Een vroeg verstedelijkte samenleving



Dovnload 76.91 Kb.
Datum25.07.2016
Grootte76.91 Kb.
DE REPUBLIEK
Hoofdstuk 1 – Voorspel: Holland in de 15e en 16e eeuw
Een vroeg verstedelijkte samenleving

Tussen 1000 en 1300 onderging het Hollandse landschap een verandering: het onbewoonbare moeras werd ontgonnen: er werden sloten gegraven en dijken gebouwd zodat het water kon weglopen en landbouwgrond kon worden gevormd.

In de 14e en 15e eeuw raakte Holland in een crisis: Het waterniveau steeg en de veenbodem klonk in. Sloten en rivieren konden het water niet meer afvoeren en overstroomden. Akkerbouw werd onmogelijk door de drassige grond en dorpen en land werden verzwolgen.

Dit leidde in de 15e eeuw tot urbanisatie, wat weer leidde tot groei van handel en nijverheid: Doordat boeren geen land meer hadden en niets meer konden verdienen met de landbouw, trokken ze naar de stad. Bij urbanisatie gaan veel mensen in geconcentreerde gebieden (verstedelijkte gebieden dus) wonen. Deze mensen hebben niet alleen voedsel nodig, maar ook allerlei nijverheidsproducten (kleding,schoeisel, huisraad). Waar veel vraag is, ontstaat vanzelf aanbod. Doordat grote groepen mensen op een klein gebied leefden, was het voor ambachtslieden de moeite waard om zich te specialiseren, te investeren en voor kooplieden om handel te drijven. De groei van de handel vormde op zichzelf weer een impuls voor de nijverheid, zoals de scheepsbouw.



Trafieken waren bedrijven waar ruwe grondstoffen tot halffabricaten werden gemaakt. De bedrijven produceerden dan ook niet voor de consument, maar voor andere bedrijven.
Stijgende graanprijzen

Qua handel in luxe goederen, rijkdom en inwoners bleef Holland aan het begin van de 16e eeuw achter bij Vlaanderen en Brabant. Maar Holland ging gedeeltelijk voorbij aan malthusiaanse spanningen: daarmee wordt bedoeld dat het voedselaanbod niet gelijk is aan de voedselvraag. Daardoor gaan de voedselprijzen (vooral graan) enorm omhoog, waardoor de vraag naar minder noodzakelijke producten afneemt en er werkeloosheid ontstaat. Ook de Hollandse bevolking groeide en het graan werd duurder, maar het ging minder hard dan elders.




Opkomst van Holland

Door de Sontoorlogen te voeren probeerden de Hollanders toegang te krijgen tot een grote graanmarkt. De Hanze was hier tegen, omdat zij het monopolie op de Oostzee probeerden te behouden. Er zijn drie redenen waarom de handel in Oostzeegraan voor Holland van groot belang was: Ten eerste om de groeiende bevolking te voeden. Ten tweede was het de basis van een groeiend internationaal netwerk. Ten derde konden Hollandse en Zeeuwse kooplieden zo ervaring opdoen met de handel waar veel geld van afhing en veel risico’s waren. Om deze risico’s te beperken vormden kooplieden partenrederijen: clubs van mensen die allemaal een deel van het schip bezaten. De landbouw werd commerciëler. Met gecommercialiseerde landbouw wordt bedoeld dat de landbouw geheel werd gericht op de vraag van de markt. De aanvoer van goedkoop graan, de overhand in de strijd tegen water (ook door het ontstaan van waterschappen) en de ‘kleine ijstijd’ bevorderden het ontstaan van deze gecommercialiseerde landbouw. Deze agrarische revolutie was mogelijk omdat er een feodale traditie in Holland, Zeeland en Friesland ontbrak. Weinig land was in handen van adel en veel juist in handen van de vrije boeren. Zo konden boeren vrij op marktprikkels reageren en konden dus vrij ondernemen.


De val van Antwerpen

Brabant en Vlaanderen hadden al eeuwenlang een sterke positie in de internationale handel, vooral

dankzij hun textielnijverheid. Lange tijd was Brugge het centrum daarvan, maar door oorlog raakte

het die positie aan het einde van de 15e eeuw kwijt aan Antwerpen. De bloei van Antwerpen werd bevorderd door de ontdekking van de zeeroute naar Indie door de Portugezen in 1498 omdat de Portugezen Antwerpen kozen als doorvoerstad voor de Aziatische producten. Hier konden ze de waren ruilen voor Midden-Europees zilver. Door drie ontwikkelingen begon Antwerpen na 1550 in de problemen te raken: Ten eerste raakte Portugal zijn interesse in Midden-Europees zilver kwijt, omdat er door de Spanjaarden op steeds grotere schaal zilver werd ingevoerd uit zuid en midden Amerika. De Portugezen verplaatsten de Aziatische warenhandel naar Sevilla. Ten tweede was dat Spanje onder de last van de oorlogsinspanningen failliet ging, wat ten koste ging van veel kooplieden. Ten derde kwam Noord-Italie in een negatieve spiraal, waardoor de handel met Italie opdroogde.

Door de Nederlandse Opstand moest Spanje soldaten sturen om deze opstand neer te slaan. Mede daarom ging Spanje weer failliet, en weer ging dat ten koste van Antwerpse handelaren. Er braken muiterijen uit en Antwerpen werd geplunderd in 1575.

Antwerpen sloot zich aan bij de opstand, maar viel in 1585 weer in Spaanse handen. Tienduizenden kooplieden vluchtten naar het noorden. De Hollanders blokkeerden de Schelde (doortocht naar Antwerpse haven). Deze gebeurtenis zorgde er dus voor dat Holland de economische macht overnam. Maar ook in de jaren ervoor was er al een ontwikkeling te zien: Hollandse en Zeeuwse zeelieden waren al een deel van de transporten naar Antwerpen over gaan nemen en Amsterdam kwam sterk op, mede door de sterk groeiende graanhandel. Maar de val van Antwerpen bracht de ommekeer. Kennis en kapitaal namen de handelslieden uit Antwerpen mee en Holland groeide uit tot het centrum van het handelskapitalisme.


Een versnipperd land

Karel V richtte centrale bestuursinstellingen op in de Nederlanden: De raad van State, de Raad van Financiën en de geheime raad. Pogingen tot verdere centralisatie mislukten: Gelijke permanente belastingen lukten niet en de Tiende penning (tien procent van alle handelstransactie als belasting) stuitte op veel verzet. De Republiek die ontstond in 1588 kende geen sterk centraal bestuur: Ieder lid had zijn eigen bestuur en zorgde er zelf voor dat zijn financiering aan de republiek rond was.

