Een tekst vanuit ‘t rattennest” De tekst en de context van een “korte onderwijsinghe der kinderen/ inde christelijcke religie”; oftewel de theologie en ontvangst van de Goudse Catechismus



Dovnload 0.51 Mb.
Pagina4/9
Datum14.04.2018
Grootte0.51 Mb.
1   2   3   4   5   6   7   8   9

3.4.3. GC: Over de wet van God, de eerste tafel

Nadat de wet van God in de 28e vraag en antwoord van de GC is besproken en in de 29e vraag en antwoord wordt ingedeeld in twee tafels “Waervan de eerste begrijpt onze schuldighe plicht tegen Godt/ inde vier eerste Gebodé: ende d’ander onze schuldige plicht tegen onzen naesten/ inde zes navolgéde”. Vervolgens worden de geboden in twee vragen geconcretiseerd. De HC doet hetzelfde alleen behandelt zij elk gebod afzonderlijk. Voor een leerling lijkt mij de werkwijze van de HC in deze beter didactisch te verantwoorden. Temeer omdat de antwoorden van de GC wel erg lang uitvallen nu. Op de vraag naar de plicht tegenover God, luidt het antwoord: “Dat ick Hem alleen houde voor den eenigen waeren Godt/ bové alle dinck lief hebbe/ eere eñ vreeze/ op Hem alleen vertrouwe/ ende Hem alleen aenroepe: dat ick hem diene op zoodanige wijze/ als hij bevolen heeft/ in geest ende waerheyt, niet door beelden/ zonder eenige gheveinstheyt/ eñ misbruyck sijns H. Naems/ met ond-houdinge synes Sabbaths/ door heijlige oeffeningen dien dach betaméde.” Met het “aanroepen op zodanige wijze als bevolen”, en “niet door beelden” en met het “Hem alleen”, wordt afstand genomen van de beeldendienst en de heiligenverering in de rooms-katholieke kerk. Eigenlijk is dit de eerste keer dat de GC zich – in de leer – ergens tegen verzet!


3.4.4. GC: Over de wet van God, de tweede tafel

Ten aanzien van de tweede tafel wordt gevraagd “Welcke is uwe schuldige plicht teghen uwen naesten?” De kinderen leren “Dat ick vader ende moeder/ ende alle die over mij in lichamelicke ende geestelijcke dinghen ghestelt syn; als Overheden/ kerckélerars/ schoolmeesters, ende diergelijcke/ liefhebbe/ eere/ ende gehoorsaeme: niemants lichaem/ noch leven crencke/ maer veel meer/ so veel mij doen lijck is/ t’ selvige bescherme : dat ick geen oncuijsheyt door overspel/ hoerdom/ ofte iet desgelijcx bedrijve/ maer mijn lichaem in maeticheyt ende reynicheyt besitte: dat ick mijnes naesten goederen met gheene onrechtveerdige middelé verminder/ maer veel eer die help bewaeren ende vermeerderen: zijnen goeden naem oft faem niet en schende/ maar die/ so veel de waerheyt eñ goede stichtinge toelaet/ verdedige: eñ eyndelijck niets van alle het ghene hem toebehoort/ beghere.”

Net als de HC doet bij de wet in de vragen en antwoorden 94 tot en met 113 zondag concretiseert en actualiseert de GC de tweede tafel van de wet voor de jeugd in Gouda.
3.4.5. GC: Nogmaals het liefdegebod

