Een tijd vol passie en twijfel Door roel in ‘t veld



Dovnload 38.65 Kb.
Datum22.08.2016
Grootte38.65 Kb.
Een tijd vol passie en twijfel
Door roel in ‘t veld
Hoe het zo kwam
Ten tijde van mijn eerste, Nijmeegse hoogleraarschap ontving ik de uitnodiging om part time adviseur te worden van minister voor wetenschapsbeleid Van Trier. Waarschijnlijk was mijn eerdere functie als directeur planning, informatiesystemen en budgettering van de Leidse universiteit daaraan debet. Bestuurskundige met praktijkervaring was, is een schaars goed. Ik kwam te werken bij de directeur-generaal Egbert Van Spiegel die met een talentrijke groep waarin Chris Moen, Peter Tindemans en Peter Tack, zich boog over vragen rond optimale aansluiting tussen wetenschap en beleid. Met name de ontwikkeling van de sectorraden wetenschapsbeleid boeide ons, en ik werd de eerste voorzitter van de commissie methodiekontwikkeling sectorraden die de prille en onvolledige reeks gestichte sectorraden van advies voorzag. Deze commissie vormde de voorloper van de latere COS, de commissie overleg sectorraden die meer dan 25 jaar later door minister Van der Hoeven ten grave werd gedragen samen met de meeste sectorraden. Het werkklimaat was prettig intellectueel. Van Spiegel was een strijdvaardige mathemaat die vooral van het simplisme op het ministerie van economische zaken een voortdurende prikkel ontving tot verdiepend beleid. Toen ik in 1982 directeur-generaal hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek werd, moest ik dit adviseurschap opgeven maar was mijn relatie met de sectorraden inhoudelijk al duurzaam.
Het verzoek om te solliciteren als voorzitter RMNO kwam midden jaren negentig als een verrassing. De sollicitatiecommissie was erg Wagenings, en ik leek niet haar ideale kandidaat want te zwak in normatieve redeneringen omtrent natuur en milieu. Desondanks volgde een unanieme voordracht. Waarom ik de functie aanvaardde? Ik denk vooral vanwege de herinnering aan die eerdere hierboven beschreven periode en omdat ik hoorde dat Hans Opschoor die ik kende van het NIAS en graag mocht ook voorzitter was geweest.
In een afschuwelijk pand in Rijswijk huisde de staf van de RMNO. Een zachtmoedige secretaris die gedurende jaren nog duidelijk blijk bleef geven van zijn grote genegenheid voor de vorige voorzitter - die na korte tijd voor een betere baan haar functie had ingeruild - leidde de schaarse troepen. De staf had aanvankelijk moeite met de introductie van bestuurskundige invalshoeken, maar paste zich soepel aan. Wij probeerden een groot onderzoekprogramma van de grond te tillen waarin milieu en natuur vooral vanuit de gammahoek zouden worden ingevlogen, onder de titel Gamon. Werkdiners moesten directeuren-generaal er toe verleiden om kennisvragen te formuleren. Hun favoriete thema was gedragsverandering van burgers: Lever mij kennis over maatregelen die gedragsverandering van burgers bewerkstelligen. Deze wel erg instrumentele benadering leidde tot weerstand bij wetenschappers zodat langdurige discussies onvermijdelijk waren. NWO was niet geneigd om op vernieuwende wijze intern om te gaan met middelen voor dit programma en schoot in de vertrouwde mal van uitbesteding van aio-plaatsen voor dit doel. Departementen werden daar weer chagrijnig van en leverden aanvankelijk niet erg veel middelen voor het programma. Het departement van OC&W bleek sedert de jaren tachtig onherstelbaar aan prestige op het punt van wetenschaps- en onderzoekbeleid te hebben verloren, en was niet meer tot doeltreffende coördinatie in staat.
Ook begonnen we in de beginjaren met de verdere ontwikkeling van methodologie, eigenlijk op het voetspoor van 15 jaar eerder. De verschijning van Willens en Wetens in 2000 met een Engelse vertaling zette de RMNO ook internationaal op de methodologiekaart.
We verhuisden gelukkig naar hartje Den Haag in een pand dat was ontkomen aan de brand na het bombardement op het Bezuidenhout in 1944, net zoals mijn ouderlijke woning aan de andere zijde van dezelfde wijk. De secretariswisseling bracht meer raffinement in de omgang met de departementen.
Wie al die jaren bleef, was Bert de Wit. Een mens zonder raffinement, met een enorme werklust, eigenzinnig en meestal vriendelijk. Hij heeft onnoemelijk veel bijgedragen aan het karma van de raad. In hem zelf vond ook de worsteling plaats met betrekking tot de transitie van een overwegend biologische invalshoek naar een interdisciplinaire oriëntatie. Bert heeft een humeur, vaak zonnig maar soms narrig. Dit humeur was voor mij een informatiesysteem. Zijn werkkracht is enorm, zijn productie groot.
Motivatie

