Een tekst vanuit ‘t rattennest” De tekst en de context van een “korte onderwijsinghe der kinderen/ inde christelijcke religie”; oftewel de theologie en ontvangst van de Goudse Catechismus



Dovnload 0.51 Mb.
Pagina1/9
Datum14.04.2018
Grootte0.51 Mb.
  1   2   3   4   5   6   7   8   9


Een tekst vanuit ‘t rattennest”

De tekst en de context van een “korte onderwijsinghe der kinderen/ inde christelijcke religie”; oftewel de theologie en ontvangst van de Goudse Catechismus, een in 1607 verschenen leerboekje voor de jeugd ten tijde van oplopende religieuze en politieke spanningen

Aangeboden aan:

Dr. H. van den Belt en Prof. Dr. W. Verboom
Subfaculteit Godgeleerdheid


Als eindscriptie van de Master

Theologie en kerkelijke gemeente
Gertjan Glismeijer 0367907

15 juli 2010

Woord Vooraf

Het jaar 1607 behoort niet tot de jaartallen die kinderen in het basisonderwijs A.D. 2010 moeten memoriseren, ook niet in het protestants christelijk onderwijs te Gouda. Toch is 1607 niet alleen het geboortejaar van onder andere Michiel Adriaenszoon de Ruyter (1607-1676) en Rembrandt van Rijn (1607-1669), maar het jaar waarin de zogenaamde Goudse Catechismus verschijnt.1


In 1607 kijkt de vroege leider van de Nederlandse opstand, Willem van Oranje (1533-1584) al weer vier jaar de 123 meter lange Sint-Janskerk van Gouda in, zij het met glazen ogen. De stad Delft heeft de Sint Janskerk namelijk een glas geschonken met daarop een weergave van het ontzet van Leiden.2 Op het moment dat het glas geplaatst wordt is het nog maar 31 jaar geleden dat Willem de Zwijger zijn oproep deed in opstand te komen tegen de ”utlandigher, bloetdorstigher verdruckers”3. In 1607, 35 jaar later dus, is er veel veranderd. De Spanjaarden hebben Gouda al lang verlaten en langzaam aan heeft de gereformeerde religie vaste grond onder de voeten gekregen in Gouda.4
In juni 2006 – bijna 400 jaar later – kijkt “de Vader des Vaderlands” vanaf glas 25 nog steeds toe als ik denk de Goudse Catechismus aan de scheidend predikant van de Sint-Janskerk5 - ds. B.J. van der Graaf – mee te geven. Tot die week was het geschriftje mij totaal onbekend. Navraag bij bekenden en een korte, snelle zoektocht hadden me al wel geleerd dat het om een zogenaamd “ketters”, “pré-remonstrants” werkje zou gaan. Daarom voeg ik Van der Graaf die avond de woorden toe: “Bas, zoek de ketterijen”. Na de afscheidsavond blijk ik echter in het geheel niet de Goudse Catechismus gegeven te hebben, maar een boekje van Jacobus Sceperus (* Amsterdam, † Gouda 10 dec. 1677) dat bekend staat als “De Goudsche Vrager”6. Gelukkig was en is de scheidend predikant ook daar erg blij mee.

Ondertussen is de interesse voor de Goudse Catechismus wel gewekt en de zoektocht naar de tekst begint. De zoektocht eindigt in Kampen waar ik De Goudsche Catechismus van Joannes Tideman vind.7 Dichter bij huis, in de Groene Hart Archieven vind ik een origineel exemplaar, waarvan de lezer in deze scriptie een letterlijke weergave van de tekst vindt. De inhoud van het geschriftje verrast mij op positieve wijze, niet in het minst omdat het Apostolicum, de Tien Woorden en het Onze Vader in ieder geval geleerd worden. Eén van de grootste manco’s in de huidige catechese is mijns inziens dat er te weinig geleerd wordt.8 De inhoud van de Goudse Catechismus verrast me vooral ook vanwege – de in mijn ogen – mooie antwoorden met een bevindelijk karakter.


