur ervan


Uit de verschillende onderzoeken die ik gelezen heb, kwamen verscheidene factoren naar boven waarom vrouwen al dan niet starten met het geven van borstvoeding. Ook zijn er verschillende factoren die een invloed uitoefenen op de duur van de borstvoedingsperiode. Hieronder worden de belangrijkste factoren weergegeven, opgesplitst in persoonsgebonden, omgevingsgerichte en maatschappelijk gerichte factoren, om het geheel overzichtelijk te houden. Er wordt hierbij gesproken over kortvoedsters en langvoedsters. Kortvoedsters geven minder dan 2 maanden borstvoeding, langvoedsters minstens 6 maanden.

3.2.1.1 Persoonsgebonden factoren


  • Moeders die langer voeden, zijn gemiddeld wat ouder dan moeders die kort voeden. De leeftijd van de moeder beïnvloedt dus de borstvoedingsperiode (Adams & Dedry, 2006) en (Merten, Dratva & Ackermann-Liebrich, 2005).

  • Langvoedsters hebben gemiddeld gezien meer kinderen dan kortvoedsters. Zij hebben veel vaker een gezin met drie of meer kinderen dan de vrouwen die kort voeden. Vrouwen die al eens borstvoeding hebben gegeven, geven aan het volgende kindje dus vaker langer borstvoeding (Adams & Dedry, 2006) en (Lanting & Van Wouwe, 2008).

  • Hoger opgeleide moeders geven vaker en langer borstvoeding dan lager opgeleide moeders (Adams & Dedry, 2006), (Lenaers et al., 2002) en (Merten et al., 2005).

  • Moeders die zich in de gemiddelde inkomenscategorie (= 2000-2999 euro netto per maand) bevinden, geven vaker en ook langer borstvoeding dan moeders met een laag of zeer hoog inkomen (Adams & Dedry, 2006) en (Merten et al., 2005).

  • Vrouwen die tewerkgesteld zijn in de verzorging, medische sector, welzijnssector, onderwijs of bij een overheidsdienst kiezen vaker voor borstvoeding dan vrouwen tewerkgesteld in industrie, handel, horeca en dienstensector. Ze geven gemiddeld gezien ook langer borstvoeding (Adams & Dedry, 2006).

  • Vrouwen die al voor de zwangerschap beslissen om borstvoeding te geven, geven langer borstvoeding dan vrouwen die deze beslissing maken tijdens de zwangerschap (Adams & Dedry, 2006).

  • Hoe positiever de vrouw ten opzichte van borstvoeding staat, hoe langer ze borstvoeding geeft (Adams & Dedry, 2006).

  • Vrouwen die borstvoeding geven op vraag, geven langer borstvoeding dan degene die op schema voeden (Merten et al., 2005).

  • Vrouwen die zelf als baby borstvoeding hebben gekregen, geven hun kind zelf ook vaker borstvoeding (Ghillemyn, 2006).

  • Vrouwen die op de hoogte zijn van de praktijk en werking van borstvoeding, staan positiever tegenover borstvoeding en geven dit ook langer. (Adams & Dedry, 2006).

  • Vrouwen die weinig of geen problemen ervaren bij het geven van borstvoeding of bij de baby, geven langer borstvoeding (Adams & Dedry, 2006).



3.2.1.2 Omgevingsgerichte factoren


  • Vrouwen die steun krijgen van en aangemoedigd worden door hun partner en familie geven langer borstvoeding. Wanneer vaders zelf ook de informatie rond borstvoeding krijgen, kunnen ze hun partner nog beter aanmoedigen en steunen (Adams & Dedry, 2006) en (Lenaers et al., 2002)

  • Lang thuis kunnen blijven na de bevalling (langer dan de wettelijk bepaalde moederschapsrust), leidt tot verlenging van de borstvoedingsperiode (Kools, Reijneveld & Thijs, 2006).

  • Stimulatie tot het geven van borstvoeding door partner, moeder, omgeving en zorgverstrekkers zoals de regioverpleegkundige van Kind & Gezin of de vroedvrouw, leidt ertoe dat meer vrouwen borstvoeding geven (Adams & Dedry, 2006).

  • Vrouwen die in hun omgeving iemand kennen die borstvoeding geeft of gegeven heeft, zijn meer geneigd zelf ook borstvoeding te geven (Ghillemyn, 2006).

  • Wanneer de baby binnen het uur na de bevalling voor het eerst aan de borst gelegd wordt, is de kans op een langere borstvoedingsperiode groter (Cattaneo & Buzetti, 2001) en (Merten et al., 2005).

