Een tekst vanuit ‘t rattennest” De tekst en de context van een “korte onderwijsinghe der kinderen/ inde christelijcke religie”; oftewel de theologie en ontvangst van de Goudse Catechismus



Dovnload 0.51 Mb.
Pagina5/9
Datum14.04.2018
Grootte0.51 Mb.
1   2   3   4   5   6   7   8   9

Hoofdstuk 4 De context: “Alweer die van der Goude!”

4.1. Bij de context

In dit hoofdstuk beschrijf ik met name de reactie van Reynier Donteclock op de GC. De reactie van Donteclock maakt namelijk duidelijk in welke context de GC verschijnt. Het is de tijd waarin de onenigheid tussen voor- en tegenstanders van de HC naadloos over gaat in de bestandstwisten tussen remonstranten en contraremonstranten.87 De spanningen in de Nederlanden lopen op.88

Daarbij wordt duidelijk welke theologie er volgens haar tegenstanders achter de GC zit. Of de perceptie van deze tegenstanders geheel recht doet aan de GC, is een vraag die pas later te beantwoorden is. In ieder geval zal wel duidelijk worden dat eerdere gebeurtenissen rond Goudse “kopstukken” de perceptie gekleurd hebben. Daarom wordt in dit hoofdstuk ook stilgestaan bij D.V. Coornhert en Herman Herberts. De eerste is nooit lid van de gereformeerde kerk geweest, de tweede is het – zoals vele andere voorgangers in die tijd – wel geworden. Beiden liggen in de Sint-Jan begraven. Herberts overlijdt vlak voor het verschijnen van de GC. Hun gedachtengoed leeft na hun sterven echter voort.
4.2. Een beruchte uitgever en (on)bekende schrijvers uit een verdachte stad

Zoals we boven zagen verscheen de tekst van de GC in 1607 zonder vermelding van enige auteur bij de Goudse drukker Iacobus Migoen, Woonende op de Vismerckt in de Ladder Jacobs. Achter de Vismarkt zaten meer drukkers. Gouda is sowieso “the place to be” voor boekdrukkers die geschriften van vrijdenkers uit willen geven89, waarmee zij een belangrijke bijdrage leveren aan de reputatie van Gouda als stad van het vrije geweten en het vrije woord. Opvallend is dat er voor 1585 waarschijnlijk geen drukpers in Gouda is. Na de val van Antwerpen (1585) brengen Brabanders en Vlamingen haar in de stad. Antwerpenaar Jacob Willemz. Migoen – zoon van de Antwerpse schoolmeester Guillaume – is één van hen. In 1607 verkrijgt hij het poorterschap van de stad, om naar korte tijd in 1609 weer te vertrekken naar Rotterdam.90 In Gouda brengt hij werken uit van o.a. D.V. Coornhert (1552-1590)91. Het is mede daarom dat Acronius92 in zijn werk tegen de GC, Migoen wegzet als iemand die “afvallich vande ghemeynte Christi” is en “die met Pelagio, Clestino, Juliano, ende andere de erf sonde, zijnde de wortel van alle quadt, verzaeckt, de volkomenheydt in dit leven droomt, ende met vele andere grove misverstanden besmet is, die hy anderen oock geerne inplanten zoude”.93


Na korte tijd wordt ook duidelijk wie de auteurs van de GC zijn. Het zijn de drie predikanten van de Sint-Janskerk in Gouda zelf, te weten Herman Herberts94 die op 23 februari 1607 – vlak voor de verschijning van de GC – overlijdt, zijn zoon Dirk95 en Tombergen96. Saillant detail is dat de tekst voor publicatie eerst aan Arminius (ca.1559-1609) is voorgelegd. In een brief gedateerd op 31 maart 1609 schrijft Arminius aan Conrad Vorstius (1569-1622): “Het boekje, dat gij de Goudse Catechismus noemt, ofschoon het zelf die naam niet draagt, heeft de Goudse predikanten tot auteurs, die vóór de editie mij hebben geraadpleegd, met uiteenzetting van de redenen, waarom zij meenden, dat het moest worden uitgegeven. En zij hebben bewerkt, dat ik er in toestemde.”97
4.2.1. Omwille van de vrijheid of de godsdienst?