Er waren verschillen tussen de kustprovincies en de landprovincies. In het land heerste vaak nog een feodale structuur, zodat gecommercialiseerde landbouw niet echt van de grond kwam maar boeren vooral zichzelf voorzagen. In de landprovincies was hiervan juist wel sprake. In het bestuur van de Republiek speelden handelsbelangen een belangrijke rol omdat de bovenlaag werd gedomineerd door kooplieden. Zij waren met elkaar verbonden door familie of persoonlijke relaties en wilden dus wel voor elkaar opkomen. Welgestelde burgers die actief waren in handel of nijverheid verdeelden de belangrijkste bestuursfuncties onder elkaar. Dat was gerechtvaardigd omdat in hun opinie alleen welgestelde heren de verleiding zouden kunnen weerstaan om zichzelf te verrijken ten koste van de gemeenschap. In Holland bevorderde het feit dat er niet een sterke stad was die haar wil kon opleggen de overlegcultuur.
Hoofdstuk 2 – de economie in de gouden eeuw
Er worden drie fasen onderscheiden in de economische ontwikkeling van Nederland: de economische doorbraak, de economische expansie en vrede en voorspoed (samen de gouden eeuw).

In die laatste waren er weliswaar veel oorlogen, maar het ging met de economie nog steeds goed (voorspoed) en Spanje was inmiddels verdreven (vrede). Nederland was een onafhankelijk land en van de Engelse oorlogen hadden ze alleen op zee last.

Rembrandt wordt een typisch Nederlandse kunstenaar genoemd omdat hij fotografisch schildert en omdat hij commercieel schildert: zijn bedrijfje maakt schilderijen. Doordat veel burgers opeens meer geld hadden, konden ze ook meer uitgeven. Er was meer geld voor luxeproducten, zoals kunst.
Centrum van de wereldhandel

De Hollanders noemden de Oostzeehandel hun moedernegotie omdat het de oorsprong was van hun internationale handel en ook de ziel van de gehele negotie waarvan alle andere handel en trafieken afhankelijk zijn. Spanje en de Republiek bleven tijdens de oorlog gewoon handel drijven, omdat ze beiden goederen van elkaar nodig hadden, zoals graan en zilver. De koopvaardij repareerde en regelde het grootste deel van de Europese vrachtvaart en was daarom ook een economische motor.

De Hollanders en Zeeuwen breidden vanaf 1585 hun Europese bestemmingen uit: Naar Rusland voor huiden, bot en graan. Naar Italie, voor graan, marmer en olijfolie en naar de Noordzee: walvissen.

Er werden drie intercontinentalie bestemmingen bereikt in de 17e eeuw: Azie, voor specerijen en peper, Afrikaanse westkust voor goud en ivoor en slaven en Amerika, voor suiker. In handel op verre bestemmingen overheersten niet de bulkgoederen maar de luxegoederen.



Bulkgoederen zijn alledaagse goederen die iedereen nodig hebt. Daarom worden ze in hele grote hoeveelheden (bulk) verscheept. Luxegoederen zijn veel duurder en dus voor de rijkere burgers. Voorbeeld: graan is een bulkgoed, chinees porselein een luxegoed.
De organisatie van de handel

Drie financiële instellingen maakten Amsterdam tot een aantrekkelijke plaats om zaken te doen: de wisselbank, de bank van lening en de koopmansbeurs. Er werd op de koopmansbeurs ook in nieuwigheden gehandeld: aandelen en termijncontracten en verzekeringen. De families Trip en de Geer zijn goede voorbeelden van kooplieden-ondernemers omdat ze en handelden maar ook zelf produceerden. In 1602 werden losse compagnieën samengevoegd in de Verenigde Oost-Indische Compagnie (VOC)omdat ze zo meer macht hadden. De VOC kreeg soevereine rechten en dat was bijzonder omdat daardoor een bedrijf zich kon gaan gedragen alsof het een staat of een overheid was: forten bouwen, oorlog voeren, soldaten in dienst nemen, enzovoort. De VOC schepen waren zwaar bewapend omdat ze de overheersende positie in Azie moesten behouden. Ze verjoegen concurrenten en verdedigden zich tegen kapers. De VOC kwam aan haar kapitaal door investeerders, dat was nieuw. De West Indische Compagnie (WIC) verschilde van de VOC: haar opzet was in eerste instantie om vijandelijke schepen aan te vallen. Daarnaast was de WIC niet het belangrijkste Europese bedrijf in haar gebied en probeerde kolonies te stichten en gebieden te veroveren, iets wat de VOC niet deed. De Noordse Compagnie, die het monopolie op de walvisvaart had, was niet succesvol: veel handelaren hielden zich niet aan het monopolie en gingen op eigen houtje walvissen.


Handel en nijverheid

In de 17e eeuw had de Republiek een gunstig investeringsklimaat omdat het vertrouwen groeide dat de Republiek weerstand kon bieden tegen Spanje en er vrede heerste in Holland en Zeeland.

De nijverheid werd gestimuleerd door de handel omdat er meer vraag was uit binnen- en buitenland. De nijverheid stimuleerde de handel doordat het goederen leverde om te verhandelen.

Technische vernieuwingen waren de fluit en de houtzaagmolen. Door de hoge lonen in Nederland kwamen er meer slimme mensen naar Nederland en werkten mensen harder en dit zorgde voor technische vernieuwingen. De natuurlijke hulpbronnen (wind, water en turf) waarover de Republiek beschikte boden ook voordeel, want er hoefde minder betaald te worden voor brandstof en het kon ook weer verhandeld worden. Door economische groei en verstedelijking was er vraag naar een goed vervoersnetwerk om goed te kunnen handelen. Toen dat er eenmaal was bevorderde het ook weer de groei en verstedelijking.


Het platteland in de Gouden Eeuw

Boeren konden door de groei van de handel meer gaan produceren om te verkopen (afzetmarkt groeide) en kregen ook steeds meer afval uit de stad die ze als mest konden gebruiken.

Door de Dertigjarige oorlog in Duitsland werd veel Duits platteland verwoest. Daardoor moest het Duitse leger eten uit het buitenland halen, waaronder Nederland, die hier goed van profiteerde.

Stedelijke investeerders kochten land buiten de stad en verhuurden het aan boeren of lieten er nijverheid plaatsvinden. Investeerders lieten ook polders inpolderen. Het was namelijk goedkoper om de producten buiten de stad te laten produceren door de lage lonen en de macht van de gilden gold niet buiten de stad. De landprovincies bleven economisch achter bij de kustprovincies omdat zij veel meer geteisterd werden door de Tachtigjarige oorlog, omdat hun grond minder vruchtbaar was en omdat ze niet aangesloten waren op het waterwegennet.


