Een tekst vanuit ‘t rattennest” De tekst en de context van een “korte onderwijsinghe der kinderen/ inde christelijcke religie”; oftewel de theologie en ontvangst van de Goudse Catechismus



Dovnload 0.51 Mb.
Pagina7/9
Datum14.04.2018
Grootte0.51 Mb.
1   2   3   4   5   6   7   8   9

Geraadpleegde literatuur

A.J. Van der AA, Biographisch woordenboek der Nederlanden. Deel 1, 3, 4, 8 en 18 Haarlem: J.J. van Brederode, 1855-1874.


P.H.A.M. Abels “Van Vlaamse broeders, slijkgeuzen en predestinateurs. De Dolerende Gemeente van Gouda 1615-1619” in: P.H.A.M. Abels e.a., In en om de Sint-Jan. Bijdragen tot de Goudse kerkgeschiedenis, Delft: Eburon, 1989, 75-90.
P.H.A.M. Abels, K. Goudriaan, N.D.B. Habermehl en J.H. Kompagnie (red.), Duizend jaar Gouda. Een stadsgeschiedenis, Hilversum: Verloren, 2002.
P.H.A.M. Abels “Van breed naar smal; van smal naar breed. De eigen weg van de Goudse kerk” in: L. Brussee-van der Zee, A. Verbeek, P. Visser, R. Winsemius (red.), Balanceren op de smalle weg. Liber Amicorum voor Kees van Duin, Alle Hoekema en Sjouke Voolstra, Zoetermeer: Boekencentrum, 2002, 123–145.
G. Asaert, 1585 De val van Antwerpen en de uittocht van Vlamingen en Brabanders, Tielt: Lannoo nv., 20046.
Aurelius Augustinus, Belijdenissen, Vertaald en ingeleid door Gerard Wijdeveld, Amsterdam: Ambo-Olympus, 20026.
J.N. Bakhuizen van den Brink (ed.), De Nederlandse belijdenisgeschriften, Amsterdam: Ton Bolland, 19762.
H. Bavinck, Gereformeerde Dogmatiek, II, Kampen: Kok, 19987.
A.J. van den Berg, “Herman Herberts (ca. 1540-1607) in conflict met de gereformeerde kerk” in: C. Augustijn e.a., Kerkhistorische opstellen aangeboden aan Prof. dr. J. van den Berg, Kampen: Kok, 1987, 20-29.
W. Bergsma, “’Godt alleen mach die ziele dooden’: Coornhert en de godsdienstpolitiek” in: H. Bonger e.a., Dirck Volckertszoon Coornhert. Dwars maar recht, Zutphen: De Walburg Pers, 1989, 32-43.

L.D. Bierman, “The theological distinctiveness of the Heidelberg Catechism” in Theologia Reformata, (Jaargang 49, Nr. 4), 2006, 331-341.


D. Bonhoeffer, Navolging, Baarn: Ten Have, 19927.
H. Bonger, Leven en werk van D.V. Coornhert, Amsterdam: G.A. van Oorschot, 1978.
H. Bonger, Coornhert en Gouda, Gouda: Coornhertstichting, 1984.
T. á Brakel, De Trappen des Geestelyken Levens, 1642.
J. Calvijn, Institutie of onderwijzing in de christelijke godsdienst, ’s Gravenhage: Meinema, 198911.

D.V. Coornhert, Op zoek naar het hoogste goed, Uitgegeven, ingeleid en van aantekeningen voorzien door H. Bonger, Ambo, Baarn 1987.