Het is deze combinatie van Gouda, Coornhert, Herberts en dan ook nog eens Arminius, die de zuurstof zal geven aan vlammende protesten tegen het geschriftje. Temeer omdat er in de Republiek – waarvan de contouren steeds duidelijker worden – na 1600 onder de gereformeerden de vraag naar de eigen identiteit opspeelt. Moet de kerk een ruime volkskerk zijn, waarbij de verschillende gereformeerde tradities (Bullinger, Calvijn en ook een “vleugje Luther” via Melanchton) een eenheid vormen, of moet de gereformeerde kerk een belijdende kerk zijn in de lijn van Calvijn en Beza? Niet voor niets dienen predikanten de Nederlandse Geloofsbelijdenis (Confessio Belgica, 1561) te ondertekenen en de Heidelbergse Catechismus te preken.


Gouda kiest vanaf het begin voor de eerste optie vanwege “de liberteyt van den religie” en de “liberteyt van den consciëntie”. De 80-jarige oorlog is er volgens Gouda “omwille van de vrijheid”. De gereformeerde Synoden kiezen vanaf het begin voor het laatste: een belijdende gereformeerde kerk. De 80-jarige oorlog is er volgens hen “omwille van de godsdienst”. Daarbij gaat het haar sinds Wezel (1568) om de eenheid van gereformeerde belijders binnen een gereformeerde kerk, die zich naar Geneefs model dient te organiseren. Hierin is ze ook internationaal georiënteerd, wat ook tot uiting zal komen op de Dordtse Synode (1618-1619).
4.3. Een reactie van Reynier Donteclock

Als de GC verschijnt moet deze verschijning dan ook bezien worden binnen de context van Gouda in de Republiek gedurende het einde van de 16e eeuw en het begin van de 17e eeuw. Het is de tijd van de institutionalisering van de gereformeerde kerk, waarbinnen een andere strijd oplaait. De Leidse hoogleraren Arminius (ca. 1559-1609) en de geboren Bruggenaar Gomarus (1563 - 1641) en hun volgelingen zullen elkaar bestrijden via woord en geschrift ten aanzien van de leer van de uitverkiezing.98


Reynier Donteclock is de eerste gereformeerde die in de pen klimt en zijn Proeve des Gouschen Catechismi laat verschijnen. Donteclock, bijgenaamd “De Vlaming”, geboren ca. 1546 in Ieper, is na zijn de studie in Heidelberg (1570) allereerst gereformeerd predikant in het tussen Hoorn en Enkhuizen gelegen Hoogkarspel (1575). In 1577 vertrekt hij naar Delft, alwaar hij in 1590 ontslag neemt om vervolgens zijn werkzaamheden in Voorschoten (1591) en Brielle (1592-1600) voort te zetten. Nadat hij i.v.m. ziekte van zijn vrouw, het ambt neerlegt, wordt hij in Den Briel rector van de Latijnse school (1604-1605) . Na 1605 keert hij terug naar Delft, waar hij in 1612 – of later – sterft.
4.3.1. Een Proeve van: Een ironisch begin…

Na het verschijnen van de GC reageert Donteclock zoals boven reeds vermeld met zijn Proeve des Gouschen Catechismi. Het werkje is opgebouwd door middel van een gesprek tussen “Vrager” en “Berichter” die met elkaar in gesprek gaan over het boekje uit Gouda. De toon is direct ironisch als “Berichter” opmerkt dat het om een haastige klus van de drukker gaat “Gelijck aen den druk selve wel te siene is”.99 Ongetwijfeld gaat het hierbij om drukfouten (zie de tekst boven), maar ook om de inhoud, omdat er haast bij is het verzoek tot revisie van de belijdenisgeschriften te ondersteunen (zie onder).