Ik probeerde te werken aan motivatie van al het in de raad verenigde talent. Door de wijze van programmering van het werk van de raad, door te sturen op vermoedelijke impact van ons werk, door ook leuke dingen te doen. De introductie van passieprojecten in 2003 bleek een opwekking maar ook een dreigende splijtzwam.

Nooit meer vergeet ik de attractiviteit van de bescheidenheid waarmee Marga Kool haar passieproject over het recht op duisternis introduceerde. “Mooi licht, mooi donker” bleek een internationaal succes, speelde perfect in op ontluikende beleidsagenda’s en leidde tot een prachtige manifestatie in Kootwijk.

Herman Eijsackers voltooide zijn passie die georiënteerd was op geaardheid samen met Jacqueline Jonkers in een studie die de naam kreeg: “De ruimte spreekt voor zich”. Deze Herman ontwikkelde met mij een kritisch-vriendschappelijke relatie die ten dele voortkwam uit Hermans zicht op zijn schoonvader die ooit als rector magnificus van de Leidse universiteit een rede hield over het besturen van het onbestuurbare. Hij was de voornaamste recensent van mijn optreden als voorzitter. Stuurde ook op procedures.


Mijn eigen passieproject was Gekrulde Ruimte. Daarover later meer.

Ik laat een aantal groepen van actoren en onderwerpen de revue passeren.


De ministers

Margreet de Boer was de enige persoon op aarde die mij binnen 14 dagen tweemaal een boeket bloemen zond: de eerste maal te midden van velen bij mijn benoeming tot staatssecretaris, de tweede maal - als een van de zeer weinigen- bij mijn ontslag, Toentertijd was ze lid van een commissie over busvervoer, die ik voorzat. Ze nam het voorzitterschap over. Als minister produceerde ze een aardig boekje met een visie, dat door ambtelijk VROM als not-invented-here terzijde werd geschoven. In haar opdracht produceerde ik een “reisnota”om een vloeiende integratie van ruimte en milieu te bewerkstelligen. Ambtelijk VROM zag ook dat niet zitten. De minister zette niet door. De RMNO ontwierp toentertijd vooral beleidsrelevante onderzoekprogramma’s, over biodiversiteit en ‘milieu en economie”, onder meer.


Jan Pronk was heel andere koek. Hij raakte pas geleidelijk geïnteresseerd in zijn portefeuille en was niet van nature geneigd om zich door extern advies te laten leiden. De klassieke beleidsproducten als nota’s en plannen konden hem niet lang boeien. Heel goed was hij in het verzinnen van extreem moeilijke vraagstellingen die ook ons soms tot wanhoop brachten. De meest intrigerende was: Is te onderzoeken welke gedragslijn aanbevelenswaardig is indien twee afzonderlijke dreigingen zich simultaan realiseren?

Jaren hebben we daarmee rondgelopen. Pas lang na het vertrek van Pronk hebben we een poging gedaan om daarover iets te weten te komen in de Horizon Scan. Maar ook daar schoot ons creatief vermogen tekort. Verder dan associaties kwamen we niet: soms versterkten dreigingen elkaar, soms ook werkten ze elkaar tegen. De verspreiding van reflexieve virussen –mijn favoriete dreiging- zou godzijdank ernstig vertraagd raken indien tegelijk de luchtvaart zou uitvallen vanwege terreuraanvallen. Etcetera.