HOOFDSTUK 3 – DE REPUBLIEK IN DE GOUDEN EEUW
De opstand tegen de koning van Spanje liep uit op een oorlog die tachtig jaar zou duren. De Republiek hield stand in de lange oorlog door het Twaalfjarig Bestand en doordat de gewesten zich verenigden. Door de verovering van de Zilvervloot door Piet Hein in 1628 was er opeens meer geld voor defensie en werd er dus ook meer uitgegeven. Het verhaal van Piet Hein zegt ook iets over de sociale verhoudingen in de Republiek omdat het laat zien dat de middenklasse steeds groter werd en ook helden leverden.
Het bestuur van de Republiek

Het bestuur van de republiek leed onder particularisme; er werd alleen maar naar eigen belang wordt gekeken. Zo hieven de steden in de Republiek invoerrechten, zodat zij profiteerden van handel van anderen en was er constant ruzie in de Staten van de gewesten, omdat alle steden het niet met elkaar eens waren. Ook door tegengestelde economische belangen was er veel verdeeldheid in de gewestelijke Staten en de Staten-Generaal en ook doordat de adel heel andere belangen had dan de regenten en ook weer dan de plattelandsafgevaardigden.

In de loop van de tachtigjarige oorlog gingen de Hollanders wel tien keer zo veel belasting betalen. Van alle Europeanen waren zij het zwaarst belast. Zij gingen er niet aan te gronde, omdat iedereen die belasting moest betalen en de belasting redelijk goed besteed werd, zoals de VOC, waar de burgers zelf ook wat van terug zagen. Het lukte de republiek ook daardoor om een sterk leger op te bouwen, maar ook door veel te lenen van kapitaalbezitters.
Internationale politiek
In de strijd tegen Spanje vormden twee gebeurtenissen een keerpunt. In 1588 ontsnapte de republiek net aan een opmars naar de Nederlanden doordat Spanje zich concentreerde op Engeland en Frankrijk. In de jaren daarna bouwde het een enorm leger op. Daarna werd in 1628 de zilvervloot veroverd, zodat Spanje zijn militaire uitgaven moest korten en te zwaar werd belast om tegen Frankrijk en Portugal te vechten. Spanje had niet genoeg geld om de Republiek militair te verslaan. De republiek profiteerde van de oorlog door de val van Antwerpen, de door het omzeilen van de Spaanse handelsmacht gevonden Azie, Amerika en Afrika en het leveren van goederen aan schaarse oorlogsgebieden. Het twaalfjarig bestand duurde van 1609 tot 1621 en daarna raakte de Republiek in een economische crisis: door nieuwe embargo’s stokte de Zuid-Europese handel, door de dertigjarige oorlog de Oostzeehandel en Duinkerkse kapers richtten veel schade aan. De vrede van Munster in 1848 leidde tot een expansie van de handel doordat de embargo’s opgeheven werden. Engeland kwam echter met mercantilistische (handelsbeschermende) maatregelen; the Act of Navigation dwong af dat alleen goederen naar Engeland mochten komen die rechtstreeks van het eigen land kwamen. Nederland was het hier niet mee eens, wat leidde tot de Eerste Engelse Oorlog in 1652 (vrede 1654, intrekken AoN) en de Tweede Engelse Oorlog in 1665 (vrede 1667, intrekken AoN). Toen Frankrijk in 1659 vrede sloot met Spanje en Lodwijk XIV de interne onrust de kop indrukte, werd het een gevaar voor Nederland door het sterke leger en de eveneens mercantilistische maatregelen.
Arm en rijk in de Gouden Eeuw


Voor de mensen die niet tot de gegoede burgerij behoorden, was er maar weinig bestaanszekerheid omdat zij makkelijk konden terugvallen door lichamelijke en economische tegenslagen. De volksklasse in Holland was wel beter af dan in de rest van Europa: Er was altijd genoeg voedsel door de hoge graanaanvoer, de lonen waren hoger en de koopkracht steeg (gemiddeld 40% hoger dan in de 16e eeuw) daardoor, er was volop werk en voor degenen die niet in hun onderhoud konen voorzien was er een stelsel van armenzorg.

In grootschalige bedrijven als werven en trafieken waren de arbeidsverhoudingen

anders dan kleine ambachtelijke werkplaatsen omdat de afstand tussen de arbeiders en ondernemers groot was. Ze waren niet verenigd in een gilde en de fabrieken waren kapitalistisch gericht.
Immigratie en bevolkingsgroei

Herkomstland immigranten

Reden

Zuidelijke Nederlanden (1580-1620)

Economisch

Duitsland, Engeland, Scandinavië (na 1620)

Politiek (dertigjarige oorlog), economisch

Joden uit Portugal, Duitsland, Oost-Europa

Politiek (Pogroms)

Hugenoten uit Frankrijk

Politiek (protestantisme werd verboden)

De enorme groei van de Republiek (van 1,3 miljoen inwoners in 1580 tot 2 miljoen in 1670) was opmerkelijk omdat in Europa in die tijd er meer sterfgevallen dan geboortes waren. Vrouwen hadden in de tijd van de Republiek een relatief vrije en zelfstandig positie. Scheiden mocht, in bepaalde gevallen, ongehuwde vrouwen en weduwen waren handelingsbekwaam, veel vrouwen konen lezen en schrijven en man en vrouw golden als gelijkwaardige huwelijkspartners.


HOOFDSTUK 4 – DE ECONOMIE IN DE ZILVEREN EEUW
De terugval van een handelsnatie

De oorzaken voor de achteruitgang van de republiek zijn het mercantilisme, de oorlogen met Engeland en Frankrijk, de vrede die daarna volgde, omdat daardoor de Europese landbouw op gang kwam, de voorbijlandvaart (schepen gingen niet meer langs Amsterdam maar direct naar hun bestemming), meer concurrentie in de moedernegotie en de walvisvaart. De graanhandel werd extra hard getroffen omdat steeds meer Europese landen ook graan gingen verbouwen en Nederland het daar dus niet meer kwijt kon. Voor de houthandel, de haringvisserij en de walvisvaart golden eigenlijk twee oorzaken waarom de handel achteruitging: Als eerste dat de afname toenam doordat de producten gewoon minder gebruikt werken of omdat steeds meer landen mercantilistische maatregelen troffen. Ten tweede omdat er steeds meer concurrentie kwam van andere landen.

De Republiek ging er economisch op achteruit, maar dat was eigenlijk maar relatief, want in vergelijking met andere landen in Europa deed Nederland het nog steeds erg goed. De trekvaart in de Republiek, die eerst zo modern was, was niets bij de snelle verharde wegen in Engeland, Frankrijk en Duitsland. Precies zoals de wet van de remmende voorsprong dat laat zien, had Nederland door het goede waternetwerk niet geïnvesteerd in goede wegen omdat het dacht dat het een grote voorsprong had.

De Republiek bleef toch een belangrijke handelsnatie, doordat Nederlandse kooplieden meededen aan de voorbijvaart en handelsovereenkomsten tot stand brachten, door de groei van de rivierhandel met Duitsland en vooral door de groei van de koloniale handel.


De groei van de koloniale handel en het geldbedrijf

Na 1680 groeide de koloniale handel met Azië. Er werden niet alleen andere producten ook verhandeld, er werd ook meer verhandeld. Door het mercantilisme van Frankrijk en Engeland werd het Nederland erg moeilijk gemaakt om in Noord- en Zuid-Amerika te handelen. Daardoor begon het zich vooral op Suriname te richten, een stuk land wat nog van Nederland was. De groei van de koloniale leverde alleen niet meer winst op omdat de VOC en WIC steeds meer geld kostten: militaire en bestuurlijke uitgaven werden steeds groter.

