Een Rembrandt onder de evangelisten



Dovnload 37.38 Kb.
Datum17.08.2016
Grootte37.38 Kb.

‘Ik zal u geen wezen laten’


(over het Evangelie naar Johannes) 1

Een Rembrandt onder de evangelisten


De nieuwtestamenticus de Zwaan heeft het Evangelie naar Johannes eens vergeleken met een schilderij van Rembrandt. U weet, dat er minstens twee dingen zijn, waaraan het schilderwerk van Rembrandt is te herkennen. Eerstens het contrast van licht en donker. En in de tweede plaats: de sprekende figuren op het doek die u altijd blijven aankijken, hoe u er ook voor staat.
In het Johannes - evangelie is daar ook het voortdurend contrast tussen licht en duisternis, waarheid/leugen, liefde/ haat, oordeel/ genade, leven/ dood. En de hoofdpersoon die ons hier wordt voorgesteld, Jezus - het vleesgeworden Woord, dat onder ons tabernakelde (Joh. 1:14), het Lam van God, dat de zonde der wereld wegneemt (Joh. 1:29) - kijkt ons gedurig indringend aan. Het is, alsof Hij ons vraagt: ‘Wat denkt u van Mij?’ Men ontkomt gewoon niet aan Zijn blik. ‘Wie is toch deze?’
Voordat wij ons met de strekking en inhoud van het Evangelie naar Johannes gaan bezighouden, is het goed eerst enkele zogenaamde inleidingsvragen te behandelen. Dat is voor een goed inzicht in en een vruchtbaar gebruik van dit Evangelie van belang. Een van die vragen is die naar de persoon van de schrijver van het Evangelie.
De discipel dien Jezus liefhad

Ook die vraag is niet onbelangrijk. God heeft immers bij het op schrift stellen van de Bijbelboeken gebruik gemaakt van mensen van vlees en bloed. Ieder met hun eigen karakter en levensleiding en in bepaalde leefsituaties. En het is daardoor, dat het Godswoord in de verschillende boeken van de Schrift hun specifieke en tijdgerichte klank en kleur krijgt. Het is ook daardoor, dat de Bijbellezer vandaag de rijke geschakeerdheid van de Schrift op het spoor komt.

Welnu, volgens de oud - kerkelijke traditie is de schrijver van het vierde Evangelie Johannes geweest, de Zoon van Zebedeüs (‘die het zag en geloofde’, Joh.20:8). De verzorger van Maria, Jezus’ moeder in zijn huis. Hij zou op latere leeftijd dit Evangelie in Efeze (Klein-Azië) hebben geschreven. 2
Deze traditie wordt meestal aannemelijk gemaakt, doordat men in de in het Evangelie nog al eens anoniem genoemde ‘discipel dien Jezus liefhad’ een zelfaanduiding van Johannes hoort (vgl. 13:23; 19:26; 20:2; 21:7,20). Een door Jezus (bijzonder) beminde discipel is in elk geval volgens 21:24 de schrijver.

Dat het voor de hand ligt daarbij dan te denken aan Johannes, één van de drie ‘intimi’ van Jezus (Matth. 17: 1vv; 26:36vv), bewijst echter nog niet alles. Ridderbos (blz. 11) noemt het vraagstuk van de auteur van het Evangelie ‘een niet opgelost twistpunt’. En hij voegt eraan toe, dat als de schrijver in zijn Evangelie zich slechts met de betiteling ‘discipel dien Jezus liefhad’ genoemd wil hebben, het dus ook niet van het hoogste gewicht kan heten om te weten, wie dit Bijbelhoek nu precies heeft geschreven. Belangrijker is, dat we vasthouden, dat hier een ooggetuige aan het Woord is (Joh. 1:14). En dan wel een ooggetuige die van meet aan in het gevolg van Jezus is geweest. De eerste gemeente die aan het slot van dit Evangelie laat horen, dat zij gelooft, dat Zijn getuigenis waarachtig is (Joh. 21:24), hecht daaraan grote betekenis.