Wij zijn natuurlijk geneigd de combinatie van dreigingen te bagatelliseren omdat je twee kleine kansen met elkaar moet vermenigvuldigen.

Zeer invloedrijk was de RMNO bij de voorbereiding van de NMP 4. Op verzoek van de bekwame projectleider Moons hadden wij de beschikbare wetenschappelijke expertise rond hardnekkige milieuproblemen gemobiliseerd en op een van de gespreksavonden ontstond de fascinatie voor het transitiebegrip. Moons greep met beide handen de operationalisering van dit begrip aan. En het werd een baanbrekend deel van het NMP 4.

Een van de weldaden die Pronk de RMNO bewees, was dat hij erop aandrong om Joske Bunders in de RMNO op te nemen. Hij kende haar uit de sectorraad voor ontwikkelingssamenwerking en was zichtbaar op haar gesteld.

Pronk kreeg een opvolgster die in veel opzichten zijn tegendeel was, de ondernemersvrouw Sybilla Dekker. Zij had duidelijk behoefte aan beleidsonderbouwing vanuit de wetenschap en gebruikte de RMNO intensief. Ze maakte zich ook sterk voor het opvolgen van adviezen. Ook zij kreeg te maken met ambtelijk VROM toen ze aandrong op uitvoering van een advies over duurzaam toerisme dat de RMNO uitbracht. Dit advies werd in kringen van de Verenigde Naties als baanbrekend beschreven. Maar in het Haagse kon niemand er iets mee: EZ wilde geen sectorbeleid meer voeren, LNV liep al jaren te hannesen met het onderwerp omdat het ook niet goed wist wat aan te vangen met landschapsbeleid en ambtelijk VROM had in een onbewaakt ogenblik besloten het tot een posterioriteit te degraderen. Terwijl het gaat om de grootste bedrijfstak ter wereld met onafzienbare gevolgen voor het globale milieu. Minister Dekker slaagde er niet in ambtelijk VROM om te turnen. Dat lukte pas toen in 2007 de kersverse staatssecretaris van EZ, Frank Heemskerk, zich enthousiast toonde over het onderwerp. Onmiddellijk schoven LNV en VROM weer aan. Zo werken de wetten van het bureaupolitisme.

Pieter van Geel was, net als Sybilla Dekker, erg gesteld op de RMNO. Dat kwam op twee momenten tot uitdrukking: op een gegeven ogenblik zat hij in zijn maag met de positie van Economische Zaken ten aanzien van zonne-energie. Hij vroeg eerst mondeling om een advies. Vervolgens duurde het zes maanden voordat VROM daarover ook een brief had gecomponeerd. We gingen aan het werk en daaruit resulteerde het advies “Zonneklaar”. In die tijd leerde ik van Frans Berkhout dat een slimme innovatiestrategie zich nooit beperkt tot beïnvloeding van of de R & D component of stimulering van de productie, maar dat deze hand in hand dienen te gaan. En dan wel met een evenwichtige menging van beïnvloeding van push- en pull factoren, en met dalende subsidies aan de kant van de eindproductie vanwege de bij de rijping van de technologie behorende kostprijsdaling. Iets wat ze in Japan al decennia praktiseerden. Opnieuw schrok ik van de lage kwaliteit van het Nederlandse beleid ter zake.

Behalve overvloedige go-stop-go reeksen in subsidieregelingen bleek Nederland- waarschijnlijk onder invloed van Shell- volstrekt onvoldoende aandacht te schenken aan de doelstelling van voorzieningszekerheid. Dat zette ons land op achterstand ten aanzien van de innovaties naar alternatieve energievormen. Ons advies sloeg geen deuk in de pakjes boter van Economische Zaken.