Tenslotte volgen dan drie vragen m.b.t. het onderhouden van de wet van God. Allereerst “Meent ghy dit nu dus ghenoch te sijn/ als ghy dit dus uyterlijcken alleen onderhout metten lichaé?”. “Neen ick; want God die een Gheest is, eñ sonderlinghe op het herte siet, eyscht met dese woorden ooc/ dat wij ons metter herten/ gedachten eñ begheerten/ van alle dese quaden sullen onthouden.”75 Net als bij vraag en antwoord 17 van de GC gaat het niet om het uiterlijke, maar om het innerlijke, het hart. Wederom is de spirituele inslag merkbaar, al moet je dat dan ook van de tekstverwijzing (1 Sam. 16,7) zeggen: “De HEERE ziet het hart aan.” Daarbij komt het aan op de liefde. Daarom komt het liefdegebod nogmaals terug (zie ook de 6e vraag en antwoord van de GC bij de ellende) als gevraagd wordt “Hebt ghy niet een cort begrip van alle dese geboden int woort des Heeren?” is het antwoord “Ant. Jae ick, Matthei int twee eñ twintichste Capittel daer de Heere Christus seijt: Ghy sult lief hebben dé Heere uwen Godt, uyt alle uwer herté, uyt alle uwer zielen, ende uyt alle uwé verstande. Dit is het eerst ende groote ghebot. Ende het tweede, twelcke desen gelijck is: Ghy sult lief hebben uwen naesten, ghelijck u selven. In dese twee geboden hangt de gantsche wet eñ Propheten.” Waar deze samenvatting van de wet bij het stuk van de ellende dient als spiegel, opdat ik dat ik God en mijn naaste lief moet hebben en “ick in min herte overtuycht ben/ sulcks niet ghedaen te hebben”, fungeert de wet hier als regel van de dankbaarheid.


Tenslotte volgt de vraag “Cont ghy dese gheboden oock uyt u selven onderhouden?” Het antwoord luidt: “Neen ick: maer is my noodich dat mij Godt door zijnen Gheest daer toe lust ende cracht gheve, eñ in mij werke het willé eñ het volbrengen.”76 Dit antwoord is spannender dan op het eerst gezicht lijkt. Zeker ook door de tekstverwijzingen. Want hoe waar het is, betekent dit dat een mens – door Gods Geest – de geboden volledig kan houden? De HC belijdt in V&A 114 “Neen sy; maer oock de alderheylighste, soo lange als sy in desen leven zijn, en hebben maer een kleyn beghintsel deser ghehoorsaemheyt, doch alsoo datse met een ernstigh voornemen, niet alleen nae sommige, maer nae alle de gheboden Gods beginnen te leven.” Onder kom ik er op terug, maar het is goed hier wederom te signaleren dat christelijke volmaaktheid niet afgewezen wordt, of in ieder geval de deur naar het zgn. “perfectisme” open staat. En weer heeft het te maken met de uitleg van Romeinen 7 (noot 47!). Daarbij ook met de vraag of Ez. 36,7 volledig vervuld is, of dat het toch iets is van de Toekomst.
3.4.6. GC: Over het gebed

De GC eindigt met wat de HC “het voornaamste stuk der dankbaarheid” noemt, namelijk het gebed. In de 35e vraag en antwoord wordt de kinderen geleerd God aan te roepen “so als ons de Heere Christus selfs gheleert heeft”, namelijk met het “Onze Vader”.

Vervolgens wordt in vraag en antwoord 36 het “Onze Vader” gedeeld in drie stukken: “: eerstelijck de voorrede/ daer nae het versoeck selfs/ ende ten derden het besluyt.” Wanneer het kind de HEERE aanroept als “Onze Vader”, dan leren het “ten eersten wié ick moet aenroepen/ ten anderen in wiens naem/ ende oock met wat hert.” Het bidden met het hart, het volle gemoed, verraadt – hoe waar het ook is – wederom iets van spiritualisme.
3.4.7. GC: God, in Jezus Christus mijn hemelse Vader

Op de vraag “Wien leert u hier Christus aanroepen?” antwoordt het kind Godt mijnen hemelschen Vad/ dewelke mij als mijne getrouwe Vader wil ghevé/ alles wat mij aen ziel eñ lichaem noodich is/ eñ als een Hemels Almachtich Godt/ dat ooc vermach.”77 Omdat God de Vader is van de Heere Jezus, is Hij ook onze Vader. Daarom luidt vraag 40 “In wiens naem moet ghy hem aanroepen?”. Het antwoord daarop is: “In de naem onses Heeren Iesu Christi/ in den welcken Godt onse Vader is, ende wij de vrijmoedichheyt ende den toeganck tot hem hebben.”78 Dan komt wederom het hart ter sprake als gevraagd wordt “Met wat hert moet ghy hem aanroepen?”. Blijkbaar achten de auteurs het hart van groot belang. Het antwoord verwoordt de gewenste hartsgesteldheid als volgt: Dat ontsteken is met kindelijcke vreese/ ende vertrouwen/ want alsoo hij een Hemelsch/ dat is heylijch ende almachtich Vader is/ so en moet men niet dan met een heylige eerbiedinge/ en de vast vertrouwen op sijne vaderlicke goetheyt ende Godtlijcke almogentheyt tot hem treden.”