Daarbij vraag ik mij – als orthodox, bevindelijk gereformeerde – wel af of ik theologisch zelf wel helemaal in het gereformeerde spoor van de vaderen (zij het de vaderen uit begin 17e eeuw) ga. Anders gezegd, wanneer dit geschriftje als preremonstrants9 en ketters wordt gekenschetst, waarom roept dit geschriftje bij mij – werkzaam als docent godsdienst op een reformatorische middelbare school – toch sympathie op? Ben ik zelf meer remonstrants dan ik weet of wil weten? Of moet ik nogmaals, kritischer gaan lezen? Deze scriptie is daartoe wel een poging.
De titel van deze scriptie “Een tekst vanuit ’t rattennest” is gekozen omdat me bij het lezen van de bronnen steeds duidelijker wordt dat de context waarbinnen de Goudse Catechismus verschijnt, een belangrijke rol gespeeld heeft bij de theologische beoordeling en waardering van de tekst in het begin van de 17e eeuw. Gouda stond eind 16e en begin 17e eeuw bekend als een vrijhaven voor vrijdenkers, wat te danken was aan een tolerant gemeentebestuur. Het leverde Gouda de bijnaam “ketternest” op, “alsoo de stadt van der Goude… altijt is geweest het rattennest ende den dreckwaghen van alle ketterijen”10. De Goudse Catechismus is de tekst – waarvan gedacht wordt dat het de Heidelbergse Catechismus wil vervangen – die vanuit dit “ketternest” verschijnt,. De reactie in een tijd van interne religieuze en politieke spanningen in de Nederlanden voor de Dordtse Synode van 1618-1619 en de onthoofding van Oldenbarnevelt (13 mei 1619), is voorspelbaar. Het conflict tussen remonstranten en contraremonstranten zal uitlopen op de veroordeling op de Dordtse Synode (1618-1619) van de eerst genoemden. Voor Gouda zal dit betekenen dat de drie Goudse predikanten afgezet zullen worden, waarna de zuivering van kerkelijk (en politiek!) Gouda kan beginnen.11
Het trof mij dat de Goudse (Oud-)Katholieke geschiedschrijver en pastoor Ignatius Walvis (1653-1714) in 1709 de tweestrijd tussen Remonstranten en Contraremonstranten beschrijft als een tweestrijd tussen zogenoemde gereformeerde en lutherse protestanten.12 Blijkbaar kijkt een buitenstaander anders tegen de strijd van Remonstranten en Contraremonstranten dan de insiders en hun (geestelijk) nageslacht. Al is het wel de vraag of hij gelijk heeft. Voor gereformeerden in de 21e eeuw is het wel van belang te beseffen dat de gereformeerde stroming aan het begin van de Reformatie in de Nederlanden breder was dan de lijn van Genève (Calvijn, Beza) alleen13. Pas na de Dordtse Synode van 1618-1619 wordt het “ultracalvinistische standpunt”14 dat in de Angelsaksische wereld wordt weergegeven met de afkorting T.U.L.I.P.15, het ijkpunt van en voor de gereformeerde beweging. Tegelijkertijd betekent ze ook een verenging.16 De reformatorische beweging in de Nederlanden was immers begonnen met Luthersen, volgelingen van Zwingli en Bullinger en een grote doperse stroming.
De tekst van zowel de Goudse Catechismus als de Heidelbergse Catechismus zijn in lopende teksten meestal cursief aangegeven, omdat het mijns inziens de leesbaarheid vergroot. De door mij geciteerde Bijbelteksten zijn allen afkomstig uit de Statenvertaling (1637, Jongbloed editie) .

Tenslotte een woord van dank aan dr. Van den Belt voor de tijd, aandacht en energie en de kritische reflectie m.n. in de beginfase toen de onderzoeksvraag geformuleerd moest worden. Hij benadrukte het belang van de beperking bij een breedsprakerig en associatief mens. Professor dr. W. Verboom dank ik voor het feit dat hij meelezer wil zijn. Temeer omdat zijn werken voor deze scriptie een hoge relevantiegraad hebben. Corine Boef dank ik voor de check op stijl en spelling van de eerste vier hoofdstukken. Daarbij ook vanaf deze plaats voor alle artikelen en dagboekstukjes die zij eerder deed. “Last but not least” dank ik Lianne Glismeijer, mijn lieve vrouw, voor de ondersteuning, de rust en de tijd die ze mij schonk en “het aanhoren van alle geraaskal”.


Gouda,

15 juli 2010


Inhoudsopgave
Woord Vooraf 1
Inhoudsopgave 5
Hoofdstuk 1 Probleemstelling en opzet 8
Hoofdstuk 2 De tekst van de Goudse Catechismus 10

