Een tempel voor een groot god



Dovnload 32.83 Kb.
Datum26.07.2016
Grootte32.83 Kb.
EEN TEMPEL VOOR EEN GROOT GOD

- preek over 2 Kronieken 2:5 –


Aanwijzingen voor de liturgie:
Orde van Dienst B, morgendienst

Votum en zegengroet

Zingen: Psalm 84:1 en 2

Lezing van de wet

Zingen: Gezang 103:5 en 6 (Gereformeerd Kerkboek)

Gebed


Lezen: 2 Kronieken 1:18-2:18

Zingen: Psalm 72:5,6,8 en 10

Tekst: 2 Kronieken 2:5

Preek


Zingen: Psalm 66:3,4 en 5

Dankgebed en voorbede

Collecte

Zingen: Lied 444:1,2 en 3 (Liedboek voor de Kerken)

Zegen
Orde van Dienst B, middagdienst

Votum en zegengroet

Zingen: Psalm 84:1 en 2

Gebed


Lezen: 2 Kronieken 1:18-2:18

Zingen: Psalm 72:5,6,8 en 10

Tekst: 2 Kronieken 2:5

Preek


Zingen: Psalm 66:3,4 en 5

Belijdenis van het geloof

Zingen: Psalm 66:1 en 2

Dankgebed en voorbede

Collecte

Zingen: Lied 444:1,2 en 3 (Liedboek voor de Kerken)

Zegen
EEN TEMPEL VOOR EEN GROOT GOD

- preek over 2 Kronieken 2:5 –


Schriftlezing: 2 Kronieken 1:18-2:18
Gemeente van onze Here Jezus Christus!

Eerlijk is eerlijk: koning Salomo heeft het groots aangepakt, toen hij een tempel ging bouwen voor de HERE God. Ik bedoel: hij wás natuurlijk een rijk man, maar heeft dan ook kosten noch moeiten gespaard om een mooi huis te bouwen voor de HERE. En misschien is dat zelfs nog wel zwak uitgedrukt. ‘Mooi’. En schieten woorden tekort, om de tempel die Salomo bouwde. Mee te beschrijven op een manier, die daar ook recht aan doet.

Ik bedoel: denk alleen al maar aan de ‘order’ die hij plaatst bij koning Churam van Tyrus. Om te beginnen, moet die hem een bekwaam vakman sturen. Of, misschien dat we beter kunnen spreken van een ‘kunstenaar’. Want ja, de eisen waar die man aan moet voldoen. Die liegen er niet om! Hij moet verstand hebben, van edelmetaal. Goud, zilver, koper, brons en ijzer. Maar net zo goed ook van allerlei soorten wol, en houtsnijwerk.

Nou, ga d’r maar aan staan! Wat Salomo zoekt, is min of meer een tweede Bezaleël. Die eeuwen eerder, in de woestijn de tabernakel gebouwd had. Maar Salomo, hij heeft nog méér op zijn verlanglijstje staan. Koning Churam moet hem ook nog allerlei soorten hout leveren. ‘Lever mij ook ceders, cipressen en sandelhout uit de Libanon’, schrijft hij in vers 7. ‘Want ik weet hoe bedreven uw knechten daar zijn in het kappen van bomen.’

Kortom: het liegt er niet om. En: koning Salomo heeft heel wat noten op zijn zang, als het om de tempel van de HERE gaat. Maar het moet gezegd: hij is óók bereid, Churam er goed voor te betalen. Als het aan hem ligt, gaat er twintigduizend kor tarwegries, twintigduizend kor gerst, twintigduizend bat wijn en twintigduizend bat olijfolie naar de houthakkers van Churam in Tyrus toe. Een onwaarschijnlijk grote hoeveelheid, is dat.

En ja – dan hebben we het nog niet eens gehad, over het werk dat verzet moet worden. Want Salomo kan in Tyrus wel een partij hout bestellen, maar die zal vervolgens dan nog wel naar Jeruzalem moeten. Eerst als vlotten over zee naar Jafo, daar wil Churam wel voor zorgen. Maar vervolgens moet het van Jafo, aan de kust. Dan ook nog bergopwaarts naar Jeruzalem. En dat is aan de ‘sjouwers’ van Salomo. Met recht een heidens karwei…..

En ja, als je dat dan allemaal leest. En tot je door laat dringen. Kun je onder de indruk komen, van wat Salomo allemaal heeft over gehad voor de tempel van de HERE. Onvoorstelbaar! Maar tegelijk – kan ook een andere gedachte nog bij je opkomen. Want hoe indrukwekkend het allemaal ook mag zijn geweest. Het is óók iets, uit een ver verleden. Het is geschiedenis. En wat moeten wij daar dan nog mee? Als Gods kinderen vandáág?