3.4.8. GC: Drie plus drie is zes

Waar de HC elke bede separaat behandelt, bespreekt de GC in twee categorieën, namelijk de drie beden die “de bevordering van Gods eer” betreffen en de drie beden aangaande “onze noden”. Ten aanzien van de bevordering van Gods eer bidt de gelovige “Dat sijnen heerlijcken H. Naem/ door hem/ mij/ eñ alle creaturen groot gemaeckt werde/ inde toecomst ende wasdom des Ryckx sijner genaeden; twelck alsdan d’overhant heeft/ als sijnen wille van ons hier op der Aerden/ gelijck van d’Engelen inden Hemel/ geschiet.”

De laatste drie beden gaan om de “behoeften en nodige zaken”, waarbij dan gedacht moet worden aan zaken die deels “tot ons lichamelijk leven en gedeeltelijk tot ons geestelijk leven” behoren. “tot onderhoudinge van ons lichaemelijcke leven/ bidden wij om ons daegelijckse broot/ dat is/ om voetsel/ deksel/ ghesontheit/ vrede/ eñ alles/ wat ons tot onderhoudinge deses levens vá nooden is.” Ten behoeve van het geestelijk leven bidden de gelovigen om twee dingen: “voor eerst dat hij ons onse sonden/ die wij hebben begaen/ uyt genade wil quijt schelden: ten tweedé dat hy ons voort aen voor sonde wil bewaeren/ ende van alle quaet bevryden.”
3.4.9. GC en HC: Het besluit

De laatste twee vragen 45 en 46 van de GC lijken op de laatste twee van de HC. Daarom worden ze naast elkaar gezet.




GC V&A 45 en 46

HC V&A 128 en 129

Wat ist besluyt van dit gebedt?

Hoe besluyt ghy u ghebedt?

Want u is dat Rijck, die cracht, de Heerlijcheyt, in der eeuwicheyt, Dat is/ dit alles versoecke ick alsoo terecht; want de wijle ghy onsen Coninck sijt ende over ons ende alle dinck het opperste ghebieden hebt/ so behooren wij u aenteroepen ende uwes naems eere te soecken: ende uwe cracht verzekert ons, dat ghy ons bové onse bidden ofte dencken overvloedelijcken cont doen ende geven wat wij bidden tot uwen lof: dien ere comt ende heerlijcheyt van eeuwicheyt tot eeuwicheyt.


Want dijne is dat rijcke ende de macht ende de eerlickheyt in eeuwigheyt. Dat is: Sulcks alles bidden wy van u, daerom dat ghy (als onse koningh ende aller dingen machtigh) ons alles goedts te gheven de wille ende het vermogen hebt ende dat al, opdat daerdoor niet wy, maer uwen Heylighen naem eeuwichlic gepresen werde.

Wat beduyt het woordeken Amen?

Wat beduydt dat woordeken Amen?

Een hertelijcke wenschinge dat onse gebet moge/ en een vaste verzekeringe dat het zal verhoort worden

Amen is te segghen: Het sal waer ende seker zijn. Want mijn gebedt veel sekerder van God verhoort is, dan ick in mijn herte ghevoele dat ick sulcks van Hem begheere..

Veel verschil zit er niet, al lijkt het alsof de GC nog net iets meer de loftrompet aan de lippen zet. De opsteller(s) van GC eindigen dan ook met de lofprijzing, opdat het kind daar amen op zal zeggen. Zo gaat het objectieve van “dit” gebed over het subjectieve van de lofprijzing. De HC lijkt in deze iets terughoudender, maar het gebed is wel dat God geprezen zal worden.



3.4.10. De dankbaarheid: een eerste conclusie bij de vergelijking tussen GC en HC

De GC volgt de HC inzake “gebod” en “gebed” in de dankbaarheid. Zij doet dat echter gecomprimeerd, al zijn sommige antwoorden daardoor juist weer erg lang, wat met het oog het onderwijs aan de jeugd niet ideaal is.