2.1. De naam 10

2.2. De tekst 11
Hoofdstuk 3 Gouda en Heidelberg vergeleken 19

3.1. De inzet 21

3.1.1. GC: Een spiritueel begin 21

3.1.2. GC: De weg van de christelijke religie 22

3.1.3. GC: De inhoud van de christelijke religie 22

3.1.4. HC: De enige troost 23

3.1.5 HC: De drieslag 23

3.1.6. De inzet: een eerste conclusie bij de vergelijking tussen GC en HC 24

3.2. Ellende 25

3.2.1. GC: Geen optimistisch mensbeeld 25

3.2.2. GC: De oorsprong van het kwaad 26

3.2.3. HC: Staat en daad 26

3.2.4. HC: Onbekwaam tot enig goed 27

3.2.5. HC: doem en daad 28

3.2.6. De ellende: een eerste conclusie bij de vergelijking tussen GC en HC 28

3.3. De verlossing 30

3.3.1. GC: De verlossing 30

3.3.2. GC: Chronologisch? 30

3.3.3. GC en HC: Over het geloof 31

3.3.4. GC en HC: Geloven is… 32

3.3.5. GC en HC: De twaalf artikelen van het geloof 33

3.3.6. GC en HC: De uitleg van het Apostolicum 34

3.3.7. De GC: Ik geloof… 34

3.3.8. De GC: Het sacrament van de heilige Doop 35

3.3.9. De GC: Het sacrament van het heilig Avondmaal 36

3.3.10. De verlossing: een eerste conclusie bij… 38

3.4 Dankbaarheid 40

3.4.1. GC: Dankbaarheid als plicht… 40

3.4.2. GC: …tot eer van God 40

3.4.3. GC: Over de wet van God, de eerste tafel 41

3.4.4. GC: Over de wet van God, de tweede tafel 41

3.4.5. GC: Nogmaals het liefdegebod 41

3.4.6. GC: Over het gebed 42

3.4.7. GC: God, in Jezus Christus mijn hemelse Vader 43

3.4.8. GC: Drie plus drie is zes 43

3.4.9. GC en HC: Het besluit 44

3.4.10. De dankbaarheid: een eerste conclusie bij… 45

3.5 De theologie van de GC 46

3.5.1. De opzet 46

3.5.2. Spirituele tendensen 47

3.5.3. Geen dogmatiek 47

3.5.4. Tekstverwijzingen 48

3.5.5. Uitverkiezing: remonstranten 48

3.5.6. Uitverkiezing: contraremonstranten 49


Hoofdstuk 4 De context: “Alweer die van der Goude!” 50

    1. Bij de context 50

    2. Een beruchte uitgever en (on)bekende schrijvers uit een verdachte stad 50

      1. Omwille van de vrijheid of de godsdienst? 51

4.3. Een reactie van Reynier Donteclock 52

4.3.1. Een Proeve van: Een ironisch begin… 52

4.3.2. Bezwaar 1: De Heidelberger niet gepreekt 53

4.3.3. Het “boexken” van D.V. Coornhert 53

4.3.4. Erfzonde en uitverkiezing 54

4.3.5. Coornhert en de gewetensvrijheid 54

4.3.6. Een interne verdachte: Herman Herberts 56

4.3.7. Herberts en dus kerkelijk Gouda gevolgd 57

4.3.8. Ook Herberts ageert tegen de verkiezingsleer 58

4.3.9. Richting een schorsing 58

4.3.10. Herberts geschorst 59

4.3.11. De overheid redt Herberts 60

4.3.12. Nogmaals bezwaar 1: De Heidelberger niet gepreekt 60

4.3.13. Bezwaar 2: En de ouderen dan? 61

4.3.14. Bezwaar 3: De HC vervangen 61

4.3.15. Bezwaar 4: Niet gewacht op de Nationale Synode 61

4.3.16. Bezwaar 5: De kortheid is geen pré 61

4.3.17. Bezwaar 6: Bijbelteksten en Apostolicum zeggen op zich niets 62

4.3.18. Bezwaar 7: Geen erfzonde 62

4.3.19. Bezwaar 8: Rechtvaardig om of door het geloof 63

4.3.20. Bezwaar 9: Leven zonder zonde? 63

4.3.21. Verdere bezwaren 63

4.4. Kritiek op de GC van Acronius en Lubbertus 65

4.5. Evaluerende opmerkingen bij de context 66


Hoofdstuk 5 Conclusies 69
Geraadpleegde Literatuur 73
Bijlage 1 De tekst van de Goudse Catechismus in hedendaags Nederlands 80

Hoofdstuk 1 Probleemstelling en opzet

Dat Gouda al ruim 400 jaar een eigen catechismus heeft, was mij in 2006 totaal onbekend. Mijn eerste reacties waren dan ook “Waarom ken ik die helemaal niet? En waarom wordt die catechismus helemaal niet meer geleerd?” Door nader onderzoek ontdekte ik dat het had kunnen gebeuren dat – als de geschiedenis anders was verlopen – ik met de Goudse Catechismus opgegroeid was en dat kinderen in de Sint-Janskerk te Gouda A.D. 2010 vragen uit de Goudse Catechismus zouden moeten leren. Dat dit niet gebeurt, heeft te maken met gebeurtenissen aan het einde van de 16e en het begin van de 17e eeuw. Concreter met theologische en daaraan verbonden historische factoren. In deze scriptie probeer ik deze theologische en historische factoren in beeld te brengen.


De centrale vraag van deze scriptie is: Welke theologie zit er achter de Goudse Catechismus en welke rol speelde deze theologie in de veroordeling van dit geschrift?
Om een antwoord te vinden op deze vraag wil ik allereerst kijken naar de tekst om vervolgens naar de context te kijken. De keuze om eerst de tekst te bekijken en pas daarna de context is een bewuste. Het helpt mij – maar m.i. ook de lezer – om onbevangen en onbevooroordeeld naar de tekst van de Goudse Catechismus (voortaan te noemen: GC) te kijken. Daarbij geldt dat wie bij de context begint, het gevaar loopt niet meer zonder vooroordelen de tekst te kunnen lezen. Nu is “onbevooroordeeld” lezen vanwege het “pretheoretisch commitment” een onmogelijkheid, maar door eerst de tekst van de GC in zijn totaal weer te geven wordt de objectiviteit vergroot en kan iedere lezer zich allereerst een eigen beeld vormen.
Daarna wil ik bekijken waarin de tekst van de GC overeenkomt met of aansluit bij en waarin zij verschilt van de Heidelbergse Catechismus (voortaan te noemen: HC).

