Een tekst vanuit ‘t rattennest” De tekst en de context van een “korte onderwijsinghe der kinderen/ inde christelijcke religie”; oftewel de theologie en ontvangst van de Goudse Catechismus



Dovnload 0.51 Mb.
Pagina2/9
Datum14.04.2018
Grootte0.51 Mb.
1   2   3   4   5   6   7   8   9

Hoofdstuk 3 Gouda en Heidelberg vergeleken
In dit hoofdstuk wil ik de Goudse Catechismus inhoudelijk doornemen en vergelijken27 met de Heidelbergse Catechismus. De Heidelbergse Catechismus is in opdracht van Frederik III (1515–1576), keurvorst van de Paltz, geschreven. Frederik die de reformatie in woord en daad wenst te steunen – en door Bierma als “Philippist” gekenmerkt wordt28 – wil zijn onderdanen onderwijzen in de gereformeerde beginselen. Daartoe laat hij een leerboek schrijven door geleerden in de Paltz. Waarschijnlijk is Zacharias Ursinus (1534-1583) de belangrijkste auteur. Eerder (1562) schreef hij de Catechismus Major (of “Summa theologiae”) bestaande uit 323 vragen bestemd voor zijn studenten en de Catechismus Minor, met 108 vragen voor de niet-gestudeerde gemeente.29 Ursinus wordt bij het schrijven van de HC bijgestaan door zijn voorganger Caspar Olevianus (1536-1587). De exacte rol van Olevianus bij de totstandkoming van de HC is echter onduidelijk. In 1563 verschijnen een tweede en derde druk die ook in het Latijn vertaald worden. Petrus Datheen is degene die in 1563 de HC vertaalt in het Nederlands vanuit de tweede Duitse druk, d.w.z. zonder het anathema bij vraag 80.30 Met zijn vertaling ontsluit Datheen het leerboek voor de Nederlanden. De herdruk uit 1566 met enkele kleine wijzigingen in de tekst is de standaardvertaling geworden.31 Het is deze vertaling waarop men in Wezel (1568) doelt, als gesproken wordt over de HC als leerboek voor de kerk. Ook de Synodes van Dordrecht (1578), Middelburg (1581) en Den Haag (1586) stellen dat de HC als leerboek van de kerk in de Nederlanden geleerd en onderwezen moet worden. Ook in Gouda – dat sinds 8 juli 1578 los van Dordrecht binnen de classis Gouda valt en begrenst wordt door de Hoog-Rijnlandse, Rotterdamse en Dordtse classes en door de provincie Utrecht32 - dient dit te gebeuren. In de praktijk wordt dit echter nagelaten, en dat niet alleen in Gouda33. De Goudse nalatigheid was echter een vast agendapunt op classicale en synodale vergaderingen.34
Wanneer dus naast de HC een nieuw leerboekje verschijnt voor de jeugd in Gouda, kan de aanleiding daartoe gezocht worden op pedagogisch, didactisch, maar ook op theologisch terrein. Op dat laatste terrein zal gefocust worden bij het zoeken naar antwoorden op de vraag “Waarin verschilt de GC van de HC?” Om de verschillen op het spoor te komen, wordt de gehele GC besproken, waarbij gekeken wordt naar alle formuleringen en de “weglatingen” van vragen en antwoorden van de HC in de GC. Daarbij hanteer ik de indeling: “inzet, ellende, verlossing, dankbaarheid”. Door deze manier van werken hoop ik dat er beeld ontstaat van de “theologie” van de GC.
3.1. De inzet