De GC benadrukt de schuldige plicht van een leven in gehoorzaamheid. Het kind moet leren zichzelf aan de dienst van God, Die de Eigenaar is, te “offeren”.

In 3.4.3. zagen we dat de GC (voor het eerst) stelling neemt tegen een andere godsdienstige groepering, namelijk de rooms-katholieken, als de beeldendienst en de heiligenverering worden afgewezen.

In 3.4.5. zagen we dat het liefdegebod dat we bij de GC eerder tegen kwamen bij de ellende, opnieuw terug komt in de dankbaarheid. Dat maakt een concentrische uitleg of zienswijze mogelijk. Anders gezegd: ook bij de GC blijft de verloste zondaar. Daarbij wordt “perfectisme” niet uitgesloten, maar ook niet geleerd. Wel leert het dat ik uit mezelf niet kan volbrengen wat God van mij vraagt, maer is my noodich dat mij Godt door zijnen Gheest daer toe lust ende cracht gheve, en in mij werke het willé en het volbrengen. Gesteld kan worden dat de GC hier geen positief mensbeeld leert, maar een positief Godsbeeld! Ze spreekt hier niet over de mogelijkheden van de mens, maar over hetgeen God in de mens bewerkt. En daarmee doet de GC doet niet alleen denken aan Coornhert, maar ook aan vertegenwoordigers van de Nadere Reformatie, bijvoorbeeld aan Theodorus á Brakel (1608-1669) met zijn Trappen des Geestelyken Levens,79 die laat zien dat gereformeerd denken en spiritualiteit goed samen kunnen gaan.80 Het eigene van de gereformeerde spiritualiteit is dat het niet enkel om de leer gaat, maar om de beleving van het beledene. Welnu, de GC legt hier de vinger bij. Het gaat om een leven met het hart.81 Een uitwendige godsdienst is geen dienst aan God. Daarom wordt er geleerd dat het gebed met het hart gedaan wordt. Tegelijkertijd zal wel bekeken moeten worden hoe de opsteller(s) over de wedergeboren mens denken. Zijn zij toch niet te positief? Meer Romeinen 8 dan Romeinen 7? Bij de context moet dit ter sprake komen.
Tenslotte zij opgemerkt dat de inhoud van de GC de HC ten aanzien van het gebed vrijwel overeenkomen.
3.5 De theologie van de GC

Het totaal overziende kan er ten aanzien van de “theologie van de Goudse Catechismus” een aantal zaken genoemd worden.




      1. De opzet

Allereerst worden de inhoud van de GC en de HC schematisch weergegeven. Opvallend is – hoewel dat niets zegt over de inhoud – de kortheid van de GC.



Goudse Catechismus

Heidelbergse Catechismus

Inzet: drie vragen en antwoorden m.b.t. het “hoogste goed”.

Inzet: twee vragen en antwoorden m.b.t. “de enige troost” (Z.1)

Ellende: zes vragen en antwoorden

Ellende: negen vragen en antwoorden (Z. 2-4)

* De kennis van de ellende, gekend uit de wet Gods

* De kennis van de ellende, gekend uit de wet Gods

* De eerste oorsprong van alle kwaad

* De oorsprong van de ellende




* De straf over de zonde

Verlossing: 14 vragen en antwoorden

Verlossing: 74 vragen en antwoorden (Z. 5-31)

* Het “hoe” van de verlossing en waarin zij

* Betaling van de zonde

bestaat.

* De Middelaar

* Het geloof

* Het waar geloof

* De twaalf artikelen

* De twaalf artikelen

* De sacramenten: doop en avondmaal

* Rechtvaardig voor God




* De onvolkomenheid van onze goede werken




* De sacramenten: doop en avondmaal




* De sleutelen van het hemelrijk

Dankbaarheid: 21 vragen en antwoorden

Dankbaarheid: 44 vragen en antwoorden (Z. 32-52)

* Dankbaarheid als schuldige plicht

* De noodzakelijkheid van goede werken

* De wet van God

* De waarachtige bekering

* Het gebed

* De wet van God




* Het gebed

Daarbij valt op bij de GC het stuk van de dankbaarheid het grootst is. De inzet telt drie vragen, de ellende zes, de verlossing 14 en het stuk van de dankbaarheid 21.


De GC hanteert net als de HC na de inzet dezelfde drieslag: ellende, verlossing, dankbaarheid.