Nu, daar zal het óók over gaan in de preek van deze morgen. En heel in het kort, zou je dat dan zó samen kunnen vatten. Dat Salomo een tempel gebouwd heeft voor de HERE. Maar wij, als gemeente van de Here Jezus Christus. Een tempel voor de HERE hebben te zijn. En daarom verkondig ik u, als gemeente. Vanmorgen het Woord van de HERE God, zoals we dat vinden in 2 Kronieken 2:5. En doe ik dat, onder het volgende thema:


WEES EEN TEMPEL VAN GOD! De God, die

1. groot is

2. offers vraagt
1. God, die groot is.

Gemeente, ‘wees een tempel van God’. Maar kán dat eigenlijk wel? Wij, als gemeente – een huis, waar de HERE in woont? Die een groot en een heilig God is? Bij die vraag willen we eerst eens stil staan, vanmorgen. En dan wil ik dat doen – door u te vragen, u dat eens heel concreet voor te stellen. Dat de HERE in ons midden wonen zou. Zeg maar: in dit kerkgebouw, waar we elke zondag bij elkaar komen. Wat denkt u: zou dat ook kúnnen?

Of, want dat is óók een mogelijkheid. En: een optie. Zou er dan op z’n minst het nodige moeten veranderen? Aan ons, en onze opstelling. Als de HERE wérkelijk in ons midden wonen zou? Ik bedoel: zouden we er dan net zo bij lopen, en bij zitten. Als we dat nu in de kerk gewend zijn? Of zouden we, als we eerlijk zijn. Ons dan toch een beetje anders kleden, en een beetje anders gedragen. Dan we ons nu denken te kunnen veroorloven?

Nou, dat om te begínnen al. En dan hebben we het alleen nog maar over uiterlijke dingen gehad. Over de buitenkant. Want wat te denken, van ons hart? En ook: onze manier van leven? Want zou die nou ook hetzelfde kunnen blijven, als er een heilig God in ons kerkgebouw zou wonen? En we dus létterlijk ‘voor zijn aangezicht’ bijeen kwamen, op zondag? Nu, weet u: ik denk, dat ook dat een vraag is. Die we ons dan zouden moeten stellen.

Ik bedoel: we hebben immers ook vanmorgen weer, naar de Tien Geboden van Gods heilige wet geluisterd. En aan de hand daarvan, ons afgevraagd. Of de heiligheid, die de HERE daarin van ons vraagt. Bij ons nu ook werkelijk gevónden wordt. Maar hebben vervolgens, in ons gebed tot de HERE. Ook moeten belijden, dat dat niet het geval is. We zijn, om het zo maar te zeggen. Ook vanmorgen, ‘met zonde bevlekt’ hier bij elkaar gekomen.

Maar, wat dénkt u dan? Als wij die heiligheid, die de HERE in zijn Woord van ons vraagt. Dus niet op kunnen brengen. Dat ‘teveel gevraagd’ is, voor zondige mensen als wij nog steeds zijn. Zou dan een heilig God, als de HERE. Die die heiligheid wel van ons vráágt. Dan in ons midden kunnen wonen? Zeg nou zelf: dat gáát dan toch niet? En kán dan toch niet? Omdat we anders door de heiligheid van de HERE verteerd worden?

Maar weet u: als dát onze conclusie dan moet zijn. Dat onheilige mensen als wij, geen tempel voor een heilig God als de HERE kunnen zijn. Komen we daarmee op hetzelfde punt uit, als waar Salomo in ons tekstvers van vanmorgen op uitkomt. Want hij, hij zegt het eigenlijk óók. ‘Ik wil nu wel een tempel gaan bouwen, voor de HERE. En doe daar ook erg m’n best voor. Maar eigenlijk, eigenlijk kán dat niet! Is het “onbegonnen werk”.’

Alleen het verschil is dan, dat het voor Salomo om een andere reden onmogelijk was. Dan het vandaag de dag voor ons onmogelijk is. Want wij hoorden net, dat we als onheilige mensen. Geen tempel kunnen zijn, voor een heilig God als de HERE. Maar Salomo moest tot de conclusie komen. Dat hij, met al z’n rijkdom. En zo: met al z’n mogelijkheden. Niet bij machte was, om een tempel te bouwen voor een groot God als de HERE.

