Een tekst vanuit ‘t rattennest” De tekst en de context van een “korte onderwijsinghe der kinderen/ inde christelijcke religie”; oftewel de theologie en ontvangst van de Goudse Catechismus



Dovnload 0.51 Mb.
Pagina3/9
Datum14.04.2018
Grootte0.51 Mb.
1   2   3   4   5   6   7   8   9

3.3.2. GC: Chronologisch?

Bovenstaand antwoord uit de GC vertoont grote overeenkomst met het antwoord dat in zondag 33 van de HC staat ten aanzien van de bekering: “de afstervinghe des ouden” en “de opstandinghe des nieuwen menschen”. Oftewel: “een hertelick leetwesen, dat wy Godt door onse sonden vertoorent hebben ende deselve hoe langher hoe meer haten ende vlieden” en “een hertelicke vreught in Godt door Christum ende een ernstighe lust ende liefde om nae de wille Gods in alle goede wercken te leven.” Let wel dat dit bij de HC staat dit in het stuk van de dankbaarheid. Bij de HC is de bekering iets wat levenslang door gaat, de zogenaamde dagelijkse bekering, vanwege het “kleyn beghintsel deser ghehoorsaemheyt” uit antwoord 114.

De GC lijkt nu – omdat zij de vernieuwing plaatst bij de verlossing – meer de kant van het schema op te gaan, dat wil zeggen ruimte te maken voor het perfectisme van Coornhert (zie onder). Daarbij zou er ook een andere lezing van Romeinen 7 achter kunnen liggen (zie noot 47!).
Tenslotte zij opgemerkt dat de GC niet spreekt over een “Middelaar, Die waarachtig God en mens” is, zoals de HC dat doet in zondag 6.
3.3.3. GC en HC: Over het geloof

Met de vragen en antwoorden over het geloof komen we bij de kern van zowel de GC als de HC. Beiden geven namelijk een definitie van wat geloven (fides qua)54 nu eigenlijk is. De GC begint met de vraag “Maer wie sijn dese/ die deser weldaden deelachtich worden?” Blijkbaar geldt de verlossing niet voor allen. Vergelijk daarmee vraag 20 van de HC “Werden dan alle menschen wederom door Christum salich, also sy door Adam zijn verdoemt gheworden?”. In de vraagstelling ligt wel een nuance verschil. De GC formuleert positiever en ontwijkt met haar formulering de discussie over de reikwijdte van de verzoening en daaraan verbonden de discussie over de rechtvaardigmaking. De uitkomst is echter dezelfde: niet iedereen wordt zalig. De GC antwoordt dan ook op de boven gestelde vraag: “Die in Christum ghelooven/ wát also lief/ seght de Heere Christus/ heeft Godt de werelt gehadt, dat hij sijné eenich geboren Sone gegevé heeft, op dat een yeghelijck die in hem ghelooft, niet en verderve, maer in het eeuwighe leven hebbe: eñ ter contrarie; die niet en gelooven sijn verdoemt, ende den toorn Godts blijft op hen.”55 Anders gezegd: niet iedereen wordt zalig. Degenen die in Christus geloven wel, degenen die dat niet doen niet. Opvallend is de verwijzing bij de editie van Tideman naar Joh. 3,356. Dat zou namelijk betekenen dat de wedergeboorte hier bij het geloof haar plaats krijgt. Echter in de editie van 1607 staat deze tekstverwijzing er niet (zie boven). Daar wordt verwezen naar o.a. Joh. 3,16.


Het antwoord van de HC op de boven gestelde vraag is “Neense; maer alleen deghene die hem door een oprecht gheloove werden inghelijft, ende alle sijne weldaden aennemen.” Het verschil tussen de antwoorden laat wellicht een verschil zien in de visie op het geloof als instrument. Bij de HC wordt de mens zalig “die hem door een oprecht gheloove werden inghelijft”, om vervolgens al Zijn weldaden aan te nemen, met de lege hand van het geloof. Bij de GC gaat het eenvoudigweg om “Die in Christum ghelooven”. De vraag “hoe” een mens tot en aan dat geloof komt, laat de GC onbeantwoord. De HC bedoelt ondertussen niet dat een mens uit zichzelf “geloof” op moet wekken, waarna hij “ingelijfd” wordt. Het geloof is een gave. Op de achtergrond speelt hier de visie op de leer van de uitverkiezing en de dubbele predestinatie, waarin God van eeuwigheid heeft vastgesteld welke mensen wel en welke mensen niet tot het geloof zullen komen.
3.3.4. GC en HC: Geloven is…

Gezien de bovengenoemde parallellie tussen de GC en de HC worden de vragen en antwoorden met betrekking tot het geloof naast elkaar geplaatst.