Het tweede moment waarop Pieter van Geel beslissend intervenieerde was de vergadering van de ministerraad waarop minister van der Hoeven, als coördinerend minister voor het wetenschapsbeleid, het voorstel presenteerde om het stelsel van sectorraden wetenschapsbeleid ten grave te dragen. Dat voorstel was ontstaan in het overleg van secretarissen-generaal, die hadden overwogen dat de departementen zelf de kennisfunctie ter hand zouden moeten nemen. Daarmee bedoelden zij de zorg voor beleidsondersteunende kennis te willen activeren. Sommige SG’s zagen heel goed in dat de natuurlijke neiging van departementen was die functie te verwaarlozen of te onderschatten. Eerder waren immers de sectorraden opgericht om als tolk tussen de werelden van kennis en beleid te kunnen fungeren. De paradoxale redenering die het luidst werd verkondigd door SG Geert van Maanen luidde: “omdat de departementen de kennisfunctie niet goed behartigen moeten de sectorraden verdwijnen”.

Deze onnavolgbare logica had Maria van der Hoeven onmiddellijk overtuigd. Tijdens een van de vele overlegvergaderingen die vooraf waren gegaan aan de kabinetsbeslissing, had ik haar gevraagd of ze niet erg veel gelijkenis vertoonde met de generaal met wiens oorlog het niet zo goed ging en die daarom besloten had de journalisten en het Rode Kruis van het slagveld te doen verwijderen. Ik weet niet of ze de vergelijking begreep, maar beledigd was ze wel.

Toen de ministerraad de beslissing tot afschaffing van het sectorradenstelsel had genomen, vroeg Pieter van Geel –die de minister van VROM verving- het woord en stelde aan minister Van der Hoeven de vraag of hij het goed had begrepen dat ieder departement nu zelf moest regelen hoe de kennisfunctie te behartigen. Na een bevestigend antwoord verklaarde hij namens VROM en LNV, dat beide departementen de RMNO graag wilden behouden.

Een paar weken later verklaarde minister Van der Hoeven tegenover mij het zeer onaangenaam te hebben gevonden dat ik achter haar rug de RMNO had gered. Mijn wedervraag luidde of het misschien nog geoorloofd was in ons land je te kunnen verweren tegen institutionele moord. Dat was weer geen zinnetje waarmee je geliefd werd in ’t Haagse. Overigens was de actie van Pieter van Geel eerder geïnitieerd door Aad Sedee dan door mij.

In het vierde kabinet Balkenende trad het oud-RMNO lid Jacqueline Cramer aan als minister van VROM. De verwachtingen binnen de RMNO waren hoog gespannen. Nu zou het adviesaanvragen regenen! Het werd een enorme teleurstelling. Niet alleen legde minister Cramer het keer op keer af tegen de politieke concurrentie, maar ze bleek ook in het geheel niet geïnteresseerd in het werk van de RMNO. In een van haar schaarse commentaren klaagde ze dat de RMNO zich wel erg veel met governance bezighield, sinds ik voorzitter was. Toen ambtelijk VROM en LNV door de collega secretarissen-generaal werden geprest om de laatste der Mohikanen, de laatste sectorraad, nu toch maar om zeep te helpen, stemde ze daar gewillig mee in. De brieven waarmee ze het doodsbericht overbracht waren van een angstaanjagende vlakheid en leegheid. Voor mij zal het ten eeuwige dage een raadsel blijven

waarom in dit land schijnbaar verstandige ministers er stelselmatig aan hebben meegewerkt om hun eigen hulptroepen om zeep te brengen. Dat geldt zowel voor de bijna zichtbare haat van de politiek jegens ambtenaren maar nog sterker jegens adviesraden die voor een prikje beschikbaar zijn. Een professor op het werkterrein van de RMNO in de rol van minister ontbeerde toch kennelijk het institutionele inzicht om te beseffen dat ook het departement zelf –ongeacht de pretentie om de kennisfunctie zelf ter hand te nemen- steeds meer expertise heeft verloren die voor het beleid onontbeerlijk is.


