Een tekst vanuit ‘t rattennest” De tekst en de context van een “korte onderwijsinghe der kinderen/ inde christelijcke religie”; oftewel de theologie en ontvangst van de Goudse Catechismus



Dovnload 0.51 Mb.
Pagina6/9
Datum14.04.2018
Grootte0.51 Mb.
1   2   3   4   5   6   7   8   9

De overheid redt Herberts

Uiteindelijk zal Van Oldebarnevelt zelf – na aandringen van de Goudse magistraat – ervoor zorgen dat “de zaak Herberts” in handen komt van Uytenbogaert en Lansbergen. Zij delen op de provinciale synode in Leiden (2 nov. – 1 dec. 1592) mee dat Herberts een geloofsbekentenis en verklaring heeft afgelegd en ondertekend, die bij de Staten in goede aarde is gevallen.139 De theologische faculteit van Leiden acht zijn Bekentenisse des gheloofs140 – die hij op verzoek van de Goudse magistraat schrijft in 1591 – Bijbels. Kortom, de hele kwestie wordt afgedaan als een storm in een glas water en de synode gaat schoorvoetend akkoord. In de nazomer van 1592, op 22 augustus 1592, heeft Uytenbogaert vooruitlopend op de particuliere synode, in de Sint Janskerk reeds een verzoeningspreek gehouden en wordt de verzoening in Rotterdam, Gouda, Schoonhoven en Dordrecht voorgelezen. Dit zijn nota bene de plaatsen waar men in juni – conform de kerkorde – de eerste en tweede voorstelling tot effectuering van de schorsing heeft gedaan. In twee maanden ( van 7 en 21 juni tot 22 augustus) is alles “gladgestreken”. Voor de bestrijders van Herberts moet het voelen alsof de Staten de Synode overrulen. Later zullen Van Oldenbarnevelt en Uytenbogaert de rekening betalen.
In 1594 wordt ter synode opnieuw gemeld dat Herberts nog steeds niet uit de HC preekt, maar dan hebben de Staten al verboden dat “van de saecke van der Goude nieuwe procedure ofte resolutie genomen soude worden”.141
Over Coornhert en de zaak Herberts valt nog veel meer te zeggen, maar dat valt buiten het kader van deze scriptie. Een ding wordt wel duidelijk uit bovenstaande uitweiding: Donteclock moet heel wat in het achterhoofd hebben gehad toen hij zijn Proeve schreef.


      1. Nogmaals bezwaar 1: De Heidelberger niet gepreekt

Hier kunnen we stellen dat de HC niet gepreekt wordt, vanwege de bezwaren tegen de mensvisie in de HC. Met name het bezwaar tegen V&A 114. Het is ook een indicatie naar het waarom van het niet spreken over de erfzonde in de GC. In hoofdstuk 3 heb ik gezegd, dat een docent dat zelf in kan brengen en dat er via de tekstverwijzing over doorgepraat kan worden. De auteurs van de GC blijken echter zulks niet van zin.


      1. Bezwaar 2: En de ouderen dan?

Een tweede bezwaar tegen de GC oppert “Berichter” wanneer hij stelt dat ook bejaarden een catechismus nodig hebben. De GC pretendeert voor de jeugd geschreven te zijn, maar ook onder de ouderen zijn er velen die kinderen zijn in het verstand. Ook zij hebben onderwijs nodig. Trouwens, ook in de apostolische tijd en in de Vroege Kerk wordt er onderwijs gegeven.


      1. Bezwaar 3: De HC vervangen

Het tweede bezwaar gaat naadloos over in de derde, wanneer gesteld wordt “Als het goed is voor de kinderen, dan is het toch niet kwaad voor de ouderen?” Als “Vrager” dan zegt dat de HC voor kinderen te lang is, antwoordt “Berichter” dat het daar niet aan schort, maar dat de leer van de HC moet wijken. In Gouda weigert men de HC te preken, “ghelijck in alle andere kercken vande gheunieerde Provintiën geschiedt”. Ondertussen is het derde punt gemaakt. De GC wil de HC vervangen. De Goudse predikanten willen een revisie van de belijdenis, “een nieuwe reformatie vande Religie”.