“Wie soude gedocht hebben dat die vander Gouden/ met een Catechismo ten laesten souden voortcomen. Ick hadde te vooren wel wat daer van verstaé/ maer condet nauwelix gelové. Nu moet ick ’t wel ghelooven/ dewijle ick ’t voor mijn ooghen sie.” Als “Vrager” dan om een toelichting vraagt, verhaalt “Berichter” over het feit dat de predikanten in Gouda “gheweygert hebben den Catchismum in haere kercken te prediken/ die in andere kercken van Hollant/ ende de andere Provintiën tot noch toe ghepredickt is gheweest”.100
4.3.2. Bezwaar 1: De Heidelberger niet gepreekt

Het eerste punt is hiermee door Donteclock gemaakt. Op de provinciale synode van Dordrecht (15-28 juni 1574) wordt besloten dat “men eenerlij catechismum in alleen kercken der provincie houden sal (…) en dat dit sal wesen de Heidelbersche Catechismus.” Daaraan wordt toegevoegd dat “men desen Catechismum alleen opentlicken sal leeren…”101 Zoals boven bij de inleiding van hoofdstuk 3 al vermeld, weigeren de Goudse predikanten uit de Catechismus te preken. Diverse malen wordt dit dan ook op de classicale en synodale ter sprake gebracht.102 Op de particuliere synode van Schoonhoven (14 september 1574) wordt onderstreept dat een “ygelyck classis ende die dienaren derselven een ygelyck int sijn haer mogelyck vlyt anwenden, ende voornamelyck dat een ygelick toesie, dat die leere des Catechismi na den middach nyet nagelaten worde.”103 Maar Gouda had het aangehoord en haar eigen plan getrokken. Gouda was hierin niet de enige. Zo was er ook in Leiden protest tegen de invoering van de HC door de synoden. Volgens stadssecretaris Jan van Hout had de synode daartoe niet de bevoegdheid.104


Over inhoudelijke bezwaren tegen de HC horen we in de synodale stukken voor het eerst op Zuid-Hollandse particuliere synode van juni 1583 te ’s Gravenhage. Op 31 juni wordt namelijk gesproken over een “boexken Cornherts teghen den Catechismum”.105
4.3.3. Het “boexken” van D.V. Coornhert

Een jaar daarvoor (1582) laat Coornhert namelijk zijn “Proeve vande Nederlantsche Catechismo” (1582)106 het licht zien. Coornhert is kritisch over de HC. De pijn voor Coornhert ligt o.a. bij het leerstuk van de erfzonde, een begrip dat – volgens hem – niet in de Schrift voorkomt. Hij maakt de kritiek concreet n.a.v. V&A 5 van de HC: “Kunt gij dit alles (d.i. de wet van God – gjg) volkomenlijk houden?” waarop het antwoord luidt: “ Neen ik; want ik ben van nature geneigd God en mijn naaste te haten”. Coornhert zegt daarover “Ist dat de Catechismus daer by verstaet een onherboren mensche ick en meyne niet dat yemant verstandich zijnde dē Catechismum daer in sal berispen, maer veel eer toestemmen. Ghemerckt soodanige luyden, (soo lange sy soodanich blijven) die voorsz liefde gheensins en mogen hebben. Maer meynt de Catechismus daer mede oock allen herboornen menschen niemande uytgesondert, 1 1 Vrage 60. ende 114. alsmen siet jae: soo salmen moeten segghen tselve niet warachtich te wesen...”. Kortom: dat de mens van nature geneigd is God en zijn naaste te haten, is wel waar voor een niet wedergeboren mens, maar niet waar voor een christen. Daarbij is een verlost mens volgens Coornhert in staat – door de werking van de Heilige Geest – de geboden van Christus te doen, Wiens geboden “niet zwaar” zijn (vgl. Joh. 5,3 en Mat. 11,30). “Soo blijckt dat de Catechimus opentlijck leert tegen de naecte en clare woorden Christi”, betoogt Coornhert.