  • Het introduceren van zuigelingenvoeding of op water gebaseerde vloeistoffen in het ziekenhuis, heeft een negatief effect op het geven van borstvoeding en de duur ervan (Merten et al., 2005).

  • Vrouwen die goede instructies voor het geven van borstvoeding krijgen van de vroedvrouw of verpleegkundige, geven langer borstvoeding (Adams & Dedry, 2006).

  • Het geven van een cursus aan het personeel dat op materniteit werkt, leidt tot meer en langer borstvoeding geven, omdat de moeders dan beter begeleid worden (Cattaneo & Buzetti, 2001).

  • Het niet geven van een fopspeen beïnvloedt het geven en de duur van borstvoeding positief (Cattaneo & Buzetti, 2001) en (Merten et al., 2005).



3.2.1.3 Maatschappelijk gerichte factoren


  • Baby’s geboren in een ‘baby friendly hospital’ krijgen vaker uitsluitend of overwegend borstvoeding en ook gedurende een langere periode, dan kinderen die elders geboren worden (Merten et al., 2005) en (Lanting & Van Wouwe, 2008).

  • In de opleiding van gezondheidswerkers een cursus aanleren ter bevordering en begeleiding van borstvoeding, leidt tot een betere begeleiding. Hierdoor zijn meer moeders geneigd om te starten met borstvoeding (Cattaneo & Buzetti, 2001).

  • Een positief maatschappelijk beeld over borstvoeding, zal meer moeders ertoe aanzetten te starten met borstvoeding (Adams & Dedry, 2006).

  • Informatiecampagnes rond borstvoeding en prenatale infosessies, zetten meer vrouwen ertoe aan borstvoeding te geven. Bovendien geven veel vrouwen hierdoor ook langer borstvoeding (Adams & Dedry, 2006).

  • Sociaal-economische klasse: In de hogere sociale klasse wordt vaker borstvoeding gegeven dan in de lagere (Ghillemyn, 2006).

  • Het krijgen van lessen over borstvoeding in de middelbare school, beïnvloedt de beslissing tot het geven van borstvoeding op latere leeftijd positief (Germonpré, 2003).

3.2.2 Voorbeeld borstvoedingsvriendelijk klimaat


Na het onderzoeken van de factoren die een invloed hebben op het al dan niet kiezen voor borstvoeding en de duur van de borstvoedingsperiode, is het ook belangrijk om ervoor te zorgen dat gunstige factoren zo veel mogelijk aanwezig zijn. Deze leiden er toe dat meer vrouwen kiezen voor borstvoeding en dat ze ook langer borstvoeding geven. Dit levert immers veel gezondheidsvoordelen op, zowel voor de moeder als voor de baby. In wat volgt, komt een voorbeeld van een borstvoedingsvriendelijk klimaat aan bod, waarbij enkele van de bovenstaande factoren in verwerkt worden.
Een meer borstvoedingsvriendelijk klimaat in Vlaanderen ten opzichte van het heden, kan er als volgt uit zien. Laten we starten met de bijdrage die gezondheidsmedewerkers kunnen leveren. Het is heel belangrijk dat alle gezondheidswerkers die borstvoedende vrouwen begeleiden en adviseren, eenzijdig en wetenschappelijk onderbouwd advies geven. Nu worden er nog te veel verschillende richtlijnen gehanteerd in Vlaanderen, waardoor informatie soms niet eenzijdig is en moeders in de war worden gebracht. Het creëren van eenduidige en wetenschappelijk onderbouwde richtlijnen die voor heel Vlaanderen gelden, is dus noodzakelijk. Enkel dan zullen de verschillende instanties en gezondheidsmedewerkers zich op eenzelfde lijn bevinden qua borstvoeding. Hierdoor zullen ze moeders beter kunnen begeleiden en steunen, waardoor deze meer geneigd zijn om langer borstvoeding te geven.
Vervolgens hebben de gezondheidsmedewerkers ook de belangrijke taak om zwangere vrouwen en hun omgeving informatie te geven over borstvoeding. Het gaat hierbij over de voordelen ervan, hoe dit praktisch in zijn werk gaat, hoe borstvoeding te combineren met werk, enzovoort. Hoe beter een zwangere vrouw geïnformeerd is, hoe realistischer haar verwachtingen en hoe langer ze borstvoeding geeft. Ook het informeren van de partner en de omgeving van de vrouw zijn van belang. Hoe beter zij geïnformeerd zijn, hoe beter ze de vrouw kunnen steunen. Vrouwen geven immers langer borstvoeding wanneer hun omgeving er positief tegenover staat. De omgeving informeren over de gezondheidsvoordelen van borstvoeding heeft dus ook effect.
Werkgevers kunnen ook een bijdrage leveren voor een meer borstvoedingsvriendelijk klimaat. Veel vrouwen vinden de combinatie werk en borstvoeding moeilijk. Terug beginnen werken is dan ook een veelvoorkomende reden om te stoppen met het geven van borstvoeding. Werkgevers kunnen hier verandering in aanbrengen door de arbeidsomstandigheden beter aan te passen aan de noden van de borstvoedende vrouw.