      1. Spirituele tendensen

Zoals gezegd in 3.4 kent de GC een spirituele inzet. De vraag naar het hoogste goed wordt beantwoord met de vereniging met God. Dit spirituele – de gerichtheid op God en het hart – komt herhaalde keren terug. Zo heet het geloof een “vast vertrouwen van het gemoed”, wordt in vraag 17 gevraagd of het voldoende is het Apostolicum uit het hoofd te kunnen opzeggen. In vraag 32 is de vraag of het genoeg is als je de wet uiterlijk onderhoudt en in antwoord 38 wordt geleerd te bidden met het hart. Noties die allemaal aangeven dat het in het christelijk geloof gaat om een zaak van het hart. Ondertussen wordt het hoofd niet uitgeschakeld, maar de nadruk ligt toch meer bij het hart. De GC is in ieder geval geen dogmatisch georiënteerd leerboekje. Boven schreef ik al dat gereformeerd en spiritueel geen tegenstelling behoeven te zijn. Ook de gereformeerden gaat het om de beleving van het beledene. De vraag is echter in hoeverre de GC gereformeerd (in engere zin) is te noemen, dat wil zeggen niet alleen binnen het kader van het “ultracalvinistische standpunt” van na Dordt (1618-1619) dat in de Angelsaksische wereld wordt weergegeven met de afkorting T.U.L.I.P.. Maar ook binnen het kader van de mannen van Zürich: Zwingli en Bullinger.


      1. Geen dogmatiek

In elk geval heeft het boekje een irenische inslag. Het wil de jeugd in Gouda verenigen in hoofdzaken. Er zijn dan ook geen of amper scheidslijnen naar andere groeperingen. Alleen ten aanzien dan van de heiligenverering en de beeldendienst in de rooms-katholieke kerk.
Gevolg is wel dat een aantal zaken die wel in de HC besproken worden, nu niet ter sprake komen. Te denken is dan aan de erfzonde, dat slechts via een tekstverwijzing naar Rom. 5,12 door een catecheet besproken kan worden. Niet voor niets is bij de bespreking gevraagd of de GC de zonde wel diep genoeg peilt. Ook de “noodzaak van de wedergeboorte” en de begrippen “aangeboren en werkelijke zonden”, de “barmhartigheid en rechtvaardigheid van God” en de “straf over de zonde” bespreekt de GC niet. Evenals de betaling van de zonde, de twee naturen van Christus, de noodzaak van de wedergeboorte, de onvolkomenheid en noodzaak van goede werken en de sleutels van het hemelrijk en het “hoe” van de bekering. De GC benadrukt dat zolang er eenheid is in de verbondenheid met Christus, de dogmatiek eigenlijk van weinig waarde is voor de kinderen. Anders gezegd: niet het leerbegrip staat centraal, maar de heiliging van hart en levenswandel.82
Ondertussen vallen juist in datgene wat niet genoemd wordt, wel de beslissingen. Hoe zit het met de visie op de mens. Is de mens doodziek of dood? Hoe zit het met de rechtvaardiging? Hoe zit het met de dubbele predestinatie? En hoe zit het met de heiligmaking? De GC ontwijkt hier de antwoorden, tenminste… ze betoogt in de lijn van Erasmus, dat de waarheid niet ligt in de dogmatiek, maar in de ethiek. Juist de dogmatische antwoorden van Luther en Calvijn leiden volgens hem tot goddeloosheid. De leer van de menselijke onmacht tot het goede en van de prioriteit van de genade brengt het christelijk leven in gevaar en werkt de zedelijke laksheid in de hand.83


      1. Tekstverwijzingen

Wel geeft de GC bij haar onderwijzing tal van Schriftplaatsen aan. Deze Schriftplaatsen heb ik bewust in de noten weergegeven, omdat de auteurs er m.i. mee aangeven niets anders te willen dan discussies terugbrengen tot de Schrift. Anders gezegd, ze wil een Bijbelgetrouw leerboekje zijn. Het gevaar van het gebruik van Bijbelteksten – en dat geldt zowel de GC als de HC – is dat de leer eerst vastgesteld wordt, om er vervolgens een Bijbeltekst bij te zoeken. Anderzijds blijkt wel dat beide geschriften zich op de Schrift willen laten aanspreken. De tekstverwijzingen van zowel de GC als de HC acht ik ter zake doende.