4.3.4. Erfzonde en uitverkiezing

Overigens heeft Coornhert nog een jaar eerder (1581) samen met D.A. Kemp, Tsamenspruecken vande predestinatie ende schickinge Godes, een vertaling uit het Latijn van Sebastian Castellio op de markt107 gebracht. Kortom: Coonhert ontwikkelt zich tot een criticaster van het calvinisme vanwege de ‘vertwijffelde leere’ van de gereformeerden inzake de predestinatie en erfzonde. Volgens Coornhert ontdoen de calvinsten God van Zijn essentie: de liefde. Zij maken van God een wrede tiran, Die niet het heil van allen wenst.108




      1. Coornhert en de gewetensvrijheid

Naast de strijd aangaande de verkiezing en erfzonde is Coornhert ook beducht voor een vastomlijnde gereformeerde religie. Het leidt volgens hem alleen maar tot geloofs- en gewetensdwang. En uiteindelijk zelfs tot het doden van ”ketters”. Het proces tegen Servet – die o.a. de kerkelijke leer van de Drie-eenheid verwerpt – in Geneve, is daar het bewijs van.109 Daarbij “wie heeft het ware geloof op zak?” Coornhert stelt dat wanneer de paus, Luther, Calvijn, Menno Simons, David Joris, Hendrik Niclaes, Hendrik Janssen Barrefelt en Caspar von Shwenckfeld voor hem zouden staan, hij niet zou weten wie het juiste licht had ontvangen.110 Om met Paulus te zeggen “Want wij zien nu door een spiegel in een duistere rede, maar alsdan zullen wij zien aangezicht tot aangezicht; nu ken ik ten dele, maar alsdan zal ik kennen, gelijk ook ik gekend ben” (1 Kor. 13:12). Coornhert benadrukt dit “ten dele”, anderzijds wil hij volop met God gemeenzaam zijn. Het zal hem een polemisch geschrift van Calvijn zelf opleveren: Antwoord aan een zekere Hollander die onder het voorwendsel alle christenen tot geestelijke mensen te willen maken, hen toestaat hun lichamen aan allerlei bijgeloof te bezoedelen.111 Daarin roept Calvijn o.a. de Nederlanders op Coornhert te brandmerken, om hem als de pest te kunnen mijden.112
In 1582 poneert Coornhert dat alle godsdienstige groeperingen alle commentaren op de Bijbel maar moeten inleveren, om zelfstandig aan het lezen te gaan. Alle menselijke uitleggingen scheppen alleen maar verwarring113. De auteur van de Proeve des Gouschen Catechismi Reynaldus Donteclock – de “eeuwige opponent van Coornhert”114 – zal ook daarop direct reageren, zij het deze keer met zijn Delftse collega Cornelisz.115 Waarop Coornhert weer reageert met een Teghen het Venijnighe Vroeghschrift by Arent Cornelisz ende Reynier Donteklock. Het behoeft geen betoog dat als Coornhert op 3 oktober 1588 op last van de magistraat Delft moet verlaten – de Delftse predikanten hebben op zijn vertrek aangedrongen, omdat “zijn ageren tegen de gereformeerde opvatting een gevaarlijke zaak was”116 – en Coornhert zich zo’n 35 kilometer verderop vestigt aan de Oosthaven in Gouda, Gouda niet op applaus vanuit Delft hoeft te rekenen. Coornhert zelf is wel vol lof over de Goudse gastvrijheid: “Door ’t delven comt men aen ’t gout, door de Delvenaers come ick bij de Gouwenaers”.117 Gouda is een stad naar de geest van de libertijn Coornhert en Coornhert is een man naar het hart van de Raad, omwille van de vrijheid, met name die van het geweten. Hoewel Coornhert aan de Oosthaven op een steenworp afstand van de Sint-Janskerk woont, zal hij er niet kerken.