A.Th. van Deursen, Bavianen en slijkgeuzen, Kerk en kerkvolk ten tijde van Maurits en Oldenbarnevelt, Franeker: Van Wijnen, 19983.
Reginald Donteclock, “Proeve des Gouschen Catechismi, ofte Korte Onderwysinge in de Christelijcke Religie, tot waerschuwinge van andere Steden ende haere Gereformeerde Kercken voor alle onnoodighe ende schadelijcke nieuwicheden in saecken de Leere ende Religie aengaende”, Delft: Jan Andriesz, z.j..
L.P. Gachard, Correspondance de Guillaume le Taciturne, Brussel, 1850-1857, deel 6.
C. Graafland, Van Calvijn tot Barth. Oorsprong en ontwikkeling van de leer der verkiezing in het Gereformeerd Protestantisme, ’s Gravenhage: Boekencentrum, 19872.
C. Graafland, Van Calvijn tot Comrie, Oorsprong en ontwikkeling van de leer van het verbond in het Gereformeerd Protestantisme, deel I tot en met VI, Zoetermeer: Boekencentrum, 1992-1996.
C. Graafland, “Voetius als gereformeerd theoloog” in: J. van Oort e.a. (red.), De onbekende Voetius. Voordrachten wetenschappelijk symposium Utrecht 3 maart 1989, Kampen: Kok, 1989, 12-31.

C. Harinck, De toeleidende weg tot Christus, Heerenveen: Groen, 2001.


H. Herberts, Bekentenisse des gheloofs: van verscheydene articulen der Christelicker leere, Gouda: Jan zas Doens, 1591.
C.C. Hibben, Gouda in Revolt, Particularism and Pacifism in the Revolt of the Netherlands 1572-1588, Utrecht: HES Publishers, 1983.
E.G. Hoekstra, “Spiritualisme”, in: G. Harinck e.a. (red.), Christelijke Encyclopedie, Kampen: Kok, 2005, 1679-1680.
T.M. Hofman, “Kerkelijke erkeninning van de Catechismus” in: W. van ’t Spijker e.a., Het troostboek van de kerk. Over de Heidelbergse Catechismus, Houten: Den Hertog, 2005, 169-207.
T.M. Hofman, Eenich Achterdencken, Spanning tussen Kerk en Staat in het gewest Holland tussen 1570 en 1620, Heerenveen: J.J. Groen en Zoon, 1997.
K. Holtzapffel en M. van Leeuwen (red.), De Remonstrantie 400 jaar. Ontstaan, historie, actualiteit, Zoetermeer: Meinema, 2010.
W. ter Horst, Wijs me de Weg! Mogelijkheden voor een christelijke opvoeding in een post-christelijke samenleving, Kampen: Kok, 19952.
W. Janse, Vrij of gedwongen? Erasmus, Luther en Augustinus over de vrije wilskeuze, Willem de Zwijgerstichting, 2004.
Otto J. de Jong, Geschiedenis der Kerk, Nijkerk: Callenbach 198711.
J.K. Karels, “Socianianen” in: G. Harinck e.a. (red.), Christelijke Encyclopedie, Kampen: Kok, 2005, 1662-1663.
G. Kooijman, Kroniek van Gouda. 1250 jaar Goudse geschiedenis in jaartallen verzameld, Alphen aan den Rijn: Repro-Holland BV, 1984.
D. MacCulloch, Reformatie. Het Europese Huis gedeeld 1490-1700, Utrecht/Antwerpen: Het Spectrum/Standaard Uitgeverij, 2005.
A. Moerkerken, “Van catechismusprediking tot boekcensuur” in: W. van ’t Spijker e.a., De Synode van Dordrecht in 1618 en 1619, Houten: Den Hertog B.V., 19942, 157-172.
P.C. Molhuysen en P.J. Blok (red.), Nieuw Nederlandsch biografisch woordenboek. Deel 7, Leiden: A.W. Sijthoff, 1927.
D. Nauta e.a. (red.), Biografisch lexicon voor de geschiedenis van het Nederlandse protestantisme, deel 1 en 2, Kampen: Kok, 1978, 1983.
W.J. op ’t Hof, “De Heidelbergse Catechismus in prediking en catechese” in: W. van ’t Spijker e.a., Het troostboek van de kerk. Over de Heidelbergse Catechismus, Houten: Den Hertog, 2005, 208-231.
A. de Reuver, Verborgen omgang. Sporen van spiritualiteit in Middeleeuwen en Nadere Reformatie, Zoetermeer: Boekencentrum, 20022.
J. Reitsma, S.D. Van Veen (ed.), Acta der provinciale en particuliere synoden. Gehouden in de Noordelijke Nederlanden gedurende de jaren 1572-1620, Tweede deel, Groningen: J.B. Wolters, 1893.
K. Runia, “Arianisme” in: G. Harinck e.a. (red.), Christelijke Encyclopedie, Kampen: Kok, 2005, 97-98.
K. Runia, “Pelagianisme” in: G. Harinck e.a. (red.), Christelijke Encyclopedie, Kampen: Kok, 2005, 1406.
F.L. Rutgers, Acta van de Nederlandsche Synoden der zestiende eeuw, ’s Gravenhage: Martinus Nijhoff, 1889.
Jacobus Sceperus, Chrysopolerotus. Dat is Goudsche Vrager over de vijf Artikelen der Remonstranten. Beantwoord door Poimaenius. Op aanleiding van Ohilalethus, Gouda: B.H. Maaskant, Nieuwe onveranderde uitgave, 1874.
Jan Schouten, Wie waren zij? Een reeks van Goudse mannen en vrouwen die men niet mag vergeten, Alphen aan den Rijn: Repro Holland, 1980.

