Een verkenning van gevaren waarvoor met prioriteit monitoringsmogelijkheden moeten worden gecreëerd Joanne Maaskant Frank Tillie Mirjam Snijdelaar Ed van Klink Lambert Westerlaken Expertisecentrum lnv, Ede, juli 2000



Dovnload 361.38 Kb.
Pagina1/6
Datum19.08.2016
Grootte361.38 Kb.
  1   2   3   4   5   6

Monitoring 1: motieven, criteria en prioriteiten


Een verkenning van gevaren waarvoor met prioriteit monitoringsmogelijkheden moeten worden gecreëerd


Joanne Maaskant

Frank Tillie

Mirjam Snijdelaar

Ed van Klink

Lambert Westerlaken

Expertisecentrum LNV, Ede, juli 2000

Ó 2001 Expertisecentrum LNV, Ministerie van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij


Rapport EC-LNV nr. 2001/031

Ede/Wageningen, 2001


Teksten mogen alleen worden overgenomen met bronvermelding.
Deze uitgave kan schriftelijk of telefonisch worden besteld bij het Expertisecentrum LNV onder vermelding van code 2001/031 en het aantal exemplaren.
Oplage 25 exemplaren
Samenstelling Joanne Maaskant, Frank Tillie, Mirjam Snijdelaar, Ed van Klink,

Lambert Westerlaken


Druk Ministerie van LNV, directie IFA/Bedrijfsuitgeverij
Productie Expertisecentrum LNV

Bedrijfsvoering / Vormgeving en Presentatie

Bezoekadres: Galvanistraat 7, Ede

Postadres: Postbus 482, 6710 BL Ede

Telefoon: 0318 671400

Fax: 0318 624737


Voorwoord


Het bijeenbrengen en benutten van informatie over volks- en diergezondheid wordt steeds belangrijker, in het kader van de voedselveiligheid en diergezondheid. Zowel in de beleidsvorming als in de uitvoering is betrouwbare informatie van groot belang. Specifiek op het gebied van vroege detectie van belangrijke besmettelijke dierziekten, gebruik van ‘schadelijke’ stoffen in de veehouderij, en surveillance voor onder andere zoönosen, is optimalisatie van systematieken dringend gewenst. Op dit moment bestaat er geen geïntegreerd monitoringssysteem voor de gehele voedselketen. Individuele gevaren worden in de voedselketen wel gemonitored, maar er is geen samenhang tussen de monitoring van de verschillende gevaren. Bovendien bereikt de informatie vanuit bestaande systemen het beleid vaak in onvoldoende mate en onvoldoende tijdig, of niet in een bruikbare vorm. In een aantal gevallen wordt het beleid in het geheel niet geïnformeerd.
Reeds in het Beleidsvoornemen Diergezondheid van december 1998 werd het belang van optimalisering van de monitoring genoemd. In de nota ‘Voedsel en groen’ wordt aangekondigd dat er een nieuw systeem zal worden ontwikkeld dat in de volle breedte gegevens over diergezondheid en voedselveiligheid verzamelt. Op basis hiervan dienen in een vroeg stadium besmettelijke dierziekten en (nieuwe) volks- en diergezondheidsrisico’s gesignaleerd te kunnen worden en dient inzicht te worden geboden in de gezondheidsstatus van de Nederlandse veestapel en in de kwaliteit van dierlijke producten.
Sinds 1999 loopt het onderzoeksproject “Chaperonnes”, een samenwerkingsverband van RIKILT, ID-Lelystad, TNO-Voeding, LEI en RIVM. Dit project voert een wetenschappelijke studie uit naar nieuwe mogelijkheden van monitoring. In het kader van het project is een lijst met gevaren opgesteld. Het project heeft een wetenschappelijke beoordeling het belang van gevaren uitgevoerd, op basis van ernst en mate van voorkomen. Het ECLNV heeft voor de Directie VVM een beleidsmatige beoordeling gegeven van dezelfde lijst van gevaren. Voor het beleid kunnen immers andere criteria mede een rol spelen naast de wetenschappelijke. De bedoeling van de beoordeling is, prioritering mogelijk te maken. aan de hand van deze prioritering kan worden vastgesteld voor welke gevaren als eerste aan vernieuwing van monitoringssystemen zou moeten worden gewerkt. Als zodanig is het resultaat dat in dit document is vastgelegd de eerste stap op weg naar modernisering van de monitoring ten behoeve van beleid.
Drs. R. van Brouwershaven