De keuze voor de HC is door twee redenen ingegeven. Ten eerste omdat dit leerboek in 1607 in Gouda voorhanden17 was en A.D. 2010 nog steeds als leidraad wordt gebruikt bij de catechese in de Sint-Jansgemeente18, hoewel de vragen en antwoorden op de catechisatie niet meer alle 129 uit het hoofd geleerd worden. Ten tweede omdat na het Convent van Wezel (1568) en de Synode van Emden (1571), waar de HC voor het gebruik in Nederland van harte wordt aanbevolen, het gebruik van de HC meer en meer verplichtend wordt opgelegd. Zo wordt op de Synode van Dordrecht (1574) o.a. besloten dat “desen Catechismum alleen opentlicken sal leeren” en dat dienaren van het Woord er op toe dienen te zien “en er zorg voor te dragen dat de schoolmeesters de geloofsbelijdenis ondertekenen, zich aan de kerkorde onderwerpen en de jeugd de Catechismus leren.”19 Op de Synodes van Dordrecht (1578), Middelburg (1581) en Den Haag (1586) wordt dit verder toegespitst.20 Op de laatst genoemde Nationale Synode wordt in artikel 61 bepaald: “De Dienaers sullen alomme des Sondaeghs ordinaerlick in de namiddaegsche Predicatie, de Somma der Christelijcke Leere inden Catechismo, die teghenwoordigh inde Nederlandtsche Kercken aenghenomen is, vervatet, cortelijck uytlegghen, alsoo dat de selve iaerlijcx magh gheeyndight worden, volghende de af-deelinghe des Catechismi selfs, daer op ghemaeckt.”21 En dat alles met het oog op de “ghelijckformicheijt der suijere leere, ceremonien ende kerckenregieringen, volgende ‘s Heeren woordt”.22 Door middel van de vergelijking tussen de GC en de HC hoop ik de conceptie van de theologie achter de GC te ontsluiten.


Daarna wil ik kijken naar de context van (m.n. kerkelijk) Gouda in 1607. Die context bepaalt – naar ik vermoed – voor een belangrijk deel de ontvangst van en de waardering voor de GC toen. Anders gezegd: de GC werd in 1607 met een bepaalde bril gelezen. De vraag is welke. Hierbij zal m.n. geluisterd worden naar de tegenstem van Reynier Donteclock23 (1545-1612 of later) die met zijn Proeve des Gouschen Catechismi24 niet alleen de “Korte onderwijsinghe” de naam “Goudse Catechismus” geeft, maar vooral forse kritiek uitoefent op het geschriftje en de auteurs.
Tenslotte zal naar aanleiding van bovenstaande gekeken worden of de Goudse Catechismus vandaag alsnog ingevoerd moet worden en welke consequenties het afwijzende standpunt van de gereformeerden van toen hebben voor vandaag.

Hoofdstuk 2 De tekst van de Goudse Catechismus

2.1. De naam

In 1607 verschijnt de “Korte Onderwijsinghe der kinderen in de Christelijcke Religie”. Deze korte “onderwijsinghe” dankt de naam Goudse Catechismus aan een tegenschrift van Reynier Donteclock getiteld Proeve des Goudschen Catechismi.

Uit de titel en het onderschrift “Gedruckt tot dienst van de jeucht TER GOUDE” wordt duidelijk dat GC is bedoeld als leerboekje voor de kinderen, waarbij m.n. te denken valt aan het onderwijs in de Goudse scholen en daarmee verbonden de gezinnen.25 Vanzelfsprekend ligt er daarbij ook een link naar de kerk. Er dient immers geen discrepantie te zijn inzake de christelijke religie tussen hetgeen in kerk, school en gezin geleerd wordt.26
Op het titelblad staan twee Bijbelteksten vermeld. Ten eerste Deuteronomium 6, 6 en 7 “Dese woorden die Ick u heden gebiede zult gij ter herten nemen, Ende zultze uwen Kinderen scharpen, ende daarvan spreken wanneer gij in uwen Huyze zittet, of op den Wege gaat, wanneer gij u neder legt offte, op-staat.” En ten tweede Efeze 6,7: “Gij Vaders voedet uwe Kinderen op door de leeringe ende vermaninge des Heeren”.

Onder aan de pagina staat aangegeven “Gedruckt tot dienst van de jeucht TER GOUDE. Bij Iacobus Migoen, Woonende op de Vismerckt in de Ladder Jacobs.” Migoen zal bij de context ter sprake komen. Ondertussen is de tekst, het leerboekje dus bestemd voor de gehele Goudse jeugd. De kerk is er tenslotte voor alle inwoners van de stad.


Achter het boekje zijn enkele formuliergebeden toegevoegd, namelijk “Een gebed om wel te mogen bidden”, een “Ander om Godt recht te kennen ende te dienen”, een “Morghen gebedt” en een “Avont ghebedt”, een “Ghebedt voor den eten” en “Een Corter”, een “Ghebedt nae den eten” en “Een corter” en enige “Spreucken der H. Schrifture, Dienstlijck om de Jeugd tot de Vreese des Heeren inteleyden”.

2.2. De tekst






Korte onderwijsinghe der kinderen inde Christelijke Religie










Vraege




Waerin bestaet u Opperste goedt?




Antwort




In mijne vereeniginge met Godt.




Vra. Wat leydet ons op den Wech/ daer door wij tot deze vereeniginghe komen?




Ant. De Christelijcke Religie




Vra. Wat vervaet de Christelijcke Religie?




Ant. Drie stucken: té eersten leert sy den mensche sijn ellende kennen: té tweeden wijstse hem aen sijne verlossinge: ten derdé onderrichtse hem vá sijne schuldighe plicht der danckbaerheyt voor de verloossinge.










Het eerste stuck,




Van onse ellende.




Vra. Waer in bestaet uwe ellendicheyt?