      1. Bezwaar 4: Niet gewacht op de Nationale Synode

Daarbij verwijt Donteclock dat er niet gewacht is op een Nationale Synode.142 Als er dan bezwaren tegen de leer van de HC zijn, en als er een revisie moet komen van de NGB en de HC dient dit via de kerkelijke weg te gebeuren. Nu is het geschrift uitgegeven zonder kerkelijke approbatie. Donteclock veronderstelt hierbij medewerking vanuit Leiden143 om voor een Nationale Synode te kunnen bezien of het boekje “goed in de markt ligt” als vervanger van de HC. “Dit is oock de oorsaeck waeromme sy overal in anderen steden/ vanden Drucker ghesonden/ ende vercocht is geworden/ t’welc niet noodich soude gheweest zijn/ indiense alleene ghedruct waere/ tot dienste vande Jeught ter Gouden/ ghelijckse voorgheven.”144


      1. Bezwaar 5: De kortheid is geen pré

De eerste inhoudelijke kritiek is ten aanzien van de kortheid. “Berichter” zegt “De cortheydt is altijts goet voor de memorie/ maer niet altijts goet voor het verstát. Want indien eenige noodige dingen die daerin behooren te comen/ om de cortheyt wille/ achterghelaten werden/ soo en isser geen ghenoechsame onderwijsinghe. Wederomme indien men veele noodighe dinghen t’zamen wil begrijpen/ ende met weynighe woorden voor stellen/ soo valt die cortheyt duyster/ ende behoeft vele uytlegginghe. Soodanighe cortheydt dan/ en is niet te prijsen. Maer wanneer al t’gene totter salicheyt noodich is te weten/ met corte/ ende nochtans duydelijcke ofte clare woorden voorghestelt wort/ soo is dat een prijselijcke ende profijtelijcke cortheyt.”145


      1. Bezwaar 6: Bijbelteksten en Apostolicum zeggen op zich niets

Ook het gebruik van Bijbelteksten behoeft niet als een pré gezien te worden., “Dewijle oock de Duvvel uyt de Schrift vet heeft ghesproken, en de de Heylighe Schriften niet int lesen maer int verstaen gheleghen zijn.” Daarbij geloven de “papisten” de twaalf artikelen ook. Anders gezegd: het is niet specifiek gereformeerd.146 En daarmee is de GC dus te algemeen. Ze kan niet alleen dienst doen voor de gereformeerden, “maer oock de Arrianen/ Pelagianen147/ Cornhertisten/ Ubiquitisten148/ Confessionisten/ ende verscheyden Secten der Wederdooperen/ die hier te lande meer als in andere plaetsen/ te vinden zijn.”149 De GC trekt geen grenzen, maar blijft bij de “generale ende onverclaerde waerheyt”. Achter deze algemene en overklaarde waarheid ziet Donteclock de figuur van Coornhert oplichten. Coornhert had immers opgeroepen tot een “interim” (zie 4.3.5.) waarin alle predikanten “opten predickstoel den volcke yet anders te predicken, voor te lesen ofte seggen, dan die claere tekst der Heyliger Schriftueren, sonder een syllabe toe ofte af te doen.”150 Coornhert meent dat een ieder dan vrij in het geweten de ander toch als broeder en medechristen kan zien, omdat het hem gaat om een geloof dat door de liefde werkt.