Directeur Expertisecentrum LNV




Inhoudsopgave


Voorwoord 4

Inhoudsopgave 6

1 Inleiding 8

2 Prioritering van gevaren 10

3 Conclusies en vervolgstappen 15

Bijlage 1 Waardering van motieven en criteria 17

Bijlage 2 Criteria en motieven gekoppeld aan gevaren 19

Bijlage 3 Monitoring van gevaren: ernst, belang en risico van gevaren. 45



1Inleiding


De laatste jaren blijkt steeds weer, dat het voor de Overheid onontbeerlijk is te beschikken over voldoende en juiste informatie om uitvoering te kunnen geven aan beleid. Mede als gevolg van een aantal problemen met dier- en volksgezondheid is de aandacht voor monitoring als beleidsinstrument sterk toegenomen. Ook is het noodzakelijk dat systemen voor Early Warning (het alarmeren wanneer zich gezondheidsproblemen voor dreigen te gaan doen die voorheen nog onbekend waren) en Rapid Alert (het in een vroeg stadium alarmeren wanneer zich bekende exotische gezondheidsproblemen (MKZ, KVP) voordoen) worden ontworpen.
Er wordt in Nederland al veel informatie op het gebied van dier- en volksgezondheid bijeengebracht. In een aantal gevallen bestaan goed uitgewerkte monitorings- en surveillancesystemen (MOSS). Een MOSS is niet alleen gericht op het bijeenbrengen van de informatie, maar ook op het uitvoeren van een actie op basis van die informatie. In een aantal andere gevallen wordt weliswaar de informatie bijeengebracht, maar vinden niet altijd duidelijke acties plaats op basis daarvan. In het algemeen geldt, dat monitoringssystemen voor heel specifieke doelen in het leven worden geroepen en voor die doelen dan ook uitstekend voldoen.
De overheid kan haar eigen specifieke doelen met monitoring hebben. Niet altijd worden die doelen gedekt door de beschikbare systemen. In veel gevallen zijn de bestaande systemen in principe niet of niet direct toegankelijk voor overheidsorganen. In andere gevallen wordt wel informatie bijeengebracht, en wordt daaromtrent ook gerapporteerd aan overheidsorganen, maar vindt de overdracht van informatie niet of onvoldoende in een werkbare vorm plaats. Tenslotte zijn er ook lacunes in de informatievoorziening.
EC-LNV voert voor de Directie VVM van het Ministerie van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij een project uit, dat moet leiden tot een operationeel monitoringssysteem voor relevante onderwerpen rond eind 2003. Ook aan de elementen van Early Warning en Rapid Alert dient aandacht te worden geschonken in dit operationele systeem. De bedoeling van het totale project is, dat de behoefte aan monitoring in beeld wordt gebracht (daarvan is dit rapport het eerste onderdeel), de mate waarin op dit moment aan die behoefte kan worden voldaan, en de inspanningen die moeten worden verricht om tot aanpassing en nieuwbouw van systemen te komen. Het project baseert zich op een aantal publicaties die al in eerdere stadia door (toenmalig) IKC-L en door het Project Dierziektemonitoring van het Programma Diergezondheid in Beweging zijn opgeleverd. Voorts wordt intensief gebruik gemaakt van de resultaten van het Chaperonnesproject. Dit project, een samenwerkingsverband van RIKILT, ID-Lelystad, TNO-Voeding, LEI en RIVM, voert een wetenschappelijke studie uit naar nieuwe mogelijkheden van monitoring. Het Chaperonnesproject wordt langs een aantal stappen uitgevoerd. Tussenproducten van die stappen worden als input gebruikt in dit project.
In deze publicatie wordt het resultaat weergegeven van de eerste fase in het project. In deze fase is een inventarisatie uitgevoerd van motieven en criteria die bepalend zijn voor het beleidsmatige belang van een zgn. gevaar. Vervolgens is, op basis van de lijst met gevaren die door het Chaperonnesproject is opgeleverd, een prioritering gemaakt van de gevaren. Deze lijst (met prioriteiten) dient als basis voor de volgende fase in het project, waarin verder op de invulling van de monitoringsmogelijkheden zal worden ingegaan. Aanbevelingen voor deze vervolgfase worden in het laatste hoofdstuk gedaan.
Bij het formuleren van criteria en motieven, alsmede bij de prioritering van gevaren, is intensief gebruik gemaakt van overleg met beleidsmedewerkers van zowel het Ministerie van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij, als van het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport.
Met de door het EC opgestelde lijst met beleidsmatig relevante criteria wordt dus bovenop de wetenschappelijke weging van gevaren zoals deze plaatsvindt in het Chaperonnesproject ook een beleidsmatige weging meegegeven. De wegingsfactoren zijn in overleg met beleidsmedewerkers van VVM vastgesteld.


  1   2   3   4   5   6


De database wordt beschermd door het auteursrecht ©opleid.info 2017
stuur bericht

    Hoofdpagina