Ant. Daer in/ dz ick door mijne Sõde/ vooreerst de doot eñ verdoemenis/ daer nae oock de dienstbaerheyt der sonden onderworpen ben.




Vra. Waer door kent ghij uwe sonde?

Rom. 3.20

Ant. Door de Wet Godes.




Vra. Hoe kent ghij uwe sonde door de wet Godes?

Mat. 22: 37,39

Ant. Door dien mij de wet leert/ dat ick Godt van gantscher herté, ende mijnen naesten als mij selven moet lieven; eñ ick in mijn herte overtuycht ben/ sulcks niet ghedaen te hebben.




Vra. Sijt gij dan hier om de doot ende verdoemenis onderworpen?

Rom. 6: 23

Gal. 3:10



Ant. Jae ick: want de besoldinghe der sonden is de doot: en daer is geschreven/ vervloeckt is een yeghelijck die niet blijft in alle het ghene, dat inden boeck deses wets gescheven is, om dat te doen.




Vra. Volcht oock hier uyt dat ghy een dienstknecht der sonden sijt?

Joh. 8:34

Ant. Jae; want de Heere Christus seyt/ wie sonde doet, is eé dienstknecht der sonden: oock bevinde ick in my dz ickvan mij selven onmachtich ben de sonde teghen te staen/ ende de gerechticheyt te dienen.




Vra. Welck is nu den eersten oorspronck aller deser quaden?

Gen. 1:27

Rom. 5:12



Ant. Niet Godt/ die den mensche goet eñ oprecht nae sijnen evenbeelde gheschapen heeft/ maer gelijck Paulus seght/, de sonde is door eenen mensche, inde werelt gecomen, ende door de de sonde de doot.




Het tweede stuck




Van onse verlossinge




Vra. Hoe wort ghy van dese ellendicheyt verlost?

Joh. 3:16

Ephes 2:4

1 Cor. 1:30


Ant. Door de liefde, ghenaede, eñ bamherticheyt Godes des Vaders, welcke ons sijné eenich geboren Sone Iesum Christum heeft gheschoncken, tot wijsheyt, gherechticheyt, heylichmaeckinghe, ende verlossinghe.




Vra. Waer inne bestaet de verlossinge van de doot ende verdoemenisse?

Rom. 3:24, 25

Ant. Daer inne/ dat wij van Godt uyt sijne genaede, om niet gherechtveerdicht wordé, door de verlossinge in Christo, eñ versoenige in sijné bloede.




Vra. Hoe wort ghy voorder verlost vande dienstbaerheyt der sonden?

Rom. 6:6, 10

1Pet. 2:24



Ant. Also dat Christus door sijné Gheest/ den ouden mensche, eñ cracht der sonde in my doodet, ende my een nieuwe mensche maeckt, op dat ick der zonde gestorvé zijnde, der gerechticheyt leve.










Van het geloove




Vra. Maer wie sijn dese/ die deser weldaden deelachtich worden?

Joh. 3:16

18

36



Ant. Die in Christum ghelooven/ wát also lief/ seght de Heere Christus/ heeft Godt de werelt gehadt, dat hij sijné eenich geboren Sone gegevé heeft, op dat een yeghelijck die in hem ghelooft, niet en verderve, maer in het eeuwighe leven hebbe: eñ ter contrarie; die niet en gelooven sijn verdoemt, ende den toorn Godts blijft op hen.




Vra. Wat is dit geloove?

Heb. 11:1

Eph. 3:12

Act. 4:12

1 Pet. 1:21

Mat. 28:18

Heb. 5:9


Ant. Een seker vertrouwen des gemoets op Jesum Christum/ als op mijnen eenigen eñ volcomené Saelichmaecker, eñ door hem op Godt mijné Vader, die hem alle macht in hemel eñ aerde gegeven heeft, eñ een oorsaeck der eeuwigher salicheyt gemaeckt, allé den gené die hem gehoorsaem sijn.




Vra. Wat is nu eenen Christen al noodich te gelooven?




Ant. Alle het ghene ons Godt in sijn woort geopenbaert heeft/ ende in twaelf Articulen onses Christelijcké geloofs in eéder summe vervaet is.




Vra. Hoe luyden dese Articulen?

I

Ant. Ick geloove in God dé Vader, dé almachtigé, Schepper des Hemels eñ der Aerdé.

II

Eñ in Iesum Christum sijné eé geboré sone onsé Heere,

III

Die ótfangé is váden heyligé Geest, geboré uyt de maget Maria.

IV

Geledé heeft óder Pótio Pilato, is gekruyst, gestorvé eñ begravé, neder gedaelt ter Hellé:

V

Té derdé dage wederó opgestaé vádé doode,

VI

Op gevaren ten Hemel; sit ter rechter hát Godes des almachtigé Vaders.

VII

Vá daer hij komé sal te richté de leveñ eñ doodé.

VIII

Ick geloove inden heyligen Geest.

IX

Ick geloove een heylige algemeyne christelijke Kercke: Gemeenschap der Heyligen,

X

Vergevinge der sonden,

XI

Opstandinge des Vleeschs.

XII

Ende een eeuwich leven.










Vra. Ist u oock genoegh deze Articulé alleé vá buyté te kónen zeggen?