GC V&A 14

HC V&A 21

“Wat is dit geloove?”

“Wat is een oprecht gheloove?”

“Een seker vertrouwen des gemoets op Jesum Christum/ als op mijnen eenigen eñ volcomené Saelichmaecker, eñ door hem op Godt mijné Vader, die hem alle macht in hemel eñ aerde gegeven heeft, eñ een oorsaeck der eeuwigher salicheyt gemaeckt, allé den gené die hem gehoorsaem sijn.”

Heb. 11,1; Ef. 3,12; Hand. 4,12; 1 Pet. 1:21; Mat. 28,18 en Heb. 5,9.57



“Een oprecht gheloove en is niet alleen een seker weten ofte kennisse, daerdoor ick al voor waerachtich houde, dat ons God in sijn woort gheopenbaert heeft, maer oock een seker vertrouwen, twelcke de heylighe Gheest door dat Evangelium in mijn herte werckt, dat niet alleen anderen, maer oock my vergevinghe der sonden,

eeuwighe gherechticheyt ende salicheyt van Gode gheschoncken sy, uut louter ghenade, alleene om de verdienste Christi wille.”


Kernachtig wordt bij de GC het “vast vertrouwen van het gemoed” verbonden aan de “gehoorzaamheid”. “Alleen de gelovige is gehoorzaam… alleen de gehoorzame gelooft”58. Ondertussen is er wel een verschil met de HC. Bij de HC zien we drie sleutelwoorden, nl. “kennen”, “voor waar houden” en “vertrouwen”. De notie van “kennis” ontbreekt bij de GC.

Ursinus had het “stellig weten of kennis” niet voor niets toegevoegd. Verboom ziet de nadruk op kennis in de HC enerzijds in het licht van het “ingewikkeld geloof” (fides implicita) in de Roomse kerk59. Anderzijds is het ook gericht “tegen het geloofsbegrip van de Dopers. Deze zagen geloven slechts als een zaak van het hart en niet van het verstand”.60 Let wel dat het bij kennen niet slechts gaat om een cognitieve bezigheid, maar om een existentiële bezigheid waarbij verstand, wil, gevoel en handelen betrokken zijn en volop meedoen. Nu de GC het kennisaspect niet specifiek noemt kan de vraag gesteld worden of de zekerheid van het geloof niet teveel gekoppeld wordt aan “het vast vertrouwen van het gemoed”. Wat immers als het vast vertrouwen van het gemoed ontbreekt? Anders gezegd, wordt bij de GC de zekerheid van het heil niet teveel in de mens gelegd?
Zowel de GC en de HC stellen nu de vraag wat voor een christen nodig is te geloven.


GC V&A 15

HC V&A 22

“Wat is nu eenen Christun al noodigh te gelooven?”

“Wat is dan een Christen noodich te ghelooven?”

“Alle het ghene ons Godt in sijn woort geopenbaert heeft/ ende in twaelf Articulen onses Christelijcké geloofs in eéder summe vervaet is.”

“Al wat ons in den Evangelio belooft wert, twelcke ons de artikelen onses alghemeynen ende onghetwijfelden Christelicken gheloofs in eener summa leeren.”

De antwoorden lijken me hier inwisselbaar, al is de openbaring in het Woord (GC) breder dan de belofte (HC). Feitelijk hanteert de GC een strikt Schriftgezag, tenzij niet hele Woord als openbaring van God gezien wordt.


3.3.5. GC en HC: De twaalf artikelen van het geloof

Zowel de GC als de HC citeren nu de zogenaamde Apostolische Geloofsbelijdenis. De indeling van de twaalf artikelen zoals de HC die weergeeft in zondag 8, behandelt de GC niet. Net zo goed als zij de leer van de Drie-eenheid niet behandelt (V&A 25). Wel stelt zij de vraag “Ist u oock genoegh deze Articulé alleé vá buyté te kónen zeggen?” Het is de vraag naar het “ingewikkeld geloof” en het historische geloof61. De HC hoeft deze vraag niet te stellen, omdat het ware geloof niet alleen een kennen met het hoofd is, maar ook met hart en handen. Het antwoord dat de leerling van de GC op de lippen krijgt is: “Neen ‘t: maer ick moet die zelvighe te recht verstaen.” Met dit antwoord komt de kennis, als het “recht verstaan” toch ter sprake. Wat het “recht verstaan” inhoudt, behandelt de GC in de volgende vragen.