H.J. Selderhuis (red.), Handboek Nederlandse Kerkgeschiedenis, Kampen: Kok, 2006.


H.J. Selderhuis, Morgen doe ik het beter. Gids voor gewone christenen, Barneveld: De Vuurbaak, 20025.
Joannes Tideman, De Goudsche Catechismus, Groningen: J. Oomkens J. Zoon, 1850.
B. Tideman Jzn., Overzicht van de geschiedenis de remonstranten, Amsterdam: Y. Rogge, z.j..
C.A. Tukker, De classis Dordrecht van 1573 tot 1609, Bijdrage tot de kennis van in- en extern leven van de gereformeerde kerk in de periode van haar organisering, Leiden: Universitaire pers (proefschrift), 1965.
C.A. Tukker, “Het klassieke doopformulier” in: W. van ’t Spijker, W. Balke, K. Exalto en L. van Driel (red.), Rondom de doopvont. Leer en gebruik van de heilige doop in het Nieuwe Testament en in de geschiedenis van de westerse kerk, Kampen: de Groot Goudriaan, 1983, 311-323.
C.A. Tukker, Kerkgeschiedenis, Kampen: Kok, z.j. 6e druk.
C.A. Tukker, Leven met het hart: over wat in het christendom gedacht en beleefd wordt, Kampen: De Groot Goudriaan, 1987.
M. van Veen, Calvijn, Kampen: Kok, 2006.
M. van Veen, Dirck Volckertszn Coornhert, Kampen: Kok, 2009.
M. van Veen, Een nieuwe tijd, een nieuwe kerk. De opkomst van het “calvinisme” in de Lage Landen, Zoetermeer: Meinema, 2009.
M. van Veen, “De Goudse Catechismus” in Nederlands Theologisch Tijdschrift, (Jaargang 60, Nr. 3), 2006, 193-207.
M. van Veen, “Ontallijcke brieven van eenderley materie. De propoganda van David Joris” in: J..J. Bosma e.a., Doopsgezinde Bijdragen, Nieuwe reeks 32, Hilversum: Verloren, 2006, 39-74.

M. van Veen, “Spiritualism in the Netherlands: From David Joris to Dirck Volckertsz Coornhert”, The Sixteenth Century Journal, (Vol. 33, No. 1), 2002, 129-150.


