Een tekst vanuit ‘t rattennest” De tekst en de context van een “korte onderwijsinghe der kinderen/ inde christelijcke religie”; oftewel de theologie en ontvangst van de Goudse Catechismus



Dovnload 0.51 Mb.
Pagina9/9
Datum14.04.2018
Grootte0.51 Mb.
1   2   3   4   5   6   7   8   9

66 C.A. Tukker, “Het klassieke doopformulier” in: W. van ’t Spijker, W. Balke, K. Exalto en L. van Driel (red.), Rondom de doopvont. Leer en gebruik van de heilige doop in het Nieuwe Testament en in de geschiedenis van de westerse kerk, Kampen: de Groot Goudriaan, 1983, 311-323. Tukker merkt op pagina 314 op “De palts was op haar beurt ook niet origineel in het opstellen van het formulier, en ontleende het nodige materiaal aan Genève en aan de Ordinantiën van Marten Micron en wellicht Johannes a Lasco”.

67 Overigens werd het lange formulier na een synodale vergadering in 1574 bekort tot het formulier dat heden ten dage in (de meeste) reformatorische kerken gelezen wordt. Van belang hier is te vermelden dat in de Kerkorde van de Palts van 1563 als de Heidelbergse Catechismus volgt op het Doopsformulier. Met het Avondmaalsformulier daarbij vormen deze drie werken een drieslag: doop – catechismus – avondmaal.

68 J.L. van de Gouwe, “Herman Herbers te Wezel” in: P.H.M. Abels e.a., In en om de Sint-Jan, 71.

69 Zie D. MacCulloch, a.w., 259 e.v..

70 Luther leert dat Christus mét, in en onder het brood aanwezig is (dus letterlijk) voor het geloof dat Hem doet eten en drinken. Bij de viering van het Avondmaal gaat het om de werkelijke, lichamelijke tegenwoordigheid van Christus. Zwingli leert dat het Avondmaal een gedachtenismaaltijd is, een “opfrisser der gedachtenis” en een verkondiging en lofprijzing van Christus. Het is een herinneringsmaaltijd aan wat vroeger gebeurde: de verzoening met God door Christus. Christus is niet lichamelijk tegenwoordig bij de viering van het Avondmaal. Calvijn tenslotte leert dat het bij de Avondmaalsviering niet om iets (brood en wijn), maar om Iemand (Christus) gaat. Christus is geestelijk en zeer reëel aanwezig. Lichamelijk is Christus in de hemel, hier moeten we onze harten op gericht worden (sursum corda). De gemeenschap wordt verkregen door de Heilige Geest.

71 J.L. van de Gouwe, “Herman Herbers te Wezel” in: P.H.M. Abels e.a., In en om de Sint-Jan, 69: “Testor coram Deo et sancta ipsius ecclesia me credere quod cum pane et vino exhibeantur vere corpus et sanguis Christi vescentibus in Coena Domini.”

72 M. van Veen, Coornhert, 10 en 11.

73 Psalm 116, 12 en 13: “Wat zal ik den HEERE vergelden voor al Zijn weldaden, aan mij bewezen? Ik zal den beker der verlossingen opnemen, en den Naam des HEEREN aanroepen.” In de berijming van 1773 is dat Psalm 116:7 “Wat zal ik, met Gods gunsten overlaan, Dien trouwen HEER' voor Zijn gena vergelden? 'k Zal bij den kelk des heils Zijn Naam vermelden. En roepen Hem met blijd' erkentnis aan.”

74 Rom 12,1: “Ik bid u dan, broeders, door de ontfermingen Gods, dat gij uw lichamen stelt tot een levende, heilige en Gode welbehagelijke offerande, welke is uw redelijke godsdienst.” 1 Kor. 6,20: “Want gij zijt duur gekocht; zo verheerlijkt dan God in uw lichaam en in uw geest, welke Godes zijn.”

75 In de kanttekening zijn als tekstverwijzingen opgenomen Joh. 4,24 “God is een Geest, en die Hem aanbidden, moeten Hem aanbidden in geest en waarheid” en 1 Sam. 16,7 “Doch de HEERE zeide tot Samuël: “Zie zijn gestalte niet aan, noch de hoogte zijner statuur, want Ik heb hem verworpen; want het is niet gelijk de mens ziet; want de mens ziet aan, wat voor ogen is, maar de HEERE ziet het hart aan”.”