Dit Evangelie is geen gedachtespinsel, geen gekleurd verhaal van iemand die schone ideeën oppert. Het is gevloeid uit de pen van een discipel van Jezus die met eigen (geloofs)ogen de dingen die hij neerschrijft, heeft aanschouwd. Zo wordt het uitdrukkelijk aangekondigd. Daarom is het een hoogst betrouwbaar Woord. Daarom kan het ook oproepen tot geloof. ‘Opdat gij gelooft...' (Joh. 19:35). En zo is het ook ‘opgevat’ door de eerst geadresseerden (Joh. 21:24v).
Het apostolisch discipelschap is de grondslag voor het geloof van de gemeente (Ridderbos, (blz. 12). ‘Niet het geloof van de gemeente heeft het verhaal van Jezus voortgebracht, maar het verhaal heeft het geloof der gemeente voortgebracht’ (Ridderbos, blz.17). Ook van de gemeente van de 21e eeuw.

De context van het Evangelie

Niet ieder echter is het met deze duiding van het Evangelie naar Johannes eens. De laatste tijd wordt er bij de uitleg nog al de nadruk op gelegd, dat het vierde Evangelie een sterk anti-joods karakter heeft. Het zou een polemisch of apologetisch strijdschrift zijn tegen het Jodendom van na 70 naChr. (de verwoesting van Jeruzalem/de tempel), toen de breuk tussen de volgelingen van Jezus en de Joodse synagoge compleet werd en er alleen twistgesprekken waren tussen de in Kanaän wonende Messiasbelijdende Joden en het strijdlustige Farizese Jodendom over de Messianiteit (Godheid) van Jezus. 3


Het Evangelie, in die tijd ontstaan, zou daarvan een weerspiegeling zijn en daarom een sterk anti-judaïstisch karakter dragen. Hoe vaak immers horen we hier niet van het ongeloof der Joden (Jood en tegenstander lijken een en hetzelfde). En zo zou dit Evangelie eraan hebben meegewerkt, dat er vanaf de prilste dagen van de christelijke kerk een Jodenhaat ontstaan is, die in de loop der eeuwen zoveel laster en onheil over het Joodse volk heeft doen komen.

Ridderbos die deze interpretatie van het vierde Evangelie in zijn commentaar op Johannes uitvoerig ter sprake brengt, stelt daar mijn inziens zeer behartigenswaardige argumenten tegenover.


a. Juist de nadruk die er in het Evangelie naar Johannes valt op de beschrijving van de dingen als apostolisch getuigenis, verbiedt ons dit Evangelie slechts te zien als een product uit later tijd met sterk antijudaïstische en/ of anti-semitische tendenzen (‘enscenering en historisering van latere gespreksthemata’). Het is door en door historisch.

Alles is hier geconcentreerd op de identiteit van (de historische) Jezus die door Zijn eigen volk in ongeloof van de hand werd gewezen. Zo ligt het trouwens ook in de andere Evangeliën.


b. Daar komt nog iets belangrijkers bij. Johannes volgt in zijn weergave van de’ feiten’ een geheel eigen weg. Het is een en al apostolisch en Geest-rijk getuigenis.
De evangelist is als zijn naamgenoot Johannes de Doper gedurig aan het wijzen naar Jezus als het Lam van God, de Gezondene van de Vader.
En het is hiermee als met de in het gebrandschilderde glas van de Sint Jan te Gouda uitgebeelde Doper wiens vinger maar gedurig wijst op dat Lam.’4 In het Evangelie naar Johannes gaat het om dit exclusieve apostolische getuigenis. Het is één gedurige aanprijzing van de ‘Ik ben’ die in Gods Naam beslag gelegd wil hebben op de harten. En in dat getuigenis weet de schrijver zich gedreven door de Heilige Geest Die het uit Christus neemt en het ons verkondigt.
Hij roept op tot onvoorwaardelijke onderwerping aan Jezus. Hij roept de Joden voor wie Jezus niet beantwoordde aan hun Messiasverwachting, op om hun verzet tegen Hem als Messias op te geven. Hij roept u en mij op om ons godsdienstig/vroom, d.i. ‘werelds’ protest tegen dit Evangelie van ‘armzaligen' te laten varen. Dit ‘absoluut karakter van Jezus’ zelfopenbaring en van de keuze waarvoor Hij daarmee mens en wereld heeft gesteld ... is niet het product van de latere gemeente, maar ligt juist aan haar bestaan ten grondslag’ (Ridderbos, blz. 383).
c. In de derde plaats is het vierde Evangelie door en door oudtestamentisch. Er is geen sprake van een breuk met wet en profeten. Integendeel, Jezus weet Zich ‘het manna, het ware brood uit de hemel neergedaald’ (hoofdst. 6/7), ‘de Goede Herder’ (hoofdst.10), de ‘ware wijnstok’ (hoofdst. 15). Hij is ‘de Weg, de Waarheid en het Leven’ (hoofdst.14). Alle beelden uit het Oude Testament. Jezus komt in de weg van de vervulling van de heilsbelofte, aan Abraham (hoofdst.8) en Mozes gedaan (hoofdst.5). En zo is dan ook het Evangelie naar Johannes door en door Joods (i.p.v. anti-joods). Het heil is uit de Joden (Joh.4:22).