W.H. Velema, Nieuw zicht op gereformeerde spiritualiteit, Kampen: Kok Voorhoeve, 1990.
W. Verboom, De theologie van de Heidelbergse Catechismus. Twaalf thema´s: de context en de latere uitwerking, Zoetermeer: Boekencentrum, 1996.
W. Verboom, Een oude drieslag als theologisch paradigma in de twintigste eeuw, Leiden: Universiteit, 2002.
W. Verboom, De belijdenis van een gebroken kerk. De Dordtse Leerregels – voorgeschiedenis en theologie, Zoetermeer: Boekencentrum, 2005.
W. Verboom, De catechese van de Reformatie en de Nadere Reformatie, Amsterdam: Buijten & Schipperheijn, 1986.
W. Verboom, De Heidelbergse Catechismus. Een eigentijdse weergave, Zoetermeer: Boekencentrum, 2007.
W. Verboom, “Alles of niets” in: K. Holtzapffel en M. van Leeuwen (red.), De Remonstrantie 400 jaar. Ontstaan, historie, actualiteit, Zoetermeer: Meinema, 2010, 64-76.
W. Verboom, Van hart tot hart. Over de Dordtse leerregels, voor het gesprek in de gemeente, Zoetermeer: Boekencentrum, 2009.
M. Verduin, Canticum Canticorum: Het lied der liederen; een onderzoek naar de betekenis, de functie en de invloed van de bronnen van de Kanttekeningen bij het Hooglied in de Statenbijbel van 1637, Utrecht: De Banier, 1992.
Ignatius Walvis, Goudsche onkatolijke kerkzaken; Bezorgd en ingeleid door P.H.A.M. Abels, Delft: Eburon, 1999.
H.J. van Wijnen, “Is het einde in zicht”, in Kontekstueel, Tijdschrift voor gereformeerd belijden nú, (Jaargang 23, Nr. 1), 2008, 10-13.
C. van der Woude, Sibrandus Lubbertus: Leven en werken, in het bijzonder naar zijn correspondentie, Kampen: Kok, 1963.
S. Zijlstra, Om de ware gemeente en de oude gronden: geschiedenis van de dopersen in de Nederlanden, 1531-1675, Hilversum: Verloren, 2000.

Bijlage 1 De tekst van de Goudse Catechismus in hedendaags Nederlands
De inzet

Vraag 1. Waarin bestaat je hoogste goed?

Antwoord In mijn vereniging met God.
2. Wat leidt ons op de weg waardoor wij tot deze vereniging komen?

De christelijke religie.


3. Wat houdt de christelijke religie in?

Drie stukken: ten eerste leert zij de mens zijn ellende kennen, ten tweede wijst ze hem zijn verlossing aan. Ten derde onderricht zij hem van zijn schuldige plicht van de dankbaarheid voor de verlossing.


Het eerste stuk: Over onze ellende

4. Waarin bestaat jouw ellendigheid?

Daarin dat ik door mijn zonde vooreerst de dood en verdoemenis, daarna ook de dienstbaarheid van de zonden onderworpen ben.
5. Waardoor ken jij je zonde?

Door de wet van God.


6. Hoe ken je jouw zonde door de wet van God?

Doordat de wet mij leert dat ik God van ganser harte en mijn naaste als mijzelf moet lief hebben en ik ben in mijn hart overtuigd dat ik dit niet gedaan heb.


7. Ben je dan hierom aan de dood en de verdoemenis onderworpen?

Ja, want de bezoldiging van de zonden is dood. Er is geschreven “Vervloekt is een ieder die niet blijft in al hetgeen in het boek van deze wet geschreven is, om dat te doen.”


8. Volgt hieruit dat jij een dienstknecht van de zonden bent?

Ja, want de Christus zegt: “Wie zonde doet, is een dienstknecht van de zonde”. Ook merk ik dat ik van mijzelf onmachtig ben de zonde tegen te staan en de gerechtigheid te dienen


9. Wat is nu de eerste oorsprong van alle kwaden?

Niet God, die de mens goed en oprecht naar Zijn beeld geschapen heeft, maar zoals Paulus zegt: “de zonde is door één mens in de wereld gekomen en door de zonde de dood”.


Het tweede stuk: Over onze verlossing
10. Hoe word je van deze ellendigheid verlost?

Door de liefde, genade en barmhartigheid van God de Vader, Die ons Zijn eniggeboren Zoon Jezus Christus heeft geschonken tot wijsheid, gerechtigheid, heiligmaking en verlossing.


11. Waarin bestaat de verlossing van de dood en verdoemenis?

Daarin dat wij van God uit Zijn genade om niet gerechtvaardigd worden, door de verlossing in Christus, en verzoend in Zijn bloed.


12. Hoe word je vervolgens verlost van de dienstbaarheid van de zonden?

Alzo dat Christus door Zijn Geest de oude mens en kracht van de zonde in mij doodt en mij een nieuw mens maakt, opdat ik – aan de zonde gestorven zijnde – de gerechtigheid leve.