3.1.1. GC: Een spiritueel begin

De GC begint met de vraag “Waerin bestaet u Opperste goedt?”. Met deze woorden wordt direct duidelijk gemaakt waar het de schrijver(s) om te doen is: het kind, de catechisant dient te beseffen dat het hoogste goed en geluk ligt in het antwoord In mijne vereeniginge met Godt, oftewel de verbondenheid met Hem. Het relationele aspect krijgt dus vanaf het begin de centrale plaats. In de christelijke religie gaat het om de relatie. Hiermee heeft de GC een sterk Bijbels en reformatorisch grondpatroon te pakken. De mens is geschapen naar het Beeld van God (Gen. 1:27). Juist na de zondeval (Gen. 3,1-6), wanneer de relatie is verbroken, roept God de mens, Adam: “Waar zijt gij?” (Gen. 3,9) en belooft een herstel van de relatie in de zogenaamde moederbelofte (Gen 3,15). God zoekt de weggelopen mens op, omdat Hij hem niet voor de eeuwige ondergang over heeft (Ez. 33,11)35. God is de God van het verbond36. Hij is het Die in Zijn Zoon, Jezus Christus de relatie herstelt en het eeuwige leven ontsluit. Kernachtig wordt dit samengevat in het evangelie naar Johannes (17,3): “En dit is het eeuwige leven, dat zij U kennen, den enigen waarachtigen God, en Jezus Christus, Dien Gij gezonden hebt.”


De GC grijpt echter niet alleen terug op de Bijbel, maar ook op de kerkgeschiedenis. De kerkvader Augustinus – wiens werken zo’n belangrijke rol speelden bij de Reformatie – had immers beleden: “Gij zet hem (d.i. de mens – gjg) aan om er vreugde in te vinden u te loven, want gij hebt ons gemaakt naar u, en ongerust is ons hart totdat het zijn rust vindt in u”.37

Verder kan hier de vader van de bruidsmystiek Bernard van Clairvaux (1090-1153) genoemd worden. In de bruidsmystiek wordt de kerk voorgesteld als de bruid van Christus, de Bruidegom.38 De Moderne Devotie39 nam deze bruidsmystiek over, waarbij ze ook het gewone volk betrok. De vereniging met God is niet alleen weggelegd voor geestelijken die zich terugtrekken in het klooster, maar is er voor allen die de navolging van Christus willen beoefenen. Voor hen schreef Thomas a Kempis (ca. 1379 – 1471) De navolging van Christus.40 De scheiding tussen de geestelijkheid en het volk wordt doorbroken. Het geestelijk leven wordt niet alleen in het klooster geleefd, maar in het bestaan van elke dag. Deze gedachte vormt voor de Reformatie de basis van ‘ambt van alle gelovigen’.


Tenslotte wordt niet alleen de associatie met deze bruidsmystiek opgeroepen, maar ook de associatie met spiritualisten als Niclaes41, en vooral met D.V. Coornhert met zijn Opperste ghoeds nasporinghe uit 159042, al was Coornhert natuurlijk en geestelijk bezien niet de eerste die nadacht over het “summum bonum”. Hij was ook niet de enige in de 16e eeuw, maar daarover later.

3.1.2. GC: De weg van de christelijke religie

De GC vervolgt dan met te vragen: “Wat leydet ons op den Wech daer door wij tot deze vereeniginghe komen?”, waarop het antwoord luidt: “De Christelijcke Religie”.

Zoals boven gesteld gaat het in de christelijke religie om de relatie. Voor de relatie met God, de vereniging met Hem moet de weg van de christelijke religie begaan worden. Andere wegen tot de vereniging met God worden daarmee afgesneden. Daarbij geldt dat deze vereniging met God er dus niet zonder meer is. Niet dat een mens er moet “komen”43, maar de vereniging is er – ook voor het gedoopte kind – niet automatisch, al kan gezegd worden dat de gelovige gedoopte de weg der religie zal gaan44. Sterker, de christelijke doop behoort bij de christelijke religie. Maar ondertussen is wel duidelijk dat degene die de weg van de christelijke religie niet betreedt, de vereniging met God misloopt. Daarmee wordt de zaak, de vereniging met God, direct op scherp gesteld.
3.1.3. GC: De inhoud van de christelijke religie

De logische vervolgvraag voor de GC is wat die Christelijke religie dan inhoudt. Het GC antwoordt daarop: “Drie stucken: té eersten leert sy den mensche sijn ellende kennen: té tweeden wijstse hem aen sijne verlossinge: ten derdé onderrichtse hem vá sijne schuldighe plicht der danckbaerheyt voor de verloossinge.”