76 Ez. 36,27 “En Ik zal Mijn Geest geven in het binnenste van u; en Ik zal maken, dat gij in Mijn inzettingen zult wandelen, en Mijn rechten zult bewaren en doen.”; Ef. 2,10 “Want wij zijn Zijn maaksel, geschapen in Christus Jezus tot goede werken, welke God voorbereid heeft, opdat wij in dezelve zouden wandelen” en Fil. 2,13 “Want het is God, Die in u werkt beide het willen en het werken, naar Zijn welbehagen.”

77 De tekstverwijzingen zijn naar Luk. 11:13 “Indien dan gij, die boos zijt, weet uw kinderen goede gaven te geven, hoeveel te meer zal de hemelse Vader den Heiligen Geest geven dengenen, die Hem bidden?” en Ps. 115:3 “Onze God is toch in den hemel, Hij doet al wat Hem behaagt.”

78 De tekstverwijzingen zijn naar Joh. 16,23 “En in dien dag zult gij Mij niets vragen. Voorwaar, voorwaar Ik zeg u: Al wat gij den Vader zult bidden in Mijn Naam, dat zal Hij u geven.”; Joh. 1,12 “Maar zovelen Hem aangenomen hebben, dien heeft Hij macht gegeven kinderen Gods te worden, namelijk die in Zijn Naam geloven.”; en Ef. 3,12 “In Denwelken wij hebben de vrijmoedigheid, en den toegang met vertrouwen, door het geloof aan Hem.”

79 Theodorus á Brakel, De Trappen des Geestelyken Levens, 1642. Zie over hem A. de Reuver, Verborgen omgang, 156-191.

80 Zie voor kenmerken van gereformeerde spiritualiteit o.a. W.H. Velema, Nieuw zicht op gereformeerde spiritualiteit, Kampen: Kok Voorhoeve, 1990, 82-83, 121.

81 Vgl. C.A. Tukker, Leven met het hart: over wat in het christendom gedacht en beleefd wordt, Kampen: De Groot Goudriaan, 1987.

82 B. Tideman Jzn., Overzicht van de Geschiedenis der Remonstranten, Amsterdam: Y. Rogge, 1897, 16.

83 W. Janse, Vrij of gedwongen? Erasmus, Luther en Augustinus over de vrije wilskeuze, Willem de Zwijgerstichting, 2004, 14.

84 K. Holtzapffel en M. van Leeuwen (red.), De Remonstrantie 400 jaar. Ontstaan, historie, actualiteit, Zoetermeer: Meinema, 2010, 14.

85 C.A. Tukker, Kerkgeschiedenis, Kampen: Kok, z.j. 6e druk, 139.

86 Vgl. C. Graafland, Van Calvijn tot Barth, 122-126. “De Remonstranten zijn het geloof, als meest directe grond van de rechtvaardiging voor God, steeds meer verbonden gaan zien met de goede werken, die vrucht van het geloof zijn, maar door hen steeds nauwer met het geloof zelf werden verbonden en tenslotte als in het geloof zelf opgesloten beschouwd” (125).

87 M. van Veen, “De Goudse Catechismus” in Nederlands Theologisch Tijdschrift, (jaargang 60, nummer 3), 2006, 199.

88 Voor een algemene indruk van de contextin de 16e en 17e eeuw, zie H.J. Selderhuis (red.), Handboek Nederlandse Kerkgeschiedenis, Kampen: Kok, 2006, 215-496.

89 Zo ook Jasper Tournay. Zie over hem P.H.A.M. Abels, Spreekbuis voor dissenters. De drukkerij van Jasper Tournay” in: N.D.B. Habermell, P.H.A.M. Abels, H.A. van Dolder - de Wit, L.B. Korstanje (red.), In de stad van die Goude, Delft: Eburon, 1992, 222 e.v..

90 G. Asaert, 1585 De val van Antwerpen en de uittocht van Vlamingen en Brabanders, Tielt: Lannoo nv., 20046, 201.

91 Over Dirk Volkertszoon Coornhert, zie A.J. Van der Aa, Biographisch woordenboek der Nederlanden. Deel 3, Haarlem: J.J. van Brederode, 1858, 696-704.

92 Over Ruard Acronius, zie A.J. Van der AA, Biographisch woordenboek der Nederlanden. Deel 1, Haarlem: J.J. van Brederode, 1855, 44-45.