Ant. Neen ‘t: maer ick moet die zelvighe te recht verstaen.




Vra. Wat geven u dese articulen te verstaen?




Ant. Dat Godt die al machtige/ die Hemel eñ aerde geschapé heeft/ eñ noch onderhout/ sij eé Vaeder; Jesus Christus de Sone Godts eñ des mésché/ sij de verlosser/ eñ saligmaecker; de heylige Geest/ welcke is de Geest des Vaders eñ des Soons/ zij de Heyligmaker aller der gener die in den Vader/ Sone/ eñ h. Geest geloové/ dat is der heyliger algemeyner Kercké; eñ dz de selfde Kercke/ uyt de genade des Vads inde gemeéschap des Soons/ door werckinge des gheestes deel heeft/ an vgevinge der sondé/ opstandinge des vleysches/ ende het eeuwige leven.




Vra. Maer wat Gheeft ghij te verstaen als ghij segt voor u selven/ ik geloove in God den Vader/ Sone/ ende heyligen Gheest?




Ant. Dat oock ik/ Godt tot mijné Vader hebbe/ Christum tot mijné Salichmaecker/ ende den H. Gheest tot mijnen Heylichmaecker/ ende over sulckx als eé ware Lidt der heyligher algemeyner Kercke/ ghemeynschap hebbe met den heyligen aé de vergiffenis der sonden/ aen op-standinghe des vleysches/ eñ het eeuwighe leven.










Vanden heyligen Doop




Vra. Hebt ghy hier van oock eenige uyterlijcke versegelinge?

Mat. 28,19

Ant. Jae ick door den Heylighen Doop: Want als ik door bevel Christi met waeter ghedoopt worde inden naeme des Vaders, eñ des Soons, eñ des Heylighen Geestes, so verclaert de Vader/ dat hij mij aenneemt tot zijn kint/ de Sone/ dat hij mij wascht in sijnen bloede/ de heylighe Gheest/ dat hij mij heylicht ende vernieuwt tot een kint Godts/ ende Jesu Christo/ ende sijner kercke/ als een lidtmaet inlijft.




Vra. Besegelt dé Doop nz anders?

Mal. 1:6

Luc. 1:75

Mat. 16:24


Ant. Jaese; oock mijne schuldighe plicht tegés Godt/ dat is: dat ick als een kint eñ bont-genoot Godes/ mij selven hem wederom alle de daeghen mijnes levens te diéste stelle/ met verloocheningh van mij selven/ de Duyvel/ de werelt/ ende alle sonden.




Van het heylighe Avondmael




Vra. Isser niet noch wat anders ingstelt tot verseghelingh van die heylsaeme gemeenschap die wij met Christo hebben?




Ant. Jae/ het heylige Avontmael onses heeren Jesu Christi.




Vra. Hoe luyt de instellinge des Avontmaels?

Mat. 26:26

Luc. 22:19

Mat. 26:27

Luk. 22:20



Ant. Aldus, Al sy aetn nam Iesus het broot, ende als hij gedanckt hadde, brack hij ‘t, eñ gaft sijne Discipulé, eñ seyde: Neemet, etet, dit is mijn lichaem, dz voor u gegevé wort: doe dz tot mijner gedachtenisse. Desghelijkx oock nam hij dé drinck-beker nae het Avót-mael, eñ dácte, eñ gaffé haer, seggeñ, drinckt alle daer uyt, wát dit is mijn bloet des nieuwé Testamétes, dat voor velen vergoten wort, tot vergevinge der zondé.





Vra. Hoe wort ghij in desen Avontmale verseghelt vá die gemeynschap/ die ghij met Christo hebt?

1Cor. 11:26

1Cor. 10:16

Mat. 26:27


Ant. Also.dz so waerlijc ik metté móde vá desé broode eñ wijne tot gedachtenisse des doots Christi, nuttige, ik ooc; door dé Geloove; gemeenschap hebbe met sijn gecruyste lichaem, eñ vergoté bloede tot verghiffenis mijner sonden ende genietinge des eeuwigen levens.










Het derde stuck




Vá onze danckbaerheyt




Vra Dewijle ghij nu dusdaenighe groote weldaeden van dé Heere ontvangen hebt/ sijt ghij hem hier voor oock danckbaerheyt schuldich?

Psal. 116:12,13

Ant. Jae ick/ ende moet hier billijck met David seggé/ Hoe sal ic dé Heere vergeldé alle sijne weldaedé die hij aen mij doet? Ick wil dé beker der salichedé nemen, eñ den Naeme des Heré prijsé.




Vra. Hoe prijst gij den Heere ende hoe betoont gy u recht danckbaer teghens hem?

Rom. 12:1

1Cor. 6:20



Ant. Wanneer ick my selven geheel ende gants door Christum Gode tot sijné diést opoffere/ eñ hem eere, beyde in lichaem eñ Geest, die hem eygé sijn.




Vra. Waer inne is dese eere Godts gelegen?




Ant. Voornaemelijck in twee stucken: in de ghehoorsaemheyt van syne wet/ ende in de aenroepinghe van sijne Naem.










Van de Wet Godes










Vra. Hoe luyt de wet Godes?

Exod. 20:1

Ant. Evé also ons die beschrevé is Exod. 20*2. eñ aldaer vervatet in dese naervolgende thien Gebodé door dé mont Godes aldus uytgesproken.