De christelijke religie leert de mens dus zijn ellende kennen, wijst op zijn verlossing en geeft onderricht inzake de schuldige plicht van de dankbaarheid. Let wel, dit doet niet de Geest – al speelt Hij er een cruciale rol in – maar het christelijk geloof.
3.1.4. HC: De enige troost

Vergeleken met de opening van de GC waarbij direct doorgestoten wordt tot de kern, de vereniging met God, lijkt de openingsvraag van de HC afstandelijker. Zij luidt “Welck is uwen eenighen troost beyde int leven ende sterven?”.45 Het antwoord daarop is echter alles behalve “afstandelijk” en luidtDat ick met lijf ende siele, beyde int leven ende sterven, niet mijn, maer mijns getrouwen Salichmakers Jesu Christi eygen ben, die met zijnen dierbaren bloede voor alle mijne sonden volcomelick betaelt, ende my uyt alle gewelt des Duyvels verlost heeft, ende alsoo bewaert, dat sonder de wille mijns hemelschen Vaders gheen hayr van mijnen hoofde vallen can; ja ooc dat my alle dinck tot mijnder salicheyt dienen moet, daerom Hy my oock door sijnen heylighen Gheest des eeuwighen levens versekert ende hem voortaen te leven van herten willich ende bereyt maeckt.


Met dit antwoord – waarbinnen het christologisch element een spilfunctie vervult binnen het trinitarische karakter van het antwoord46 – is alle afstandelijkheid verdwenen. Met name het persoonlijk, bevindelijke element krijgt het volle gewicht. Elk kind moet weten dat het heil is iets dat buiten hem of haar ligt, namelijk in Jezus Christus. Het objectieve en het subjectieve gaan hand in hand. Als subject wordt “ik” – d.i. de leerling – helemaal betrokken in de objectieve vraag naar de troost in leven en sterven. “Ik” ben van Jezus Christus, gekocht en betaald. Hij heeft “mij” verlost en te midden van alle bedreigingen weet “ik” dat Hij “mij” vast houdt. Dat alles tot “mijn” zaligheid moet dienen. Hij verzekert “mij” van het eeuwige leven en er voor zorgt dat “ik” er zin in heb Hem helemaal te dienen.
3.1.5 HC: De drieslag

Vervolgens wordt gevraagd hoeveel stukken nodig zijn te weten, “opdat ghy in desen troost salichlick leven en de sterven mooght?”, waarop geantwoord wordt “Drye stucken. Ten eersten, hoe groot mijne sondenj ende ellendek zy. Ten anderen, hoe ick van alle mijne sonden' ende ellendel verlost worde. Ende ten derden, hoe ick Gode voor sulcke verlossinghe sal danckbaer zijn.”

De drie stukken heeft de GC overgenomen van de HC. Opvallend in de HC is het spreken over “mijn zonden en ellende” en over “ik” die verlost wordt en God dankbaar zal zijn. Anders gezegd: in deze drieslag wordt “ik” helemaal betrokken. De drieslag is niet alleen een leerstuk dat ik voor kennisgeving aan kan nemen (of niet), het gaat helemaal over “mij”. “Ik” word er helemaal in betrokken.
3.1.6. De inzet: een eerste conclusie bij de vergelijking tussen GC en HC

De GC kent een spirituele inzet met de vraag naar het hoogste goed en legt de nadruk op het relationele aspect van de verbondenheid tussen God en mens. Met deze inzet worden associaties opgeroepen met de bruidsmystiek van Bernard van Clairvaux en de Moderne Devotie, maar ook met Coornhert en tal van andere mystici. Bij de context zal gekeken worden of er grond is voor deze associaties.


