Een tekst vanuit ‘t rattennest” De tekst en de context van een “korte onderwijsinghe der kinderen/ inde christelijcke religie”; oftewel de theologie en ontvangst van de Goudse Catechismus



Dovnload 0.51 Mb.
Pagina8/9
Datum14.04.2018
Grootte0.51 Mb.
1   2   3   4   5   6   7   8   9

39. Wie leert Christus je aanroepen?

God mijn hemelse Vader, Die mij als mijn getrouwe Vader wil geven alles wat mij aan ziel en lichaam nodig is en als een hemels almachtig God dat ook kan.


40. In Wiens Naam moet je Hem aanroepen?

In de Naam van onze Heere Jezus Christus in Wie God onze Vader is, en wij de vrijmoedigheid en de toegang tot Hem hebben.


41. Met wat voor hart moet je Hem aanroepen?

Met een hart dat ontstoken is met kinderlijke vreze en vertrouwen, omdat Hij een hemels – dat is een heilig en almachtig Vader is, zo moet men niet anders dan met een heilige eerbied en vast vertrouwen op Zijn vaderlijke goedheid en Goddelijke almogendheid tot Hem treden.


42. Waarin bestaat het verzoek?

In zes beden waarvan de eerste drie de bevordering van Gods eer en de laatste drie onze noden betreffen.


43. Wat verzoek je tot bevordering van Gods eer?

Dat Zijn heerlijke heilige Naam door Hem en mij en alle creaturen groot gemaakt wordt, in de toekomst en de wasdom van het Rijk van Zijn genade, hetwelk dan de overhand heeft als Zijn wil van ons hier op de aarde, zoals door de engelen in de hemel, geschiedt.


44. Wat zijn uw behoeften en nodige zaken waarom je hier bidt?

Deze zijn behoren gedeeltelijk tot ons lichamelijk leven en gedeeltelijk tot ons geestelijk leven.

Tot onderhoud van ons lichamelijk leven bidden wij om ons dagelijks brood, dat is om voedsel, onderdak, gezondheid, vrede en alles wat ons tot onderhoud van het leven nodig is. Ten behoeve van ons geestelijk leven bidden wij om twee dingen. Allereerst dat Hij onze zonden, die wij gedaan hebben, uit genade kwijt wil schelden. Ten tweede dat Hij ons voortaan voor zonde wil bewaren en van alle kwaad bevrijden.
45. Wat is het besluit van het gebed?

Want van U is het Rijk, de kracht, de heerlijkheid in der eeuwigheid. Dat is, dit alles verzoek ik terecht, omdat U onze Koning bent en over ons en alle dingen het opperste bevel hebt, daarom behoren wij U aan te roepen en de eer van Uw Naam te zoeken. En Uw kracht verzekert ons, dat U ons boven ons bidden of denken overvloedig kan geven wat wij bidden tot Uw lof, die eer toekomt en heerlijkheid van eeuwigheid tot eeuwigheid.


46. Wat betekent het woordje amen?

Een hartelijke wens dat ons gebed mag en een vaste verzekering dat het zal verhoord worden.



1 De zogenaamde Goudse Catechismus is opgenomen in de Goudse Canon, die in 2009 werd samengesteld in opdracht van de Stichting Historisch Platform Gouda. Zie http://www.goudsecanon.nl/15/1607/De-Goudse-Catechismus/ (05-07-2010). Opmerkelijk genoeg staat de Goudse Catechismus niet vermeld in G. Kooijman, Kroniek van Gouda. 1250 jaar Goudse geschiedenis in jaartallen verzameld, Alphen aan den Rijn: Repro-Holland BV, 1984. Wel vermeldt hij een bijeenkomst van „rekkelijken“ onder presidium van Uijtenbogaert in 1610.

