Een pregnant verhaal 16 september vierentwintigste zondag



Dovnload 9.74 Kb.
Datum25.07.2016
Grootte9.74 Kb.
EEN PREGNANT VERHAAL

16 september - vierentwintigste zondag (Exodus 32,7-14 - Lucas 15,1-32)

-----------------



Christenen die regelmatig naar de kerk gaan, horen even regelmatig de parabel van ‘de verloren zoon.’ Predikanten doen hun best om deze parabel als ‘blijde boodschap’ te verkondigen. Het is de belangrijkste parabel bij Lucas. Hij wordt soms het evangelie binnen het evangelie genoemd. Als het ware de resumé, de synthese van het hele evangelie. Maar veel predikanten zeggen dat veel van de beminde gelovige toehoorders deze parabel niet nemen. Ze reageren scherp en protesteren. Er is met die parabel letterlijk geen huis te houden. Je kan er geen gezinsrelatie op bouwen. Ze vinden de tegenstelling tussen de jongste zoon, die het kostbare erfdeel zomaar verbrast en de oudste, die zich plichtsgetrouw afslooft, té groot en de houding van de vader zeer onrechtvaardig. Het kan toch niet dat die jonge flierefluiter feestelijk ontvangen wordt en de hardwerkende oudste als het ware op zijn kin kan kloppen! Deze parabel wekt dus nogal wat onbehagen en lijkt zijn doel te missen.

-----------------

Nochtans is het minste wat we kunnen zeggen dat die jongste, die het totaal verbrod heeft, in ieder geval berouw heeft. Hij weet dat hij grof misdaan heeft en zijn vader ongemeen hard op het hart heeft getrapt. Daarom zegt hij: ’Ik ben niet meer waard uw zoon te heten.’ Hij is bereid om zijn verdere leven als knecht te werken. Meestal zijn het de vaders die dit zeggen tegen een kind dat zich zwaar misdragen heeft: ’Je bent mijn kind niet meer. Ik wil je hier niet meer in mijn huis zien.’ Hier is het de zoon die inziet dat hij eigenlijk verdient eruit gezet te worden. Maar zijn vader is onvoorstelbaar gelukkig dat hij weer thuis is. Hij wordt niet weggejaagd, ook niet uitgescholden, niet vermaand en niet gestraft. Hij wordt tot zijn grote verrassing lieflijk omhelsd, tiptop uitgedost en opgesmukt, het gemeste kalf wordt geslacht en er wordt te zijner eer gefeest met muziek en dans! De vreugde kan niet op en de vader roept uit: ’Mijn zoon was dood en is weer levend geworden!’ Want wat is leven, echt waarachtig leven anders dan samen zijn, elkaar nabij zijn, blij zijn dat de ander bestaat, aanwezig zijn bij de ander, samen het leven delen , zorgen voor mekaars geluk.

De vader zal het zeggen tegen de oudste:’ Jongen, jij bent altijd bij mij, en alles wat van mij is, is ook van jou.’ Het is de kern van iedere, authentieke liefde: leven in mekaars hart, alles aan mekaar geven. Door deze liefde krijgt het leven een intense kwaliteit. En wellicht is het gewichtigste, ook in de zin van ‘zwaarste’ aspect van een dergelijke liefde, de vergevende barmhartigheid. De vader geeft blijk van een dergelijke abundante, totaal belangloze en onvoorwaardelijke, vergevende liefde. Hij neemt zijn verloren kind terug in zijn armen. Zijn zoon was dood, omdat hij, ver weg van de vader, de liefde had verloochend. Nu is hij weer levend omdat hij opnieuw de zaligheid van een warmhartige liefde ervaart.

Meteen is die vader het menselijk beeld van Gods Liefde, die ook bij ontrouw en verloochening, opnieuw ons hart omvat en ons een nieuwe kans geeft tot echt ‘leven’ in verbondenheid met hem.