Over het geloof

13. Maar wie zijn dat, die deze weldaden deelachtig worden?

Degenen die in Christus geloven; want alzo lief zegt de Heere Christus, heeft God de wereld gehad dat Hij Zijn eniggeboren Zoon gegeven heeft, opdat een ieder die in Hem gelooft niet verderve, maar het eeuwige leven hebbe en daartegenover: die niet geloven zijn verdoemd en de toorn van God blijft op hen.
14. Wat is dat geloven?

Een vast vertrouwen van het gemoed op Jezus Christus, als mijn enige en volkomen Zaligmaker, en door Hem op God mijn Vader, Die Hem alle macht in hemel en op aarde gegeven heeft en een oorzaak van de eeuwige zaligheid voor al degenen die Hem gehoorzaam zijn.


15. Wat is een Christen nodig te geloven?

Alles wat God in Zijn Woord geopenbaard heeft en in de twaalf artikelen van ons Christelijk geloof samengevat is.


16. Hoe luiden deze artikelen?

Ik geloof in God de Vader, de almachtige, Schepper des hemels en der aarde.

En in Jezus Christus, Zijne eniggeboren Zoon, onze Heere,

Die ontvangen is van de Heilige Geest, geboren uit de maagd Maria.

Die geleden heeft onder Pontius Pilatus, is gekruisigd, gestorven en begraven, neder gedaald in de hel,

Ten derde dage wederom opgestaan van de doden,

Opgevaren ten hemel; zittende ter rechterhand Gods, de Almachtige Vader

Vanwaar Hij komen zal om te oordelen de levenden en de doden.

Ik geloof den Heiligen Geest

Ik geloof een heilige, algemene, Christelijke Kerk, de gemeenschap der heiligen;

Vergeving der zonden,

Wederopstanding van het vlees,

En een eeuwig leven.
17. Is het voldoende als je deze artikelen uit het hoofd op kunt zeggen?

Nee, ik moet het op de juiste wijze verstaan en begrijpen.


18. Wat geven deze artikelen jou te verstaan?

Dat de almachtige God, Die hemel en aarde geschapen heeft en nog onderhoudt een Vader is; Jezus Christus, de Zoon van God en van de mensen de Verlosser en de Zaligmaker is; en dat de Heilige Geest, Die de Geest van de Vader en van de Zoon is, de Heiligmaker is van al degenen die in de Vader, Zoon en Heilige Geest gelooft, dat is de heilige algemene Kerk; En dat deze Kerk, uit de genade van de Vader in de gemeenschap van de Zoon, door de werkingen van de Geest deel heeft aan de vergeving van de zonden, de opstanding van het vlees en het eeuwige leven.


19. Maar wat betekent het wanneer je zegt “Ik geloof in God, de Vader, Zoon en Heilige Geest?

Dat ook ik God tot mijn Vader, Christus tot mijn Zaligmaker en de Heilige Geest tot mijn Heiligmaker heb. En daarom als een waar lid van de heilige algemene Kerk, deel heb met alle heiligen aan de vergeving van de zonden, de opstanding van het vlees en het eeuwige leven.


De heilige Doop

20. Heb je hiervan ook een uiterlijke verzegeling?

Ja door de Heilige Doop. Want als ik door het bevel van Christus met water gedoopt word, in de Naam van de Vader en de Zoon en de Heilige Geest, zo verklaart de Vader dat Hij mij aanneemt tot Zijn kind, de Zoon dat Hij mij wast in Zijn bloed en de Heilige Geest dat Hij mij heiligt en vernieuwt tot een kind van God en mij als lidmaat inlijft in Jezus Christus en Zijn Kerk.
21. Bezegelt de Doop nog meer?

Ja, ook mijn schuldige plicht tegenover God, dat is dat ik als een kind en bondgenoot van God, mijzelf – al de dagen van mijn leven – Hem ten dienst stel, met verloochening van mijzelf, de duivel, de wereld en alle zonden.