Maatregelen als het (tijdelijk) toestaan van glijdende werkuren, goede omstandigheden om af te kolven tijdens borstvoedingspauzes, een kinderopvang nabij het werk en het vermijden van fysiek zware of stresserende taken, kunnen de combinatie borstvoeding en werk gemakkelijker maken. Vrouwen zullen dan minder geneigd zijn om te stoppen met borstvoeding wanneer ze terug gaan werken.


Verder is er ook een taak weggelegd voor het onderwijs, zowel binnen de opleidingen van gezondheidswerkers als in het algemeen onderwijs. In de kleuterschool kan men kleuters boeken aanbieden waarin het geven van borstvoeding voorkomt. In de lagere school kan men aandacht besteden aan borstvoeding tijdens de lessen wereldoriëntatie. Later, in het middelbaar onderwijs kan dit aan bod komen tijdens de lessen biologie. Dit alles leidt ertoe dat kinderen en jongeren vertrouwd raken met borstvoeding. Deze vertrouwdheid komt de houding ten aanzien van borstvoeding ten goede. Hoe positiever deze houding, hoe groter de kans dat deze meisjes later zelf borstvoeding gaan geven (Adams en Dedry, 2006). Ook voor jongens is dit belangrijk aangezien zij later hun vrouw kunnen aanmoedigen en ondersteunen. Bovendien zal, dankzij zulke lessen, de volgende generatie ouders borstvoeding als de norm gaan zien. Binnen de opleidingen voor gezondheidsmedewerkers moet het aantal uren dat gespendeerd wordt aan les over borstvoeding uitgebreid worden. Op die manier vergroot hun kennis en zijn ze beter in staat om borstvoedende moeders te begeleiden. De huidige kennis omtrent borstvoeding is immers klein bij veel gezondheidswerkers. Uit onderzoek van De Bakermat en Kind & Gezin (2006) blijkt zelfs dat 57 % van de vroedvrouwen aangeeft nood te hebben aan bijscholing over borstvoeding. 18% vindt dat ze niet genoeg opleiding hebben gekregen om borstvoeding te begeleiden. Extra opleiding is dus zeker noodzakelijk. Deze opleiding zou aan iedereen die borstvoedende moeders begeleidt of adviseert, gegeven moeten worden, zowel aan vroedvrouwen, als aan pediaters, gynaecologen en regioverpleegkundigen van Kind & Gezin.
Tenslotte kan de overheid ook enkele bijdragen leveren tot een meer borstvoedingsvriendelijk klimaat. Eerst en vooral is het belangrijk dat vrouwen het recht moeten hebben om te kunnen thuis blijven tot ten minste 6 maanden na de bevalling. Zo krijgen ze de kans om hun baby 6 maanden uitsluitend borstvoeding te geven, zoals aanbevolen door de wereld gezondheidsorganisatie. Op dit moment kunnen vrouwen in België wel zo lang thuis blijven dankzij ouderschapsverlof of loopbaanonderbreking, maar ze krijgen hiervoor maar een kleine uitkering. Sommige moeders kunnen ook borstvoedingsverlof nemen, maar dit is meestal onbezoldigd. Financieel is dit dus vaak onmogelijk voor de moeder. Daarom zou iedere moeder die borstvoeding geeft, recht moeten hebben op betaald borstvoedingsverlof. Uit onderzoek van Adams en Dedry (2006) blijkt dat veel vrouwen immers stoppen met het geven van borstvoeding omdat ze terug moeten gaan werken na de moederschapsrust. Bovenstaand recht op betaald borstvoedingsverlof biedt hiervoor een oplossing.