      1. Bezwaar 7: Geen erfzonde

Een volgend bezwaar is dat de erfzonde niet geleerd wordt; en dus “den oorspronck der Sonden niet recht verstaen” wordt. En omdat deze niet geleerd wordt en “de nieuwe Pelagianen/ ic meene de Coornhertisten” de ruimte geeft, dient de GC verworpen te worden “ghelijckse den onsen (HC – gjg) verworpen hebben”.151


      1. Bezwaar 8: Rechtvaardig om of door het geloof

Over de rechtvaardiging merkt Donteclock op, dat hier zeker explictatie gewenst is. “Sommighe sien het gheloove voor sulck een werck aen/ dat Godt alsoo behaeght/ dat hy om deselven werckswille/ ons de gerechtichheyt ende zalicheyt soude schencken. Soo dat wy deur het werck des gheloofs. (naer haer verstant) voor Godt werden gerechtveerdight. Andere ghevoelen/ dat wy niet alleene deur het werck des geloofs/ maer oock deur andere goede wercke ende Christelijcke deuchden/ (diese stellen inde liefde) moeten voor Godt gerechtveerdight werden. Ende alzoo en schrijven se dé Heere Christo/ én zijne genoechdoeninge/ allene onse gherechtigheyt niet toe het werck des gheloofs/ noch eenighe andere goede wercken/ om datse gebrekelijck zijn/ ende de Wet niet en voldoen/ maer houden Christi ghenoechdoeninghe/ gherechticheyt ende heylicheyt/ alleene voor onse gerechticheyt by Godt/ ende het gheloove voor een middel/ ofte hant/ waer deur wy de selve aen nemen/ ende ons toe eyghenen. Ghelijck dat selve alder claerlijcst in de 60. ende 61. vraghen onses Catechismi wert gheleert.”152


      1. Bezwaar 9: Leven zonder zonde?

Ten aanzien van de verlossing van de dienstbaarheid van de zonde, merkt Donteclock op dat niet helder is “of daer mede de volcomentheyt betekent wort”.153


      1. Verdere bezwaren

Donteclock loopt verder de GC door en plaats opmerkingen bij de vragen en antwoorden, zoals ik dat zelf reeds gedaan heb bij hoofdstuk 3. Zo stelt hij dat de V&A ten aanzien van het geloof, ook door papisten onderschreven kan worden. Zouden “Ariannen”154 zich niet storen aan de uitleg van het Apostolicum inzake de Godsleer; en vermijdt de GC het woord sacrament, “want de Wederdoopers souden haer dat aen stooté”.155 De kinderdoop wordt niet behandeld en de vragen die juist zo speelden rondom het Avondmaal (zie boven) worden ontweken.
Bij de vraag “Cont ghy dese geboden oock uyt u selven onderhouden?” en het antwoord “Neen ic. Maer is my noodich dat my Godt door zijnen Geest daer toe lust ende kracht geve…” ziet Donteclock Coornhert en het perfectisme opdoemen. Temeer omdat HC V&A 114 ontbreekt.156
Kortom: de GC is volgens Donteclock te vaag en onuitgesproken om de HC als belijdenisgeschrift te vervangen. De irenische toonzetting is eerder een nadeel dan een voordeel. “Berichter” laat zich dan ook niet vermurwen als “Vrager” zegt: “Sy sullen segghen/ datmen behoort te sien op de gheleghentheyt van dese Landen/ in de welck wy vele verscheyden Seckten ende Ghesintheden hebben/ als Papisten / Confessionisten157/ Franckisten158/ Coornhertisten/ David Joristen/ Mennonisten/ dewelcke oock in verscheydé secten gedeelt zijn/ Ende daer naer behoort te trachten/ om die met ons te vereenighen/ soo vele het moghelijck is/ ofte ymmers hen lieden geen oorsaecke te gheven/ om haer soo vreemt van ons te houden/ alse nu wei doen.”159 En antwoordt daarbij: “…Wij sullen ons vande andere uytlandtsche Ghereformeerde Kercken moeten scheyden/ om met den Secten/ ofte andere Religien/ die wy hier te lande hebben/ te vereenighen.” Het is als een “schoe/ die aen alle voeten past/ waer deur het groot onderscheydt dat tusschen den Christenen altijt is gheweest/ ende wesen sal/ van weghen de verscheydenheydt der leere wechgenomen soude werden/ alsomen meent / sonder nochtans dat yemandt zijn voorgaende gevoelen behoefde te verlaten/ als niet strijdende teghens de woorden deses Catechismi.”160
De auteurs van de GC willen – aldus Donteclock – op basis van de GC alle godsdienstige stromingen in de Lage Landen herenigen, onder leiding van de overheid.161 De kwestie Herberts (zie boven), de polemieken met Coornhert en zijn uitwijken naar Gouda (zie boven) zijn de plaatjes die duidelijk maken wat de GC beoogt. Voor de opstellers van de GC is Gouda een ideale stad, waar de vrijheid van het geweten triomfeert, zij het dat het hoogste goed is te vinden in de vereniging met God. Gouda is het voorbeeld dat voor alle steden zou moeten gelden. Voor de tegenstanders is Gouda een schrikbeeld, omdat de waarheid – die volgens hen zo Schriftuurlijk wordt beleden in de HC - wordt opgeofferd aan de eenheid, die eigenlijk helemaal geen eenheid is.