Ik bedoel: dat is wat hij feitelijk zegt, in ons tekstvers van vanmorgen. Hè, in vers 4 heet het nog: ‘het moet een grote tempel worden, want onze God is groter dan alle andere goden’. En vandaar ook, dat het Salomo het zo groots aanpakt. En kosten noch moeiten spaart. Maar in vers 5 zegt hij dan: ‘eigenlijk is niemand in staat voor hem een huis te bouwen, want zelfs de hoogste hemel kan hem niet bevatten.’ En da’s klare taal!

Want als iemand bij machte is geweest, om een groot huis voor de HERE te bouwen. En kosten noch moeite te sparen. Dan was het Salomo wel, want hij was door de HERE immers gezegend met grote rijkdom. En, misschien nog wel belangrijker: met de bereidheid, om die rijkdom ook in te zetten voor de HERE. Hè, dat maakt het gelezen Schriftgedeelte wel duidelijk. En toch, zelfs Salomo in al z’n rijkdom en macht. Redde het niet.

Want ‘wie ben ik dat ik voor hem een tempel zou bouwen’? – roept hij vertwijfeld uit. Want zeker, hier op aarde. En: onder de mensen. Is er misschien niemand zo groot en zo rijk, als Salomo. En toch: bij de HERE vergeleken, valt zelfs hij in het niet. En is hij niet bij machte, om een huis te bouwen. Dat groot genoeg is, voor déze God. Want deze God, de HERE. Gaat om zo te zeggen ‘mensenmaat’ verre te boven. En dat zegt Salomo ook.

‘Zelfs de hoogste hemel kan hem niet bevatten’. En dan moet u eens proberen, om u dat voor te stellen. En jullie, jongens en meisjes. Hè, ga straks – na de dienst. Maar eens naar buiten, en kijk omhoog. Naar de hemel. Want dan kom je diep onder de indruk, van hoe hoog dat allemaal is. En hoe groot. Maar zelfs die ruimte, zegt Salomo. De hoogste hemel. Kan de HERE God nog niet omvatten. En wat zou ik dan nog, met mijn tempeltje?

En ja, dat is nuchtere taal – van die grote Salomo. En brengt hem op precies hetzelfde punt, als waar wij ook al waren aangeland. Want waar wij, als onheilige mensen. Geen ‘tempel’ kunnen zijn, voor een heilig God als de HERE. Daar kan een klein mens als Salomo, ook geen tempel bouwen. Voor een groot God als de HERE. Hè, dat is een onmogelijkheid! Omdat de HERE veel te groot is, om zo te zeggen. Om door ons ‘opgesloten’ te worden.

En dan zegt u misschien: ‘dat is duidelijk zat, dominee’. Maar toch: léven wij daar dan ook bij? En uit, broeders en zusters? Of zijn we in de praktijk van alledag. Maar al te vaak aan het proberen, om de HERE stiekem tóch ‘op te sluiten’? En: te ‘vangen’? Want natuurlijk – wij zullen wel niet zo dom zijn, om te denken. Dat we de HERE op kunnen sluiten, in een huis dat met mensenhanden gemaakt is. Maar dat kan ook op andere manieren.

Zo zijn er, in de tijd na Salomo. Op een gegeven moment mensen gekomen, die maar steeds riepen: ‘des HEREN tempel, des HEREN tempel, des HEREN tempel is dit!’ Hè, ze deden alles wat de HERE verboden had. Hielden zich aan God, noch gebod – om zo te zeggen. Maar dachten desondanks, dat hun niets gebeuren kon. Omdat ze ‘de tempel van Salomo’ hadden. Nu, en ook dan ‘sluit je de HERE op’ – op een bepaalde manier.

En misschien weet u wel, dat ons dat ook verweten is. Als ‘vrijgemaakte kerken’. Dat we min of meer dachten, dat we de HERE voor onszelf hadden. Omdat wij immers de ‘ware kerk’ waren. En dus: ons niets kon gebeuren. En er zijn vandaag de dag genoeg mensen, misschien juist in de ‘vrijgemaakte kerken’ wel. Die zielsgelukkig zijn, dat we die periode achter ons lijken te hebben gelaten. Maar het is maar de vraag denk ik, of dat zo is.

Want ja, hoe zit het dan met onze belijdenis? Waarin nog steeds gesproken wordt, over die ‘ware kerk’? Want hebben we die daarmee dan óók achter ons gelaten? En bovendien: hébben we wel werkelijk afscheid genomen, van de gedachte dat we de HERE aan ons binden kunnen? En: verplichten? Want zeker: over de ‘ware kerk’ hoor je niet veel meer. Maar wel is er vandaag de dag een ander gedachtegoed. Dat op hetzelfde neer komt.