      1. Uitverkiezing: remonstranten

Een punt is in 3.5.3. nog onbesproken gebleven, namelijk de leer van de uitverkiezing. In 3.3.3. zagen we dat de HC op de vraag of iedereen in het heil deelt, antwoordt “Neense; maer alleen deghene die hem door een oprecht gheloove werden inghelijft, ende alle sijne weldaden aennemen.” De GC antwoordt eenvoudigweg “Die in Christum ghelooven”. De vraag “hoe” een mens tot en aan dat geloof komt, laat de GC onbeantwoord. De vraag is toen opgeworpen of hier de visie op de leer van de uitverkiezing een belangrijke rol speelt. Om deze vraag te kunnen beantwoorden, moet gekeken worden naar de context en vooral ook naar de auteurs. Een antwoord op die vraag hoort dus eigenlijk in het tweede deel van deze scriptie gegeven te worden. Maar om het belang van die vraag hier reeds te onderstrepen citeer ik uit de remonstrantie die op 14 juni 1610, naar alle waarschijnlijkheid in Gouda is geschreven: “I. Dat Godt door een eeuwich, onveranderlijck besluyt, in Jesu Christo, sijnen Soone, eer des Werelts grondt gheleyt was, besloten heeft, uyt het ghevallene, sondighe Menschelijck gheslachte, die ghene in Christo, om Christi wille, ende door Christum salich te maecken, die door de ghenade des Heylighen Geestes inden selven sijnen Sonoe Jesum gelooven; naer t’woort des H.Evangelii bij Joh. 3.36: Wie in den Sone gelooft die heeft het eeuwige leven; ende wie den Soone onghehoorsaem is, die en sal het leven niet sien, maer den toorne Godes blijft op hem: ende andere plaetsen der Schriftueren meer. (cursief: gjg) II. Dat desen volgende Jesus Christus de Salichmaker des Werelts voor alle ende yeder Mensche gestorven is, alsoe dat hyse alle door den doodt des Cruyces, de versoeninge en[de] vergevinghe der sonden verworven heeft: alsoo nochtans, dat niemandt deselve vergevinge der sonden datelyck geniet, dan de Ghelovige(…)”84
3.5.6. Uitverkiezing: contraremonstranten

Op 11 maart 1611 verschijnt een contraremonstrantie met daarin de woorden “Also in Adam ’t gantsche menschelijck geslachte na Gods beelt gheschapen zijnde, met Adam in sonde is ghevallen, ende daardoor alsoo verdorven, dat alle menschen in sonden ontfanghen ende geboren worden, ende daardoor zijn kinderen des toorns van natueren, doot liggende in hare sonden, sulcx dat sij niet meer vermogens en hebben uyt haer selven, om haer oprechtelijck tot Godt te bekeeren ende in Christum te ghelooven, dan een doot mensche vermogen heeft hemselven van den dooden op te wecken… (cursief: gjg). Dat Godt in dese sijne verkiesinge niet en heeft ghesien opt geloove ofte bekeeringe sijner uytverkorene, noch opt recht gebruyck sijner gaven als op oorsaken der verkiesinge…

Dat hij toe dien eynde vooreerst hen gheschoncken ende ghegheven heeft sijnen eenich geboren Soon Jesum Christum die hij in de doot des cruyses heeft overgegeven om sijne uytvercorene salich te maken, sulcx dat hoewel het lijden Christi als des eeuwich gheborenen ende eeuwesigen Soons Gods genoechsaem is tot betalinge voor aller menschen sonden, nochtans dat selve, volgende den raet ende besluyt Gods, alleen in de uytvercorene ende ware gheloovige sijne cracht heeft, tot versoeninge ende vergevinge harer sonden.”85
De genadeleer en de visie op de rechtvaardigmaking86 hebben alles met de zondeleer te maken. Het geheel overziend kan hier wel geconcludeerd worden dat de remonstrantie aansluit bij de GC en de contraremonstrantie bij de HC.



1   2   3   4   5   6   7   8   9


De database wordt beschermd door het auteursrecht ©opleid.info 2017
stuur bericht

    Hoofdpagina