In vergelijking met de GC, valt op dat de HC de leerling vanaf het begin op de Drie-enige God werpt. Ongetwijfeld hebben Ursinus en Olevianus weet van het feit dat niet iedere gedoopte leerling de zaken van zondag 1 gelooft. En toch... allen worden geheel en al geworpen op het houvast van de enige troost, dat Hij vast houdt.
De GC hanteert dezelfde drieslag als de HC, “ellende – verlossing – dankbaarheid”. Het verschil is wel dat de HC direct toe-eigent. Zij spreekt over “mijn zonden en ellende” en over “ik” die moet weten hoe God dankbaar te zijn voor de verlossing. De HC is hier dus “onderwerpelijk” en kiest pedagogisch gezien voor de “teach in” positie. De GC kiest voor de “voorwerpelijke” uitleg, de wat pedagogen noemen de “teach about” positie. Ze spreekt immers over “de mens” die zijn ellende leert kennen, weet heeft van de verlossing, om vervolgens onderricht te geven “inzake de schuldige plicht van de dankbaarheid”.
Bij zowel de GC als HC kan de vraag gesteld worden hoe de drieslag gelezen moet worden. Is dat chronologisch, waarbij de gelovige eerst zijn ellende leert kennen, vervolgens hoort van de verlossing en dit gelooft, om daarna als dankbaar mens te leven? Of is het thematisch, concentrisch? Anders gezegd: geldt hetgeen bij de ellende gezegd gaat worden ook voor de christen, die opnieuw geboren is en telkens opnieuw – dieper en dieper – zijn ellende ontdekt, of gaat het om een route, waarbij voor de ellende voor de verloste christen een gepasseerd station is? Hieronder komen we er op terug47.

3.2. Ellende

3.2.1. GC: Geen optimistisch mensbeeld

De ellende waarin de mens zich bevindt en die de christelijke religie leert is volgens de GC “Daer in/ dz ick door mijne Sõde/ vooreerst de doot eñ verdoemenis/ daer nae oock de dienstbaerheyt der sonden onderworpen ben.” De GC behandelt hier met een paar woorden de antropologie en schetst hierbij geen optimistisch mensbeeld. De mens is onderworpen aan de dood en de verdoemenis en daarbij ook nog eens onderworpen aan de dienstbaarheid van de zonde. En die mens ben “ick”. Het gaat immers om “mijn zonden”. Tegelijkertijd is “geen optimistisch mensbeeld”, wat anders dan een volstrekt negatief mensbeeld. Onderworpen aan de dood en verdoemenis, is iets anders dan geestelijk dood en verdoemd zijn.


Wanneer gevraagd wordt “Waer door kent ghij uwe sonde?”, dan is het antwoord, met een verwijzing naar Rom. 3,2048, “door de Wet Godes”. De logische vervolgvraag luidt: “Hoe kent ghij uwe sonde door de wet Godes?”. Het antwoord met een verwijzing naar Mat. 22, 37,3949: “Door dien mij de wet leert/ dat ick Godt van gantscher herté, ende mijnen naesten als mij selven moet lieven; eñ ick in mijn herte overtuycht ben/ sulcks niet ghedaen te hebben.” De GC bespreekt de wet, als wet van Christus. De zonde van de mens is dat hij God niet met hele hart liefheeft, noch de naaste als zichzelf. Aangaande de zonde zit het dus vast op de liefde. Door aan te sluiten bij het liefdegebod van Christus Zelf, wordt direct doorgestoten tot de kern. Zonde en zonden zijn geen abstracte begrippen, maar worden concreet verbonden aan het gebrekkige liefhebben van God en de naaste. In het antwoord is dan wel opmerkelijk dat er staat “suclks niet ghedaen te hebben”, en niet “dat ik zulks niet doe”. Ondertussen is het niet liefhebben – zoals het behoort – wel schuld. Het leidt tot de vraag “Sijt gij dan hier om de doot ende verdoemenis onderworpen?” Het antwoord – met verwijzingen naar Rom. 6, 23 en Gal. 3,1050 - : “Jae ick: want de besoldinghe der sonden is de doot: en daer is geschreven/ vervloeckt is een yeghelijck die niet blijft in alle het ghene, dat inden boeck deses wets gescheven is, om dat te doen.” De gevolgtrekking luidt dan “Volcht oock hier uyt dat ghy een dienstknecht der sonden sijt? Jae; want de Heere Christus seyt/ wie sonde doet, is eé dienstknecht der sonden: oock bevinde ick in my dz ickvan mij selven onmachtich ben de sonde teghen te staen/ ende de gerechticheyt te dienen.” Bij deze vraag en antwoord is één tekstverwijzing naar Joh. 8,34 waarin de Heere Jezus tegen de Joden die in Hem geloofden zegt “Voorwaar, voorwaar zeg Ik u: Een iegelijk, die de zonde doet, is een dienstknecht der zonde.”
Met vijf vragen en antwoorden schetst de GC de ellende van de mens. Zoals eerder opgemerkt is het de vraag of het hier gaat om de gelovige mens, de christen aan het begin van de bekeringsweg, of om de wedergeborene die zondaar blijft. Duidelijk is wel dat “ik van mijzelf onmachtig ben de zonde tegen te staan en de gerechtigheid te dienen”. Ik zelf kan dus niet volbrengen wat God van mij vraagt. “Ik” ben een slaaf van de zonde. Er is iets fundamenteels mis. Blijkbaar zit het kwaad in “mij”. “Ik” deug niet.
3.2.2. GC: De oorsprong van het kwaad