    1. Kritiek op de GC van Acronius en Lubbertus

Donteclock is niet de enige die ageert tegen de GC. De predikant van Schiedam, Ruard Acronius, gaat in zijn uitleg van de HC die hij aan de Heren van Schiedam schrijft, in op de GC.162 Daarbij stemt hij met Donteclock in: De GC is “een genoechsame leest, daet alle schoenen over passen”.163
Ook Sibrandus Lubbertus gaat in op de GC.164 Uit Holland is hem een exemplaar toegezonden. Zijn bezwaren klinken bekend. Vele fundamentele leerstukken ontbreken, het geschrift is tegen de orde van de kerk uitgegeven, overal is de GC aangepast aan de secte van de Libertijnen en het begunstigt vrij open de Neo-Pelagianen, “die van de volmaaktheid van de mens in dit leven dromen.”165 Uit brieven die Lubbertus ontvangt, blijkt dat de GC veel gelezen en besproken is. Zo schrijft Menso Alting166 aan Lubbertus dat Satan in het boekje verschijnt als een goede engel. Er wordt een nieuw fundament gelegd onder de kerk, zoals David Joris ooit wilde. Met verdriet moet hij constateren dat sommige predikanten in Amsterdam vanaf de kansel “spreken over de oprechtheid van dit omineuze product”.167
Uit de briefwisselingen van Lubbertus blijkt dat de GC in de hele republiek onrust geeft. Lubbertus gaat dan ook in gesprek met Van Oldenbarnevelt en Uytenboogaart. Hij laat Van Oldenbarnevelt weten dat zelfs Servet (zie boven) de GC zou ondertekenen en ziet Sociaanse invloeden.168 “Dat Lubbertus, die juist in deze tijd met zijn Anti-Socinus bezig was, hier (d.i. in de GC – gjg) ook Sociniaanse invloeden meende te speuren, is niet alleen psychologisch te verstaan, doch getuigt ook van een scherpe blik in het beproeven der geesten. Arminius en Uytenbogaert wezen Socinus nog af, maar de figuur van Vorstius was reeds bezig naar voren te komen.”169