Johanneïsche eigenheid


Aan alles wat intussen is gezegd over de eigenheid van het Evangelie naar Johannes, wil ik nu graag nog een aantal dingen toevoegen,

Een Evangelie is een bijbels ‘specialisme’. Boodschap en goede tijding van de komst van God in Christus Jezus tot redding van zondaren. Als zodanig is het uniek. In de Grieks-Romeinse wereld werd het woord evangelie we] gebruikt om de blijmare aan te duiden van de geboorte van een aardse vorst, c.q. keizer. Maar het Evangelie naar ... (Markus/Johannes bijv.) is heilsboodschap die daar ver bovenuit steekt. Bovendien is hier niet maar sprake van rapportage, maar tevens van getuigenis en oproep tot geloof.


Aldus ligt het in alle vier de Evangeliën. 5 Maar in het vierde Evangelie komt daar een dimensie bij. Die van een sterke selectie en interpretatie. Misschien kunnen wij zeggen, dat de schrijver vele feiten omtrent Jezus’ woorden en daden als bekend veronderstelt. 6 Hij baant zich in elk geval een weg door het vele dat te vermelden is (Joh. 20:3Ov), laat veel achterwege, kiest ‘eigen verhalen’ uit, zoals de bruiloft te Kana (hoofdst.2), Nicodemus en de Samaritaanse vrouw (hoofdst. 3/4); de 38-jarige zieke van Bethesda (hoofdst.5); de blindgeborene (hoofdst.9); de opwekking van Lazarus (hoofdst. 11). 7
Met andere woorden: Johannes selecteert met het oog op de doelstelling die hij nastreeft: de aanprij-zing/verheerlijking van Jezus als Gods Gezondene tot geloof in Zijn Naam. En daarbij gaat het Johannes constant om het aspect van de ‘verheerlijking’ en ‘verhoging’. Zelfs het kruis is ‘verhoging’ van Jezus (Joh. 3:14vv; 8:28; 12:32,34., 13:1,31). Johannes transponeert, zet steeds een toon hoger in. Hij ziet dingen die een ander niet ziet (denk bijv. aan de rok van Jezus, zonder naad, van boven af geheel geweven (Joh. 19:23). Johannes schouwt.
Hij interpreteert voortdurend. Vooral in de inzet van het Evangelie (de zgn. Logos-proloog) waarin hij de draad van Jezus’ komst in het vlees diep ophaalt. Jezus Christus is Gods ultieme Woord, waardoor alle dingen zijn geworden en dat in de Gestalte van de vleeswording de geheimen van Gods Vaderhart tot op de bodem blootlegt (hoofdst. 1). Jezus is het Paaslam bij uitnemendheid (Jes. 53). Hij gaat tot driemaal toe op naar Jeruzalem t.g.v. een Paasfeest (2:13; 5:1; 11:55., 12:12vv) 8 (niet zo duidelijk in de synoptische Evangeliën). Hij stort tenslotte Zijn bloed tot wassing van de zonden (Joh. 13:1vv). ‘Wie is toch Deze?’
Dit interpretatieve karakter van het vierde Evangelie doet niets tekort aan de historiciteit. Hier wordt daarentegen een exegese en interpretatie gegeven onder de directe leiding (inspiratie) van de Heilige Geest. Daarom is zij voor ons normatief. Dit Evangelie is doorweven door de rode draad van de indachtig makende Trooster, de Heilige Geest die ‘leert en indachtig maakt alles wat Jezus gezegd heeft’ (Joh. 14:26) en die in al de waarheid leidt (Joh. 16:13vv). Daarom mogen we wellicht met J. Calvijn het Evangelie naar Johannes (met zoveel nadruk op de ziel) zelfs de sleutel voor het rechte verstaan van de Evangelieboodschap en van de Schrift noemen.
Nergens is Jezus’ heerlijkheid groter dan in het vierde evangelie, maar nergens ook zijn mensheid menselijker, tot in de beschrijving van Zijn dood en opstanding toe; vgl. Joh.19:34; 20:20,27. En nergens gaat ook de nederdaling van de door God met alle macht beklede Zoon des mensen dieper, realistischer en ergerniswekkender in het menselijke vlees in. Vgl. Joh. 6:27,53. (Ridderbos, blz. 25).
Jezus, de altijd Komende