De vraag die daarbij gesteld zou kunnen worden, is aan wie dit onvermogen tot het goede nu te wijten is. Zou het kwaad aan God te wijten kunnen zijn, omdat Hij de Schepper van de mens is? De GC stelt daarom de vraag naar de oorsprong: “Welck is nu den eersten oorspronck aller deser quaden?” Het antwoord met verwijzingen naar Gen. 1,27 en Rom. 5,1251: “Niet Godt/ die den mensche goet eñ oprecht nae sijnen evenbeelde gheschapen heeft/ maer gelijck Paulus seght/, de sonde is door eenen mensche, inde werelt gecomen, ende door de de sonde de doot.” Kortom, de oorzaak van het kwaad moet niet in God gezocht worden, maar in de mens. Het kwaad zit door de zonde van één mens (Adam) in alle mensen. Met de aanhaling van Rom. 5,12 wordt de erfzonde aangestipt, zonder dat dit verder uitgewerkt wordt.


3.2.3. HC: Staat en daad

De HC behandelt de ellende in negen vragen en antwoorden. Er wordt ingezet met een vraag die net even anders is dan de die van de GC. Niet “Waardoor kent gij uw zonde?”, maar “Waer uyt kent ghy uwe ellendicheyt?”. Het antwoord is gelijk “Uit de wet Gods”. Leert de wet nu de ellende van de mens (HC), of zijn zonde (GC)? Of gaat het hier om synoniemen? Als ik de wet lees, zie ik dan zonden (daad), of zie ik mijn ellende (staat)?

Toch verschilt de GC inzake “staat” en “daad” uiteindelijk niet van HC omdat ze begint met te vragen naar de staat: “Waer in bestaet uwe ellendigheyt?”, om dit vervolgens concreet te maken met de daad.
De HC vervolgt te vragen “Wat eyscht die wet Gods van ons?” en antwoordt daarop “”Dat leert ons Christus in eener summa, Math. int 22: Ghy sult liefhebben God uwen Heere van gantscher herten, van gantscher sielen, van gantschen ghemoede, ende van alle crachten. Dit is het eerste ende het groote ghebodt. Dat ander is desen ghelijck: Ghy sult uwen naesten liefhebben als u selven. Aen dese twee Geboden hanght de gantsche Wet ende de Propheten.”. Het liefdegebod lijkt de GC overgenomen te hebben van de HC. De GC had daarbij de leerling leren concluderen dat “ik in mijn hart overtuigd ben zulks niet gedaan te hebben” als het gaat om het volbrengen van het liefdegebod. De GC expliceert, wat de HC implicerend leert. De explicatie komt bij de HC in vraag en antwoord 5 “Cont ghy dito al volcomelick houden?” “Neen ick; want ick ben van naturen gheneycht God ende mijnen naesten te haten.” Deze zinsnede is door de GC weggelaten. De vraag is waarom. Enerzijds kan gezegd worden dat de vraag al beantwoord is met de staat van “ellendigheyt” en de daad van het “niet gedaan”. Anderzijds lijkt er meer aan de hand. Het is niet ondenkbaar dat de auteur(s) van de GC de woorden “van nature geneigd God en mijn naaste te haten” bewust weglaten.
3.2.4. HC: Onbekwaam tot enig goed