2 Het ontzet van Leiden” dat in 1603 is geplaatst is een geschenk van de stad Delft. Ontwerper is de Leidenaar Ysaak Swanenburg. Het glas is gemaakt door Dirck Verheyden en voltooid door Dirck van Douwe, beiden te Delft.

3 Uit de “Oproep van prins Willem van Oranje aan de inwoners van de Nederlanden in verzet te komen tegen het bestuur van de hertog van Alva. Dillenburg”, 14 april 1572. L.P. Gachard, Correspondance de Guillaume le Taciturne (6 dln.), Brussel, 1850-1857, deel 6, 297-301. http://dutchrevolt.leidenuniv.nl/bronnen/1572%2004%2014%20ned.htm (19-06-2010).

4 P.H.A.M. Abels “Van breed naar smal; van smal naar breed. De eigen weg van de Goudse kerk” in: L. Brussee-van der Zee, A. Verbeek, P. Visser, R. Winsemius (red.), Balanceren op de smalle weg. Liber Amicorum voor Kees van Duin, Alle Hoekema en Sjouke Voolstra, Zoetermeer: Boekencentrum, 2002, 123–145.

5 A.D. 2006 houden de wijken A en B van de Hervormde Gemeente van Gouda hun erediensten in de Sint-Janskerk. De predikanten van de wijken A en B behoren qua ligging tot de Gereformeerde Bond in de Protestantse Kerk in Nederland. In de prediking wordt in de hervormd-gereformeerde gemeenten, vanuit de Bijbel als norm, nauwe aansluiting gezocht bij de belijdenisgeschriften als spreekregel van de kerk der Reformatie. De prediking van de Heidelbergse Catechismus in de leerdienst ’s middags is er in ere. De kerkdiensten zijn gekenmerkt door een sobere liturgie, met gebruik van de psalmen.

6 De volledige titel luidt Jacobus Sceperus, Chrysopolerotus. Dat is Goudsche Vrager over de vijf Artikelen der Remonstranten. Beantwoord door Poimaenius. Op aanleiding van Ohilalethus, Gouda: B.H. Maaskant, Nieuwe onveranderde uitgave, 1874.

7 Joannes Tideman, De Goudsche Catechismus, Groningen: J. Oomkens. J. Zoon, 1850.

8 W. ter Horst zegt daarover in Wijs me de Weg! Mogelijkheden voor een christelijke opvoeding in een post-christelijke samenleving, Kampen: Kok, 19952, 110-111: “Wie geloofswaarheden zondermeer van buiten wil laten leren, moet oppassen voor twee valkuilen (…) het verbalisme (…) en (…) dat iets dat van buiten is geleerd, niet vanzelf naar binnen dringt (…). Het gevolg kan zijn dat geloofswaarheden dan maar van nul en generlei waarde worden geacht. Pedagogisch is dat zeer gevaarlijk. Dan kan men ze nog beter betekenis- en belevingsloos van buiten laten leren, in de hoop dat ze ooit vanzelf verinnerlijken. Dat lijkt mij in dit postchristelijke tijdperk een ijdele hoop, maar goed, je weet maar nooit.”

9 Joannes Tideman, a.w., 6, noemt de GC niet alleen een “door vorm en inhoud beide een voortreffelijk boekje”, maar ook het eerste catecheseboekje van de Remonstranten.

10 A.Th. van Deursen, Bavianen en slijkgeuzen, Kerk en kerkvolk ten tijde van Maurits en Oldenbarnevelt, Franeker: Van Wijnen, 19983, 53.