Op nog één ding wil ik tenslotte wijzen. In het vierde Evangelie is Jezus, de blikvanger ook de altijd Komende. Gekomen in het vlees, gezonden door de Vader. Wederkomende om de Zijnen op te halen. Maar ook komende in de gestalte van de Heilige Geest, de Trooster die altijd bij ons blijft. ‘Ik zal u geen wezen laten, Ik kom weder tot u’ (Joh. 14:18). Jezus is steeds in aantocht.


In het Evangelie naar Johannes is er een nauwe band tussen Christus en de Heilige Geest. We zouden daarom dit Evangelie ook wel het Evangelie van de troostende nabijheid van de Geest des Heeren kunnen noemen. De Heilige Geest die van Vader op Zoon overgaat. Gezonden door de Vader (Joh. 14:16,26) en door de Zoon (Joh. 15:26; 16:7). Die Geest is het met Wie Christus is gezalfd, in Zijn doop in de Jordaan. Zijn bediening is een bediening des Geestes.

Het is de Vader Die door Zijn Geest mensen achter Jezus aantrekt, hen wederbaart (van boven doet geboren worden) (Joh. 3:3vv) en hen leert geloven (Joh. 6:37vv). Zijn bruid. gegeven door de Vader.


Zo gaat de Geest van Vader op Zoon en op alle kinderen van God. Die mogen zich verheugen in de blijvende nabijheid van de Trooster, de Advocaat, de Erbij - geroepene Die hen leert en in al de waarheid leidt (Joh. 14:26), Die hen ook de toekomstige dingen verkondigt (Joh. 16:13). De Geest is als een duif die zijn eieren uitbroedt.

En zo staat dan Christus’ gemeente temidden van een vijandige wereld startklaar. Beademd en bedauwd door de Geest (Joh. 20:22v); vooral ook na de uitstorting van de Geest in Pinksterbediening - als de belofte des Geestes in vervulling gaat - wordt Christus in hen een stroom van levend water, springende tot in het eeuwige leven (Joh. 7:38vv). Een tempel met de inwoning van de Geest. Een beademingscentrum. Vanwege de verheerlijkte Christus.


En zo is zij dan ook aangedaan met kracht uit de hoogte. Daardoor mag het komen tot een vrijmoedig getuigenis. Een krachtcentrum. ‘Ik heb u uitverkoren en Ik heb u gesteld, dat gij zoudt heengaan en vruchtdragen en dat uw vrucht blijve’ (Joh. 15:16; 15:26). De Geest zal van Christus getuigen en Hem verheerlijken (Joh. 16:14). ‘En gij zult ook getuigen, want gij zijt van de beginne met Mij geweest’ (Joh. 15:27).
Machtige woorden, beloftenrijk. Dit Evangelie brengt niet maar een leer. Het verkondigt ons de Persoon van de Zaligmaker, met Wie wij gemeenschap oefenen door het geloof, door de Heilige Geest. Zo, maar zo ook alleen kunnen we het uithouden in de bangheid van het laatst der dagen. In de zekere wetenschap, dat de Heilige Geest tenslotte ook de Openbare Aanklager is in het kort geding tussen God en de wereld. Want Hij zal de wereld overtuigen van zonde, van gerechtigheid en van oordeel (Joh. 16:8vv).
En gezegend dan de mens die de in het Evangelie van Johannes zo heerlijk gemaakte Zaligmaker der wereld, als de altijd Komende naast zich, in zich weet. ‘De Geest en de bruid zeggen “Kom” en die het hoort, zegge “Kom”-; en die wil, neme het water des levens om niet’ (Openb. 22:17). -

Enige literatuur

Prof. Dr. J. de Zwaan, Inleiding tot het Nieuwe Testament, I Evangeliën en Handelingen; Haarlem 1948, 2e dr.; blz.111vv.


