Een leeservaring met thomas a kempis inleiding



Dovnload 36.76 Kb.
Datum21.08.2016
Grootte36.76 Kb.

EEN LEESERVARING MET THOMAS A KEMPIS


Inleiding


Deze voordracht stamt uit het onderwijs. In de afgelopen jaren hebben we in Kampen met studenten capita selecta uit De Imitatione Christi gelezen, in een inleidend deel van de studie dat wellicht enige gelijkenis vertoont met het noviciaat in de dagen van Thomas a Kempis (1379-1471). Als basistekst diende ons de Latijnse editie van Theodorus Straathof, bedoeld voor retraitestudie en met kerkelijk evulgetur uitgegeven in Haarlem in 1949.1 Daarnaast stond ons de vertaling van Gerard Wijdeveld, met inleiding van Paul van Geest ter beschikking, de voorloper van het werk dat vandaag wordt gepresenteerd.2

Zoals bekend is de Imitatio een geordende verzameling van korte spreuken over het geestelijk leven, zoals de aanhangers der Moderne Devotie die plachten op te tekenen in een raparium of persoonlijke bloemlezing ten behoeve van meditatie en gebed.3 We - studenten en docenten – beseften dat we voor het adequaat lezen van dergelijke teksten veel moesten leren. Het verrassende was dat we óók bleken te moeten afleren. Theologie als voorbereiding op een geestelijk ambt is in onze dagen sterk verbonden met de waarden van rationaliteit, objectiviteit en de daarvoor noodzakelijke distantie. Deze houding nu botst al in het openingstraktaat, over de nuttige wenken voor het geestelijk leven, op die van Thomas.


Omnis homo naturaliter scire desiderat; sed scientia sine timore Dei quid importat?

Melior est profecto humilis rusticus, qui Deo servit, quam superbus philosophus, qui se neglecto cursum coeli considerat.
Ieder mens verlangt van nature naar weten; maar wat hebben wij aan weten zonder de vrees voor God? Een nederige boer die God dient, is beslist beter dan een hoogmoedige filosoof die de ommegang van de hemel bestudeert en op zichzelf geen acht geeft.4
Deze benadering klinkt binnen een universiteit haast provocerend. Thomas a Kempis beperkt zich evenwel niet tot een afwijzing. In het derde Caput gaat rustig geformuleerde kritiek op de academische geleerdheid van zijn tijd vloeiend over in een aanduiding van wat hem wél voor ogen staat:
Humilis tui cognitio certior via est ad Deum, quam profunda scientiae inquisitio.

Non est culpanda scientia aut quaelibet simplex rei notitia, quae bona est in se considerata et a Deo ordinata, sed praeferenda est semper bona conscientia et virtuosa vita.
Nederige zelfkennis is een zekerder weg naar God dan diepgaand wetenschappelijk onderzoek. Niet dat wij een blaam moeten werpen op de wetenschap of op de simpele kennis van een of ander onderwerp: op zichzelf beschouwd is die goed en door God in zijn plan gewild; maar wij moeten altijd meer hechten aan een goed geweten en een deugdzaam leven.5
In hetzelfde Caput bevindt zich ook de bekende opmerking dat we innerlijk (intus) de bezigheden moeten regelen die we uiterlijk (foris) gaan verrichten. Het gaat om de gerichtheid van ons denken, waarin wij in het praktische leven staan, meer dan om het denken zelf.6 Van daaruit kunnen we ons opmaken voor het betreden van de drievoudige weg die naar de minne Gods leidt, die van de via purificativa, illuminativa en unitiva.7