Ick ben de Heere uwe Godt, die u uyt Egypten landt, uyt den diensthuyse geleyt hebbe.




Het eerste gebot




Ghij en sult geen andere Godé benevé mij hebben.




Het tweede gebot

.

Ghij en sult u geen beelden noch eenige gelijckenisse maken, noch van tgene datter boven inde Hemelen, noch van datter onder op der Aerden, oft vá datter inde Wateren onder der Aerden is. En aenbidtse, noch eertse, noch diétse niet: Want ick ben de Heere u God, sterk ende yverich, die de misdaet der Vaderen besoecke aen de Kinderen, tot int derde, ende vierde lidt, der gener die my haten; Eñ ick doe bermherticheyt aen veel duysendé die my lief hebben, ende mijne geboden onderhouden




Het derde Gebodt




Gij en sult den Naeme des Heeré uws Godts niet te vergeefs oft lichtveerdiglijck gebruycké: Want de Heere en sal hem niet ontschuldich houden, noch ongestraft laten, die sijnen Name te vergeefs ofte lichtveerdelijck gebruyckt.




Het vierde Gebodt




Zijt gedachtich des Sabbath-daechs, dat gij dien heyliget. Ses dagen sult gij arbeyden, ende alle u werck doen: maer den sevensten dach is den Sabbath des Heeren uwes Godts, dan en zuldij geé werk doé, noch u zoone, noch u dochter, noch u knecht, noch u diéstmaecht, noch u vee, noch u vremdling, die in uwe Stadtpoorten is : want in zes dagé heeft de Heere Hemel ende Aerde gemaeckt, ende de Zee, ende al datter in is: eñ hij ruste ten zevenden dage : hier om zegende de Heere dé Sabbathdach ende heylichden den zelven.




Het vijfde Gebodt




Ghij zult u Vader ende Moeder eeren, op dat ghij langhe leeft op der Aerden, ende dattet u wel ga indé Lande, twelck u de Heere uwe Godt geven zal.




Het zeste Gebodt




Ghij en zult niet dooden




Het zevende Ghebodt




Gij en zult geen Overspel doen.




Het Achste gebodt




Ghij en zult niet Stelen.




Het negende gebodt




Ghij en zult geen valsche getuygenisse spreken tegen uwen naesten




Het tiende Ghebodt




Ghij en zult niet begeren uwes naesten huys, noch zijn Wijf, noch zijn Knecht, noch zijn dienstmaecht, noch zijn Osse, noch zijn Ezel, noch oock eenich ding, dat zijne is.










Vra. Hoe wordt deze Wet gedeelt?

Exo. 34:29

Deut. 4:13

Mat. 22:37,

38, 39, 40.



Ant. In twee taeffelé: Waervan de eerste begrijpt onze schuldighe plicht tegen Godt/ inde vier eerste Gebodé: ende d’ander onze schuldige plicht tegen onzen naesten/ inde zes navolgéde.




Vra. Welc is int korte uwe plicht tegen Godt?

Joh. 4:24





Ant. Dat ick Hem alleen houde voor den eenigen waeren Godt/ bové alle dinck lief hebbe/ eere eñ vreeze/ op Hem alleen vertrouwe/ ende Hem alleen aenroepe: dat ick hem diene op zoodanige wijze/ als hij bevolen heeft/ in geest ende waerheyt, niet door beelden/ zonder eenige gheveinstheyt/ eñ misbruyck sijns H. Naems/ met ond-houdinge synes Sabbaths/ door heijlige oeffeningen dien dach betaméde.




Vra. Welcke is uwe schuldige plicht teghen uwen naesten?




Ant. Dat ick vader ende moeder/ ende alle die over mij in lichamelicke ende geestelijcke dinghen ghestelt syn; als Overheden/ kerckélerars/ schoolmeesters, ende diergelijcke/ liefhebbe/ eere/ ende gehoorsaeme: niemants lichaem/ noch leven crencke/ maer veel meer/ so veel mij doen lijck is/ t’ selvige bescherme : dat ick geen oncuijsheyt door overspel/ hoerdom/ ofte iet desgelijcx bedrijve/ maer mijn lichaem in maeticheyt ende reynicheyt besitte: dat ick mijnes naesten goederen met gheene onrechtveerdige middelé verminder/ maer veel eer die help bewaeren ende vermeerderen: zijnen goeden naem oft faem niet en schende/ maar die/ so veel de waerheyt eñ goede stichtinge toelaet/ verdedige: eñ eyndelijck niets van alle het ghene hem toebehoort/ beghere.




Vra. Meent ghy dit nu dus ghenoch te sijn/ als ghy dit dus uyterlijcken alleen onderhout metten lichaé?

Joh. 4:24

1 Sam. 16:7



Ant. Neen ick; want God die een Gheest is, eñ sonderlinghe op het herte siet, eyscht met dese woorden ooc/ dat wij ons metter herten/ gedachten eñ begheerten/ van alle dese quaden sullen onthouden.




Vra. Hebt ghy niet een cort begrip van alle dese geboden int woort des Heeren?




Ant. Jae ick, Matthei int twee eñ twintichste Capittel daer de Heere Christus seijt: Ghy sult lief hebben dé Heere uwen Godt, uyt alle uwer herté, uyt alle uwer zielen, ende uyt alle uwé verstande. Dit is het eerst ende groote ghebot.