De ambtelijk adviseurs

Het sectorraden-concept schreef een samenstelling van de Raad voor van leden uit wetenschap en samenleving. Hoge ambtenaren van de betrokken departementen zouden moeten functioneren als trait d’union. In de jaren die ik kan overzien heeft een minderheid van de ambtelijk adviseurs zijn functie voortreffelijk vervuld. Het ministerie van Onderwijs en Wetenschappen bood het droevigste beeld. De systematische verloedering van de wetenschapspoot van dit departement na het vertrek van directeur-generaal Van Spiegel was daarvan de oorzaak. Toen ook nog ministers gingen optreden zonder enige passie voor wetenschapsbeleid was het pleit snel beslecht. Kwalitatief daalde de afvaardiging tot onder het nulpunt.

VROM had langdurig een voortreffelijke vertegenwoordiger in de persoon van Aad Sedee. Beschaafd en geslepen vervulde hij zijn functie. Aan LNV- zijde was het optreden van Seppe Raaphorst een verademing. Actief en kritisch participeerde hij.

De RMNO was genoodzaakt om bij falende adviserende leden zelf betrekkingen met het departement op te bouwen. Dat kostte zeer veel tijd en moeite. Bovendien had ik de gewoonte om op SG- en DG-niveau te opereren en dat was lang niet altijd effectief. In deze groep ontwikkelde ik goede betrekkingen met Chris Kalden en de DG’s André van der Sande en Hans van der Vlist.

Dat juist de laatste twee, eenmaal geroepen tot het ambt van secretaris-generaal, het einde van de RMNO hebben voorbereid, heeft mij verdriet. Het enige goede argument vernam ik van André van der Sande, die zei: “eigenlijk ben ik op het departement de gehele dag met kennis bezig. Immers, kennis en beleid zijn volledig in elkaar gevlochten”.

Dat geldt , geloof ik, voor hem persoonlijk ook wel. Maar was hij dan zo blind dat het hem ontging dat een groot deel van zijn eigen organisatie geleidelijk de competentie ontglipte om op verantwoorde wijze met kennis om te gaan?


De ondernemers

Op 1 september 2004 hield de RMNO een diner-pensant over duurzaamheid. Het bleek dat de minister van EZ, Brinkhorst, het bestond om “sustainable development” te vertalen als “voortdurende groei”.Vanuit ondernemingskring klonk hierover gejoel op. Het bleek dat Wijffels, maar ook een aantal andere bankiers, heel wat verder waren met duurzaamheidsdenken dan de regering. We schreven een brief aan de minister-president maar die antwoordde nietszeggend. Later zou diens houding veranderen. De twee ondernemers in de Raad, Jeroen Bordewijk en Bart-Jan Krouwel, hebben veel bijgedragen aan een evenwichtiger sfeer in de Raad. Werd het te intellectualistisch, dan trokken zij aan de bel. Komisch was hun ongeloof over de Haagse binnenwereld. Zij konden zich niet voorstellen dat symbolen heel belangrijk zijn in de politieke realiteit, ongeacht de relatie met de materiële werkelijkheid. Jeroen Bordewijk trok de afgelopen jaren belangrijke projecten, met veel toewijding en vasthoudendheid. Bart-Jan was over steeds weer nieuwe dingen enthousiast, en bracht veel initiatieven verder.


De sfeer

De RMNO heeft een bijzondere sfeer, zo verbeeld ik mij. Libertijns, mag ik hopen. Plagen mag, pesten nooit. Iedereen is gelijk, het argument telt en wint. Vaak heb ik mij ingespannen om te bevorderen, dat de raadsleden elkaar begrepen. Dat is geen eenvoudige opgave. De meeste raadsleden hebben het lidmaatschap overtuigend vervuld. Het was mijn strrven om niet iedere uiting van streven naar eigen belang onder tafel te werken, maar om tot een programmatische inpassing van dat belang te komen. De actieve hoogleraren waren er mee gebaat om een deel van het raadsprogramma te vermengen met hun onderzoekprogramma in de vakgroep. Daar waar dat kwalitatief verantwoord was, heb ik dat bevorderd.