Leeswijze


De lezer maakt in de eerste twee traktaten dus niet kennis met een filosofische argumentatie, maar met een blikrichting. Wie deze richting volgt, maakt kennis met een andere belevingswereld dan die van de ons vertrouwde wetenschapsbeoefening in de 21e eeuw. Dat kan aanvankelijk teleurstellen. ‘Scheurkalendertheologie’, zo luidde een wrevelig commentaar in de beginfase van onze leesoefening. Wanneer deze exercitie geduldig wordt voortgezet, kan zij niettemin het karakter krijgen van een echte ontmoeting. Om met Ankersmit te spreken: het verleden zelf, zoals het spreekt uit de Imitatio, andere wegen volgend dan de paradigma’s van de wetenschap van onze tijd, gaat dan geleidelijk functioneren als correctie op de intuïties die we hadden ten aanzien van de geschiedenis.8 Het proza van Thomas bezit een geheel eigensoortig ritme. Bij de aandachtige lezer, hetzij student of docent, maakt het zich al na enige weken los van de sfeer van objectiviteit. In plaats daarvan heeft deze taal een groot vermogen om zich te verbinden met de gang van het alledaagse leven, als een blikrichting of zelfs als een deuntje daarin. Zoals Joris van Eijnatten en Fred van Lieburg opmerken: ‘Liederen waren er “om te zingen in je hart” of zachtjes te neuriën onder het werk.’ Het gaat daarbij niet om een verheven ervaring, met de spirituele eenwording met God als hoogste doel. Het streven is een geconcentreerde levenshouding in het hier en nu, uitgedrukt in een attitude van innigheid, stilheid, ingetogenheid en ootmoed.9

Wat is nu echter de tendens van Thomas’ betoog, dat zo nadrukkelijk niet filosofisch wil zijn? In het tweede traktaat worden wij daarover nader geïnformeerd. Fundamenteel blijkt de waarneming van de werkelijkheid vanuit een innerlijke attitude, de interna conversatio. Motto is Lukas 17:21, dat spreekt over het rijk van God in ons binnenste:


Regnum Dei intra vos est.10
Wat dit concreet inhoudt wordt even verderop aldus uitgelegd:
Qui ab intra scit ambulare, et modicum ab extra res ponderare, non requirit loca, nec expectat tempora ad habenda devota exercitia. Homo internus cito se recolligit, quia numquam se totum ad exteriora effundit.
Wie innerlijk weet te wandelen en weinig gewicht weet te hechten aan de dingen van buiten, zoekt niet bepaalde plaatsen en wacht niet op bepaalde tijden om zijn godvruchtige oefeningen te doen. De innerlijke mens is spoedig weer in zichzelf gekeerd, omdat hij nooit helemaal in de uiterlijke dingen opgaat.11
Het gaat om verinnerlijking, een omgang met de dagelijkse realiteit die gestructureerd wordt door een dispositie van binnenuit. Tot die dispositie behoren de genoemde deugden als nederigheid en een zuiver geweten. In de loop van de Imitatio krijgen zij gezelschap van een meer direct en emotionerend aspect: de liefde tot Jezus boven alles. Beroemd is de dialoog tussen Christus en de leerling. De stem van Christus wordt allereerst vernomen vanuit de Schrift, zoals aan het begin van het vierde (derde) traktaat over de aansporing tot de heilige communie.12 Dat het daarbij echter niet om een horen van buiten gaat, leert het traktaat over de vertroosting.13 Thema daarin is immers de interna Christi locutio ad animam fidelem: het innerlijk spreken van Christus tot de gelovige ziel. Ook de geschiedschrijving staat bij Thomas, zelf auteur van de kroniek van het klooster op de Agnietenberg, in het teken van de troost.14

De opening van het betreffende traktaat hebben we in Zwolle gelezen bij het Bergklooster, toen het gebeente van Thomas a Kempis hier in 2006 terugkeerde:


Audiam, quid loquatur in me Dominus Deus. Beata anima, quae Dominum in se loquentem audit, et de ore ejus consolationis verbum accipit! Beatae aures, quae venas divini susurri suscipiunt, et de mundi hujus susurrationibus nihil advertunt! Beatae plane aures, quae non vocem foris sonantem, sed intus ausculant veritatem docentem!
Ik wil horen wat God de Heer in mij spreekt (cf. Ps. 84:9). Zalig de ziel, die de Heer in zich hoort spreken en uit zijn mond een woord van vertroosting verneemt. Zalig de oren, die de heimelijkheden opvangen van Gods gefluister (cf. Job: 4:12) en geen acht slaan op wat deze wereld smiespelt. Waarlijk zalig de oren, die niet horen naar de buiten hen klinkende stem, maar innerlijk luisteren naar de waarheid, die daar onderricht geeft.15