De geldhandel kwam op: de kapitaalmarkt in Amsterdam groeide. Op een kapitaalmarkt wordt geld verhandeld: leningen, obligaties, vreemd geld, goud, etc. In de Gouden eeuw staken rijke investeerders hun geld vooral in de VOC en binnenlandse productie (droogpoldering etc).In de Zilveren eeuw staken rijke investeerders hun geld vooral in veilige Staatsobligaties en buitenlandse investeringen.
Kwijnende nijverheid

De nijverheid ging achteruit in de laatste kwart van de 17e eeuw. Het mercantilisme, de toenemende concurrentie en de technologische voorsprong van andere Europese landen veroorzaakten die achteruitgang. De textielindustrie in het totaal ging flink achteruit. Hollandse Textielbedrijfjes verhuisden naar Brabant en Drenthe, omdat daar de lonen lager waren. De andere bedrijfjes werden weggeconcurreerd door het buitenland. Doordat andere Europese landen hun eigen scheepsbouw kregen en hun onderdanen verboden om schepen uit Nederland te kkopen, ging de Nederlandse scheepsbouw flink achteruit. Vier takken wisten wel te blijven: steenbakkerijen; kapiteins namen klinkers mee als ballast. Suikerindustrie: door WIC flink aangevoerd. Papierindustrie: geletterde markt steeg. Jeneverstokerij: crisisverschijnsel en verandering van drinkgewoonte.


Oplevende landbouw, stagnerende bevolking

In 1660 trof een agrarische crisis de Republiek doordat de prijzen daalden omdat de landbouwproductie in heel Europa toenam, er kwam een einde aan de bevolkingsgroei in heel Europa en een aantal natuurrampen: paalworm, veepestepidemieën. De boeren in de landgewesten hadden hier minder last van omdat zij vooral in hun eigen onderhoud voorzienden. Door de commerciële structuur van de landbouw in de Republiek gingen veel boeren ook snel over op andere producten die wel verkochten. Rond 1750 groeide de Europese bevolking weer en herstelde de landbouw zich. Dit kwam ook doordat de belastingen omlaag gingen. In de zilveren eeuw stagneerde de bevolkingsgroei. De bevolking van Holland kromp en die van de landgewesten steeg. Er vond de-urbanisatie plaats maar de urbanisatiegraad daalde maar van 42 naar 40 %. De immigratie naar Holland nam af, maar uit het buitenland kwamen nog steeds arbeiders. Doordat er in de nijverbeid weinig werk was, waren de meeste immigranten vrouwen, die voor een seizoen kwamen werken. Met de VOC voeren steeds meer mannen uit, waarvan maar 2/3 overleefde. Zo ontstond een vrouwenoverschot, waardoor er minder mensen trouwden en er ook minder kinderen werden geboren.


HOOFDSTUK 5 – DE REPUBLIEK IN DE ZILVEREN EEUW
De zilveren eeuw duurde ongeveer van 1672 tot 1780. De Republiek voerde vanaf 1713 een neutraliteitspolitiek. Met neutraliteitspolitiek probeerde de republiek zo te handelen dat het geen bondgenoten meer had, maar ook geen vijanden. De republiek wilde neutraal zijn, om zo oorlog te voorkomen. De neutraliteitspolitiek van de Republiek was redelijk succesvol, er volgde nog één Engelse oorlog en een inval van het Franse leger. Dat is redelijk weinig in vergelijking met de oorlogen daarvoor. Frankrijk, Engeland, Keulen en Munster vielen in 1672 de Republiek aan omdat ze een eind wilden maken aan de macht en onafhankelijkheid van Nederland. Door deze aanval voelde het volk zich niet veilig en zocht een zondebok. Dit waren de gebroeders De Witt, die de Republiek bestuurden en dus volgens het volk verantwoordelijk waren voor de aanvallen uit het buitenland. Toen Cornelis De Witt ook nog werd beschuldigd van verraad was dat voor het volk een mooie aanleiding om zich te verzamelen om de Gevangenpoort.
Mogendheid in verval

In 1676 waren er twee standpunten over de voortdurende oorlog tegen Frankrijk: aan de ene kant van de regenten, die vonden dat er vrede gezocht moest worden met Frankrijk, dat zou de handel ten goede komen en dan zou de republiek zich kunnen richten op Engeland, die door het veroveren van de zeeën een groot gevaar vormde. Aan de andere kant de aanhouders van stadhouden Willem III, die dacht dat Frankrijk heel Europa wilde veroveren. Dat leek ook zo, want Frankrijk annexeerde van 1681 tot 1684 Straatsburg, Orange en Luxemburg. De Republiek trok samen met Engeland, Spanje, Oostenrijk en Pruisen tegen Frankrijk ten strijde en nogmaals in de Spaanse Successie Oorlog (1702) toen bleek dat de troon van Spanje voorbestemd was aan Frankrijk.

In 1713 werd de Republiek neutraal omdat het te zwak werd om het leger te behouden. Toch werd de Republiek in de tweede helft van de 18e eeuw alleen maar zwakker; de opkomst van Engeland en Frankrijk als handelsnaties groeide en Pruisen vormde een bedreiging in het Oosten.

De oranjegezinden wilden, na de dood van verscheidene Oranjes, weer een koning op de troon die de Republiek goed zou beschermen. De regenten juist niet. 7 Welke tegenstellingen ‘verlamden’ de Republiek na 1751?

8 Welke rol speelde de Amerikaanse onafhankelijkheidsstrijd in de binnenlandse politiek in de

Republiek?


Bestuurlijke onmacht

Het particularisme in de 18e eeuw was wél een ernstige handicap voor de bloei van de republiek, omdat er nu veel meer concurrentie was van andere (strakgeleide) landen, en in de 17e eeuw nog niet. Een krachtig gezamenlijk economisch beleid tegen het mercantilisme was onmogelijk door de traditionele zelfstandigheid. Vier factoren die na 1672 het probleem van de hoge belastingen en de

overheidsschuld ‘onoplosbaar’ maakten zijn de staatsschuld die niet omlaag wilde (onder andere door de regenten, die daar door hun obligaties belang bij hadden), de blokkeringen van de gewesten tegen de hervormingen (omdat ze bang waren duurder uit te zijn), ?????

Een verklaring voor het uitbreken van de Pachtersoproeren in 1748 is dat er onvrede was over de hoge belastingen. De doelisten, een politieke beweging van de middengroepen, waaronder de schutters, vroegen om aanpak van de corruptie en meer burgerinvloed. Er veranderde, na weken demonstreren niet veel. Pas met de verlichting kwamen er weer bewegingen, die pleitten voor democratie, in 1780.