Stafleden waren veelvuldig aanwezig bij de raadsvergadering en voerden daar ook soms uitvoerig het woord. Op het bureau hebben vooral de adjunct-secretarissen Jelle Blauwbroek en Martijn Ligthart zich ingespannen om de sfeer te bevorderen. Als de Raad goed presteerde, veerde ook de staf om en andersom.
Hoogtepunten

Het meest recente hoogtepunt was het Leidse congres over kennisdemocratie. Daarin balde zich alles samen wat de RMNO in de tien jaar daarvoor had verzameld aan methodologisch gedachtegoed. Vijfhonderd deelnemers, tweehonderd paper-auteurs, honderd zittingen. De zaal waarin ik 50 jaar geleden mijn opwachting maakte als eerstejaars student en waar ik 34 jaar geleden promoveerde, herbergde de openings- en de slotzitting. Bloednerveus was ik over het welslagen. Twee jaar voorbereiding- het liep op rolletjes. Binnenkort rollen twee boeken van de persen die het gedachtegoed van het congres vereeuwigen.

Maar ook veel eerdere (jaar)congressen trokken honderden deelnemers. Soms met verrassende impact, zoals over het project Natuur en Gezondheid. Soms met hilarische incidenten zoals een interventie van VROM-zijde dat voor het volkshuisvestingsbeleid een analyse op grond van life style noties echt niet aan de orde was.

Ik beleefde ook veel plezier aan bijeenkomsten over het programma van de Raad zelf: hoe gevraagde en ongevraagde adviezen te mengen, hoe te anticiperen op toekomstige politieke agenda’s, hoe iedereen te motiveren. Onze worsteling met impact. De verrassende externe bijdragen van Leendert Bikker , of van Yvonne Zonderop.

In 2004 organiseerde de RMNO voor de Europese adviesraden een congres in mijn geliefde Florence. Opnieuw laaide daar in de pauzes een discussie op over de v raag of exoten uit een landschap horen te verdwijnen. Ten tijde van Stendahl stond Toscane vol eiken, maar zouden we daarom nu alle cipressen moeten omhakken? Maarten Hajer vertelde daar over de “institutional void” die nieuwe procesvoering noodzakelijk maakt.

De vervaardiging van de “Horizon Scan” en de essaybundel “IJsberenplaag op de Veluwe” bracht een hoop plezier . Nog steeds vind ik het zinnetje “uw nachtmerries zijn driest bereden” een prijsje waard. Hans van der Veen, de directeur van SST, was daarbij een goede maat.

Een bescheiden evaluatieonderzoek naar de uitvoering van het door de RMNO geformuleerde onderzoekprogramma “Biodiversiteit”, uitgevoerd door mijn promovendi Lot Mertens en Albert Jan Kruiter, bracht aan het licht dat NWO niet in staat was de beleidsrelevantie vast te houden. De geformuleerde kennisvragen werden vervat in voorstellen voor Aio-schappen en de eerste tranche werd voor 90 % gegund aan goed bij NWO ingevoerde biologen. Geen wonder dat departementen hun eigen Bsik-programma’s wilden ontwerpen. Peter Nijkamp heeft wel zijn best gedaan als voorzitter van NWO om hierin ver betering te brengen.

De onderzoekers vonden ook een mooi voorbeeld van onwelgevallige kennis: het ministerie van LNV subsidieerde boeren om hun gras niet te maaien, omdat de veronderstelling was dat weidevogels beter zouden gedijen in hoog gras. Een bekwame onderzoeker bevond dat dit niet waar was. Het departement aanvaardde het resultaat niet. De desbetreffende onderzoeker verkrijgt zijn onderzoekmiddelen sedertdien van de EU.