Ook de HC schrijft het kwaad in de mens niet toe aan God. Op de vraag “Heeft dan God den mensche alsoo boos ende verkeert gheschapen?” luidt het stellige antwoord “Neen hy, maer God heeft den mensche goet ende nae sijn evenbeelt gheschapen, dat is, in ware gherechticheyt ende heylicheyt, opdat hy God sijnen schepper recht kennen, Hem van herten liefhebben ende met Hem in die eeuwighe salicheyt leven soude Hem te loven ende te prijsen.” De HC verwijst hier net als de GC naar Gen. 1,27 al is ze explicieter. Daarbij legt ze de vinger bij het doel van de mens: “God loven en prijzen”. Op de vraag “Vanwaer comt dan sulcken verdorvenen aert des menschen? leert de leerling “Uut den val ende onghehoorsaemheyt onser eerster Voorouderen, Adams ende Eve, int Paradijs, daer onse nature alsoo is verdorven gheworden, dat wy alle in sonden ontfanghen ende gheboren werden.” In de tekstverwijzing is o.a. Rom. 5,12 opgenomen. Zoals we zagen heeft de GC deze tekstverwijzing ook.


Nu reeds kan geconcludeerd worden dat de GC inzake de zondeleer korter van stof is. Is ze er sneller mee klaar, omdat ze de ellende minder gewicht toekent, omdat het daarom – volgens haar – in de christelijke religie uiteindelijk niet te doen is?

In vraag 8 wordt gevraagd “Maer zijn wy also verdorven, dat wy gantschelick onbequaem zijn tot eenigen goede, ende gheneycht tot allen quade?”, waarop de leerling antwoordt “Ja wy; tenzy dan dat wy door den Geest Gods weder gheboren werden.” Zowel de formulering “ganselijk onbekwaam zijn tot enig goed en geneigd tot alle kwaad” en de noodzaak van de wedergeboorte ontbreken bij de GC.


3.2.5. HC: doem en daad

De HC vervolgt dan met de vraag of het niet onrechtvaardig is van God om aan de mens iets te vragen, wat hij niet volbrengen kan. “Doet dan God den mensche niet onrecht, dat Hy in sijne wet van hem heyschet, dat hy niet doen en can?” en leert “Neen Hy; want God heeft den mensche alsoo gheschapen, dat hy dat conde doen. Maer de mensche heeft hemselven ende alle sijne nacomelinghen (door het ingeven des Duyvels ende door moetwillighe onghehoorsaemheyt) der selver gaven berooft.”. Het “moedwillig” geeft aan dat de zonde niet iets is wat de mens overkomt, maar alles met zijn eigen daad te maken heeft. Het “onbekwaam tot enig goed” en “geneigd tot alle kwaad” is niet slechts doem, maar ook daad! Vandaar dat God zulke ongehoorzaamheid en afval niet ongestraft wil laten (vraag 10). “Neen Hy geensins; maer Hy vertoornt Hem schrickelick, beyde over die aengeborene ende werckelicke sonden, ende wilt die door een rechtveerdich oordeel tijdelick ende eeuwichlick straffen, alsoo Hy ghesproken heeft: Vervloeckt zy een yeghelick, die niet en blijft in allen dat gheschreven is inden boeck des wets,dat hy dat doe.”. Dit citaat uit Gal. 3,10 kwamen we ook tegen bij de GC, daar in het kader van de onderworpenheid aan de dood en de verdoemenis.