93 Geciteerd in M. van Veen, “De Goudse Catechismus”, 203.

94 Zie over hem A.J. van der Aa, Biographisch woordenboek der Nederlanden. Deel 8. Eerste stuk, Haarlem: J.J. van Brederode, 1867, 633-636 en P.C. Molhuysen en P.J. Blok (red.), Nieuw Nederlandsch biografisch woordenboek. Deel 7, Leiden: A.W. Sijthoff, 1927, 559-561.

95 Over Dirk of Theodorus Herberts, zie A.J. van der Aa, Biographisch woordenboek der Nederlanden. Deel 8. Eerste stuk, Haarlem: J.J. van Brederode, 1867, 636-637 en P.C. Molhuysen en P.J. Blok (red.), Nieuw Nederlandsch biografisch woordenboek. Deel 7, Leiden: A.W. Sijthoff, 1927, 558-559.

96 Voorin het exemplaar dat zich in de GHA bevindt, staat met de hand (begin 19e eeuw) geschreven dat naast bovengenoemde predikanten ook Poppius (de opvolger van Herman Herberts) zijn inbreng heeft gehad, maar dat het werk vooral aan Dirk Hermansz. (d.i. Dirk oftewel Theodoor Herberts) toe te schrijven is. Gezien de opmerking van Arminius (zie volgende noot) acht ik de bijdrage van Poppius – die van 1607-1619 in Gouda stond – niet waarschijnlijk.

Over Tombergen, zie: A.J. van der Aa, Biographisch woordenboek der Nederlanden. Deel 18. Haarlem: J.J. van Brederode, 1874, 182-183.



97 Zie C. van der Woude, Sibrandus Lubbertus: Leven en werken, in het bijzonder naar zijn correspondentie, Kampen: Kok, 1963, 180.

98 Zie voor de gebeurtenissen tot 1609: W. Verboom, De belijdenis van een gebroken kerk. De Dordtse Leerregels – voorgeschiedenis en theologie, Zoetermeer: Boekencentrum, 2005, 17-100.

99 Donteclock, Proeve…, 1.

100 Donteclock, Proeve…, 2.

101 F.L. Rutgers (ed.), Acta, 134,135.

102 C. Hibben, a.w., 121-129. Feitelijk wordt de ommissie pas op de particuliere synode van Delt (1587) voor het eerst aan de orde gesteld!

103 J. Reitsma, S.D. Van Veen (ed.), Acta der provinciale en particuliere synoden. Gehouden in de Noordelijke Nederlanden gedurende de jaren 1572-1620, Tweede deel, Groningen: J.B. Wolters, 1893, 174.

104 J.C. Overvoorde, “Advies van burgemeesters en gerecht van Leiden aan de Staten van Holland over de acta van de in 1578 te Dordrecht gehouden synode, met inleiding”, Nederlands Archief voor Kerkgeschiedenis, 9 (1912), 137. Geciteerd in M. van Veen, “De Goudse Catechismus”, 195.

105 Reitsma, Van Veen, a.w., 299.

106 Dit werk werd in 1630 opnieuw uitgegeven. D.V. Coornhert, Proeve van de Heydelberghsche catechismo, Amsterdam: Impressum, Jacob Aertsz., 1630, 467.

107 S. Castellion, Tsamensprueken vande predestinatie ende schickinge Godes. Vertaald uit het Latijn in het Nederlands door D.A. Kemp en D.V. Coornhert, Utrecht: C. Hendricksz, 1581. Zie voor Castellio o.a. C. Graafland, Van Calvijn tot Barth, 26. Castellio verdedigde een vrije wil inzake het “ja” of “nee” zeggen tegen Gods genadeaanbod. Tevens stelde hij net als Coornhert in Nederland, dat de Franse autoriteiten het bestaan van twee kerken, de Rooms-katholieke en een gereformeerde kerk, in Frankrijk toe moesten staan. Castellio was ook geen vreemde voor Calvijn. In 1540 had Castellio op aanbeveling van Johannes Calvijn het rectoraat van de school in Genève op zich genomen. In 1545 kwam het tot een breuk gekomen vanwege diverse persoonlijke en theologische verschillen (inclusief de predestinatie). Na een spreekverbod vertrok hij naar Bazel. Zie ook Otto J. de Jong, Geschiedenis der Kerk, Nijkerk: Callenbach 198711, pag. 186, 192, 194.

108 H. Bonger, Coornhert en Gouda, Gouda: Coornhertstichting, 1984, 13.

109 Zie voor de context M. van Veen, Calvijn, Kampen: Kok, 2006, 60-62.

110 W. Bergsma, “Godt alleen mach die ziele dooden. Coornhert en de godsdienstpolitiek” in: H. Bonger e.a., Dirck Volckertszoon Coornhert. Dwars maar recht, Zutphen: De Walburg Pers, 1989, 36.