      1. Een interne verdachte: Herman Herberts

In de acta van de Zuid-Hollandse particuliere synode van juni 1583 te ’s Gravenhage, staat nog een gebeurtenis met verstrekkende gevolgen. Coornhert is een criticaster buiten de gereformeerde kerk, maar wat als zijn gedachtengoed plaats neemt binnen de kerk? Op 27 juni verschijnt ene J. Caen (of J. Canin), boekdrukker en ouderling te Dordrecht, met een belastend verhaal over zijn oud predikant Herman Herberts. Herberts zou bij hem het Wonderboek van David Joris hebben willen laten drukken, “denwelcke hij hooghelick als als met eenen excellenten gheest begaeft gheweest zijnde ghelooft ende ghepresen hadde ende de dienaars des woordts letterknechten ghenaemt etc.” Daarbij zou hij hem – waarschijnlijk nadat Canin dit voorval binnen de kerkenraad gemeld had – “opentlick op der strate becreten ende een schelm ghescholden hadde.”118 Kortom, plotseling staat de inmiddels naar Gouda overgegane predikant (1582) – zonder attestatie van de gemeente en classis Dordrecht(!) – in een verdachte hoek. Niet alleen als een ordinaire man met weinig zelfbeheersing vanwege een scheldkanonnade op straat, maar erger als bewonderaar van de aartsketter David Joris.119
Herman Herberts was ooit franciscaner monnik geweest in het klooster van Groot-Burlo en pastoor in Winterswijk. Na een verblijf in Bocholt wordt hij predikant onder de Augsburge Confessie in Wesel. In 1577 vertrekt hij naar Dordrecht, omdat “de kercke aldaer (Wesel – gjg) noch eenighe ceremonien uit den Pausdom overghebleven gebruikte”.120 Als hij op 24 april 1582 verzoekt om verhoging van zijn traktement, valt dat niet in goede aarde, omdat hij toch al meer krijgt dan de andere predikanten in de stad. Het verzoek leidt wel tot een onderzoek naar Herberts leer, omdat Herberts het in Dordrecht nalaat om uit de HC te preken. Daarbij zegt hij in een preek over Filp. 4,13 (“Ik vermag alle dingen door Christus, Die mij kracht geeft”) dat een christen in dit leven tot volmaaktheid kan komen, wat strijdt met V&A 114 van de HC. Herberts’ bezwaar tegen het antwoord van de HC is identiek aan het bezwaar van Coornhert.121 Het werkt de zedeloosheid in de hand en bevordert het deugdzame leven niet.
Tijdens het onderzoek komt ouderling Hendrik van Soest met de beschuldiging dat Herberts het Wonderboek van David Joris wilde laten drukken bij drukker Jan Canin. Zoals we boven zagen verklaart Jan Canin in Den Haag hetzelfde. Op de classicale vergadering van 16 maart 1582 weerspreekt Herberts deze beschuldiging, “syn hooft ontdeckende, schlaende op zijn borst, seggende: Ick betuyghen voor mijnen Godt (die altijdt eere moet hebben) op mijn consciëntie, dattet onwarachtich is, ende daer sijn wel duysent ende duysent loeghen inne.” Uit de dan beloofde schriftelijke verklaring – die pas op 22 maart overhandigd wordt – blijkt vreemd genoeg echter dat Herberts wel zijn eigen exemplaar van het Wonderboek wilde laten herdrukken122, waarop de classis de zaak doorstuurt naar de eerder genoemde particuliere synode. Deze synode roept Herberts op, maar deze verontschuldigt zich “dat het de magistraat niet woude toelaten”.123 Op 25 juni ontvangt de synode een brief van de magistraat met de mededeling dat de zaak wel in Gouda of in de classis Gouda afgedaan kan worden.124 De synode doet daarop nogmaals een verzoek aan Gouda, die de magistraat op 27 juni beantwoordt met het stellen “dat se niet ghedooghen sullen, dat Hermannus hier come”. Het vroedschap dat staat voor de “vrijheid van consciëntie” neemt zo haar predikant in bescherming. Ze probeert zoveel mogelijk afstand te bewaren tot de godsdienstpolitiek van de Staten en de maatregelen van de gereformeerde synoden.