3.3.6. GC en HC: De uitleg van het Apostolicum

Met één vraag – “Wat geven u dese articulen te verstaen?” en een lang antwoord, nl. “Dat Godt die al machtige/ die Hemel eñ aerde geschapé heeft/ eñ noch onderhout/ sij eé Vaeder; Jesus Christus de Sone Godts eñ des mésché/ sij de verlosser/ eñ saligmaecker; de heylige Geest/ welcke is de Geest des Vaders eñ des Soons/ zij de Heyligmaker aller der gener die in den Vader/ Sone/ eñ h. Geest geloové/ dat is der heyliger algemeyner Kercké; eñ dz de selfde Kercke/ uyt de genade des Vads inde gemeéschap des Soons/ door werckinge des gheestes deel heeft/ an vgevinge der sondé/ opstandinge des vleysches/ ende het eeuwige leven.” vat de GC samen wat de HC in dertien zondagen (9-22) uiteen zet. Dat er didactische bezwaren zijn omdat het antwoord wel erg lang is om door kinderen geleerd te worden, moge duidelijk zijn. Belangrijker is te beseffen dat door de beknopte weergave en het lange antwoord een aantal zaken niet of nauwelijks aan de orde komen. Te denken is dan aan de voorzienigheid (Z. 9,10); de ambten van Christus en de christen (Z. 12); de twee naturen van Christus (Z. 14), Zijn lijden en sterven (Z. 15,16); Zijn opstanding en hemelvaart (Z. 17,18); Zijn zitten ter rechterhand Gods en Zijn wederkomst (Z. 19); de toepassende werking van de Heilige Geest (Z. 20); en de Kerk als uitverkoren gemeenschap (Z. 21).

Nu kan gesteld worden dat deze uitweidingen in de apostolische geloofsbelijdenis zelf ook niet staan. Duidelijk is wel dat als de GC de HC zou moeten vervangen belangrijke geloofszaken blijven liggen in het godsdienstig onderwijs aan kinderen.
3.3.7. De GC: Ik geloof…

De vraag die de GC vervolgens stelt: “Maer wat Gheeft ghij te verstaen als ghij segt voor u selven/ ik geloove in God den Vader/ Sone/ ende heyligen Gheest?” heeft een prachtig antwoord dat de kinderen uit het hoofd dienen te leren: “Dat oock ik/ Godt tot mijné Vader hebbe/ Christum tot mijné Salichmaecker/ ende den H. Gheest tot mijnen Heylichmaecker/ ende over sulckx als eé ware Lidt der heyligher algemeyner Kercke/ ghemeynschap hebbe met den heyligen aé de vergiffenis der sonden/ aen op-standinghe des vleysches/ eñ het eeuwighe leven.”

Met bovenstaande vraag en antwoord volgt de GC de HC niet. Daar wordt achtereenvolgens gevraagd “Maer wat baet het u nu dat ghy dit al ghelooft?” (V&A 59), “Hoe zijt ghy rechtveerdigh voor God? (V&A 60) en “Waerom seght ghy dat ghy alleen door t'gheloove rechtveerdigh zijt?” (V&A 61), waarbij het “sola fide” in de antwoorden alle ruimte krijgt. Deze noties zijn echter in de GC wel aanwezig. Al ontbreekt bijvoorbeeld de term “rechtvaardig voor God” in de GC, de zaak is er wel. Alleen niet op “juridische wijze”, maar vanuit de relatie, de vereniging met God. Toch lijkt me – mede gezien boven al is gesteld – de rechtvaardigingsleer wel een zaak waarop de opsteller(s) bevraagd zouden moeten worden.
De ontoereikendheid van goede werken tot (een deel van) de gerechtigheid blijft in de GC onbesproken. Ongetwijfeld zit daarachter ook een boodschap. De gehoorzame gelovige zal immers goede werken doen. Of is het zo dat de leer van de HC volgens de opsteller(s) van de GC sorgheloose ende godloose menschen maakt? De HC leert in V&A 64 dat dit onmogelijk is: “want het is onmoghelick, dat soo wie Christo door een warachtigh gheloove jingheplant is, niet en soude voortbrenghen de vruchten der danckbaerheyt.” Erasmus en Coornhert hebben hierbij hun bedenkingen (zie onder).
3.3.8. De GC: Het sacrament van de heilige Doop