111 M. van Veen, Calvijn, 176-184.

112 M. van Veen, Calvijn, 181.

113 D.V. Coornhert, Middel tot minderinge der secten ende partijschappen staende dese inlantsche oorlogen, tot dat by ghemeene eendracht daer in voorsien sal sijn, geciteerd in M. van Veen, “De Goudse catechismus”, 204.

114 M. van Veen, “De Goudse Catechismus”, 200-201.

115 R. Donteclock en A. Cornelisz., Ondersoeck des ongehoorden middels, onlancx versiert ende wtghegheven van Dirck Volckertsz. Coornhert, Delft 1582.

116 Jan Schouten, Wie waren zij? Een reeks van Goudse mannen en vrouwen die men niet mag vergeten, Alphen aan den Rijn: Repro Holland, 1980, 52.

117 P.H.A.M. Abels, K. Goudriaan, N.D.B. Habermehl en J.H. Kompagnie (red.), Duizend jaar Gouda. Een stadsgeschiedenis, Hilversum: Verloren, 2002, 423. Voor de disputaties van Coornhert, zie m.n. Marianne Roobol, Landszaken. De godsdienstgesprekken tussen gereformeerde predikanten en D.V. Coornhert onder leiding van de Staten van Holland, [S.I.]: [s.n.], 2005.

118 Reitsma, Van Veen, a.w., 244. Zie ook C.A. Tukker, De classis, 53.

119 Voor David Joris zie P.C. Molhuysen en P.J. Blok (red.), Nieuw Nederlandsch biografisch woordenboek. Deel 7, Leiden: A.W. Sijthoff, 1927, 684-678. Verder M. van Veen, “Ontallijcke brieven van eenderley materie. De propoganda van David Joris” in: J..J. Bosma e.a., Doopsgezinde Bijdragen, Nieuwe reeks 32, Hilversum: Verloren, 2006, 39-74; m.n. 40-46. Joris wordt als zo’n grote ketter gezien, dat de stad Bazel – waar hij aan het eind van zijn leven woont onder de schuilnaam Johan van Brugge – hem na zijn dood opgraaft om zijn lijk gezamenlijk met zijn boeken op 13 mei 1559 alsnog te verbranden.

120 Zie over Herberts: Jan Schouten, a.w., 1980, 52 en vooral C.A. Tukker, De classis Dordrecht…, 52 e.v.. Over het de zaak Herberts: A.J. van den Berg, “Herman Herberts (ca. 1540-1607) in conflict met de gereformeerde kerk” in: C. Augustijn e.a., Kerkhistorische opstellen aangeboden aan Prof. dr. J. van den Berg, Kampen: Kok, 1987, 20-29.

121 A.J. van den Berg, a.w., 20.

122 A.J. van den Berg, a.w., 22.

123 Reitsma, Van Veen, a.w., 247.

124 Reitsma, Van Veen, a.w., 251.

125 F.L. Rutgers (red.), a.w., 553.

126 Idem, 558-559.

127 Zie over hem P.C. Molhuysen en P.J. Blok, Nieuw Nederlandsch Biografisch Woordenboek, deel 1, Leiden: A.W. Sijthoff, 1911, 401,402.

128 Reitsma, Van Veen, a.w., 300-301.

129 Herman Herberts, Bekentenisse des gheloofs: van verscheydene articulen der Christelicker leere, Gouda: Jan zas Doens, 1591, 249.

130 Graafland, Van Calvijn tot Barth, 27,50,51.

131 Reitsma, Van Veen, a.w., 318-321.

132 Over Hendrick Niclaes (c. 1502–c. 1580) en het huis van de liefde, zie ook: S. Zijlstra, Om de ware gemeente en de oude gronden: geschiedenis van de dopersen in de Nederlanden, 1531-1675, Hilversum: Verloren, 2000, 210-214.

133 Reitsma, Van Veen, a.w., 321.

134 Reitsma, Van Veen, a.w., 339.

135 Reitsma, Van Veen, a.w., 339. Overigens wil Bommelius aan de synode een brief van Coornhert overhandigen, maar deze wordt niet aangenomen omdat “syn persoon ende schryven des synode soe wel bekent is” (352).