Want wat vandaag de dag vaak sterk naar voren wordt gebracht. Is dat de HERE altijd bij ons is. En natuurlijk, kun je dat op een goede manier invullen. Zo, dat het je tot rijke troost is in je leven. Misschien juist wel, als je door donkere dalen moet. Maar het grote gevaar is, dat die nabijheid van de HERE iets ‘vanzelfsprekends’ wordt. Iets, waar je niet meer van opkijkt om zo te zeggen. En ik vraag me af, of we daar altijd wel aan ontkomen.

Ik bedoel: veel mensen vragen zich denk ik maar zelden af, of de HERE eigenlijk wel werkelijk bij hen is. Ja, als ze in de moeite komen. En zijn aanwezigheid niet meer ‘ervaren’. Dan wel. Maar als het leven z’n gewone gang gaat. En zij zelf ook hun gang gaan. Wordt die vraag vaak nauwelijks gesteld. Want ja, houden we het elkaar niet voor: ‘waar je ook gaat, en waar je ook staat. De HERE is erbij, met zijn zegen. En gaat met je mee’.

Maar is dat wérkelijk zo, gemeente? Of leert de bijbel ons toch ook, dat als je hoogmoedig je eigen wegen gaat. Er toch óók een moment kan komen, dat de HERE Zich van je afkeert? En je aan je lot overlaat? Nu, maar als die gedachte dan nooit ‘ns bij ons opkomt. En we bij die werkelijkheid dan nooit ‘ns stilstaan. Moet je ook dan niet zeggen, dat we in ieder geval praktisch. De HERE aan ons en ons leven hebben ‘vastgebonden’?


2. God die offers vraagt.

Gemeente, Salomo heeft het goed gezien. En: goed onder woorden gebracht. Een tempel bouwen voor de HERE. Hoe ‘groot’ ook, en hoe ‘mooi’ ook. Is eigenlijk een onmogelijkheid. Want de HERE is immers een groot God. Groter, dan alle andere goden. Ja, zo groot - dat zelfs ‘de hoogste hemel’ Hem niet bevatten kan. Maar tegelijk, en dat hebben we óók gelezen. Heeft Salomo die tempel toch wel gebouwd. En ja, hoe is dat dan mogelijk?

Is het dan misschien zo, dat Salomo die tempel tegen beter weten in heeft gebouwd? Hij wist, dat het een ‘dwaze onderneming’ was. Maar er toch maar aan begonnen is? Nou, dat zouden we misschien denken. Na alles, wat er in het eerste punt van de preek al gezegd is. Maar toch is er een andere verklaring. Waar Salomo zelf mee komt. Als hij zegt: ‘dus wie ben ik dat ik voor hem een tempel zou bouwen, behalve dan om er voor hem offers te brengen.’

En eigenlijk zegt hij daarmee. ‘Het is dwaasheid, om een tempel te bouwen voor de HERE. Als je die bouwt met de bedoeling, om Hem daarin op te sluiten. Maar het is gehoorzaamheid, om een tempel te bouwen voor de HERE. Als je die bouwt met de bedoeling, om Hem daar offers te brengen. Want de HERE is een God, die gediend wil worden.’ En daarom, daarom is die tempel er in Salomo’s dagen toch gekomen. Omdat de HERE het wilde.

We zouden dan ook nog wat anders kunnen zeggen. Het is onmogelijk, om een tempel te bouwen voor de HERE. En ook, om als gemeente van zondige mensen. Een tempel voor de HERE te zijn. Omdat Hij een heilig God is. Maar de HERE Zelf, maakt dat ‘onmogelijke’ toch mogelijk. En daarom kan ik u vanmorgen 2 Kronieken 2:5 toch verkondigen, onder het thema dat ik u genoemd heb. En dat een opdracht is. ‘Wees een tempel van God’.

Dat kan, omdat de HERE Zélf. Die ‘onmogelijke opdracht’, toch mogelijk maakt. Ja, en dan wilt u natuurlijk graag horen, hoe dan. Omdat we nog steeds een gemeente van zondige mensen zijn met elkaar. Maar weet u: dat mag en wil ik u vanmorgen ook verkondigen. Want ten diepste heeft de HERE dat mogelijk gemaakt. Door op zijn tijd, zijn eniggeboren Zoon naar de wereld te sturen. Onze Here Jezus Christus. Om te lijden en te sterven.