    1. Evaluerende opmerkingen

In de kritiek op de GC zien we dat de criticasters de HC zien als het ware leerboek voor de gereformeerden. Wie de HC verwerpt, verwerpt de rechtzinnige gereformeerde waarheid en legt een nieuw, vals fundament onder de Reformatie. Tevens vervreemdt hij zich van “andere uytlandtsche Ghereformeerde Kercken” in Europa. Van Veen merkt op dat hiermee de traditie uit Zürich buitenspel gezet wordt.170 Zij heeft daarin in zoverre gelijk, dat de gereformeerde beweging in Nederland “verengt” richting het “ultracalvinistische standpunt” van Dordt (1618-1619). Ondertussen is het maar de vraag of de auteurs van de GC zo graag het gedachtengoed van Zwingli en Bullinger willen voortzetten. Wellicht geldt voor de auteurs van de GC dat ze het Zwitserse kerkmodel prefereren boven dat van Geneve. Op de Dordtse Synode zullen de afgevaardigen van Zürich zich echter van de remonstranten distantiëren.
De lijn van Dordt (1618-1619) zal voortaan bepalen wat waarlijk gereformeerd is. De Dordtse gereformeerde leer wordt de leer van de gereformeerde kerk. Voetius (1589-1676) – aanwezig op de Dordtse Synode en bij de eerste tumulteuze dienst na afzetting van de remonstrantse predikanten in Gouda171– zal betogen dat de Luthersen buiten de ware kerk vallen evenals de remonstranten, die de naam “Remonstrants-Gereformeerd” niet dienen te gebruiken, maar zich beter “Remonstrants-Sociniaensche Christen” kunnen noemen.172 Ook de Leken wechwyser van Anastasius Veluanus, wordt als vallend buiten de gereformeerde traditie gezien.173
Ondertussen merken we dat alle critici van de GC in het kamp van de contraremonstranten te vinden zijn. De tegenstanders van de HC bevinden zich in het kamp van de remonstranten. In hoofdstuk 3 is het standpunt van beiden reeds weergegeven ten aanzien van de doodstaat, rechtvaardigmaking en heiliging, waarbij ook de uitverkiezing ter sprake kwam. De contraremonstranten benadrukken dat God niet verkiest wie gelooft, maar het geloof schenkt aan degene die Hij uitgekozen heeft. Opmerkelijk is dat Donteclock hier minder bij stil staat, maar veel meer over de zonde- en genadeleer spreekt. Duidelijk is dat beide groeperingen een ander mensbeeld hanteren. Waar de HC spreekt over “onbekwaam tot enig goed” en een “klein beginsel van de nieuwe gehoorzaamheid” (V&A 114), lijkt de GC veel positiever over de mens. Of is ze positiever over hetgeen God in de mens bewerkt? Het gaat hier eigenlijk over de in hoofdstuk 3 genoemde exegese van Romeinen 7. Arminius betrekt dit hoofdstuk op de nog-niet-wedergeboren, dus de natuurlijke mens, de mens als zodanig, die echter ontdekt aan zijn zonde en onmacht er aan toe begint te komen om de genade van Christus nodig te hebben. De orthodoxe uitleg is dat het hier gaat om de wedergeborene, die als twee-mens, de oude en de nieuwe mens, worstelt met de zonde die nog in hem woont. Gezien de betrokkenheid van Arminius bij de GC lijkt mij dat de GC zijn mensbeeld overneemt. Ondertussen constateren de critici van de GC dat de deur naar allerlei pelagiaans denkende groeperingen wagenwijd opengezet wordt. En daarmee wordt het “sola fide” en “sola gratia” van de Reformatie \verkwanseld tot een “én geloof én genade én goede werken”.
Mede daarom moet de irenische inslag van de GC het ontgelden. Een belijdenis geschrift van gereformeerden, moet de grenzen aangeven van “waar” en “vals”. Lubbertus’ opmerking over Sociaanse invloeden laten het belang er van zien. Wat dat betreft zullen de Dordtse Leerregels (1618-1619) een heldere toevoeging aan de Nederlandse Geloofdbelijdenis en de HC zijn. Tegelijkertijd moet wel bedacht worden dat er in de GC ketterijen gelezen worden, die niet aanwezig zijn, of wellicht geheel niet bedoeld zijn. De verdacht makende linken naar David Joris, zeggen mijns inziens vooral ook iets over de leesbril van de critici, dan over dat wat er daadwerkelijk staat. Een onderzoek naar Herberts zelf en de verhouding tussen Herberts en Joris, zou toe te juichen zijn. Coornhert is al wel vergeleken met Joris.174 Opvallend is dat beiden overeenkomen in hun uitleg van Romeinen 7. Beiden stellen namelijk dat Paulus hier spreekt over mensen die nog onder de wet leven. Maar zelf wordt Paulus niet meer geregeerd door het zondige vlees. Hij leeft door de Geest.175 Ik acht de kans vrij groot dat Herberts hetzelfde zou beweren. Feit is wel dat het irenische karakter van de GC en de nadruk op het hart helemaal passen bij de het spiritualisme van Coornhert en Joris.
Tenslotte zij gezegd dat hoewel de GC in veel zaken niet uitgesproken is, ze vooral verworpen wordt, omdat ze gezien wordt als boekje dat de HC wil vervangen. Wie de HC vervangt door de GC verliest wezenlijke zaken uit het oog. Dat het boekje als leerboekje voor de jeugd naast de HC zou worden gebruikt is eenvoudigweg niet bedacht. Dat er misschien toch behoefte was aan een compacter catechisatie boekje bewijst Faukelius’ Kort begrip der christelijke religie (1611). Faukelius schreef het in opdracht van de kerkeraad te Middelburg voor allen die de HC (nog) te moeilijk vonden. De Synode van Dordrecht (1618-1619) zal het „recommandabel” achten. Wie dit Kort begrip doorleest, ziet dat de mensvisie, de zonde- en genadeleer van de HC is overgenomen. Het kan een proeve van Donteclock, maar ook van Acronius en Lubbertus en alle contraremonstranten doorstaan, omdat “al t’gene totter salicheyt noodich is te weten/ met corte/ ende nochtans duydelijcke ofte clare woorden voorghestelt wort.”
Hoofdstuk 5 Conclusies