136 Reitsma, Van Veen, a.w., 382.

137 Reitsma, Van Veen, a.w., 410.

138 Reitsma, Van Veen, a.w., 418. Voor de hele zaak: 409-411, 413-421.

139 Reitsma, Van Veen, a.w., 442, 443.

140 Herman Herberts, Bekentenisse.

141 Reitsma, Van Veen, a.w., deel III, 34.

142 Donteclock, Proeve…, 8.

143 Donteclock, Proeve…, 9.

144 Donteclock, Proeve…, 9,10.

145 Donteclock, Proeve…, 11.

146 Donteclock, Proeve…, 14.

147 Aanhangers van Pelagius. K. Runia, “Pelagianisme”, in: G. Harinck e.a. (red.), Christelijke Encyclopedie, Kampen: Kok, 2005, 1406, stelt: “Theologisch systeem dat leerde dat de zondige mens in staat is de eerste en fundamentele stappen op de weg naar de verlossing te zetten, zonder de hulp van de goddelijke genade. Dit systeem is afkomstig van de Ierse (of Britse) monnik Pelagius, die aan het eind van de vierde eeuw naar Rome kwam en vanwege zijn geleerdheid en devotie al gauw veel volgelingen kreeg. Na de val van Rome (410) ging hij naar Noord-Afrika, waar Augustinus zijn felste criticus werd en verschillende geschriften tegen hem schreef. Enkele Afrikaanse synodes veroordeelden hem, evenals het concilie van Efeze (431). Pelagius had een zeer optimistische visie op de mens. Volgens hem was Adam ook zonder de zondeval gestorven, had Adam alleen zichzelf en niet het hele menselijke geslacht gecorrumpeerd en waren pasgeboren kinderen nog steeds in dezelfde positie als Adam vóór de zondeval. Volgens Pelagius heeft een mens, althans in theorie, nog steeds de mogelijkheid om zondeloos te blijven.”

148 Dat zijn de aanhangers van de door Luther verkondigde stelling, dat Christus' lichaam overal waar het Avondmaal wordt gevierd gelijktijdig aanwezig is.

149 Donteclock, Proeve…, 14.

150 Donteclock, Proeve…, 16.

151 Donteclock, Proeve…, 19.

152 Donteclock, Proeve…, 20.

153 Donteclock, Proeve…, 21.

154 Aanhangers van de leer van Arius (250-336), een uit Libië afkomstige priester te Alexandrië. K. Runia, “Arianisme”, in: G. Harinck e.a. (red.), Christelijke Encyclopedie, Kampen: Kok, 2005, 97,98: “Arius was een boeiend prediker en de leden van zijn gemeente vereerden hem vanwege zijn ascetische levenswijze. Zijn uitgangspunt was het joodse monotheisme: God is één in wezen en persoon, ondeelbaar, eeuwig en bestaand uit zichzelf. De consequentie hiervan was volgens Arius dat de zoon niet eeuwig kon zijn. Er is een tijd geweest dat God nog niet vader was. Zijn zoon Jezus is dus een schepsel, maar wel verheven boven alle andere schepselen.”

155 Donteclock, Proeve…, 24.

156 Donteclock, Proeve…, 27.

157 Aanhangers van de Augsburgse Confessie, 1530.

158 Sebastian Franck (1499-1542) E.G. Hoekstra, “Spiritualisme”, in: G. Harinck e.a. (red.), Christelijke Encyclopedie, Kampen: Kok, 2005, 1679-1680, stelt: “Er zijn vele spiritualistische bewegingen en personen vanaf het begin van het christendom actief geweest. Voorbeelden zijn: de gnostiek, Joachim van Fiore (1130-1202), de Rijnlandse mysticus Meister Eckhart, Joh. Tauler (1300-1361), de laat-middeleeuwse Broeders van de Vrije Geest, Sebastian Franck (1499-1542), Sebastian Castellio (1515-1563) en een aantal doperse bewegingen in het begin van de Reformatie.”

159 Donteclock, Proeve…, 34.

160 Donteclock, Proeve…, 28.

161 Donteclock, Proeve…, 34.

162 R. Acronius, Onderwijsinghe, door welcke de vragen ende antwoorden des Catechismi der Ghemeynten Christi in Nederlant ende de Palts, ordentelijck, duydtlijck, ende alzoo na den grondt der Schrifturen verklaert worden, dat in de zelve, de summa der gesonder Leere niet alleen begrepen zij, maar ooc als in een spieghel te aenschouwen, klaerlijck voorgestelt wordt, Schiedam, 1608, geciteerd in M. van Veen, “De Goudse Catechismus”, 202.