Verder is het ook de taak van de overheid, samen met het onderwijs, om onze samenleving wat meer vertrouwd te maken met borstvoeding. Uit het onderzoek van Adams en Dedry (2006) blijkt dat sommige vrouwen die borstvoeding geven, zich een uitzondering voelen. Borstvoeding zou een meer natuurlijk gegeven moeten worden. Bovendien rust er een taboe op het voeden van een kind van 6 maanden of ouder. Het wordt aanzien als een abnormaal gegeven of als een teken dat de moeder het kind niet kan loslaten. Onlangs verscheen er in de krant een artikel waarin het beneluxrecord ‘borstvoeding geven’ verbroken werd in Planckendael. Hiermee werd er aandacht gevestigd op het geven van borstvoeding. De titel luidde ‘niet raar dat een vijfjarige nog de borst krijgt’. Uit dit artikel blijkt nog maar eens dat mama’s die een ‘oudere’ baby nog de borst geven, soms rare blikken krijgen. Ook de slechte borstvoedingscijfers van Vlaanderen in vergelijking met andere landen komen aan bod. In bijlage 4 kan het artikel terug gevonden worden. Ook de media kunnen dus helpen bij het vertrouwd maken van borstvoeding. Zo kunnen er in soaps bijvoorbeeld borstvoedende vrouwen getoond worden. Stap voor stap kunnen dergelijke kleine zaken helpen tot het vertrouwd maken van borstvoeding. Hopelijk kan er zo een mentaliteitswijziging teweeg gebracht worden, zodat mensen niet meer raar opkijken als een kind van 12 maanden nog borstvoeding krijgt. Op lange termijn kan dit leiden tot betere borstvoedingscijfers.
Degelijke campagnes kunnen ook de nadruk leggen op de voordelen van borstvoeding en het belang ervan voor de maatschappij, aan de hand van tv-spotjes, posters en folders (media). Momenteel loopt de campagne ‘Borstvoeding, natuurlijk’. Hiervan verschijnen posters en tv-spotjes. Deze campagne geeft enkele voordelen van borstvoeding aan en wil de boodschap geven dat borstvoeding het meest ‘natuurlijke’ is dat je een baby kan geven. Een lange borstvoedingsperiode levert immers gezondheidsvoordelen op, voor zowel moeder als kind. Bovendien brengt dit ook maatschappelijke voordelen mee, vooral economisch gezien. Een betere gezondheid leidt immers tot minder ziektekosten en dus dalen de uitgaven van de ziektekostenverzekering. Uit onderzoek in Nederland blijkt immers dat indien 85% van de baby’s bij de start borstvoeding zou krijgen en als na 6 maanden 25% van die baby’s nog borstvoeding zou krijgen, de kosten van volksgezondheid per jaar met 10 miljoen euro zullen afnemen (van Veldhuizen-Staasen & Kleintjes, 2008). Het is dus echt wel de investering in promotie waard.
Ook zouden er meer faciliteiten moeten komen om in het openbaar te kunnen voeden. Zo zou de overheid bijvoorbeeld winkelcentra kunnen verplichten om een ruimte in te richten waar vrouwen rustig hun kind kunnen voeden. In horeca- en/ of handelszaken kan er een certificaat in het leven geroepen worden om aan te duiden dat borstvoedende moeders er welkom zijn.
Vervolgens kan de overheid ook een rol spelen bij de verspreiding van het BFHI-certificaat aan kraamafdelingen. De overheid kan immers de ziekenhuizen aansporen tot het halen van dit certificaat. Indien er nog een stap verder gegaan wordt, kan de overheid het halen van dit certificaat bij wet verplichten.
Tenslotte zou de overheid de prenatale informatiesessies financieel kunnen steunen. Deze blijken een zeer belangrijke bron van informatie te zijn voor toekomstige ouders. Moest er financiële steun komen, zouden er meer middelen beschikbaar zijn en kunnen de toekomstige ouders nog beter ingelicht worden. Bovendien kunnen er bijkomende inspanningen geleverd worden om nog meer toekomstige ouders te bereiken. De overheid kan in ruil voor de financiële steun, de kwaliteit goed bewaken, waardoor deze ook optimaal blijft. Tot slot kan er ook een nomenclatuurnummer gegeven worden aan de begeleiding van borstvoeding door een zelfstandige vroedvrouw of lactatiedeskundige. Zo kunnen zij meer tijd vrijmaken voor de begeleiding van vrouwen die borstvoeding geven.