Dieptepunten

De ondergang van de COS, de commissie overleg sectorraden en de opvolger van de commissie waarvan ik begin jaren tachtig voorzitter was geweest, was een dieptepunt. Henriette Maassen van den Brink was voorzitter geworden nadat ik geweigerd had het voorzitterschap van de RMNO daarvoor op te geven. Ze liep werkelijk in ieder valletje dat door het departement voor de COS was uitgezet. Ze geloofde mij gewoon niet. Heel langzaam kwam ze er achter hoe ze door de politieke en ambtelijke top voor het lapje werd gehouden. Maar toen was het al te laat. Maar ik was jegens haar ook naïef omdat ik haar erg graag mocht: veel te laat realiseerde ik mij dat zij haar doelstellingen al lang had verschoven. Ze liet zich afkopen met het directoraat van een nieuw op te richten instituut voor evidence - based beleidsvorming

De erosie van de COS was begonnen toen de slimme Roel Bekker de sectorraad voor gezondheidsonderzoek inlijfde bij een andere adviesraad. De ondergang van de RAWOO- de sectorraad voor ontwikkelingssamenwerking- volgde kort daarop. Een droevig verhaal.
Een tweede dieptepunt was de houding van VROM tegenover de personeelsvoorziening van de RMNO. Wat wij ook betoogden over de noodzaak van fris bloed, iedere ontstaande vacature in de afgelopen zes jaar werd opgevuld door iemand van VROM. Zo kun je een organisatie natuurlijk ook heel langzaam wurgen. Beloften van de SG’s dat zij tijdelijk talent naar de RMNO zouden sturen, zijn slechts mondjesmaat ingelost. Geen ogenblik heb ik de overtuiging gehad dat iemand de RMNO uit persoonlijke animositeit wilde schaden. Dit gebeurt gewoon met de eenheden die in een departementale structuur marginaal zijn.

Een derde, dolkomisch , dieptepunt betrof mijn salarisbetaling. In 2007 kreeg ik een half jaar geen salaris.

Ik bleek een uitzonderingsgeval. Daarna werd het beter. Tot ik in maart 2009 ineens een salarisstrook ontving waarop stond dat ik aan het ministerie 40.000 Euro moest betalen.

Toen ik ging bellen vroeg iemand of ik al gebeld was. Ze hadden zelf ook gezien dat er iets mis was. Ik ontving wel een bedrag over maart. De salarisstrook over april 2009 bevatte nieuws. Ditmaal was ik 30.000 Euro verschuldigd. Het was onduidelijk of dit bedrag in plaats kwam van het vorige of erbij moest worden opgeteld. Het duurde daarna nog maanden voor alles weer normaal was. Schriftelijke excuses van de organisatie bleven uit.


Mijn beste prestatie?

“Gekrulde Ruimte”was mijn passie-project. Voortgekomen uit mijn eigen intuïtieve en associatieve omgang met ruimte. Gevoed door verontwaardiging over de architect die aan de Erasmusuniversiteit voor faculteiten kantoorgebouwen ontwierp Daarmee maakte hij de universiteit een kantoor .

Met Lot Mertens aan het werk. Dagboeken lieten we schrijven door kunstenaars en wetenschappers en anderen. We vroegen Floor Basten deze dagboeken te duiden, wat zij liefderijk en bekwaam deed, en zo ontstond het boek met zijn merkwaardige ronde vorm. Over perceptie van ruimte en communicatie over ruimte. Een prijsvraag volgde. Geïnspireerde architecten bedachten hoe zij de gesprekken met klanten en andere belanghebbenden voortaan anders zouden gaan voeren. Ook over de impact hiervan kun je je zorgen maken, maar esthetisch was dit naar vorm en resultaat een mooi avontuur.
De bestuurders

Jan Laan was de meest ervaren bestuurder. Toen “ruimte”aan de doelstelling van de Raad werd toegevoegd, bracht hij zijn hele netwerk in. Aanvankelijk leek hij op grond van senioriteit ook wel belangstelling voor het voorzitterschap te koesteren, maar kennisneming van het geheel van activiteiten leerde hem snel dat zijn talent ook kon bloeien bij een lidmaatschap alleen. Minister Dekker had goed beseft dat decentralisatie ook betekent dat de decentrale corporaties hun relaties met de kenniswereld moeten intensiveren. Het leidde tot een adviesaanvrage die uitmondde in het sierlijke rapport “Kennis maken met de regio”. Jan’s grote ervaring kwam goed van pas in projecten waarin de RMNO diende om te gaan met complexe bestuurlijke verhoudingen. De tweede rots in de branding op dat punt was Frans EVers , die decennia departementale ervaring paarde aan ontmoetingen met de leer van procesmanagement. Frans ontwikkelde op het Europese niveau ook veel activiteiten, waardoor de RMNO een vooraanstaande positie verwierf.