Ds. C. den Boer, Op verkenning in het Nieuwe Testament; Barneveld 2007, 5e dr.
Dr. Herman Ridderbos, Het evangelie naar Johannes, proeve van een theologische exegese, deel 1 (Hoofdstuk 1-10; Kampen 1987. Bovenstaande voordracht volgt hoofdzakelijk de studie van dr. H. Ridderbos.
C.H. Dodd, The interpretation of the Forth Gospel; Cambridge 1968.
D. Guthrie, New Testament Theology. Intervarsity Press 1985.

Ds. R. C. Harder, Het Evangelie van Johannes; Baarn z.j. (BBBserie).


Verder verschillende commentaren, o.a. van J. Calvijn.

1 Deze voordracht is gehouden voor het studentendispuut van de CSFR Panoplia te Leiden op 5 september 1991 (plenaire bijbelkring) en gepubliceerd in het jaarboekje Panoplia 1991-1992.

2 Ireneüs schrijft: ‘Johannes, de leerling des Heeren, die aan Zijn borst rustte, heeft ook een Evangelie uitgegeven, terwijl hij in Efeze van Asia verbleef’. Ireneüs heeft zich echter volgens Eusebius vergist. Papias, op wie Ireneüs zich beroept voor genoemde uitspraak, heeft niet Johannes, de discipel van Jezus op het oog gehad, maar een andere Johannes die oudste in Efeze was (zie 2 en 3 Johannes). Maar een discipel en apostel van Jezus kan echter ook wel 'oudste’' heten, zodat Papias toch ook de apostel Johannes op het oog kan hebben gehad.


3 Andere nieuwtestamentici zoeken de oorsprong van het Evangelie in bepaalde stromingen van het hellenistisch syncretisme (gnostisch getint). Het zou een sterk dualistische geest ademen; vandaar de grote tegenstellingen tussen waarheid/leugen, licht/ duisternis, enz.). En het in het Evangelie getekende verzet van de kant van de Joden zou slechts een voorbeeld zijn van het verzet van de ‘wereld’ in het algemeen. Daartegen strijdt echter geheel, dat Johannes over ‘de Logos’ spreekt als het vlees geworden Woord.

4 Ik zou ook kunnen verwijzen naar Matthias Grünewald (1480-1528); in zijn schilderwerk van Johannes de Doper wijst deze met een verhoudingsgewijs eigenlijk veel te lange vinger naar Jezus. Olieverf op paneel, deel van het Isenheimer altaar (1510-1515).

5 Er is wel een parallel getrokken met het literaire genre van de zgn. ‘memorabilia’ (rabbijnse geschriften met spreuken en belevenissen van rabbijnen, zoals 'Abbot’ in de Misjna). Het Evangelie van Jezus Christus is echter niet maar een biografie waarin een religieuze held in de herinnering wordt gehouden.

6 Het Evangelie is niet direct een aanvulling op wat in de andere Evangeliën is gegeven. Immers er zijn parallelle verhalen, zoals die van de tempelreiniging en van de wonderbare spijziging en van Jezus’ kruislijden en opstanding. Wel worden dingen als bekend aangenomen (bijv. wie Johannes de Doper was, hoe Jezus aan 12 discipelen kwam, enz.).

7 Aangenomen is, dat Johannes de beschikking had over een zgn. tekenbron waaruit andere evangelisten en ook hij geput zouden hebben (vandaar de overeenkomsten). Als hij echter oor- en ooggetuige van Jezus is geweest, kan hij ook helemaal uit eigen 'kennis van zaken’ hebben geschreven.

Een opvallend verschil met de synoptici is onder meer, dat bij Jobannes slechts een keer over het Koninkrijk van God wordt gesproken (Joh. 3:3,5), terwijl het Koninkrijk van God in de andere Evangeliën a.h.w. de grote inzet is. Ridderbos spreekt evenwel in dit verband over de Johanneïsche Jezus als ‘het 'personele parallelbegrip van het Koninkrijk Gods’ (blz.18).



8 Jezus is ook te Jeruzalem bij gelegenheid van andere feesten (Loofhuttenfeest: Joh. 7:2,10; het feest van de vernieuwing van de tempel: Joh.10:22).










De database wordt beschermd door het auteursrecht ©opleid.info 2019
stuur bericht

    Hoofdpagina