11 De predikanten Poppius en Tombergen worden in juli 1619, met andere remonstrantse ambtsbroeders de republiek uitgezet en per “Arminaensche dreckwaghen” naar Spaanse bodem te Waalwijk vervoerd. De derde en laatste predikant Herberts junior (Dirk) wordt pas later in 1621 door de Zuid-Hollandse synode afgezet en vertrekt naar Amsterdam, om daar als arts te gaan werken. Zie o.a.: P.H.A.M. Abels “Van Vlaamse broeders, slijkgeuzen en predestinateurs. De Dolerende Gemeente van Gouda 1615-1619” in: P.H.A.M. Abels e.a., In en om de Sint-Jan. Bijdragen tot de Goudse kerkgeschiedenis, Delft: Eburon, 1989 en Ignatius Walvis, Goudsche onkatolijke kerkzaken; Bezorgd en ingeleid door P.H.A.M. Abels, Delft: Eburon, 1999, 84-87.

12 Walvis, a.w., 60.

13 Zie ook M. van Veen, Een nieuwe tijd, een nieuwe kerk. De opkomst van het “calvinisme” in de Lage Landen, Zoetermeer: Meinema, 2009.

14 D. MacCulloch, Reformatie. Het Europese Huis gedeeld 1490-1700, Utrecht/Antwerpen: Het Spectrum/Standaard Uitgeverij, 2005, 385.

15 In het woord T.U.L.I.P. staat de T voor “total depravity” (ook wel "total inability") – de totale verdorvenheid van de mens, de U voor “unconditional election” – de onvoorwaardelijke verkiezing, de L voor “limited atonement” – de beperking van Christus’ verzoenende dood voor de mensheid tot degenen die zijn uitverkoren voor de verlossing, de I voor “irresistible grace” – onweerstaanbaarheid van de goddelijke genade en de P voor “perseverance (of “preservation)” of the saints – de onbetwijfelbare volharding in de verlossende genade van Gods uitverkorene.

16 Nota bene Calvijn zelf leerde geen beperkte verzoening. De verzoening zelf is namelijk niet beperkt, maar wel de toepassing ervan. Beter is het om van “particuliere verzoening” of van “beperkte verlossing” te spreken. Het gevaar van de term “beperkte verzoening” schuilt m.i. in de gevolgen die het heeft voor de prediking inzake het aanbod van het heil.

17 Over de Nederlandse vertalingen van de HC tot en met 1618-1619, zie J.N. Bakhuizen van den Brink (ed.), De Nederlandse belijdenisgeschriften, Amsterdam: Ton Bolland, 19762, 35-39.

18 In 2010 zijn er in Gouda meer gereformeerde kerken waar de HC als leerboek gebruikt en geleerd wordt, zoals bijv.. de Christelijke Gereformeerde Kerk, de Gereformeerde Kerk Vrijgemaakt, de Gereformeerde Gemeente en de Gereformeerde Gemeente in Nederland (Gerbrandyweg en Stationskerk).

19 T.M. Hofman, “Kerkelijke erkeninning van de Catechismus” in: W. van ’t Spijker e.a., Het troostboek van de kerk. Over de Heidelbergse Catechismus, Houten: Den Hertog, 2005, 189.

20 Zie ook W. Verboom, De catechese van de Reformatie en de Nadere Reformatie, Amsterdam: Buijten & Schipperheijn, 1986, 112. Voor de ontwikkeling van de tekst, zie: J.N. Bakhuizen van den Brink (ed.), a.w., 29-40. Voor de verslagen van de synoden, zie F.L. Rutgers, Acta van de Nederlandsche Synoden der zestiende eeuw, ’s Gravenhage: Martinus Nijhoff, 1889.

21 Rutgers, a.w., 501.

22 Rutgers, a.w., 541.

23 Zie over Reynier Donteclock (of Reginald Donteklok): A.J. van der AA, Biographisch woordenboek der Nederlanden, Deel 4, Haarlem: J.J. van Brederode, 1858, 263-265.

24 De volledige titel luidt R. Donteclock, “Proeve des Gouschen Catechismi, ofte Korte Onderwysinge in de Christelijcke Religie, tot waerschuwinge van andere Steden ende haere Gereformeerde Kercken voor alle onnoodighe ende schadelijcke nieuwicheden in saecken de Leere ende Religie aengaende”, Delft: Jan Andriesz, z.j.. In de Groene Hart Archieven is deze proeve gebundeld met de Goudse Catechismus zelf.

