Een wandeling door ‘t Monnickendam van 400 jaren geleden



Dovnload 73.42 Kb.
Datum23.07.2016
Grootte73.42 Kb.

Een wandeling door ‘t Monnickendam van 400 jaren geleden


Om u mee te kunnen nemen op 'n wandeling door Uw stad om­streeks 't jaar 1572 was er allereerst 'n kaartje nodig om u duidelijk te maken hoe 't er volgens mij toen zou hebben uit gezien.

Bij deze reconstructie heb ik veel steun gehad van 'n op 't eerste gezicht onduidelijk lijkende plattegrond van Jacob van Deventer, koninklijk geograaf van Filips II van Spanje, getekend in de jaren 1560 tot 1570.

Achteraf bleek 't echter een betrouwbaar stadsplan van Monnickendam te zijn, dat zich zeer goed leende om bevestigd te krijgen, hetgeen ik aan de hand van andere gegevens ontdekt had.
Mijn tweede bron om iets meer over de situatie te weten te komen was een verpondingsregister voor de 100e penning (een naam voor 'n belasting op vaste goederen) van mei 1572-1673 (Gem. archief nr 259)

Van ieder huis staat hierin aangegeven, wie de eigenaar was en aan wie hij 't pand event. verhuurd had met de te betalen ver ponding voor het jaar. In 'n dergelijk register van 1580 staat zelfs de getaxeerde waarde per hui s aangegeven, zodat 'n inzicht kan worden verkregen welke huizen in 'n bepaald deel van 'n wijk of straat werden gebouwd.

Doordat in deze registers is aangegeven bij welk huis men begon met 't innen van de belasting, kan men vrij goed vaststellen waar iemand woonde en hoeveel huizen er op 'n bepaald rijtje stonden.
Op 'n verkleining van 'n stadsplan van 1974 ben ik aan de hand van de gegevens uit dit register de huizen gaan intekenen, ermee rekening houdend, dat 'n kamer of achterliggende schuur niet werd meegenomen. De kaart van Jacob van Deventer hielp mij hierbij in moeilijke situaties.

Alleen de verdeling van de huizen in zijstraten of stegen be rust op fantasie, want aan welke zijde deze stonden wordt niet aangegeven.

Ik koos 't jaar 1572 omdat, zoals u dit in mijn boekje "De slag op de Zuiderzee" hebt kunnen lezen, de stad op 24 juni van dat jaar door Willem de Grave, Hopman onder Luitenant Diederik Sonoy, bevrijd werd van 't Spaanse juk en er daardoor grote veranderingen in de stad gingen plaatsvin­den.

Ik behoef u alleen maar te herinneren aan 't feit dat Amsterdam pas in 1578 voor Oranje koos en de Monnickendammers zich 6 jaren beijverden de han­delsbetrekkingen van de geblokkeerde stad te bedienen en mogelijk over te nemen.

Ten derde probeerde ik aan de hand van de resoluties (besluiten) genomen door de Vroetschap van Monnickendam in 1573 en 1576 en van 1578-1598 en 1609-1616 (Gem, archief nrs 1 en 21) van uit de gegeven situatie 'n blik in de toekomst te werpen en te omschrijven, waaruit deze veranderingen bestonden.

Door de toevallige vondst van 'n register van keuren, wilkeuren en statuten beginnende 10 augustus 1572 (Gem. archief nr 61) getiteld: "De ordonantie van het bijten ten ijse (ijsvrij-houden van de grachten) rontom dese stede Monnickendam op huyden den sesten january anno xv LXXIII (1573) " ontdekte ik dat er 'n bagyne-kerk aan 't einde van de Kerkstraat stond. Doch deze vierde bron bewaar ik tot de laatste bladzijde van mijn verhaal in deel II.

't Was niet zo prettig om in de stad Monnickendam te wonen in 't jaar 1572. Er werden met 't oog op de situatie waarin de stad verkeerde nogal wat ordonnantiën, keuren, willekeuren ende statuyten door de Bailliuw-Schout, Burgemeesters, Schepenen en de Raet van Monnickendam geordineert" Veel steden kre gen in de middeleeuwen van de vorst het recht om voor de eigen gemeenschap bepaalde voorschriften vast te stellen. Deze noem de men "Keuren". Gebeurde dit naar de wens van 't ogen­blik, b.v. in 'n oorlogs toestand, eigenmachtig en niet geheel vol­gens de landelijke rechtsrege­len, dan werd zoiets 'n "wil­le keur" genoemd.
Zo'n willekeur werd op 10 augustus 1572 afgekondigd:

"Dat niemandt vande poorters hem en sal vervorderen van nu voortaen buyten de stede te reysen sonder paspoort van de Burgemeesteren"



"verbieden oock bij desen allen burgeren, die de wacht deser stede hebben geen vreembde luyden te laeten passeren duer oft inde stede te laeten comen, etc."