De GC volgt de HC als vervolgens de sacramenten behandeld worden. Een verhandeling over het werken van het geloof door de Heilige Geest en het sterken van het geloof door de sacramenten zoals in zondag 25 van de HC ontbreekt. Er wordt direct gevraagd naar een “uyterlijcke versegelinge”, waarmee het woord sacrament zelf vermeden wordt , maar feitelijk V&A 6662 verdisconteerd wordt, al spreekt de HC over “waerteeckenen ende seghelen” van God. Let op dat wanneer er sprake is van een uiterlijke verzegeling, er ook sprake zal zijn van een innerlijke verzegeling. Me dunkt dat die genoten wordt in de vereniging met God. Met de toevoeging “uyterlijcke” neigt de GC – bedoeld of onbedoeld – wel naar het spiritualisme, dat een scherpe tegenstelling ziet tussen vlees en geest, zichtbaar en onzichtbaar en tussen het wereldse en het goddelijke.63


Wanneer we de vragen en antwoorden ten aanzien van de Doop naast elkaar zetten, valt wederom de bondigheid van de GC op. Waar de HC twee zondagen en zes vragen en antwoorden geeft, ontvouwt de GC de doopleer met twee vragen en twee antwoorden.

Ten eerste wordt gevraagd “Hebt ghy hier van oock eenige uyterlijcke versegelinge?” en geantwoord: “Jae ick door den Heylighen Doop: Want als ik door bevel Christi met waeter ghedoopt worde inden naeme des Vaders, eñ des Soons, eñ des Heylighen Geestes, so verclaert de Vader/ dat hij mij aenneemt tot zijn kint/ de Sone/ dat hij mij wascht in sijnen bloede/ de heylighe Gheest/ dat hij mij heylicht ende vernieuwt tot een kint Godts/ ende Jesu Christo/ ende sijner kercke/ als een lidtmaet inlijft.”64 Ten tweede wordt gevraagd “Besegelt dé Doop nz anders?” en geantwoord: “Jaese; oock mijne schuldighe plicht tegés Godt/ dat is: dat ick als een kint eñ bont-genoot Godes/ mij selven hem wederom alle de daeghen mijnes levens te diéste stelle/ met verloocheningh van mij selven/ de Duyvel/ de werelt/ ende alle sonden.”65


Het eerste antwoord sluit nauw aan bij het klassieke Doopformulier van de hand van de auteur(s) van de HC, Ursinus en Olevianus66, waarvan Datheen in 1566 ook de vertaling maakte67. Inhoudelijk komen beide geschriften overeen. Het enige wat in de GC ontbreekt is de vraag “Zal men ook de jonge kinderen dopen?” Is de reden daartoe dat de kinderdoop in Gouda niet ter discussie stond? In ieder geval lijkt mij een krachtige verdediging van de kinderdoop wel bij het gereformeerde erfgoed horen. In Wezel had de Goudse predikant Herman Herberts – over wie onder zal worden geschreven – gesteld “En de kinderen van de gelovigen (die God in zijn verbond mede besluit) moeten van de Doop niet weggehouden worden”.68 Nu deze notie in de GC ontbreekt, is het wel van belang hier reeds op te merken dat voorstanders van de geloofsdoop de GC zo zouden kunnen ondertekenen.
3.3.9. De GC: Het sacrament van het heilig Avondmaal

De HC telt acht vragen en antwoorden t.a.v. het heilig Avondmaal. De GC telt drie vragen en drie antwoorden. De eerste vraag is “Isser niet noch wat anders ingstelt tot verseghelingh van die heylsaeme gemeenschap die wij met Christo hebben?” Het antwoord: “Jae/ het heylige Avontmael onses heeren Jesu Christi”. Ook de GC telt dus twee sacramenten. Vervolgens wordt niet gevraagd naar de inhoud, maar naar de instelling van het Avondmaal. “Hoe luyt de instellinge des Avontmaels?” Het antwoord: “Aldus, Al sy aetn nam Iesus het broot, ende als hij gedanckt hadde, brack hij ‘t, eñ gaft sijne Discipulé, eñ seyde: Neemet, etet, dit is mijn lichaem, dz voor u gegevé wort: doe dz tot mijner gedachtenisse. Desghelijkx oock nam hij dé drinck-beker nae het Avót-mael, eñ dácte, eñ gaffé haer, seggeñ, drinckt alle daer uyt, wát dit is mijn bloet des nieuwé Testamétes, dat voor velen vergoten wort, tot vergevinge der zondé.” met verwijzingen naar de instellingswoorden uit Mattheüs 26 en Lukas 22.