De centrale vraag van deze scriptie is: Welke theologie zit er achter de Goudse Catechismus en welke rol speelde deze theologie in de veroordeling van dit geschrift?


Bondig kan gesteld worden dat de GC is veroordeeld vanwege de “remonstrantse theologie en het feit (of de aantijging) dat het de HC wil vervangen, c.q. een voorstel is met het oog op de revisie van de NGB en de HC. Formeel speelt daarbij de kwestie dat de GC zonder kerkelijke approbatie is uitgegeven. Verder omdat in vergelijking met de HC er wezenlijke zaken niet aan de orde komen, of omzeild worden, waardoor allerlei ketterijen en dwalingen onder de GC verborgen kunnen blijven. Daarbij was Gouda in de ogen van de gereformeerde synoden een bolwerk van ketterijen en dwalingen. A.D. 2010 zou de GC echter een boekje voor de zogenaamde “oecumene van het hart” genoemd kunnen worden. Het gevaar van deze oecumene, is dat “leerstellige waarheden”, of Bijbelse waarheden devalueren tot subjectieve waarheden, die uitwisselbaar zijn: “Niet de leer, maar de Heer”.
In hoofdstuk 3 is de GC vergeleken met de HC. Gesignaleerd is dat de GC aansluit bij de Remonstrantie. Nu was deze conclusie feitelijk een vooruit lopen op de context, temeer omdat de Remonstrantie van latere datum is, al had het conflict tussen Arminius en Gomarus reeds een aanvang genomen. In hoofdstuk 4 wordt dan ook duidelijk dat de discussie tussen voor- en tegenstanders van de HC naadloos over gaat in de bestandstwisten tussen remonstranten en contraremonstranten. Inhoudelijk gaat die discussie niet zo zeer over de uitverkiezing, c.q. de dubbele predestinatie, c.q. de particuliere verwerping van eeuwigheid, maar vooral over de genadeleer en de visie op de rechtvaardigmaking die weer alles met de zondeleer te maken hebben. Ten diepste vallen theologisch bezien in de zondeleer ook hier de beslissingen. Is de mens doodziek of dood? De contraremonstranten betogen het laatste: “… doot liggende in hare sonden, sulcx dat sij niet meer vermogens en hebben uyt haer selven, om haer oprechtelijck tot Godt te bekeeren ende in Christum te ghelooven, dan een doot mensche vermogen heeft hemselven van den dooden op te wecken…”
De GC spreekt zich niet uit, ontwijkt het “onbekwaam tot enig goed” en het “klein beginsel” van de HC, om de verantwoordelijkheid van de mens te benadrukken, inclusief een vrije wil om te kiezen tussen leven en dood. Daarbij zagen we dat Romeinen 7 door Arminius en Coornhert, maar ook door spiritualisten als Joris (en naar alle waarschijnlijkheid ook door Herberts) gelezen wordt als betrekking hebbend op een onbekeerd mens. De gelovige wordt geleid door de Geest, die de mens verder brengt dan een “klein beginsel”. De GC opent de deur naar volmaaktheid, maar leert het niet. Ze moet mijns inziens net als de HC concentrisch gelezen worden: “meer zonde zien, of zondaar worden (het liefdegebod!) en minder zonde doen”.
Ondertussen valt de GC niet binnen het huidig gereformeerd spiritualisme, conform de vijf kenmerken voor de gereformeerde spiritualiteit die Velema geeft.176 Het kritieke punt zit ‘m ten aanzien van de GC bij het derde punt: de radicale verdorvenheid en de noodzaak van genade die aan Gods soevereiniteit ontspringt en ons in Christus wordt betoond. Gods genade is namelijk verkiezende genade. Toch heeft het iets dubbels als Voetius Bernard van Clairvaux en Thomas a Kempis als gereformeerden avant la lettre ziet177 en iemand als Anastasius Veluanus