Want daarmee heeft Hij Zelf mogelijk gemaakt, wat we in de kerk wel ‘verzoening’ noemen. Verzoening met God. Heel simpel zou je kunnen zeggen: de Here Jezus heeft het weer ‘goed’ gemaakt, tussen de HERE en zijn volk. En, dat ook: vergeving verdiend voor al de zonden die ons als zijn kinderen aankleven. In Hem, zijn we heilig. Heilig genoeg, om zo te zeggen. Om een ‘tempel’ te kunnen zijn, voor een heilig God als de HERE.

Ja, dankzij de Here Jezus Christus. Is God niet te ‘heilig’ meer, om in ons midden te kunnen wonen. En: ook niet te ‘groot’ meer. Want niet voor niets, wordt de Here Jezus in de bijbel ook wel ‘Immanuël’ genoemd. Dat is ‘God met ons’. Want dat is precies, wat Hij mogelijk heeft gemaakt. Dat ‘God met ons’ is. En wij, als zijn gemeente. ‘Een tempel voor God’ kunnen zijn. Alleen, dan mogen we nooit het slot van onze tekst vergeten!

Want God zij dank, kan de HERE. En wil de HERE in ons midden wonen. Maar uitdrukkelijk niet met de bedoeling, dat wij Hem alsnog kunnen ‘vastleggen’. En: aan ons ‘verplichten’. Bijvoorbeeld, door het vanzelfsprekend te gaan vinden. En er niet meer van op te kijken, dat de HERE met ons wil zijn. Want dat moet voor ons altijd een ‘wonder’ blijven. Het wonder van Gods genade, in Christus. En heeft ook een duidelijk doel.

En dat brengt ons dan inderdaad weer bij het slot van onze tekst. Want ook Salomo heeft, al in de tijd van het Oude Testament. Die tempel voor de HERE mogen bouwen. Hoewel hij zelf heel goed begrepen had, dat dat eigenlijk een ‘onmogelijkheid’ was. Maar dat was dan alleen, omdat er offers gebracht moesten worden. Anders: omdat de HERE gediend wilde worden door zijn volk. En vandaag is daar nog helemaal niks in veranderd.

Ik bedoel: waarom zouden wij het willen? Samen, als gemeente. ‘Een tempel van God’ zijn? Nu, ik denk dat heel wat mensen. Vandaag de dag op die vraag een antwoord geven, waarin linksom of rechtsom zij zelf centraal staan. Waarom zouden wij een tempel van God willen zijn? Als gemeente, maar ook: persoonlijk? ‘Omdat als God met je is, en zijn Geest in je woont. Je veilig bent, en je niets gebeuren kan.’ Wees eerlijk: is dat het niet?

En dat lijkt ook een heel ‘vroom’ antwoord. Maar wat eraan mankeert, is inderdaad – dat je dan jezelf in het middelpunt zet. Je wilt graag een tempel van God zijn, en geloven in de Here Jezus Christus. Omdat het je wat oplevert. Nu al, en straks helemaal. Maar dan zegt Salomo: ik wil alleen maar een tempel voor de HERE bouwen. Om een plek te hebben, waar we als volk Hem offers kunnen brengen. Anders: een plek, waar Hij gediend kan worden.

Nu, en dat is ook – waarom de HERE het wil. En: waarom Hij op zijn tijd zijn Zoon naar de aarde gestuurd, om het mogelijk te maken. Dat wij, ondanks onze zonde – zijn tempel zijn. Omdat Hij door ons gediend wil worden! Maar zeg ‘ns, gemeente? Wilt u dat dan ook? Of: wilt u zichzelf, in de kerk. Dat laten leren? Bereid zijn, om de HERE te dienen? En van uw leven ‘een dankoffer’ te maken, zijn naam ter eer? Want dáár gaat het om!

En áls we het willen. We het geleerd hebben, in ons leven. Om onszelf als dankoffer aan de HERE te willen offeren. Dan kunnen we daarbij nog een voorbeeld nemen, aan Salomo. Want het is al meer gezegd: hij was een rijk man. Maar heeft dan ook kosten noch moeiten gespaard, om die tempel voor de HERE te bouwen. Hij heeft het groots aangepakt. Maar willen wij dat dan ook? Zo ons inzetten, voor de dienst van de HERE? Eerlijk zeggen! Amen.



Preek over 2 Kronieken 2:5 – blz.




De database wordt beschermd door het auteursrecht ©opleid.info 2017
stuur bericht

    Hoofdpagina