Het heilig Avondmaal

22. Is er nog een andere instelling tot verzegeling van de heilzame gemeenschap die wij met Christus hebben?

Ja, het heilig avondmaal van onze Heere Jezus Christus.
23. Hoe luidt de instelling van het Avondmaal?

Aldus: Als zij aten nam Jezus het brood, en als hij gedankt had, brak hij het en gaf het aan Zijn discipelen en zei: “Neemt, eet, dit is mijn lichaam, dat voor u gegeven wordt; doe dit tot Mijn gedachtenis”. Desgelijks nam Hij ook de drinkbeker na het Avondmaal en dankte en gaf haar, zeggende: “Drinkt allen daaruit, want dit is mijn bloed van het nieuwe Testament, dat voor velen vergoten wordt tot vergeving der zonden”.


24. Hoe word je in dit Avondmaal verzegeld van de gemeenschap die je met Christus hebt?

Alzo, dat zo waar ik met de mond dit brood en deze wijn – tot gedachtenis van de dood van Christus – nuttige, ik ook, door het geloof gemeenschap heb met Zijn gekruisigd lichaam en vergoten bloed tot vergeving van mijn zonden en de genieting van het eeuwige leven.


Het derde stuk: Over onze dankbaarheid
25. Als het nu zo is dat je dusdanige grote weldaden van de Heere ontvangen hebt, ben je Hem hiervoor dan dankbaarheid schuldig?

Ja, ik moet eerlijk met David zeggen: “Hoe zal ik de Heere vergelden voor al Zijn weldaden die Hij aan mij doet? Ik wil de beker der zaligheden nemen en de Naam van de Heere prijzen”.


26. Hoe prijs je de HEERE en hoe betoon je je op rechte wijze dankbaar tegenover Hem?

Wanneer ik mijzelf geheel en al door Christus opoffer aan God en Zijn dienst, Hem eer, beide in lichaam en geest die van Hem zijn.


27. Waarin is deze eer van God gelegen?

Voornamelijk in twee stukken: in de gehoorzaamheid van Zijn wet en in de aanroeping van Zijn Naam.


Over de wet van God

28. Hoe luidt de wet van God?

Die luidt – zoals beschreven in Exodus 20:2 en vervat in deze navolgende tien geboden door de mond van God aldus uitgesproken.

Ik ben de Heere uw God, Die u uit Egypte, uit het diensthuis geleid heb.



Het eerste gebod

Gij zult geen andere goden naast mij hebben.



Het tweede gebod

Gij zult u geen beelden nog enige gelijkenis maken, noch van het hetgeen dat boven in de hemelen is, noch van datgene onder de aarde is. En aanbidt, noch eert, noch dient ze niet. Want Ik ben de Heer uw God, sterk en ijverig, Die de misdaad der vaderen bezoekt aan de kinderen, tot in het derde en vierde lid dergenen die Mij haten; en Ik doe barmhartigheid aan veel duizenden die Mij liefhebben en Mijn geboden onderhouden.



Het derde gebod

Gij zult de Naam des Heeren uws Gods niet te vergeeft of lichtvaardig gebruiken; want de Heere zal hem niet ontschuldig houden, noch ongestraft laten, die Zijn Naam tevergeefs of lichtvaardig gebruikt.



Het vierde gebod

Gedenkt de sabbatdag, dat gij dien heiligt. Zes dagen zult gij arbeiden en al uw werk doen, maar de zevende dag is de sabbat des Heeren uws God, dan zult gij geen werk doen, noch uw zoon, noch uw dochter, noch uw knecht, noch uw dienstmaagd, noch uw vee, noch uw vreemdeling die in uw stadspoorten is. Want in zes dagen heeft de Heere de hemel en de aarde gemaakt, en de zee en al wat daarin is, en Hij rustte ten zevende dage. Hierom zegende de Heere de sabbatdag en heiligde dezelfde.



Het vijfde gebod

Gij zult uw vader en moeder eren, opdat gij lang leeft op de aarde, en dat het u goed gaat in het land, hetwelk u de Heere uw God geven zal.



Het zesde gebod

Gij zult niet doden.



Het zevende gebod

Gij zult geen overspel doen.