met zijn Leken wechwyser buiten de gereformeerde boot valt.178 Dat alle remonstranten buiten het heil zijn, zegt Voetius niet zo. Wel dat men door (en onder) de leer niet zalig kan worden. Persoonlijk denk ik dat hier wel enige terughoudendheid gewenst is. Toen iemand aan Whitefield (1714-1770) vroeg of hij Wesley (1703-1791) in de hemel zou zien, zou Whitefield gezegd hebben: “Ik denk van niet, want hij zal wel zó dicht bij Gods troon staan en wij zó ver af, dat we hem wel niet zullen kunnen onderscheiden.”179
De GC betoogt in de lijn van Erasmus, dat de waarheid niet ligt in de dogmatiek, maar in de ethiek. Juist de calvinistische gereformeerde dogmatische antwoorden leiden volgens Coornhert en Herberts tot goddeloosheid. De leer van de menselijke onmacht tot het goede en van de prioriteit van de genade brengt het christelijk leven in gevaar en werkt de zedelijke laksheid in de hand. Daarom zet de GC niet het leerbegrip centraal, maar de heiliging van hart en levenswandel. Het tragische van deze keuze is dat uiteindelijk de vrome levenswandel – die vrucht is van het geloof – in het geloof zelf opgesloten wordt, wat o.a. zal leiden naar de vraag of er afval is van heiligen. Daarmee komt de zekerheid van het heil juist op losse schroeven te staan. De HC benadrukt vanaf het begin dat heil vast ligt, buiten “mij” in het volbrachte werk van Christus. Als “ik” iets moet toevoegen, dan “stort het huis van het eeuwig heil van de mens als een kaartenhuis in elkaar.”180
Hiermee is ook de actualiteit van de GC en de HC aangegeven. In het woord vooraf schreef ik over de positieve verrassing die het geschriftje mij bracht en de sympathie die het opriep. Na deze scriptie heeft dat gevoel wel een knauw gekregen en zijn er alarmbelletjes gaan rinkelen. De GC heeft mijns inziens nog steeds prachtige antwoorden. Daarbij schat ik in dat veel jongeren (en ouderen) binnen de PKN – ook binnen de Sint-Jan te Gouda – meer op zullen hebben met de GC, dan dat ze ophebben met de gereformeerde belijdenisgeschriften,181 de Dordtse Leerregels incluis. Maar het gevaar is wel dat ze er mee vast lopen. Dat jongeren die “helemaal voor Jezus willen gaan” het op den duur niet volhouden, omdat ze merken dat het gewoon niet lukt: zondeloos leven.182 Daarom kan het geen kwaad de GC te bespreken en de vragen die het oproept – zoals beschreven in hoofdstuk 3 – met hen te bespreken, om vervolgens samen de Dordtse Leerregels door te nemen. Liefst op “bevindelijke wijze”.183
In deze zin kan de GC ook vandaag haar relevantie bewijzen. Ze is mijns inziens niet “slechter” dan de wel in hervormd-gereformeerde kring gebruikte Alpha-cursus. De HC vervangen mogen ze beiden niet, juist vanwege bovenstaande. Er zal daarom extra geïnvesteerd dienen te worden in de overdracht van de HC, waarbij de relevantie telkens duidelijk gemaakt zal moeten worden. Laat het leren van de vragen en antwoorden op jonge leeftijd ingevoerd worden. Of in ieder geval – met de GC – het Apostolicum, het gebod en het gebed. De HC leren kan vandaag ook met de hertaling, de eigentijdse weergave van Verboom.184 Daarbij zal natuurlijk en geestelijk wel beseft moeten worden dat een mens niet zalig wordt omdat hij de een juiste gereformeerde waarheid heeft, maar dat het gaat om de beleving van het beledene. Het gaat uiteindelijk om een leven met het hart en daar passen geen deftige en zure gezichten, getuige het gedichtje van De Génestet (1829 – 1861):