Toenemende weelde en verpaupering

De regenten vormden in de 18e eeuw de maatschappelijke bovenlaag, die aan hun inkomsten kwamen via overheidsambten en belegginen. De macht kwam steeds meer in handen te liggen van deze regenten – de regentenklasse aristocratiseerde – doordat zij onderling trouwden en contracten van correspondentie opstelde, waarin ze de bestuursambten verdeelden. Nederland werd een oligarchie. Niet alle renteniers waren echter rijk. Ook gewone burgers of instellingen hadden aandelen. De kleine burgerij had het intussen moeilijk, omdat de accijnzen en belastingen bij hun geïnd werden. De volksklasse was er minder werk. Voor de laagste klasse werd het steeds zwaarder; de werkeloosheid nam toe, maar de lonen bleven stabiel. De VOC probeerde de werkeloosheid te beperken door steeds meer autochtonen aan te nemen maar in de tweede helft van de 18e eeuw lukte dat niet meer: algemene verpaupering was het gevolg. De armenzorg was er nog steeds, maar veranderde. Kerken richtten zich alleen maar op hun ‘eigen’ armen en steeds meer armen werden gezamenlijk aan het werk gezet: armenzorg alleen zou luiheid in de hand wekken. De maatschappelijke positie van vrouwen ging achteruit doordat zij werkten in de sectoren die achter uit gingen: winkelbedrijf en textielbranche. Er was een vrouwenoverschot, doordat mannen met de VOC meegingen en niet meer terug kwamen en de meeste vrouwen waren analfabeet.


Ondergang: 1780-1806

De Vierde Engelse oorlog (1780-1784) had economische gevolgen voor de Republiek: koopvaardijschepen werden gestolen, de handel werd verlamd, de schulden liepen op (mede door geld dat nodig was voor het leger). Daarnaast ook politieke gevolgen: gewapende patriotten namen sommige steden onder, Stadhouder Willem V vluchtte van Den Haag naar Nijmegen, maar ging weer terug met hulp van een Pruisisch leger. De ‘oude’ republiek eindigde echter toch echt toen de patriotten terug kwamen met het revolutionaire Franse leger. De Bataafse republiek werd opgericht en de macht werd overgedragen op burgercomités. De Fransen maakten echter steeds meer de dienst uit en in 1806 werd de Bataafse Republiek ‘Koninkrijk Holland’ en in 1810 zelfs onderdeel van Frankrijk. De Bataafse republiek was daarvoor een ramp voor de Nederlandse economie geweest, omdat de Engelsen (die in oorlog waren met Frankrijk) het zagen als een verlengstuk van laatstgenoemde. De rol van Nederland als geldschieter van Europa verdween en ging naar Londen, doordat er geen ‘echt’ geld meer was in Nederland. De schuldenlast van de Republiek werd na 1795 onbeheersbaar, omdat de Fransen honderden miljoenen eisten voor het onderhoud van hun leger. Na de vrede van 1815 was Nederland een verarmd land; de Engelsen gaven weliswaar een paar koloniale bezittingen terug, maar lang niet alles.


VIETNAM
HOOFDSTUK 1 – DE KOUDE OORLOG
De VS begonnen vanaf 1947 onder leiding van president Truman met de containmentpolitiek; de indamming van het communisme, zodat deze niet verder uit zou breiden. Om de Sovjet Unie heen zaten ook bijna alleen maar VS bondgenoten, behalve China. Daarom is het best mogelijkheid dat de SU zich omsingeld voelde.
Geen veilige vrede, maar Koude Oorlog

Het ideaal van Lenin was een communistische wereldrevolutie. Daar kwam niets van terecht: Alleen de Sovjet-Unie was tot 1945 communistisch. Wilson had als ideaal een volkenorganisatie. De volkerenbond werd opgericht, maar er kwam niets van terecht, want Amerika zat er zelf niet in. Na de tweede wereld oorlog kwam de VN. In tegenstelling tot de volkerenbond ging de VS een actieve rol spelen in de VN en de wereldmachten kregen een vetorecht in de veiligheidsraad; China, Frankrijk, GB, SU en de VS kregen het voor het zeggen. Er ontstond echter geen samenwerking tussen de grote mogendheden, maar juist een koude oorlog. Dat kwam omdat er bleven maar twee echte mogendheden over en zij waren beiden bang dat de ander het zou overnemen en werden verleid.

Daarnaast waren de twee supermachten waren in alles elkaars tegenpolen, was er aanwezigheid van wapens met een ongekende vernietigingskracht en wantrouwden de twee supermachten n elkaar. De kans op communistische wereldheerschappij was echter nihil, omdat de Sovjet-Unie straatarm was, het leger van de VS was veel sterker. In het westen was er weinig aanhang voor het communisme, na 1949 verplaatste de strijd zich dus ook naar de arme 3e wereld.
Koude Oorlog in Europa
Stalin bracht Oost-Europa in zijn invloedssfeer, omdat hij de grenzen wilde verleggen, zodat bij een eventuele aanval niet met Rusland zou worden geschaad. De VS reageerde met de Marshallhulp: zij wilden voorkomen dat Stalin meer invloed zou krijgen in het westen van Europa. Daarom wilde ze Europa zelf steun geven, onder een aantal voorwaarden. Aanleiding was de directe dreiging van het communisme in Griekenland en Turkije, waar respectievelijk guerrillastrijders en dus Stalin die de macht probeerden over te nemen.

Het verslagen Duitsland vormde een spanning tussen de VS en de SU. Er werd niet nauw samengewerkt tussen de SU en VS, wat wel de afspraak was. Daardoor wilden beide heel andere dingen van Duitsland en ontstonden er ook in Duitsland twee blokken; Stalin eiste hoge boetes en daardoor werd Oost-Duitsland een arm land, Amerika wilde juist dat Duitsland zou herstellen, voegde West-Duitsland samen en introduceerde een Duitse munt.


Koude Oorlog in Azië

In 1949 vonden er twee gebeurtenissen plaats die de VS deed sidderen. De geslaagde kernproef van de Sovjet Unie en dat China in de handen van de communisten viel. Dit laatste leidde tot een hysterische reactie; mensen dachten dat het communisme nu in een keer een heel stuk dichterbij was gekomen. Truman kreeg de schuld. Om hiervan af te komen moest hij laten zien dat hij niet soft on communism was. Die gelegenheid kwam bij de Korea-oorlog: Noord-Korea viel Zuid-Korea binnen, met steun van Stalin, die dacht Amerika Korea niet echt het verdedigen waard vond en omdat hij China – een belangrijke bondgenoot – erbij had gekregen. Amerika greep echter meteen in: Doordat de VS China niet erkenden werd de Chinese zetel in de veiligheidsraad nog steeds ingenomen door de oud-regering in Taiwan. Hier was Rusland het niet mee eens en boycotte de veiligheidsraad. Daardoor kon er een resolutie worden aangenomen dat de VN Zuid Korea zou verdedigen en binnen een korte tijd zaten er troepen in het land. Gevolg voor de buitenlandse politiek van de VS was dat het defentiebudget werd verdrievoudigd en er werd over de hele wereld containmentpolitiek gevoerd.