25 J. Tideman, a.w., 19, stelt dat de auteu(s) het geschriftje niet gemaakt hebben “om ’t selve te brengen op den Predickstoel, maer om te besoecken of de Magistraet van der Goude soude gelieven goet te vinden, dat het selve als eene kinderleere in hare Schole mocht werden geleert, niet gedruckt maar geschreven, hoe wel het daer nae in Druck quam, buyten hare meeninghe door de menichte der geschreven Copyen. Dit verclaerden de Goudsche Predicanten in ’t Synodus particulier deses jaers (14 oktober 1608 te Dordrecht begonnen – gjg), in ’t welck hun over dit boecxken vele moeijelycheden wedervoeren, also waerachtig te zijn”. Dit verweer hangt samen met het ontbreken van de kerkelijke approbatie. Zie onder!

26 Het Convent van Wezel (1568) had ondermeer aangedrongen op de eenheid in het catechetisch onderwijs in huis, school en kerk. Zie A. Moerkerken, “Van catechismusprediking tot boekcensuur” in: W. van ’t Spijker e.a., De Synode van Dordrecht in 1618 en 1619, Houten: den Hertog B.V., 19942, 160.

27 Een andere vergelijking zou die van de omvang kunnen zijn. De GC telt 46 vragen met veelal korte antwoorden en is als leerboekje dus “gemakkelijker” of in ieder geval gecomprimeerd i.v.m. de HC.

28 L.D. Bierman, “The theological distinctiveness of the Heidelberg Catechism” in: Theologia Reformata (Jaargang 49, nummer 4), 2006, 333.

29 J.N. Bakhuizen van den Brink (ed.), a.w., pag. 29.

30 De toevoeging t.a.v. de mis: “ende een vervloeckte afgoderije”.

31 Zie verder: J.N. Bakhuizen van den Brink (ed.), a.w., pag. 29-40 en W. Verboom, De theologie van de Heidelbergse Catechismus. Twaalf thema´s: de context en de latere uitwerking, Zoetermeer: Boekencentrum, 1996, 15 e.v..

32 Zie C.A. Tukker, De classis Dordrecht van 1573 tot 1609, Bijdrage tot de kennis van in- en extern leven van de gereformeerde kerk in de periode van haar organisering, Leiden: Universitaire pers (proefschrift), 1965, 9-12.

33 W.J. op ’t Hof, “De Heidelbergse Catechismus in prediking en catechese” in: W. van ’t Spijker e.a., Het troostboek van de kerk. Over de Heidelbergse Catechismus, Houten: Den Hertog, 2005, 209 e.v..

34 C.C. Hibben, Gouda in Revolt, Particularism and Pacifism in the Revolt of the Netherlands 1572-1588, Utrecht: HES Publishers, 1983, 121-129.

35 Ez. 33,11: “Zeg tot hen: Zo waarachtig als Ik leef, spreekt de Heere HEERE, zo Ik lust heb in den dood des goddelozen! maar daarin heb Ik lust, dat de goddeloze zich bekere van zijn weg en leve. Bekeert u, bekeert u van uw boze wegen, want waarom zoudt gij sterven, o huis Israëls?”.

36 Zie voor de wortels van de gereformeerde verbondsleer: C. Graafland, Van Calvijn tot Comrie, Oorsprong en ontwikkeling van de leer van het verbond in het Gereformeerd Protestantisme, deel 1 en 2, Zoetermeer: Boekencentrum, 1992.