De oudste zoon is het tegendeel van vergeving en verzoening. Hij staat symbool voor de Farizeeën en schriftgeleerden die tollenaars en zondaars verachten en religieus verloren wanen. Zij zelf zijn de onberispelijke dienaars, die alle geboden onderhouden en dus beloning verwachten. Het is typisch dat in de parabel de oudste zoon, zijn vader nooit met ‘vader’ aanspreekt zoals de jongste zoon wèl doet. De oudste ziet in zijn vader de baas. Hij ziet zichzelf als werknemer. Alleen door hard te werken, zo denkt hij, komt hij in de gunst van zijn vader, de werkgever. Dit was de houding van de Farizeeën en schriftgeleerden tegenover God. Het ging hen om verdiensten en beloning. Niet om dat leven in gelukkig makende, blije nabijheid en zeker niet om zelfloze, gratuite vergeving. Daar was het Jezus uiteindelijk om te doen.

Volgens Jezus nodigt God ons uit tot een vader-zoon relatie. Dat sluit in dat ook een zondaar, onze ‘broer’ is, want hij is evengoed ‘kind’ van deze God-Vader. Het heeft ook als consequentie dat we een ‘verloren’ broer, die ontrouw werd maar berouwvol terugkeert, in onze armen sluiten. Dat vraagt een zelfverloochenende liefde. Een liefde die maar gelukkig is wanneer de ander, mijn ‘broer’, weer thuis is en opnieuw leeft in de vreugde van het samen bij mekaar zijn in wederzijdse lieftalligheid en inzet voor elkaar.

De oudste zoon is kwaad omdat de vader zo goed is voor de jongste. Als wij moeite hebben met deze parabel, hebben we dan ook moeite met een God van vergeving en barmhartigheid? Hebben we dan liever een God, die als ‘een grote baas’, als een oppermachtige heerser, ons behandelt als slaafse dienaars die voor hem op de knieën kruipen? In Fatima kan je zien hoe bedevaarders honderden meters met pijnlijke knieën naar het beeld van Maria kruipen, uit boetedoening voor eigen zonden of om genezing af te smeken voor een geliefde medemens. We zeggen natuurlijk: ’die mensen bedoelen het goed.’ Maar misschien is het moeilijker om zich te verzoenen met een medemens, met een partner, met een zoon of dochter die ons lelijk en brutaal hebben bejegend? De parabel van ‘de verloren zoon’ wil ons de blijde boodschap brengen, dat God geen onmeedogende genadeloze heerser is die ons op de knieën wil krijgen, maar een God van genadevolle barmhartigheid. We mogen in dankbare liefde leven als zijn blije ‘kinderen’.


Met dit markante evangelie gaf Jezus een nieuwe visie op God, op medemenselijkheid en op onze samenleving. God wordt onze allerliefste Vader. Medemensen worden onze ‘broers en zussen’. In de samenleving wordt het vijanddenken overwonnen en de tegenstellingen overbrugd. Concreet ging het in Jezus’ tijd om Joden en Samaritanen, ‘kinderen van Abraham’ en heidense Romeinen en Grieken. Vanuit Jezus ontstond er een dynamische kracht om religieuze, sociale en zelfs politieke tegenstellingen te overstijgen. Iedereen, zonder uitzondering, kon worden opgenomen in de christelijke gemeenschap. Jezus’ gedrag lag aan de basis van een nieuwe, godsdienstige houding en een nieuwe maatschappijopbouw, wars van alle discriminatie, racisme geweld en rivaliteit.

Deze parabel kan aanvankelijk onbehagen oproepen. Als we er dieper op ingaan, gaat het om een oproep van Jezus tot een nieuw leven, dat leidt naar vrede en verzoening, waar ieder mens tot zijn recht komt en de kans krijgt gelukkig te zijn. Meer kunnen we niet verlangen. Maar we moeten er wellicht veel méér voor doen!



Rob Moens o.p. Genk



De database wordt beschermd door het auteursrecht ©opleid.info 2017
stuur bericht

    Hoofdpagina