3.2.3 Mogelijk beleid om voedingssituatie te verbeteren


Om de voedingssituatie te verbeteren moet er ten eerste meer en langer borstvoeding gegeven worden. Hierboven staat beschreven hoe dit mogelijk kan aangepakt worden. In wat volgt wordt een beleid beschreven dat de gehele voedingssituatie, dus niet enkel borstvoeding, mogelijk nog kan verbeteren. Uit onderzoek in Nederland blijkt dat de kennis van ouders over gezonde voeding voor hun kind toch niet zo geweldig is (Booij, van Leerdam, Stolte, Pijpers en van der Wal, 2008). Het is dus belangrijk om die kennis wat te vergroten. Bovendien moet er ook de nodige aandacht besteed worden aan het belang gezonde voeding.
Net zoals over borstvoeding, zou er ook over vaste voeding in het onderwijs les gegeven moeten worden. Zowel algemeen over gezonde voeding, als over voeding voor baby’s en peuters. Deze lessen zouden best in het hoger middelbaar onderwijs gegeven worden, zodat er hopelijk wat van blijft hangen op latere leeftijd. De meerderheid van de jongeren zal immers een ouder worden en dus is kennis hierover van belang.
Uit onderzoek van Lenaers et al. (2002) blijkt dat veel ouders informatie halen uit de brochures van Kind & Gezin. Deze laatste kunnen dus best met iedere ouder meegegeven worden. Wanneer ouders niet naar Kind & Gezin gaan, zouden ze toch ook dergelijke brochures moeten kunnen ontvangen. Ieder kind moet gevaccineerd worden voor polio dus als ook huisartsen en kinderartsen zulke brochures zouden meegeven, wordt normaal gezien iedere ouder bereikt. Daarom mijn voorstel om ook huisartsen en kinderartsen in te schakelen bij de promotie van gezonde voeding. Indien ook zij brochures kunnen meegeven aan de ouders en bereid zijn vragen te beantwoorden, zouden er nog meer ouders bereikt worden. Wel belangrijk is dat de brochures regelmatig geüpdatet worden, zodat ouders correcte informatie ontvangen.
Uit datzelfde onderzoek (Lenaers et al., 2002) blijkt dat de rol van Kind & Gezin niet te onderschatten is. Veel ouders vinden de informatie die ze hier krijgen van grote waarde. Deze organisatie, moet dus voldoende middelen krijgen om hun werking voort te zetten, zodat ook in de toekomst ouders hier nog gratis terecht kunnen. Ook de prenatale consultaties van Kind & Gezin moeten blijven bestaan, zeker in de stedelijke omgeving. Hier kunnen vrouwen terecht die niet opgevolgd worden door de gynaecoloog, meestal omwille van financiële redenen. Tijdens deze consultaties kan al ruimte gemaakt worden voor informatie over voeding, eventueel in combinatie met een brochure. Eventuele vragen of onduidelijkheden kunnen dan al voor de geboorte besproken worden en er kan meteen goed gestart worden. Dit geldt evenzeer voor consultaties bij de gynaecoloog, deze zou ook even tijd moeten maken om de voedingskeuze te bespreken. Hij/zij kan hierbij zelfs nog een bepalende factor zijn tot het toch geven van borstvoeding.
Ook het belang van prenatale infosessies mag niet onderschat worden. Toekomstige ouders kunnen hiermee hun kennis vergroten. Tevens zou ik na de sessie een brochure en een telefoonnummer geven aan ouders. Zo kunnen ze alles nadien nog eens goed doorlezen en telefonisch nog vragen stellen indien nodig. Tijdens de infosessies zou ook speciale aandacht naar de vitaminesuppletie moeten gaan. Uit onderzoek van Lenaers et al. (2002) blijkt dat hier toch nog heel wat fouten tegen gebeuren. Informatie voor de geboorte kan ouders hier al op attent maken.
Er dient ook een inspanning te gebeuren door kinderartsen en vroedvrouwen; niet enkel m.b.t. de vitaminesuppletie, maar ook m.b.t. gezonde voeding voor de baby. De vroedvrouw speelt vooral kort na de geboorte een belangrijke rol. Een goede begeleiding door haar kan er toe leiden dat vrouwen langer borstvoeding geven. Ook informatie over flesvoeding moet door haar gegeven worden aan moeders die flesjes geven. Zeker wat betreft hoeveelheden, aantal voedingen en hygiëne. De kinderarts wordt belangrijker na de ziekenhuisopname. Hij/zij zou tijdens consultaties toch ook eens moeten nagaan hoe de voedingssituatie is. Indien nodig, kan hij/zij deze dan bijsturen. Bovendien kan hij/zij ook spontaan informatie geven, al dan niet aan de hand van een brochure.