Met het oog op de onderzoeksvraag is de laatste vraag inzake het avondmaal van de GC een interessante: “Hoe wort ghij in desen Avontmale verseghelt vá die gemeynschap/ die ghij met Christo hebt?” Het antwoord luidt: “Also.dz so waerlijc ik metté móde vá desé broode eñ wijne tot gedachtenisse des doots Christi, nuttige, ik ooc; door dé Geloove; gemeenschap hebbe met sijn gecruyste lichaem, eñ vergoté bloede tot verghiffenis mijner sonden ende genietinge des eeuwigen levens.” De GC stelt dus dat door het geloof de gemeenschap met Christus aan tafel wordt genoten. Over het “hoe” wordt niet uitgeweid. Dat de gemeenschap genoten wordt is de GC voldoende, het gaat immers om de “vereniging met God”. Ondertussen wordt zodoende de discussie die de reformatie zo verdeeld had, ontweken.69 Kunnen brood en wijn objectief en fysiek het lichaam van Christus worden tijdens het avondmaal? Luther, Zwingli en Calvijn beantwoorden die vraag verschillend. Waar Luther staat voor een “ja”, betogen Zwingli en Calvijn “nee”.70 Nochtans denk ik dat ze hun standpunt met de formulering van de GC kunnen vasthouden. Zo bezien is het antwoord van de GC knap geformuleerd. Ze geeft ruimte aan de diversiteit binnen de reformatorische traditie. Ze is te waarderen boven hetgeen Herman Herberts in Wezel had gesteld, waarbij hij sterk naar Luther neigt: “Ik betuig voor God en zijn heilige kerk, dat ik geloof dat in het Avondmaal des Heren met brood en wijn aan hen die het nuttigen het ware lichaam en bloed van Christus wordt aangeboden”.71

3.3.10. De verlossing: een eerste conclusie bij de vergelijking tussen GC en HC

Ook ten aanzien van de verlossing kan geconcludeerd worden dat – in vergelijking met de HC – de GC korter van stof is en bondig formuleert. Dat heeft voor de leerling zeker zo zijn voordelen, anderzijds blijven zaken die in de HC worden besproken wel liggen.

In 3.3.1. en 3.3.2. zagen we dat GC – omdat zij de vernieuwing plaatst bij de verlossing – meer de kant van het schema op lijkt te gaan. Waar bij de HC de bekering een levenslang dagelijks proces is, omdat de gelovige een zondaar blijft, lijkt de GC ruimte te maken voor de gedachte dat de mens – zij het met de genade van God – een eind kan komen om zondeloos te leven.

In 3.3.3. zagen we dat in de GC de notie van “inghelijft” worden ontbreekt. Bij de HC wordt de mens zalig “die hem door een oprecht gheloove werden inghelijft”, om vervolgens al Zijn weldaden aan te nemen. Bij de GC gaat het eenvoudigweg om “Die in Christum ghelooven”. De vraag “hoe” een mens tot en aan dat geloof komt, laat de GC onbeantwoord. Daarmee ontloopt ze het spreken over de uitverkiezing.

In 3.3.4. zagen we dat in de GC de kennis (als cognitie) in vergelijking met de HC naar de achtergrond verdwijnt. Het geloof is volgens de GC een “vast vertrouwen van het gemoed” dat verbonden is met de “gehoorzaamheid”. Het gevaar is wel dat met deze formulering de geloofszekerheid in de mens wordt gelegd. In het gevoel, en daarmee een voet te laag. De HC benadrukt daarentegen vanaf het begin, dat het heil “buiten de mens” ligt, namelijk in Christus.

In 3.3.6. zagen we dat bij de uitleg van het Apostolicum de GC veel inhoudelijke zaken uit de HC weglaat. Er wordt niet uitgeweid over de voorzienigheid (Z. 9,10); de ambten van Christus en de christen (Z. 12); de twee naturen van Christus (Z. 14), Zijn lijden en sterven (Z. 15,16); Zijn opstanding en hemelvaart (Z. 17,18); Zijn zitten ter rechterhand Gods en Zijn wederkomst (Z. 19); de toepassende werking van de Heilige Geest (Z. 20); en de Kerk als uitverkoren gemeenschap (Z. 21). Wanneer de GC de HC zou moeten vervangen blijven belangrijke zaken in het godsdienstig onderwijs aan kinderen liggen.