Het achtste gebod

Gij zult niet stelen.



Het negende gebod

Gij zult geen vals getuigenis spreken tegen uw naaste.



Het tiende gebod

Gij zilt niet begeren het huis van uw naaste, noch zijn vrouw, noch zijn knecht, noch zijn dienstmaagd, noch zijn os, noch zijn ezel, noch ook enig ding, dat van hem is.


29. Hoe wordt deze wet ingedeeld?

In twee tafels waarvan de eerste onze schuldige plicht tegenover God leert in de vier eerste geboden en de tweede onze schuldige plicht tegen onze naaste in de zes navolgende geboden.


30. Wat is in het kort jouw plicht tegenover God?

Dat ik Hem alleen houd voor de enig ware God, boven alles lief heb, eer en vrees, op Hem alleen vertrouw en Hem alleen aanroep. Dat ik Hem dien op zodanige wijze als Hij bevolen heeft, in geest en waarheid, niet door beelden, zonder enige geveinsdheid en misbruik van Zijn heilige Naam, met onder houding van Zijn sabbat door heilige oefeningen die passend zijn bij die dag.


31. Wat is jouw schuldige plicht tegen je naaste?

Dat ik vader en moeder en allen die over mij in lichamelijke en geestelijke zaken gesteld zijn, zoals overheden, kerkleraren, schoolmeesters en dergelijke, liefheb, eer en gehoorzaam; niemands lichaam noch leven krenk, maar veel meer, zo veel doenlijk is, hetzelve bescherm; dat ik geen onkuisheid door overspel, hoererij of iets dergelijks bedrijf, maar mijn lichaam in matigheid en reinheid bezit; dat ik mijn naaste goederen met geen onrechtvaardige middelen verminder, maar veeleer die help bewaren en vermeerderen; zijn goede naam of faam niet schend, maar die zo veel als de waarheid en goede stichting toelaat, verdedig; en uiteindelijk niets van al hetgene hem toebehoort begeer.


32. Ben je van mening dat het genoeg is als je dit dus uiterlijk onderhoudt met het lichaam?

Nee, want God Die een Geest is, en in het bijzonder op het hart ziet, eist met deze woorden ook, dat wij ons met hart, gedachten en begeerten van al deze kwaden zullen onthouden.


33. Heb je niet een korte samenvatting van al deze geboden in het Woord van de Heere?

Ja, in Mattheüs 22 waar de Heere Christus zegt: “Gij zult lief hebben de Heere uw God, met geheel uw hart, geheel uw ziel, en geheel uw verstand. Dit is het eerste en het grote gebod.

En het tweede, hetwelk aan deze gelijk is: “Gij zult liefhebben uw naasten gelijk uzelven. In deze twee geboden hangt de ganse wet en de profeten”.
34. Kun je deze geboden ook uit jezelf onderhouden?

Nee, maar het is voor mij nodig dat God door Zijn Geest daartoe lust en kracht geeft en in mij het willen en volbrengen werkt.


Over het gebed

35. Hoe roep je God aan?

Zoals ons de Heere Christus Zelf geleerd heeft.

Onze Vader, die in de hemelen zijt

Uw Naam worde geheiligd

Uw Rijk kome

Uw wil geschiede op de aarde zoals in de hemel

Geef ons heden ons dagelijks brood

En vergeef ons onze schulden, gelijk wij vergeven onze schuldenaren.

En leidt ons niet in verzoeking

Maar verlos ons van het kwaad

Want van U is het Rijk, de kracht en de heerlijkheid, in der eeuwigheid.


36. Hoeveel ‘stukken’ merk je in dit gebed op?

Drie: ten eerste de voorrede, daarna het verzoek zelf en tenslotte het besluit.


37. Hoe luidt de voorrede?

Onze Vader die Gij zijt in de hemelen.


38. Wat leert je deze voorrede?

Drie dingen; ten eerste wie ik moet aanroepen, ten tweede in Wiens Naam en ook met het hart.



1   2   3   4   5   6   7   8   9


De database wordt beschermd door het auteursrecht ©opleid.info 2017
stuur bericht

    Hoofdpagina