Extra aandacht dient uit te gaan naar de groeiende populatie allochtonen. Uit onderzoek van Booij et al. (2008) blijkt dat hun kennis over voeding voor hun kind kleiner is dan deze van de autochtone bevolking. Vaak spelen taalproblemen hierbij een rol. Daarom moet er ook voorlichting gegeven worden op hun maat. Zo werkt Kind & Gezin sinds enkele jaren met gezinsondersteuners die zelf van een vreemde origine zijn. Deze gezinsondersteuners gaan mee op huisbezoek of nemen deel aan de consultaties. Meestal treden zij op als tolk. Soms hebben ze ook de taak om aan cultuurbemiddeling te doen. Allochtonen hebben immers andere gewoontes en nemen niet zomaar alles aan van een autochtone regioverpleegkundige. Dan is het de taak van de gezinsondersteuner om alternatieven te vinden. Toch vormt de voorlichting door de autochtone regioverpleegkundige meestal geen probleem als de gezinsondersteuner deel uitmaakt van het gesprek. Van deze laatste worden immers gemakkelijker zaken overgenomen. Een ander probleem dat zich ook stelt, is het feit dat allochtonen de Nederlandstalige brochures niet (goed) begrijpen. Hiervoor kan in de plaats van een brochure, een soort prentenboek meegegeven worden. Hierin staat dan alles uitgelegd aan de hand van prentjes. Zo wordt bijvoorbeeld stap voor stap uitgelegd hoe je fruitpap moet maken en welke fruitsoorten vanaf welke leeftijd mogen (Kind & Gezin, 2010).
Ook de overheid kan een rol spelen tot een betere voedingssituatie. Vooral met betrekking tot de consumptie van melkproducten voor de leeftijd van 1 jaar. Er zijn immers verschillende melkproducten in de handel waarop vermeld staat dat ze geschikt zijn vanaf 6 maanden. Ouders denken dan dat ze deze producten mogen geven, maar toch is dit niet aangeraden. Ze kunnen immers obesitas veroorzaken op latere leeftijd indien ze voor 1-jarige leeftijd gegeven worden. De overheid zou bij wet kunnen vastleggen dat de informatie op de melkproducten moet veranderen naar ‘vanaf 1 jaar’. Verder kan ook op de verpakkingen van volle melk vermeld worden dat dit de aanbevolen melk is voor peuters tot 4 jaar. Op termijn kan dit ertoe leiden dat meer peuters volle in plaats van halfvolle melk krijgen.
Veranderingen in de omgeving kunnen ook bijdragen leveren. Zo kan er op plaatsen waar baby’s en peuters komen, al dan niet samen met grotere broertjes of zusjes, gezonde voeding aangeboden worden. Denk maar aan speeltuinen, pretparken en winkelcentra. Vaak worden hier ongezonde dingen aangeboden zoals snoep en wafels. Indien er fruit of groenten aangeboden zouden worden, is het makkelijker voor ouders om een stukje fruit aan te bieden als tussendoortje. Ze hoeven dan niet steeds alles mee te nemen van thuis om hun kind een gezond tussendoortje te bieden. Ze hebben dan ter plekke de kans om te kiezen voor het gezonde.

Tenslotte moet er ook de nodige aandacht besteed worden aan het belang van gezonde voeding. Dit kan bijvoorbeeld door het voeren van campagnes op tv. Op de nationale zender kan er een spotje getoond worden waarop op een leuke manier het belang van gezonde voeding op jonge leeftijd aangetoond wordt. Deze campagne kan dan gepaard gaan met het verspreiden van affiches, folders en brochures. Zo kan er bijvoorbeeld een campagne opgestart worden over het risico op obesitas bij het geven van melkproducten voor de leeftijd van 1 jaar. Indien hierover folders en affiches verspreid worden, kan de aandacht van de ouders hier extra op gevestigd worden. Ook zouden ouders kunnen aangespoord worden via een tv-spotje, om hun kindje goed te laten opvolgen, bij Kind & Gezin of bij een arts. Indien ieder kind door 1 van beide wordt opgevolgd, is de kans op een betere voedingssituatie en gezondheid groter.





1   2   3   4   5   6


De database wordt beschermd door het auteursrecht ©opleid.info 2019
stuur bericht

    Hoofdpagina