In 3.3.7. zagen we dat de GC de ontoereikendheid van goede werken tot (een deel van) de gerechtigheid onbesproken laat en stelden we de vraag of de GC niet bang is dat de leer van de HC sorgheloose ende godloose menschen maakt.

In 3.3.8. zagen we dat de GC spreekt over uiterlijke zegelen. Het bijvoeglijk naamwoord “uiterlijk” is van belang, omdat het doet denken aan de spiritualisten die het uiterlijke tegenover het innerlijke plaatsten. Bij de spiritualisten waren de zichtbare kerk en de sacramenten van minder belang. Voor hen draaide het om de godsdienst van het hart, om een geestelijke waarheid.

Wanneer we de vragen rondom de sacramenten Doop en Avondmaal bekijken, zien we dat het in de GC ook gaat om het hart, maar dat ze de sacramenten niet veronachtzaamt. Het is wel alsof de GC zeggen wil: “Richt je niet op al die dogmatische discussies (inclusief die over het Avondmaal en de kinderdoop), maar richt je op de vereniging met God, door Jezus Christus en Zijn Geest”. Het gaat immers niet om “leerstellige haarkloverij”, maar om een geloof dat door de liefde werkt.72 Misschien is het ook daarom dat zondag 31 – over de sleutels van het hemelrijk en de ban – ontbreken. De GC richt zich niet zo zeer op wie er wel (net) binnen of buiten vallen, maar op Christus. Daarmee wil niet gezegd zijn dat de HC niet op Christus zou zien, maar het zegt vooral iets over de spits van de GC en waarschijnlijk ook over het Goudse geestelijk klimaat in 1607.

3.4 Dankbaarheid


      1. GC: Dankbaarheid als plicht…

Het derde en laatste dat de christelijke religie een christen leert is “zijn schuldige plicht van de dankbaarheid voor de verlossing”. De GC behandelt in 21 vragen en antwoorden de inhoud van deze schuldige plicht. Opmerkelijk, want daarmee is het stuk over de dankbaarheid bij de GC het langst. Bij de HC is dat het stuk over de verlossing.
De GC begint met te vragen “Dewijle ghij nu dusdaenighe groote weldaeden van dé Heere ontvangen hebt/ sijt ghij hem hier voor oock danckbaerheyt schuldich?”, om daarop te antwoorden “Jae ick/ ende moet hier billijck met David seggé/ Hoe sal ic dé Heere vergeldé alle sijne weldaedé die hij aen mij doet? Ick wil dé beker der salichedé nemen, eñ den Naeme des Heré prijsé.” In het antwoord is Psalm 116,12 en 1373 verwerkt. Een belangrijk verschil met de HC is dat de HC voor de wet – in het stuk van de dankbaarheid – de bekering bespreekt. De GC acht dit blijkbaar onnodig, omdat ze dat – zoals we boven zagen – al bij de verlossing gedaan heeft.
3.4.2. GC: …tot eer van God

Vervolgens wordt gevraagd “Hoe prijst gij den Heere ende hoe betoont gy u recht danckbaer teghens hem?”. Het antwoord dat het kind op de lippen wordt gelegd luidt: “Wanneer ick my selven geheel ende gants door Christum Gode tot sijné diést opoffere/ eñ hem eere, beyde in lichaem eñ Geest, die hem eygé sijn.” Met dit antwoord wordt niet alleen Rom. 12,1 en 1 Kor. 6,2074 aangehaald, maar ook de priesterlijke taak van de christen omschreven (vgl. HC zondag 12) en lijkt er hier teruggegrepen te worden op zondag 1 van de HC, waar ook sprake is van het eigen zijn van “mijns getrouwen Salichmakers Jesu Christi”. Daarbij wordt er gesproken over het eren van God. Het is daarom dat er gevraagd wordt: “Waer inne is dese eere Godts gelegen?” Het antwoord luidt “Voornaemelijck in twee stucken: in de ghehoorsaemheyt van syne wet/ ende in de aenroepinghe van sijne Naem.” Vervolgens worden dan de wet van God en het gebed besproken.





1   2   3   4   5   6   7   8   9


De database wordt beschermd door het auteursrecht ©opleid.info 2017
stuur bericht

    Hoofdpagina