      1. Herberts en dus kerkelijk Gouda gevolgd

De zaak leidt er wel toe dat de komende synoden telkenmale de zaak Herberts op de agenda zetten. Kritische blikken richting Gouda zijn het gevolg. De synoden zitten niet alleen met Coornhert met wie ze willen handelen “tot zijner bekeeringhe ofte weeringhe” in de maag, maar nu ook met Herberts. Op de Haagse Nationale Synode worden beiden gerekend tot de de “onrustige gheesten”.125 Door middel van de ingekomen stukken die Rutgers weergeeft126 weten we ook iets van de bezwaren die tegen Herberts leven. Ze gaan over de volkomenheid der christenen, over de rechtvaardigmaking, over letter en geest, over de vernedering van Christus en over de verkiezing. Herberts zelf zal niet ter synode verschijnen.
Ook op de particuliere synode van Delft (1587) laat Herberts zich niet zien. De classis Gouda stuurt Evert Woutersz. Bommelius, die vanaf 1579 in Gouda staat.127 De synodeverslagen melden dat de zaak Herberts niet is opgelost. Onder andere Donteclock krijgt de opdracht met Herberts in contact te treden. Verder wordt bij het volgende punt vermeld dat de HC in Gouda door de kinderen “niet opgeseydt noch oock gepredict” wordt. Visitatoren dienen de kerkenraad te berispen.128


      1. Ook Herberts ageert tegen de verkiezingsleer

Een extra dimensie in de hele geschiedenis rondom Herberts, vormt zijn in 1584 uitgegeven Corte verclaringe over de woorden Pauli geschreven totten Romeynen, Cap. 2, vers 28. In dit boek schrijft Herberts niet alleen over de gebeurtenissen in Dordrecht, maar keert hij zich ook tegen het bindend gezag van de Nederlandse Geloofsbelijdenis en de HC. Ten tijde van de Dordtse twisten heeft hij deze wel ondertekend. Verder verwerpt hij de dubbele predestinatie: “Daer wert Leven ende Doot, tot verkiesinghe voorghesteldt. Nu mach die Mensche een van beyden verkiesen”. De woorden refereren aan Deut. 30,19 waar Mozes het uitverkoren volk van Israël voor een zelfde keuze stelt: “Ik neem heden tegen ulieden tot getuigen den hemel en de aarde; het leven en den dood heb ik u voorgesteld, den zegen en den vloek! Kiest dan het leven, opdat gij levet, gij en uw zaad.” Opvallend, want juist omdat er zo weinig van de keuzes van Israël terecht komt, is ze aangewezen op de verkiezende God. Duidelijk is wel dat Herberts de verantwoordelijkheid van de mens benadrukt. In zijn Bekentenisse van 1591 stelt Herberts dat God alle mensen voorbestemd heeft tot heil. Dat God mensen van eeuwigheid verwerpt is strijdig met Zijn liefde, sterker het is blasfemisch, omdat “ghy Godt (dewelcke liefde is) t’ghene dat den duyvel toecoemt/ dat is haet/ zijt toeschrijvende/ ende noemt also God den duyvel ende den duyvel Godt.” 129 Ook onder Calvijns medestanders voelen niet allen er voor de consequentie van de particuliere verkiezingsleer, namelijk een particuliere verwerpingsleer te trekken. Bullinger zwijgt bijvoorbeeld het liefst over de verwerping en legt de nadruk vooral bij het verbond. Daardoor zullen zowel Calvinisten als remonstranten zich op hem gaan beroepen.130