Het woord dat extern gehoord wordt is niet genoeg, het moet van binnen uit komen. Noch de wet, noch de kennis is in zichzelf voldoende:


Non ergo loquatur mihi Moyses, sed tu, Domine, Deus meus, aeterna Veritas, ne forte moriar et sine fructu efficiar, si fuero tantum foris admonitus et intus non accensus.
Laat dus niet Mozes tot mij spreken, maar doe Gij het, Heer mijn God, eeuwige Waarheid, opdat ik niet sterf en zonder vrucht blijf, wanneer ik alleen van buiten vermaand ben en niet van binnen ontvlamd.16

De historische ervaring


De Imitatione Christi is een religieuze tekst. In hoeverre die tekst ook historisch gelezen kan worden, is problematischer. Huizinga heeft het werk tijdloos genoemd. Zoals we hebben gezien onttrekt het zich aan schema’s van distantie en objectiviteit. Als de tekst de lezer al aanspreekt, gebeurt dat op een ander vlak. Alleen in religieuze zin, in termen van een bewust opgeroepen verinnerlijking, kan de tekst de lezer aanspreken en raken. De vraag luidt: of hier tevens een evocatie plaatsvindt van een specifieke era in ruimte en tijd, namelijk die van de late Middeleeuwen in Noord-Europa.

Kennis van de vijftiende eeuw is in de bibliotheken in uitbundige mate aanwezig. De Imitatione Christi bepaalt ons echter niet bij de vraag wat wij cognitief te weten kunnen komen, maar wat wij kunnen ervaren. Het belang van dit onderscheid wordt in meerdere passages gesignaleerd door Thomas a Kempis, bijvoorbeeld daar waar hij opmerkt dat het belangrijker is om berouw te kennen dan de definitie daarvan.17 Niet kennis, maar beleving is het uiteindelijke doel. Thomas a Kempis schrijft daarover als theoloog. Kan nu hetzelfde gezegd worden door de geschiedkundige? Is het mogelijk om aan de hand van de lezing van De Imitatione Christi tot een ervaring te komen van het verleden? Nog niet zolang geleden zou een dergelijke vraag door veel historici, en zeker die uit de Annales-school, hetzij ontkennend beantwoord zijn, hetzij als niet ter zake doende ter zijde geschoven. Er zijn echter auteurs die dit thema serieus nemen. Johan Huizinga karakteriseert de Imitatio weliswaar als tijdloos, maar onderkent het belang van de historische ervaring. Ook Frank Ankersmit heeft verhelderend over dit onderwerp gepubliceerd. Met Huizinga reikt hij een kader aan waarmee wij de ervaring van het lezen van Thomas a Kempis nader kunnen duiden.



Huizinga en Ankersmit


Het Herfsttij der Middeleeuwen dateert van 1919. Hoe gedateerd ook in menig opzicht, het werk biedt nog steeds stimulerende aanzetten bij het nadenken over het tijdvak van Thomas a Kempis. De attitude van Johan Huizinga tegenover de Windesheimer beweging is kritisch, maar beeldend verwoord. Hij spreekt van eenvoudige mannen en vrouwen, ‘wier grote hemel zich welfde boven een miniscuul wereldje, waar al het sterke ruisen van de tijd aan voorbij streek’.18

Door de gereglementeerde leefwijze der Windesheimers werd een vaste conventie van vroom leven geschapen. Daarbinnen bestond ruimte voor tederheid, waar devotionele emotionaliteit buiten de sfeer van extravagantie bleef. Het resultaat was, wat Huizinga noemt, ‘mystiek en detail’.19 Thomas a Kempis wordt door hem geschilderd als een stille man, eenzelvig, vol teerheid voor het miswonder en met de smalste opvattingen van het godsbestuur. Geen filosofie maar een stemming, in het bijzonder die van de geliefde meester Bernard van Clairvaux, is de grondslag van het werk. Dit brengt Huizinga tot zijn beroemde karakteristiek van De Imitatione Christi:


‘Met haar geklingel van evenwijdig voortlopende zinnen en matte assonanties zou de Imitatio dubbel proza zijn, wanneer niet juist dat eentonige ritme haar maakte als de zee op een zachte regenavond of het zuchten van de wind in de herfst. Er is in de werking van de Imitatio iets verwonderlijks: deze schrijver grijpt u niet aan door zijn kracht of elan, als Augustinus, door het bloeiende van zijn woord, als Sint Bernard, door zijn diepte of volheid van gedachte; het is alles effen en gedrukt, alles en mineur; er is slechts vrede, rust, stil gelaten verwachting en troost.’20
Deze passages hangen samen met Huizinga’s geschiedopvatting. De historische ervaring ligt die achter en niet in het geschiedboek. De ervaring is de respons van de lezer op de roep van de schrijver. Er is een grensvlak waar historicus en verleden elkaar ontmoeten. Ankersmit benadrukt dat een dergelijke ontmoeting niet irrationeel hoeft te zijn.21 Exemplarisch voor zo’n ontmoeting is het bezoek van Huizinga aan de tentoonstelling van de Vlaamse primitieven in Brugge in 1902, die meer dan iets anders de inspiratie opriep waaruit het Herfsttij geboren werd.

De drie verschillende graden van intimiteit in de historische ervaring ontleende Huizinga aan de literaire beweging van de Tachtigers en met name aan Lodewijk van Deyssel: van observatie (in de sfeer van objectieve belangstelling) via impressie tot sensatie, de meest innige vorm. Essentieel daarbij is het medium van de taal, die sensitivistisch de sfeer dient op het roepen van het verleden. Vandaar Huizinga’s aandacht voor het taaleigen van de Imitatio, en zijn streven om het taalkoloriet van het Herfsttij daarmee in overeenstemming te brengen.22 Het is een aansporing om de Imitatio ook in de grondtaal te leren beluisteren.



Visuele beleving


Onze verkenning in de collegezaal concentreerde zich aanvankelijk op de ontmoeting met het taaleigen van Thomas a Kempis zelf en de grammaticale aspecten daarvan. Zoals u gemerkt heeft, verschoof de aandacht daarbij naar de beleving van zo’n tekst, zowel in religieus als in historisch opzicht. Op het eerste terrein was Thomas zelf die sturende kracht, die ons voortdurend áf hield van de kennis en het inzicht als een doel in zichzelf, en ons in plaats daarvan aanhoudend opriep tot een geloofsattitude.

Een historische vraagstelling is voor Thomas irrelevant, maar niet voor ons. Hoe meer wij immers proberen om nader te komen tot de Imitatio, hoe meer wij óók beseffen dat meer dan vijf eeuwen ons daarvan scheiden. Is het mogelijk om de geest van het Herfsttij zelf te ervaren? Een aspect dat zowel door Huizinga als door Ankersmit wordt benadrukt, is de hulp die op dit terrein kan worden geboden door de kunst. Zojuist werd al vermeld hoe groot de impact op Huizinga was van de expositie der Vlaamse primitieven in Brugge in 1902.

Ter afsluiting van onze zoektocht naar Thomas a Kempis hebben ook wij geprobeerd om ons de beleving eigen te maken. Een diepe indruk maakte de geboden gelegenheid om deel te nemen aan de rituele overbrenging van het gebeente van Thomas a Kempis naar Zwolle in de zomer van 2006.23 Die middag onder de statige ruisende bomen van Bergklooster openbaarde de samenhang tussen de tekst van de Imitatio, de daarbij behorende spiritualiteit en de ondersteuning door ritueel, liturgie en kerkmuziek. De zichtbare sporen van de eeuw van Thomas a Kempis zijn in Zwolle toegankelijk gemaakt in een heuse wandel- en fietsroute, samengesteld door Harry Vrielink.24