De vraag “Is dan God oock niet barmhertich?” en het antwoord “God is wel barmhertich, maer Hy is oock rechtveerdich; daerom soo heyscht sijne gherechticheyt, dat de sonde, welcke teghen de alderhoochste Maiesteyt Gods ghedaen is, oock met de hoochste, dat is met de eeuwige straffe aen lijf ende siele ghestraft werde.” ontbreken in de GC. Het waarom van het ontbreken is niet helder. Vindt of vinden de auteur(s) dat te dogmatisch voor kinderen?
3.2.6. De ellende: een eerste conclusie bij de vergelijking tussen GC en HC

Een eerste conclusie bij de vergelijking van de GC met de HC is dat de GC korter van stof is dan de HC. Ze formuleert bondig de staat van de ellende en de daad van het gebrekkige liefhebben van God en de naaste. De “erfzonde” wordt in een tekstverwijzing naar Rom. 5,12 aangestipt, maar niet besproken. Verder spreekt de GC niet over “ganselijk onbekwaam tot enig goed en geneigd tot alle kwaad”. Ook de “noodzaak van de wedergeboorte” en de begrippen “aangeboren en werkelijke zonden”, de “barmhartigheid en rechtvaardigheid van God” en de “straf over de zonde” worden weggelaten.

Wat de GC feitelijk doet ten aanzien van de ellende, is de christelijke religie in deze comprimeren tot de hoofdzaak. Het is alsof zij niet uit wil weiden over allerlei theologische en dogmatische discussies over bijvoorbeeld de erfzonde, erfschuld en erfsmet, maar aan wil geven: dit is je ellende, om daarna over te gaan tot de verlossing en de dankbaarheid.

De vraag is dan wel of de GC de zonde diep genoeg peilt. De vraag kan immers gesteld worden of de mens dood is of doodziek. Bij de rooms-katholieke kerk leert men dat de gevallen mens nog een vrije wil heeft en dat hij nog onderscheid kan maken tussen goed en kwaad. Erasmus en Coornhert betogen hetzelfde. De HC maakt duidelijk dat de mens zich niets hoeft te verbeelden. Hij is niet alleen sterfelijk, maar geestelijk dood. Maar hoe zit dat bij de GC? Zoals boven gezegd: onderworpen zijn aan de dood en verdoemenis, is net iets anders dan dood en verdoemd zijn. “Net iets anders” heeft wel totaal andere gevolgen voor de genadeleer.



3.3. De verlossing

3.3.1. GC: De verlossing

Bij het tweede stuk – “over de verlossing” – behandelt de GC het geloof en de twee sacramenten, de heilige Doop en het heilig Avondmaal.

De christelijke religie leert blijkens vraag en antwoord 3, de mens immers niet alleen zijn ellende kennen, maar zij wijst hem ook op zijn verlossing. De eerste vraag is daarom een logische: “Hoe wort ghy van dese ellendicheyt verlost?” Het antwoord luidt: “Door de liefde, ghenaede, eñ bamherticheyt Godes des Vaders, welcke ons sijné eenich geboren Sone Iesum Christum heeft gheschoncken, tot wijsheyt, gherechticheyt, heylichmaeckinghe, ende verlossinghe.” In dit antwoord zijn drie Bijbelteksten verwerkt, namelijk Joh. 3,16; Ef. 2,4 en 1 Kor. 1,3052.

Vervolgens wordt gevraagd: “Waer inne bestaet de verlossinge van de doot ende verdoemenisse” Het antwoord “Daer inne/ dat wij van Godt uyt sijne genaede, om niet gherechtveerdicht wordé, door de verlossinge in Christo, eñ versoenige in sijné bloede.” In de kantlijn worden Rom. 3,24 en 2553 vermeld.

De ellende van de mens bestond volgens V&A 4 echter niet alleen uit de onderworpenheid aan de dood en verdoemenis, maar ook aan de dienstbaarheid van de zonden. Daarom wordt vervolgens gevraagd “Hoe wort ghy voorder verlost vande dienstbaerheyt der sonden?”. De leerling dient daarop te antwoorden “Also dat Christus door sijné Gheest/ den ouden mensche, eñ cracht der sonde in my doodet, ende my een nieuwe mensche maeckt, op dat ick der zonde gestorvé zijnde, der gerechticheyt leve.



1   2   3   4   5   6   7   8   9


De database wordt beschermd door het auteursrecht ©opleid.info 2017
stuur bericht

    Hoofdpagina