163 Acronius, 5.

164 Over Lubbertus zie: D. Nauta e.a. (red.), Biografisch lexicon voor de geschiedenis van het Nederlandse protestantisme, deel 1, Kampen: Kok, 1978, 143-145.

165 C. van der Woude, Sibrandus Lubbertus, 179.

166 Zie D. Nauta e.a. (red.), Biografisch lexicon voor de geschiedenis van het Nederlands protestantisme, deel 2, Kampen: Kok, 1983, 26.

167 C. van der Woude, a.w., 179.

168 J.K. Karels, “Socianianen”, in: G. Harinck e.a. (red.), Christelijke Encyclopedie, Kampen: Kok, 2005, 1662-1663: “Socinianen: Volgelingen van de theoloog Faustus Socinus (1539-1604), die in Polen een eigen sekte vormden. De socinianen legden de christelijke dogma’s langs de meetlat van het verstand en wezen af wat daarmee in hun ogen niet in overeenstemming was. Zo bestreden ze het leerstuk van de drie-eenheid als onredelijk. Daartegenover stelden ze de absolute eenheid van God. Ook keerden ze zich tegen de leer van de twee naturen van Christus en van de genoegdoening door voldoening. Sterke nadruk legden ze op het goede, zedelijke leven, waarin de vrije wil van de mens een grote plaats inneemt. De socinianen telden veel aanhangers in Polen, Duitsland en Nederland. Hun leer werd in het Nederland van de zeventiende en achttiende eeuw als toppunt van ketterij beschouwd, en vanwege de toenmalige verwevenheid van kerk en maatschappij als een gevaar voor de samenleving gezien.

169 C. van der Woude, a.w., 181. Vorstius, de opvolger van Arminius, zal ook uitwijken naar Gouda. Zie over Vorstius en Socianisme: H. Bavinck, Gereformeerde Dogmatiek, II, Kampen: Kok, 19987, 14,125,146,151 en 340.

170 Van Veen, “De Goudse Catechismus”, 206.

171 Zie Rutgers, Van Veen, a.w., III, 362-366, m.n. 365 en de honden die onder de preek “by staerten opgenomen ende onder het volck geworpen waren” en het “ijselick tegenschreut ende gesonghen… oock met oneerlicke liedekens” tijdens de samenzang.

172 C. Graafland, “Voetius als gereformeerd theoloog” in J. van Oort e.a. (red.), De onbekende Voetius. Voordrachten wetenschappelijk symposium Utrecht 3 maart 1989, Kampen: Kok, 1989, 16.

173 M. van Veen, “De Goudse Catechismus”, 206.

174 M. van Veen, “Spiritualism in the Netherlands: From David Joris to Dirck Volckertsz Coornhert”, The Sixteenth Century Journal, (Vol. 33, No. 1), 2002, 129-150.

175 M. van Veen, “Spiritualism…”, 145.

176 W.H. Velema, a.w., 82-83, 121.

177 C. Graafland, “Voetius als gereformeerd theoloog”, 14.

178 M. van Veen, “De Goudse Catechismus”, 206.

179 Vergelijk het overzicht “T.U.L.I.P. en Wesley” van Dennis Bratcher: http://www.crivoice.org/tulip.html (14-07- 2010).

180 W. Verboom, “Alles of niets” in: K. Holtzapffel en M. van Leeuwen (red.), a.w., 76.

181 Zie H.J. van Wijnen, “Is het einde in zicht”, in Kontekstueel, Tijdschrift voor gereformeerd belijden nú, (Jaargang 23, , november), 2008, 10-13.

182 Vergelijk ook het op zich tot vreemde “succes” van het boekje van Selderhuis. H.J. Selderhuis, Morgen doe ik het beter. Gids voor gewone christenen, Barneveld: De Vuurbaak, 20025.

183 Zie W. Verboom, De belijdenis van een gebroken kerk, 269-285 en ook W. Verboom, Van hart tot hart. Over de Dordtse leerregels, voor het gesprek in de gemeente, Zoetermeer: Boekencentrum, 2009.

184 W. Verboom, De Heidelbergse Catechismus. Een eigentijdse weergave, Zoetermeer: Boekencentrum, 2007.




1   2   3   4   5   6   7   8   9


De database wordt beschermd door het auteursrecht ©opleid.info 2017
stuur bericht

    Hoofdpagina