Om de sfeer waaruit de Imitatio geboren werd te zien hebben wij echter een andere bestemming gekozen. We bezochten de Petrus- en Pauluskerk in het Groningse Loppersum, en daarin dan in het bijzonder aan de laatvijftiende-eeuwse Mariakapel. Studente Rinske Scholten doet er verslag van in haar bijdrage aan de Groningse editie van de Naardense Bijbel. Wat haar in de Loppersumse Mariakapel treft is de manier waarop de goddelijke en de menselijke wereld de weg naar elkaar vinden. Net als bij Thomas a Kempis het geval is, vindt die ontmoeting plaats zonder enige theatraliteit, in wat ogenschijnlijk het gewone onopgesmukte leven is:


‘De dagelijkse werkelijkheid blijft ogenschijnlijk volkomen intact. De engel Gabriël treft Maria thuis. Zij is een geletterde vrouw: er ligt een boek op het tafeltje aan haar zijde. De geboorte van de messias vindt plaats in een omgeving die eenvoudiger is, maar even aards: de stal in Bethlehem. De kunstenaar, die doorgaans werkte met gedrukte voorbeelden, heeft bij de afbeelding van deze wrakke boerenschuur zijn fantasie de vrije loop gelaten en is daarbij in het gedrang gekomen met het perspectief. Het doet allerminst af aan de boodschap: het heilige openbaart zich in het aardse, het hemelse in het alledaagse. Zoals de mens vanuit een nederig bestaan in het gebed de weg naar God weet te vinden, zo weet God die mens te vinden in en binnenkamer of een stal.’25
Historisch gesproken is het meest opvallende dat wij, terugblikkend vanuit de vroege 21e eeuw, onmogelijk nog kunnen instemmen met Huizinga’s beoordeling van deze spiritualiteit als tijdloos. In de context van Noord-Nederland hoeft men maar aan de Wittewierumse kroniek van Emo van Huizinge26 te denken om het verschil te proeven. Bij Emo is God bovenal de Schepper en de Eeuwige, en Christus de Rechter. Het resultaat is een oudtestamentische distantie in de benadering van God, die slechts gedeeltelijk overbrugd kan worden door de genademiddelen van de kerk. Wie in Huizinge en Loppersum de oudere afbeeldingen van Christus als wereldrechter vergelijkt met de intieme aanraking van de goddelijke en menselijke wereld in de laatvijftiende-eeuwse Mariakapel, ervaart iets van de geweldige geestelijke bewegingen in het tijdvak van Thomas a Kempis. Het belangrijkste wat de Imitatio ons evenwel voorhoudt is de beleving in onze eigen tijd en in ons eigen hart. Maar dat ligt voorbij wat toetsbaar is in een kleine collegereeks in een kleine universiteit.

1 De Imitatione Christi Libri Quatuor, auctore Ven. Thoma Hemerken a Kempis, canonico regulari Ordinis S. Augustini, editi a Theodoro Straathof sac., Harlemi sumptibus Joannis H. Gottmer 1949 (evulgetur: J.B. van der Linden a.h.d., Heemstede 16-3-1949).

2 Gerard Wijdeveld (vert.) en Paul van Geest (inl.), Thomas a Kempis. De navolging van Christus naar de Brusselse autograaf, Kapellen/Kampen 2001.

3 Peter Nissen en William den Boer, “De Middeleeuwen na 1200”, in: Herman J. Selderhuis (red.), Handboek Nederlandse Kerkgeschiedenis, Kampen 2006, 206.

4 Lib. I. Cap. 2:1-2. In het Nederlands geciteerd naar: Gerard Wijdeveld (vert.) en Arie de Reuver (inl.), Thomas a Kempis. De navolging van Christus naar de Brusselse autograaf. Vijfde uitgave, in: Koert van Bekkum en Herman Selderhuis (red.), serie Klassiek Licht, Barneveld 2008, 27.

5 Lib. I. Cap. 3:22-23. Gerard Wijdeveld (vert.) en Arie de Reuver (inl.), De navolging van Christus, 30 (3:21-22).

6 Lib. I. Cap. 3:17-18. Gerard Wijdeveld (vert.) en Arie de Reuver (inl.), Thomas a Kempis. De navolging van Christus, 73.