      1. Richting een schorsing

Op de particuliere synode in Schiedam (augustus 1588) verschijnt Herberts namens en met credentie van de classis Gouda zelf ter synode. Gezien de omvang van “de zaak Herberts” in de notulen, neemt de synode de zaak hoog op.131 Herberts verklaart o.a. “dat hy het goede ende wat met der waerheyt bestaet hetzij wt Calvin, David Joris, Henric Nicolaes132 oft andre [wie die syn], anneme sonder hem aen eenige te bynden, mits ooc dat hy de leere Calvini in alle stucken niet conden toestaen, belovende hem nochtans alsoe te vertoonen in zyn verclaringen, dat hy zoecke de eere Gods ende eenicheyt der kercken, verclarende soe hy eenigen onrecht bedacht hadde ende een schalcke ooge tusschen beyde geloopen was, biddende hem sulcks te willen ten besten houden”.133 Hij wil er mee aangeven alleen aan de Schrift gebonden te zijn, maar komt er niet mee weg. Wel krijgt hij het advies het “int neerstich lesen ende int nadencken der Institutie Calvini te continueren.” Afgesproken wordt dat diverse predikanten hun bezwaren aan Donteclock door zullen geven en dat Donteclock deze ordent en aan Herberts zal zenden. Deze schriftelijke vragen zijn februari 1589 gereed. Op de particuliere synode te Gouda (augustus 1589) heeft Herberts de antwoorden echter niet beschikbaar. Dat wil zeggen, hij zegt de verklaring wel af te hebben, maar moet eerst nog voor een goede kopie zorgen.134 De synodeleden zullen het als “tijdrekken” ervaren hebben. Als gesproken wordt over de “grouwelicke blaspemien ende lasteringen tegen de Sone Gods, christelicken geloove ende waerheyt der schriftueren” met betrekking tot David Joris en Hendrik Niclaessen, stelt Herberts “dat hy met David Joris ende Henrick Niclaessen geen gemeynschap noch hem verbonden en heeft ende dat de waerheyt by hen niet en is, dewyl sy onder malcanderen oock strydich syn, maer dat hy hare schriften niet en begeert te verwerpen…”135 Weer zegt Herberts toe de vragen van Donteclock te beantwoorden, maar in 1590 is dat – ondanks diverse ontmoetingen – nog steeds niet gebeurd. De verslagen van de particuliere synode te Dordrecht vermelden dan ook “Ende sooveel als synen persoon betreft, sullen de voorsz. vijff ghedeputeerde met advys van de synodale classe voorder procederen naer kerckelycke discipline tot censure, suspensie van synen dienst ende van den avondtmael ende eyndelyck tot excommunicatie exclusive, welcke gerefereert sal worden tot de naeste synode particulier off generael.”136


      1. Herberts geschorst

Die “naeste synode” wordt de particuliere synode van Zuid-Holland, gehouden in oktober 1591 te ’s Gravenhage. In Gouda voelen ze de bui al hangen, want de kerkenraad stuurt een gravamen mee waarin ze Herberts zo positief mogelijk duiden. Ze schrijven “dat sij den Heere dancten met een goede conscientie van de gaven Hermanni voorsz. haers dienars, in leere ende leven haerer kercke seer dienstelick tot bevorderinge der kercke van de erkentenisse Christi ende den wech des godsaligen levens.”137 Het geduld van de Synode is echter op. Omdat “hy in zyn dwalingen persisteert sonder die te willen retracteren, mits desen niet alleen van den aventmale des Heeren, maer oock van den dienst des woordts Gods, zijner sacramenten ende alle kercklicke bedieningen sal gesuspendeert zijn ende voor gheenen dienar der Gereformeerde kercke (solange die suspensie sal geduijren) bekent noch daervooren in kercklicke vergaderingen toeghelaten worden, ten eijnde hij van zyne dwalingen afstae ende die retractere ende ergernisse bij hem gegheven, alsoot behoirt, dor zijn beteringe wechgenomen worde, to welcken eijnde aen hem ende aen de kercke ende classe van der Goude breeder acte van suspensie sal toegesonden worden.”138



1   2   3   4   5   6   7   8   9


De database wordt beschermd door het auteursrecht ©opleid.info 2017
stuur bericht

    Hoofdpagina