37 Aurelius Augustinus, Belijdenissen, Vertaald en ingeleid door Gerard Wijdeveld, Amsterdam: Ambo-Olympus, 20026, 29.

38 Zie over hem en de uitleg van het Hooglied: M. Verduin, Canticum Canticorum: Het lied der liederen; een onderzoek naar de betekenis, de functie en de invloed van de bronnen van de Kanttekeningen bij het Hooglied in de Statenbijbel van 1637, Utrecht: De Banier, 1992. Verder A. de Reuver, Verborgen omgang. Sporen van spiritualiteit in Middeleeuwen en Nadere Reformatie, Zoetermeer: Boekencentrum, 20022, 20-54.

39 De Moderne Devotie is een beweging van innerlijke vernieuwing, die rond 1375 vanuit Deventer ontstaat door de prediking van Geert Grote (1340-1384).

40 Zie over Thomas a Kempis, De Reuver, a.w., 56-96.

41 Hendrick Niclaes richtte “Het huys der Liefde”op. Zie MacCulloch, a.w., 222.

42 Heden beschikbaar als D.V. Coornhert, Op zoek naar het hoogste goed (ed. H. Bonger). Baarn: Ambo, 1987 met de bijna aan het einde – op 115 – staande slotconclusie “Begeerte en het begeerde zijn twee, maar liefde verenigt de liefhebber met het geliefde. Die maakt de liefhebber goddelijk. Dit is het opperste goed van de mens.”.

43 Zoals later beweerd in de “bevindelijk-chronologische opvatting” á la ds. G.H. Kersten (1882-1948). Zie W. Verboom, Een oude drieslag als theologisch paradigma in de twintigste eeuw, Leiden: Universiteit, 2002, 2-4. Zie ook C. Harinck, De toeleidende weg tot Christus, Heerenveen: Groen, 2001.

44 T.a.v. de “weg der religie” lijken de auteur(s) terug te grijpen op o.a. Deut. 30:15-19, Jer. 21:8, Psalm 1, Pred. 6,23; 15,24; Matth. 7,13-14 en 2 Petr. 2:,5. De eerste christenen werden de mensen van “de weg” genoemd (vgl. Hand. 9,2). Verder was Anastasius Veluanus’, Der Leecken weghwijser, dat in 1554 in eerste druk uitkwam, een veel gelezen boek. Men bedenke echter wel dat “de weg der christelijke religie” niet zozeer als pad bedoeld is, maar meer “op de manier van”.

45 Voor het citeren van de HC gebruik ik de tekst uit het “Formulierenboek” van Richard Schilders, Middelburg 1611, uit J.N. Bakhuizen van den Brink (ed.), a.w., 155 e.v. die door Bakhuizen van den Brink vergeleken is met de Emdense uitgave van 1563, de vertaling van Datheen, de gemengde tekst van Emden uit 1565, de tekst van Gaspar van der Heyden, Antwerpen 1580 en de heruitgave van Gasper van der Heyden uit 1591.

46 Vgl. W. Verboom, De theologie van…, 25.

47 Verboom, Een oude drieslag…, onderscheidt in de 20e (!) eeuw vijf modellen: 1. Het model volgens de bevindelijk – chronologische opvatting. 2. Het model volgens de opvatting van de leer van de veronderstelde wedergeboorte. 3. Het model volgens de eerste opvatting vanuit het verbond. 4. Het model volgens de tweede opvatting vanuit het verbond. 5. Het model volgens de christocentrische opvatting. Het behoeft geen betoog dat deze modellen niet één op één teruggezet kunnen worden naar de 17e eeuw. Wel liggen er lijnen van de 17e naar de 20e eeuw. Te denken valt aan de kritiek van Coornhert op de HC (zie onder) en de uitleg van Romeinen 7 door Arminius. C. Graafland, Van Calvijn tot Barth. Oorsprong en ontwikkeling van de leer der verkiezing in het Gereformeerd Protestantisme, ’s Gravenhage: Boekencentrum, 19872, 87: “Volgens de gangbare, orthodoxe uitleg zou het hier gaan om de wedergeborene, die als twee-mens, de oude en de nieuwe mens, worstelt met de wet des vleses (zonde), die nog in hem woont, de strijd tussen vlees en geest, het natuurlijke leven der zonde en de door Gods Geest wedergeboren nieuwe mens. Arminius betrok Rom. 7 echter op de nog-niet-wedergeboren, dus de natuurlijke mens, de mens als zodanig, die echter ontdekt aan zijn zonde en onmacht er aan toe begint te komen om de genade van Christus nodig te hebben. (…) Door Rom. 7 zo te verklaren, vond Arminius hierin o.a. de bijbelse fundering van zijn mensleer, volgens welke de mens een vrije wil heeft, hetgeen ook na de val blijft, alleen nu ernstig overheerst door de zonde en het door zonde bewerkte verderf van de mens.” De Geest brengt de wedergeborene volgens Arminius ook op hoger plan dan Romeinen 7.