Marga Kool is elders al ingevoerd, een vrouw om van te houden. Zij completeerde het bestuurlijke trio. Laat in het leven van de RMNO arriveerde Marnix Norder, de Haagse wethouder en voormalig gedeputeerde. Hij is een grote belofte, maar de RMNO zal hem niet in staat stellen om daarbinnen die beloften ook waar te maken.

Sommigen zijn nooit goed geaard geraakt. Over hen voer ik hier niet het woord.


De secretaris

Over de secretaris Louis Meuleman is veel te verhalen: een vat vol tegenstrijdigheden. Gemakkelijk af te leiden, maar voltooit toch een fraaie dissertatie. Vaak vriendelijk, maar ook spottend en achter de voorgevel ook verdriet. Innovatief op de associatieve toonaard, maar ook snel teleurgesteld. Minister Pronk hield niet van interactieve beleidsontwikkeling en had daarom de projectdirectie Pegasus, die met het oog daarop in het leven was geroepen, vermoord. Daardoor kwam Louis beschikbaar. Kende VROM op zijn duimpje. Kon vleien en veinzen. Speelde graag de vrije vogel. Had en heeft een onstilbare honger naar die buitenlandse bijeenkomsten die hem verenigen met zijn geliefde. Zijn grote kennis en inzicht zijn van enorme waarde voor de RMNO geweest.

Jelle Blauwbroek en Martijn Ligthart als plv. secretaris waren de tegenwichten die zorgden voor regelmaat en planning. Zij stelden ook de medewerkers gerust die te lijden hadden onder buien van de voorzitter.
De professoren

Vergis ik mij of waren de professoren vroeger plechtiger?

Als ik mij nog herinner hoe de inbreng van prof. dr. C. Midden gestalte kreeg, of die van door ons geraadpleegde natuurwetenschappers, dan was dat dikwijls een formele aangelegenheid met veel beleefdheden. Restanten daarvan zijn gebleven, maar de grondtoon is veranderd. Herman Eysackers is het oerlid, zoals Bert de Wit de oerstafmedewerker is.

Ik smokkelde Herman weer de Raad in nadat zijn termijn was verlopen. Inhoudelijk was hij van grote waarde maar ook pleegde hij relationele interventies zoals eerder al aangegeven. Voor mij van grote betekenis. Pier Vellinga bracht raffinement en veel gevoel voor public affairs. Rietje Van Dam hield ons idealisme overeind, en inspireerde met onverwoestbaar optimisme.

Geert Teisman introduceerde de retoriek van de bezonkenheid, en voltooide twee grote projecten. Pieter Hooimeijer begon prachtig met een verhandeling over ruimtelijke kwaliteit die er zijn mocht. Maar al gauw kreeg hij het te druk met meer prestigieuze functies. He just faded away. Aart de Zeeuw was trouw, maar vaak afwezig. Hij leidt een ingewikkeld leven vol reizen en beslommeringen. In sommige projecten was hij leading en altijd is hij aardig. Het mooie boek over kostenbatenanalyse voor milieu kwam onder zijn leiding tot stand.

Joske Bunders speelde vele rollen: guru, mediator, creator, auteur. Haar projecten namen veel tijd, maar de resultaten waren twee fraaie boeken. Ze had moeite met Bert de Wit, terwijl beiden bioloog zijn, beiden sterk geïnteresseerd in inter- en transdiciplinariteit. Was sich liebt das neckt sich?


Coda

We zijn nu alles aan het opruimen. Zaadjes zijn verspreid. Dat neemt niemand ons af. Als de geschiedenis bestaat, zal de geschiedenis zich over onze nagedachtenis ontfermen.



De database wordt beschermd door het auteursrecht ©opleid.info 2017
stuur bericht

    Hoofdpagina