Ik kan het met ùw vroomheid

Niet vinden op den duur:

Zij kijkt me veel te deftig,

Zij kijkt mij veel te zuur!

Gij, die in alle dingen

Slechts zonde vindt en schuld...

Van leelijke gedachten

Is vast uw ziel vervuld.
Onze ziel mag zich laten vullen met de liefde van God. Niet alleen spiritualisten is het daarbij te doen om een geloof dat door de liefde werkt. De belijdenisgeschriften leren waarop die liefde gefundeerd is. En dat deze liefde heel persoonlijk wordt ervaren, getuigt Jodocus van Lodenstein (1620-1677):
Hier en komen geen onvromen,

hier en komt geen vrome bij.

Groot noch klene, maar allene

ik en Heere Jezu, gij.

O zalig eenzaam! Met God gemeenzaam

waar ik vrolijck ben en vrij.

waar ik vrolijck ben en vrij.
De gemeenschap met God, de verbondenheid met Hem, wordt niet alleen in de eenzaamheid ervaren, al zal de eenzaamheid ook wel gezocht dienen te worden. Ondertussen roept “Lodenstein” bij veel jongeren geen “vrolijk en vrij” op, maar allerlei uiterlijke kenmerken, wetjes en regeltjes en naar ik vrees “deftige en zure gezichten”. Maar als dat gebeurt heeft dat meer met de uitstraling van zijn nazaten te maken, dan met hem zelf.
Ten tijde van het Calvijnjaar (2009) is veel gezegd en geschreven over het imago probleem van Calvijn. Of dat imago na het jaar verbeterd is, is maar de vraag. Ik denk dat de vraag voor velen ook irrelevant is. Calvijn is iets van vroeger. De oplossing ligt ook niet bij het oppoetsen van imago’s van reformatoren of nadere reformatoren, maar in het doorgeven van dat waar zij voor stonden: de sola’s van de reformatie. T.U.L.I.P. kan helpen om de kaders helder te krijgen en het eigen relativisme te ontmaskeren, maar de boventoon zal het sola Scriptura, het sola fide en het sola gratia mogen voeren. Dat geeft houvast, in leven en in sterven, omdat Hij vast houdt.



1   2   3   4   5   6   7   8   9


De database wordt beschermd door het auteursrecht ©opleid.info 2017
stuur bericht

    Hoofdpagina