Ende het tweede, twelcke desen gelijck is: Ghy sult lief hebben uwen naesten, ghelijck u selven. In dese twee geboden hangt de gantsche wet eñ Propheten.




Vra. Cont ghy dese gheboden oock uyt u selven onderhouden?

Ezech. 36:27

Ephes. 2:10

Phil. 2:13


Ant. Neen ick: maer is my noodich dat mij Godt door zijnen Gheest daer toe lust ende cracht gheve, eñ in mij werke het willé eñ het volbrengen.




Vant Ghebet




Vra. Hoe roept ghy Godt aen?




Ant. So als ons de Heere Christus selfs gheleert heeft.




Onse Vader, die zijt inde Hemelen




Uwen Name werde gheheylicht.




U Rijcke toe kome.




Uwen wille geschiede op der Aerden als inden Hemel.




Gheeft ons hedé ons dagelijcx broot.




Ende vergheeft ons onse schulden, als wij vergeven onse schuldenaren.




Eñ en leydt ons niet in versoeckinge:




Maer verlost ons vanden quaden.




Want uwe is dat Rijck, de Kracht, eñ de heerlijcheyt, inder eewicheyt: Amé.





Vra. Hoe veel stucken merckt ghy aen in dit ghebet?




Ant. Drie: eerstelijck de voorrede/ daer nae het versoeck selfs/ ende ten derden het besluyt.




Vra. Hoe luyt de voorrede?




Ant. Onse vader die gy syt in de Hemelen




Vra. Wat leert u dese voorede?




Ant. Drie dinghen; ten eersten wié ick moet aenroepen/ ten anderen in wiens naem/ ende oock met wat hert.




Vra. Wien leert u hier Christus aanroepen?

Luc. 11:13

Psal. 115:3



Ant. Godt mijnen hemelschen Vad/ dewelke mij als mijne getrouwe Vader wil ghevé/ alles wat mij aen ziel eñ lichaem noodich is/ eñ als een Hemels Almachtich Godt/ dat ooc vermach.




Vra. In wiens naem moet ghy hem aanroepen?

Joh. 16:13

Joh. 1:12



Ephes. 3:12

Ant. In de naem onses Heeren Iesu Christi/ in den welcken Godt onse Vader is, ende wij de vrijmoedichheyt ende den toeganck tot hem hebben.




Vra. Met wat hert moet ghy hem aanroepen?




Ant. Dat ontsteken is met kindelijcke vreese/ ende vertrouwen/ want alsoo hij een Hemelsch/ dat is heylijch ende almachtich Vader is/ so en moet men niet dan met een heylige eerbiedinge/ en de vast vertrouwen op sijne vaderlicke goetheyt ende Godtlijcke almogentheyt tot hem treden.




Vra. Waer in bestaet het versoeck?




Ant. In ses beden: waarvan de drie eerste de bevorderinge vá Gods eere/ ende de drie laetste onse nootsackelijcheyt betreffen.





Vra. Wat versoeckt ghy tot bevorderinge van Gods eere?




Ant. Dat sijnen heerlijcken H. Naem/ door hem/ mij/ eñ alle creaturen groot gemaeckt werde/ inde toecomst ende wasdom des Ryckx sijner genaeden; twelck alsdan d’overhant heeft/ als sijnen wille van ons hier op der Aerden/ gelijck van d’Engelen inden Hemel/ geschiet.




Vra. Wat syn uwe behoeften ende nootsaeckelijcheden daerõ ghy Godt hier bidt?




Ant. Dese zijn ten deele tot ons lichaemelijcke ende ten deel tot ons geestelijcke leven behoorende: tot onderhoudinge van ons lichaemelijcke leven/ bidden wij om ons daegelijckse broot/ dat is/ om voetsel/ deksel/ ghesontheit/ vrede/ eñ alles/ wat ons tot onderhoudinge deses levens vá nooden is: tot behoeff des Geestelijcken levens bidden wij om twee dinghen/ voor eerst dat hij ons onse sonden/ die wij hebben begaen/ uyt genade wil quijt schelden: ten tweedé dat hy ons voort aen voor sonde wil bewaeren/ ende van alle quaet bevryden.




Vra. Wat ist besluyt van dit gebedt?

Ephes. 3:2

Ant. Want u is dat Rijck, die cracht, de Heerlijcheyt, in der eeuwicheyt, Dat is/ dit alles versoecke ick alsoo terecht; want de wijle ghy onsen Coninck sijt ende over ons ende alle dinck het opperste ghebieden hebt/ so behooren wij u aenteroepen ende uwes naems eere te soecken: ende uwe cracht verzekert ons, dat ghy ons bové onse bidden ofte dencken overvloedelijcken cont doen ende geven wat wij bidden tot uwen lof: dien ere comt ende heerlijcheyt van eeuwicheyt tot eeuwicheyt.




Vra. Wat beduyt het woordeken Amen?




Ant. Een hertelijcke wenschinge dat onse gebet moge/ en een vaste verzekeringe dat het zal verhoort worden










EINDE


  1   2   3   4   5   6   7   8   9


De database wordt beschermd door het auteursrecht ©opleid.info 2017
stuur bericht

    Hoofdpagina