Koude Oorlog en dekolonisatie

Voor Europa was na 1949 de koude oorlog een relatief stabiele periode: er vonden geen directe conflicten plaats, er was alleen maar dreiging van zowel de SU als de VS. In het Amerikaanse vijandbeeld vormden de Sovjetunie en China één blok. Dat klopte eerst wel toen China en de SU gezamenlijke afspraken maakten over bijvoorbeeld het imperialisme. Maar na Stalins dood niet meer: Chroesjtsjov verraade volgens Mao de revolutie en er kwam een openlijke breuk.

De dekonolisatie raakte na 1950 verweven met de Koude Oorlog, want zowel de SU als de VS probeerden nieuwe naties die onafhankelijk waren geworden in hun invloedssfeer te trekken. Dit vaak door middel van militaire inverventie, wat zorgde voor militaire conflicten. In WO II had de oorspronkelijke bevolking gezien dat de Westerse overheersing lang niet zo sterk was, wat hun sterkte in hun moed om onafhankelijk te worden.

HOOFDSTUK 2 – DE VIETNAMESE DELING


In de periode van 1945-1954 verlieten de Fransen langzamerhand Vietnam. Dat begon allemaal met een speech van Ho Chi Minh op 2 september 1945. Ho Chi Minh pleitte hiervoor een gebruikte de Amerikaanse onafhankelijksverklaring en legde uit dat wat daarin staat ook voor Vietnam geldt. Ho Chi Minh had daardoor hoop en ook omdat Vietnam samen met de Amerikanen tegen de Japanners had gevochten.

Vietnam onder de Fransen

De Fransen beloofden dat zij de economie van Indochina zouden ontwikkelen. Hiervan kwam terecht dat ze de de infrastructuur verbeterden maar profiteerden vooral zelf van de economie die ze vooral in de agrarische sector stimuleerden (en bijvoorbeeld rijst exporteerden) en niet in de industriële sector. De Fransen waren erg gehaat onder de bevolking omdat de koloniale bestuurders zich wreed gedroegen, er geen gelijke rechten waren voor iedereen; de Vietnamezen kregen bijvoorbeeld overal minder betaald voor het zelfde werk. Het leidde niet tot massaal verzet omdat het verzet dat er was te lokaal was, niet georganiseerd en het was onderling verdeeld over wat er met Vietnam moest gebeuren. Pas met de opkomst van het communisme (Indochinese Communistische Partij: 1930) ontstond er een serieuze dreiging. Ho Chi Minh had er vertrouwen in: Stalin had al laten zien dat een kleine georganiseerde minderheid zich kon losmaken van de overheersers in een land wat weinig was ontwikkeld.


De tijger en de olifant

Ho Chi Minh richtte in 1941 naast de ICP de Vietminh op, een nationalistisch bevrijdingsleger wat onzichtbaar bleef als een geheim wapen. Tegelijkertijd hadden de Japanners Vietnam bezet en dat was geen toeval:


Tijdens de Japanse bezetting hadden de Fransen niet zoveel te zeggen en de Japanners konden het land niet onder controle houden. Daardoor kon de Vietminh snel delen overnemen. Op 15 augustus capituleerde Japan en de Vietminh nam bijna heel Vietnam over. De VS steunde echter de regering van Ho Chi Minh niet. Frankrijk was namelijk een noodzakelijke bondgenoot in Europa in de koude oorlog en Ho Chi Minh was een communist. Intussen probeerden de Fransen Vietnam weer terug te krijgen en ein 1946 brak er serieuze oorlog uit. De Fransen waren niet opgewassen tegen de guerillatactiek van de Vietnamezen. In 1950 ging China – die communistisch was geworden – Vietnam helpen en de erkende de Democratische Republiek Vietnam en ging wapens en adviseurs leveren. Twee weken later volgde de SU.



Het vertrek van de Fransen

De Amerikaanse gingen de Fransen steeds meer steunen. De oorlogsmoeheid sloeg toe en er werden onderhandelingen gepland in Geneve. Zowel de Fransen en de Vietmin wilden voor de conferentie in Geneve nog terreinwinst boeken, zodat ze sterker stonde in de onderhandelingen. Daarom werd er bij Dien Bien Phu nog zo hard gevochten: de Fransen zaten in een vallei en de Vietnamezen kwamen van alle kanten. Het leek erop dat de Vietnamezen in hun voordeel waren bij de onderhandelingen, maar Amerika was fel tegen een onafhankelijk Vietnam. Eisenhouwer formuleerde de dominotheorie: Als een land zou vallen in de handen van de communisten zouden omliggende landen ook vallen, net zoals dominostenen. Daarom moest koste wat het koste alles voorkomen worden dat een land zou vallen. Er werd uiteindelijk besloten in de Geneefse akkoorden dat Vietnam door tweeen werd gedeeld (17e breedtegraad). Noord werd communistisch, Zuid daar zouden de Fransen zich binnen twee jaar terugtrekken en dan zouden er nationale verkiezingen komen. Amerika ondertekende de akkoorden niet (net als Zuid-Vietnam) en besloot zelfs een anti-communistische staat in Zuid-Vietnam op te zetten. Geneve had gezegd dat de landen geen militaire boodschappen mochten sluiten. Toch richtte Amerika de ZOAVO op. Vietnam zat er weliswaar niet bij, maar het was in strijd met de geest van Geneve.


Twee vijandige staten

Er kwamen geen nationale verkiezingen. Zuid-Vietnam en de VS hielden de verkiezingen tegen met het argument dat ze nooit iets hadden ondertekend en dat er in het communistische Noord-Vietnam geen nooit vrije verkiezingen gehouden zouden kunnen worden. In Noord-Vietnam voerden de communisten een interne revolutie door. Veel privébezit werd staatsbezit. Er was een herverdelingscampagne op het platteland, wat de rijstproductie bevorderde. Er werd een industrialisatie vijfjaren plan opgezet. In Zuid-Vietnam werd Ngo Dinh Diem door de Geneefse akkoorden aangesteld. Hij bestuurde het land als een dictator; er was veel corruptie en tegenstanders werden opgepakt. De VS deden niets, omdat Diem wel succesvol was tegen communisten: in vier jaar werden er 12000 mensen geëxecuteerd.

HOOFDSTUK 3 – AMERIKA GAAT OVER TOT OORLOG
Volksopstand in Zuid-Vietnam

In 1959 hervatte Noord-Vietnam de strijd. Het droomde altijd nog van een verenigd Vietnam en in 1959 nam de haat tegen de Diemregering snel toe, zodat Noord-Vietnam meer aanhangers kreeg en het dus voordeliger was om aan te vallen. Ze streden niet opzichtig, want als ze dat zouden doen zou Amerika zich te aangevallen kunnen voelen en opnieuw kunnen aanvallen. Ook zouden Zuid-Vietnamezen het kunnen zien als een poging van de communisten om de macht over te nemen. De Ho Chi Minhroute werd uitgehakt, zodat ZV daardoor NV zou kunnen bevoorraden. De Vietcong werd opgericht als leger van het Nationaal bevrijdingsfront. De Vietcong was officieel een Zuid-Vietnamese beweging. Diem werd dus intussen steeds impopulairder. Het economische wonder bleef uit, boeren werden gedwongen te verhuizen en het boeddhisme werd onderdrukt. De Vietcong infiltreerde op het platteland en gaf boeren daar stukken land. Ook infiltreerde ze in de agrovilles (versterkte dorpen waar de boeren een beter leven ‘zouden’ krijgen) en stichtte daarmee kleine forten.