48 Rom. 3,20: “Daarom zal uit de werken der wet geen vlees gerechtvaardigd worden, voor Hem; want door de wet is de kennis der zonde.” .

49 Mat. 22,37 “En Jezus zeide tot hem: Gij zult liefhebben den Heere, uw God, met geheel uw hart, en met geheel uw ziel, en met geheel uw verstand.”. Vers 39 luidt “En het tweede aan dit gelijk, is: Gij zult uw naaste liefhebben als uzelven.”.

50 Rom. 6: 23: “Want de bezoldiging der zonde is de dood, maar de genadegift Gods is het eeuwige leven, door Jezus Christus, onzen Heere.”. Gal. 3:10 “Want zovelen als er uit de werken der wet zijn, die zijn onder den vloek; want er is geschreven: Vervloekt is een iegelijk, die niet blijft in al hetgeen geschreven is in het boek der wet, om dat te doen.”.

51 Gen. 1:27 “En God schiep den mens naar Zijn beeld; naar het beeld van God schiep Hij hem; man en vrouw schiep Hij ze.” Rom. 5:12: “Daarom, gelijk door één mens de zonde in de wereld ingekomen is, en door de zonde de dood; en alzo de dood tot alle mensen doorgegaan is, in welken allen gezondigd hebben.”

52 Joh. 3,16 “Want alzo lief heeft God de wereld gehad, dat Hij Zijn eniggeboren Zoon gegeven heeft, opdat een iegelijk die in Hem gelooft, niet verderve, maar het eeuwige leven hebbe.” ; Ef. 2,4 “Maar God, Die rijk is in barmhartigheid door Zijn grote liefde, waarmede Hij ons liefgehad heeft…”; 1 Kor. 1,30 “Maar uit Hem zijt gij in Christus Jezus, Die ons geworden is wijsheid van God, en rechtvaardigheid, en heiligmaking, en verlossing.”

53 Rom. 3,24 en 25 “En worden om niet gerechtvaardigd, uit Zijn genade, door de verlossing, die in Christus Jezus is; (25) Welken God voorgesteld heeft tot een verzoening, door het geloof in Zijn bloed, tot een betoning van Zijn rechtvaardigheid, door de vergeving der zonden, die te voren geschied zijn onder de verdraagzaamheid Gods;”.

54 In de dogmatiek wordt onderscheid gemaakt tussen het geloof als daad (fides qua) en geloof als inhoud (fides quae).

55 In de kantlijn worden als tekstverwijzingen genoemd: Joh. 3,16: “Want alzo lief heeft God de wereld gehad, dat Hij Zijn eniggeboren Zoon gegeven heeft, opdat een iegelijk die in Hem gelooft, niet verderve, maar het eeuwige leven hebbe.”

3,18: “Die in Hem gelooft, wordt niet veroordeeld, maar die niet gelooft, is alrede veroordeeld, dewijl hij niet heeft geloofd in den Naam des eniggeboren Zoons van God.” Tenslotte Joh. 3,36: “Die in den Zoon gelooft, die heeft het eeuwige leven; maar die den Zoon ongehoorzaam is, die zal het leven niet zien, maar de toorn Gods blijft op hem.”