7 Cf. Frank van der Pol, “Spiritualiteit in de Middeleeuwen”, in: W. van ’t Spijker, W. Balke, K. Exalto en L. van Driel (red.), Spiritualiteit, Kampen 1993, 136-137.

8 Frank Ankersmit, De sublieme historische ervaring, Groningen 2007, 123.

9 Joris van Eijnatten en Fred van Lieburg, Nederlandse Religiegeschiedenis, Hilversum 2005, 133-134. Zoals Waaijman opmerkt, is deze verinnerlijking geen gerichtheid op zichzelf, maar een concentratie op God. Het gaat om de interiorisatie van de goddelijke werkelijkheid in het concrete leven (Kees Waaijman, Spiritualiteit. Vormen, grondslagen, methoden, Kampen/Gent 2000, 189).

10 Luc. 17, 20-21.

11 Lib. II. Cap. 1:33-34. Gerard Wijdeveld (vert.) en Arie de Reuver (inl.), Thomas a Kempis. De navolging van Christus, 73 (1:36-37).

12 Lib. IV. Prooemium. In protestantse edities van de Imitatio werd dit traktaat soms weggelaten of vervangen, vanwege de associaties met de mis (Auke Jelsma en Gerrit Brinkman, Wie is wie in de mystiek, Kampen 2006, 238-239).

13 In zijn bespreking van de vragen rond de juiste volgorde van de traktaten III en IV noemt Van Dijk de vertroosting het hoogtepunt van de hele vierdelige reeks en daarmee tevens sleutel tot deze kwestie (R.Th.M. van Dijk, “Geert Grote en de Moderne Devotie. De vergemeenschappelijking van de mystiek”, in: Joris Baers, Gerrit Brinkman, Auke Jelsma en Otger Steggink (red.), Encyclopedie van de Mystiek. Fundamenten, tradities, perspectieven, Kampen/Tielt, 719-720.

14 Cf. R.Th.M. van Dijk, “De Agnietenbergkroniek in het licht van de Moderne Devotie”, in: Udo de Kruijf, Jeroen Kummer, Freek Pereboom en Ton Hendrikman (eds.), Een klooster ontsloten. De kroniek van Sint-Agnietenberg bij Zwolle door Thomas van Kempen in vertaling en commentaar, Kampen 2000, 9.

15 Lib. III. Cap. 1:1-4. Gerard Wijdeveld (vert.) en Arie de Reuver (inl.), Thomas a Kempis. De navolging van Christus, 139.

16 Lib. III. Cap. 2:14. Gerard Wijdeveld (vert.) en Arie de Reuver (inl.), Thomas a Kempis. De navolging van Christus, 141 (2:18).

17 Lib. I. Cap. 1:9.

18 Johan Huizinga, Herfsttij der Middeleeuwen, Amsterdam 1997, 252.

19 A.w., 294.

20 A.w., 295.

21 Frank Ankersmit, De sublieme historische ervaring, Groningen 2007, 116.

22 A.w., 125-137.

23 A.F.T.M. van Daalen (ed.), Translatio reliquiarum Thomae Kempensis, Zwolle 2006.

24 Harry Vrielink (ed.), Thomas a Kempis Route. Een wandel- en fietsroute langs de herinneringen aan de Moderne Devotie in Zwolle, Zwolle 2005.

25 Rinske Scholten, “Maria”, in: De Groninger Bijbel. Speciale editie van de Naardense Bijbel, met kleurrijke portretten in woord en beeld van het Groninger gelovige leven. De volledige tekst van de Hebreeuwse Bijbel en het Nieuwe Testament, Vught 2007, 1653-1655.

26 H.P.H. Jansen en A. Janse (eds.), Kroniek van het klooster Bloemhof te Wittewierum. Reeks Middeleeuwse Studies en Bronnen XX, Hilversum 1991.








De database wordt beschermd door het auteursrecht ©opleid.info 2019
stuur bericht

    Hoofdpagina