Alarm in het Witte Huis

In Amerika kwam er een alarmerend rapport over de activiteiten van de Vietnam uit en Chroestsjov hield in 1961 een toespraak waarin hij zei dat nationale bevrijdingsbewegingen die zich tegen het imperialisme keerden op steun van de Su konden rekenen. Kennedy raakte bezorgd en vroeg om advies. Dat kwam er, tegenstrijdig: De ene kant zei dat er moest worden aangevallen met veel troepen en de anderen voor diplomatieke oplossingen met geleidelijke terugtrekking. Kennedy besloot om hulp te geven aan de ZV regering in de vorm van adviseurs en hulpmiddelen. Het doel hiervan was dat Zuid-Vietnam de oorlog zelf kon winnen. Ook probeerde Kennedy eerst Diem te overtuigen van sociale en democratische hervormingen. Toen dat niet lukte gaf hij ontevreden legerleidingen groen licht voor een (geslaagde) staatsgreep. Diem werd vermoord in een taxi.


Johnsons dilemma

De staatsgreep leverde niets op en de situatie verslechterde. Begin 1964. Het ontzag voor kernwapens werd heel erg groot, doordat de dreiging maar toenam. Men was er steeds meer tegen omdat een 3e wereldoorlog voorkomen wilde worden. Dat werd het dus niet. De roep om Amerikaanse terugtrekking uit Vietnam toe.

Er werd in twijfel getrokken of Vietnam wel belangrijk genoeg was. Amerika zou met weinig gezichtsverlies kunnen terugtrekken. Zuid-Vietnam leek niet meer te redden. Zuid-Vietnam dacht er misschien zelf ook over om toenadering te zoeken. Toch hield Johnson vast aan de dominotheorie: hij wilde geen communistische regering in Vietnam en hij wilde niet dat het vertrouwen in Amerika ondermijnd zou worden. En toch stelde Johnson militair ingrijpen zo lang mogelijk uit: de Great Society van Johnson koste veel geld en een oorlog ook en Johnson wildegeen keuze maken. Uiteindelijk koos hij daarom ook een beperkte oorlog, zodat er niet teveel geld zou gaan naar de oorlog.
Johnsons oorlog

De Amerikaanse regering wilde graag aanvallen, maar had daar toestemming voor nodig van het Congres. Door het Tonkin-incident (in de Golf van Tonkin werd een Torpedobootjager aangevallen) leek het net alsof Noord-Vietnam begonnen was met systematische agressie. Daardoor werd Amerika bang en nam het congres de Tonkinresolutie aan. De tonkinresolutie zei dat de president als opperbevelhebber alle noodzakelijk maatregelen mocht nemen om elke gewapende aanval tegen de Amerikaanse strijdkrachten te vergelden en verdere agressie te voorkomen. Na weken van aarzeling gaf hij in 1965 opdracht tot operatie Rolling Thunder, het systematisch bombarderen van Noord-Vietnam mét grondtroepen. Hij vebrak hiermee een belofte aan kiezers, omdat hij had beloofd dat er geen Amerikaanse jongens zouden vechten. Noord-Vietnam en de Vietcong konden de Amerikanen aan, omdat zij gesteund werden door China en de SU en omdat ze een guerrilla oorlog voerden.

HOOFDSTUK 4 – VREDE MET EER?
Het Tet-offensief

De Amerikanen gebruikten in Zuid-Vietnam de de search-and-destroy techniek. Eerst de vijand vinden en dan vernietigen. Probleem hierbij is dat als je de vijand niet kan vinden, je hem ook niet kan vernietigen. Ook wisten ze weinig van de Vietnamezen. Toch leek het wel goed te gaan, tot het Tet offensief in 1968. Communistische commando’s vielen honderden steden tegelijk aan. Dat konden ze doen omdat ze ook al op heel veel plekken geïnfiltreerd. Zo’n grote operatie, in een keer, zonder aankondiging, daar schrokken de optimisten van Amerika van. Het Tet-offensief was voor de communisten een militaire nederlaag, maar een psychologische overwinning,

Omdat de Amerikanen helemaal niet verwacht hadden dat de communisten zo’n aanval zouden kunnen plegen. Zij dachten dat alles goed ging, en dat ze zelfs aan de winnende hand waren. Na het tet-offensief vond er een omslag in die houding plaats; een psychologische overwinning voor de communisten.
Groeiend verzet in Amerika

In Amerika zelf werd niet veel over de Vietnamoorlog gesproken: de meeste Amerikanen stonden achter de president en waren het er mee eens. Dat had ook te maken met de anti-communistische houding. Na 1965 veranderde de houding van de Amerikaanse media: zij werd steeds kritischer en liet zich steeds minder de mond snoeren door de overheid. Dat kwam vooral doordat nieuwe journalisten in Vietnam verbaasd waren over het verschil tussen wat zij tot nu toe hadden gehoord en wat ze zagen. De jongeren, de protestgeneratie vonden het onzin dat de rest zo bang was voor het communisme. Ze waren voor vrede en niet het verwonden van onschuldige burgers. In het parlement was weinig protest tegen de oorlog: Ten eerste hield Johnsson het parlement niet goed op de hoogte, dus ze wisten er vaak niet zo veel of te laat van. Daarnaast zat de twijfel vooral bij de democraten en die wilden hun eigen president niet afvallen en wilden niet beschuldigd worden van ‘soft on communism’.


1968

In 1966 nam vooraanstaand democraat J. William Fulbright afstand van Johnson en organiseerde parlementaire hoorzittingen waarin hij leden van de regering scherp ondervroeg. Hij concludeerde dat de oorlog niet was te winnen en dat de VS zich zo snel mogelijk moest terugtrekken. Het leidde tot een tweedeling. De ene kant leidde uit de parlementaire hoorzittingen af dat Amerika harder moest optreden, de andere dat Amerika moest terugtrekken. Tet had laten zien dat Amerika helemaal niet aan de winnende hand was, zoals de president wilde laten geloven. En dat het alleen maar gruwelijker was. Dat versterkte de tweedeling, maar de groep die vond dat er vrede moest komen werd steeds groter.


In 1968 kwam Nixon aan de macht. Hij vond dat er een einde moest komen aan de oorlog, maar wel eervol. Hij wilde namelijk niet de eerste president zijn die een oorlog verloor. Hij naam verschillende stappen om dit te bereiken:

- Amerikaanse grondtroepen terugtrekken en het Zuid-Vietnamese leger versterken.