56 J. Tideman, a.w., 31. Joh. 3,3: “Jezus antwoordde en zeide tot hem: Voorwaar, voorwaar zeg Ik u: Tenzij dat iemand wederom geboren worde, hij kan het Koninkrijk Gods niet zien.”

57 Heb. 11,1: ”Het geloof nu is een vaste grond der dingen, die men hoopt, en een bewijs der zaken, die men niet ziet.”; Ef. 3,12: “In Denwelken wij hebben de vrijmoedigheid, en den toegang met vertrouwen, door het geloof aan Hem.”; Hand. 4,12: “En de zaligheid is in geen Anderen; want er is ook onder den hemel geen andere Naam, Die onder de mensen gegeven is, door Welken wij moeten zalig worden.”; 1 Pet. 1:21: “Die door Hem gelooft in God, Welke Hem opgewekt heeft uit de doden, en Hem heerlijkheid gegeven heeft, opdat uw geloof en hoop op God zijn zou.”; Mat. 28,18: “En Jezus, bij hen komende, sprak tot hen, zeggende: Mij is gegeven alle macht in hemel en op aarde.”; Heb. 5,9: “En geheiligd zijnde, is Hij allen, die Hem gehoorzaam zijn, een oorzaak der eeuwige zaligheid geworden.”.

58 Dietrich Bonhoeffer, Navolging, Baarn: Ten Have, 19927, 42.

59 De term “ingewikkeld geloof” komt uit de Middeleeuwse scholastieke theologie. De Scholastieken bedoelen daarmee dat mensen slechts behoeven te geloven wat de kerk gelooft. Calvijn wijst dit in zijn Institutie radicaal van de hand: “Niet in onwetendheid, maar in kennis is het geloof gelegen”. J. Calvijn, Institutie of onderwijzing in de christelijke godsdienst, ’s Gravenhage: Meinema, 198911, tweede deel, bevattende boek III, 13.

60 W. Verboom, De theologie van…, 60.

61 Het historisch geloof wordt onderscheiden van het tijdgeloof, het wondergeloof en het ware geloof. Zie ook vraag 21 van de HC.

62 HC V&A 66 luidt: “Vr. Wat zijn Sacramenten? Antw.: De Sacramenten zijn heilige zichtbare waartekenen en zegelen, van God ingezet, opdat Hij ons door het gebruik daarvan de belofte des Evangelies des te beter te verstaan geve en verzegele; namelijk, dat Hij ons vanwege het enige slachtoffer van Christus, aan het kruis volbracht, vergeving der zonden en het eeuwige leven uit genade schenkt.”.

63 Mirjam van Veen, Dirck Volckertszn Coornhert, Kampen: Kok, 2009, 10.

64 De tekstverwijzing is naar Mat. 28,19: “Gaat dan henen, onderwijst al de volken, dezelve dopende in den Naam des Vaders, en des Zoons, en des Heiligen Geestes; lerende hen onderhouden alles, wat Ik u geboden heb.”

65 Tekstverwijzingen hierbij zijn Mal. 1,6: “Een zoon zal den vader eren, en een knecht zijn heer; ben Ik dan een Vader, waar is Mijn eer? En ben Ik een Heere, waar is Mijn vreze? zegt de HEERE der heirscharen tot u, o priesters, verachters Mijns Naams! Maar gij zegt: Waarmede verachten wij Uw Naam?” en Mat. 16,24: “Toen zeide Jezus tot Zijn discipelen: Zo iemand achter Mij wil komen, die verloochene zichzelven, en neme zijn kruis op, en volge Mij.”


1   2   3   4   5   6   7   8   9


De database wordt beschermd door het auteursrecht ©opleid.info 2017
stuur bericht

    Hoofdpagina