- Noord-Vietnam tot consessies dringen door:

- Meer op de grond en minder bombarderen

- De noord-Vietnamezen bang maken.

- Toenadering zoeken naar SU en China.

- Met Noord-Vietnam onderhandelen.
Nixons oorlog

Operatie Cambodja (invasie in Cambodja, voorafgegaan aan bombardementen (ook op Laos)) mislukte. Het lekte uit, er kwamen massale protesten en Nixon moest zijn troepen terugtrekken van het parlement. Er was spraken van een Pat-stelling in de onderhandelingen, want Noord-Vietnam en Kissinger wilden allebei niet toegeven. Kissinger en Nixon wilden de druk opvoeren met de driehoeksdiplomatie: Ze probeerden zowel China als de SU te laten stoppen met wapenakkoorden, door het te laten lijken dat ze met de vijand bondgenootschappen sloten (voor China SU en andersom) en ze handelscontracten aan te bieden. Het werkte niet. Uiteindelijk kwam er in oktober 1972 toch nog een vredesakoord omdat de Noord-Vietnamezen iets toegaven en omdat de verkiezingen eraan kwamen en omdat het parlement hun onder druk zette. Generaal Thieu van Zuid-Vietnam was het er alleen helemaal niet mee eens, omdat hij wist dat zodra de Amerikanen weg waren, Noord-Vietnam Zuid-Vietnam zou overnemen. Daarom gingen de onderhandelingen verder. Rond kerst werden de bombardementen hervat. Ze moesten de Noord-Vietnamezen zo schockeren dat ze weer wilden onderhandelen. En ze moesten Thieu laten zien dat hij verzekerd kon zijn van zijn bondgenootschap met de Amerikanen. Noord-Vietnam hervatte de onderhandelingen en op 23 januari 1973 ondertekenden Noord-Vietnam en Zuid-Vietnam de Parijse Vredesakkorden. In het voorjaar van 1975 werd Zuid-Vietnam inderdaad veroverd door de communisten.

HOOFDSTUK 5 – DE GEVOLGEN VAN DE OORLOG


Ontwricht Vietnam

Noord-Vietnam kon elk jaar zo’n 200 duizend nieuwe soldaten oproepen omdat er een diensplicht was. De voedselvoorziening werd geregeld via een communistisch systeem: al het eten was van de staat en het werd verspreid door bonnen. Veel voedsel kwam uit China. De bevolking op het Vietnamese platteland zat tussen de partijen in. Overdag was er het Vietnamese leger, aan wie ze moesten gehoorzamen en ’s nachts de vietcong. Het platteland wilde eigenlijk gewoon genoeg te eten om te leven en niet perse een kant kiezen. De welvaart in Zuid-Vietnam was voor een groot deel ‘kunstmatig’ wan het werd voor een groot deel door Amerika gefinancierd. De VS vulden de tekorten aan en kochten veel van de Vietnamezen (alleen de economie gericht op Amerika bloeide dus). In Zuid-Vietnam werd de infrastructuur verwoest, landbouwgrond en natuur ook. Werkeollosheid groeide, gezondheidszorg was er niet, maar wel nodig door de gewonden. Noord- en Zuid-Vietnam werden verder uit elkaar gedreven. Noord-Vietnam was een communistische staat waar de bevolking net genoeg te eten had. Er waren weinig inkomstenverschillen. Er werd alleen gebombardeerd, niet gevochten. In Zuid-Vietnam werd de scheiding tussen rijk en arm heel groot; veel mensen moesten voor zichzelf zorgen en werden onderdrukt; anderen leefden in rijkdom.


Soldaten en veteranen

Ook al gold de dienstplicht voor iedereen, de meeste soldaten kwamen uit de arbeidersklasse: onder de arbeidersklasse heerste meer vaderlandsgevoel; zij waren trots op hun uitzending. Vaak was het ook niet slecht om in het leger te gaan; dan had je wat te doen, kreeg je eten en was je met de jongens. Veel middenklassers konden er onder uit komen door studie. Eenmaal in Vietnam heerste er een laag moreel onder de soldaten:

De Amerikaanse soldaten kwamen hele andere dingen tegen dan ze hadden verwacht: guerrilla strijders die opeens aanvielden, burgers die in de strijd omkwamen, of makkers en het erge klimaat.

De soldaten werden bij terugkeer niet gerespecteerd door de samenleving. Ze konden niet praten over hun ervaringen. Het Vietnamsyndroom is de naam voor de lichamelijke en psychologische klachten die hierop volgden. Vanaf 1980 veranderde dat: toen werd er op eens heel veel bekend rondom Vietnam; films en stukken enzo. Er kwamen monumenten en het verwerkingsproces voor veteranen konen beginnen. Dat kwam voornamlijk ook omdat de vets zich gingen organiseren.


Een nationaal trauma

Rond 1960 stond de VS in een hoog aanzien. Zij stond bekend om haar vrijheid en democratie, bevrijding van Europa, rijkdom en zelfvertrouwen. De Vietnamoorlog deed dit aanzien dalen.



Door de hoge oorlogsuitgaven waren er flinke begrotingstekorten. Munten werden losgelaten van de dollar en Europa werd een economische tegenstander van de VS. De protesten deed Nixon in die tijd af als een kleine luiddruchtige minderheid, een zogenaamde linkse samenzwering. Noord-Vietnam putte er echter hoop uit;
het bevestigde het idee van de NV bevolking dat VS uiteindelijk de oorlog zou opgeven. In 1971 werden de Pentagon Papers uitgelekt. Zij lieten zien dat de Amerikaanse politiek in Vietnam gruwelijk was en dat Johnson het congres had gemanipuleerd. Vietnam werd een nationaal trauma: het had het nationale zelfvertrouwen geschokt. Amerika was er verschrikkelijk op achteruit gegaan.
De wereld na Vietnam

De verhoudingen tussen de VS en Europa werden steeds slechter naarmate de Vietnamoorlog vorderde, want Europa veroordeelde de oorlog. De relatie met China en de SovjetUnie werd echter beter, omdat Amerika SU en China nodig had om oorlog te beperken en om afspraken te maken over kernwapens: Amerika had geen geld meer om mee te doen. Er volgde een periode van ontspanning in de koude oorlog. In het vervolg was de VS ook voorzichtiger met oorlog. In Vietnam ontvluchtten in 1975 miljoenen Vietnamezen hun land. Het ging politiek en economisch slecht. China viel Vietnam binnen. Er kwam een communistisch beleid. NV roeide het kapitalisme met tak en wortel uit. Tegenwoordig is de relatie tussen Amerika en Vietnam goed. Eerst verbood Amerika bedrijven handel te drijven met Vietnam, nu niet meer en Vietnam ontwikkelt zich langzaam tot een mooi land.



De database wordt beschermd door het auteursrecht ©opleid.info 2017
stuur bericht

    Hoofdpagina