"voort dat hem nijemant en sal vervorderen op Amsterdam te varen oft reijsen, noch oock eenige briefven vuytte (uit de) stede oft daer binnen te brenghen van eenige vianden" etc. etc.

"dat oock geen wijfven ende kinderen haer op de straete en sullen laeten vinden naer clockegeslach, maer dat sij eenen lanteerne met licht sullen vuyt hanghen"

"verbieden oock deselve Heeren, dat nijemandt des avonts naer acht uren in geen herberghe, op straten, in steeghen oft op stoepen en sullen drincken, noch oock dat geen weert noch weerdinnen nae acht uren bier noch wijn en sullen vercoopen noch tappen"
Bij overtreding van punt 2 b.v. was de boete "thien stuyvers, elcken schutter vijff stuyvers ende een gemeen borger een stoter" (=12 ½ cent).

Voor ieder punt weer 'n andere straf waarbij soms:

"de helft vande boete tot proffyt vanden Officier en dander helft tot proffyt vanden aanbrenger kwam".

Meestal werd 'n paspoort aan iemand afgegeven, die 'n ander als borg in de stad achterliet, wanneer hij op ging.

Straat of landwegen waren er nog niet in Waterland. In 1572 ken men te voet, te paard of per schip.

Landwegen of beter gezegd "wagenwegen" werden pas later aangelegd.


Op 9 maart 1592 lezen we in 't resolutieboek:

"voor nut innegesijen datmen versouck doen sal omme een wagenwech te gecrijgen van Monnickendam tot aen Nieuwendam"

dd 29 augustus 1592:

"Burgemeesteren sullen trecken tot Eedam ende met de Burge­meesteren derselver stede een goede resolutie te maecken ten eijnde de wagen­wech door onser stede op Amsterdam opt meeste ende bijde beste beqaem­ste middelen gevordert mach werden"

dd 7 maart 1593:

"dat men Jan Brasscher sullen verwilligen omme met de Burgemeesteren ter dachvawrt (te Hoorn ?) te reijen omme versouck te doen, beneffens die van Edam, omme een wagenwech te hebben van Eedam op Monnickendam ende van Monnic­kendam tot aenden hooge dijck".

dd 24 maart 1593:

"dat Burgemeesteren sullen spreken met die van Eedam, Hoorn, Enckhuij­sen ende Medenblick belangende de wagenwech hoement best aen sullen seggen dat deselve mochte voortganck hebben".

U ziet 't ging in die tijd niet zo snel.


Hoe zagen de straten en stegen er uit binnen de vesting ? Niet veel beter!

Op 20 februari 1594 geeft het stadsbestuur, "de kijsel ende 't sant, mits de eijgenaar 't arbeitsloon sal betaelen".

dd 11 october 1594:

"datter sekere wilkeure gemaeckt sal werden, dat alle eijnde hocken binnen onser stede affgebroken sullen werden"

Eerst dacht ik aan eendenhokken, maar die bestaan niet. Be­doeld zullen zijn hokken, die aan 't eind van 'n straat tegen de zijkant van 'n huis gebouwd waren en die in de weg stonden.

dd 4 juni 1595:

"dat men alle nieuwe straeten alreede gemaeckt zijnde ofte die noch namaels gemaeckt sullen werden niet en sullen veranderen ofte ver­maecken tsij met schulpen (schelpen) ofte ander affgaende stoopen (afwaterende plaveisel"

dd 7 april 1610:



"alsoo de straeten deur de scholpen (later blijkt dat men stulpen bedoelt) ende hoge opgaende stoepen ende straeten verdorven werden, hebben 't selve in voicatie (dagvaarding) van onse Vroetschappe geleijt, dat alle scholpen (stulpen) van de Noorderpoort aff tot aende Suyderpoort met de Niessenoort zullen affgebroken werden sonder ijemant aen te zijen ende sullen oick geen Burgemeesteren ofte burgers 't selve in toecomende tijden te mogen veranderen, maer elc zijn straet maecken sonder scholpen (stulpen), soe wel die alreede gemaeckt zijn ofte alsnoch met de nieuwe straeten gemaeckt sullen werden op de boete van ijder twee pont ende wije bekeurt is ende al evenwel onwil­ligh blijft sal al evenwel ijder dach daer en volgende twee gulden verbeuren (in de marge: oick ijder metselaer, die eenige stulpen" maeckt sal in gelijcke boeten elcx van twee pont) ende willen ditselve alle jaere voor een euwich edict vande stadthuijse gepubliceert wer­den, mits dat het Kerkstraet soe haest als de straet alsdaer gevonden werden te vernieuwen als wij verhopen binnen een jaer afte twee dat zij alsdan alle stulpen aff breecken ende geen nieuwe emsullen maecken op gelijcke boete als voren"

En tot slot op 2 maart 1614:

"dat de straeten eens bijde stadt gemaeckt wesende daer naer de selve bij de eijgenaers gemaeckt ende onderhouden sal moeten werden".

We krijgen ongeveer 'n indruk hoe het wegdek van de straten en stegen er heeft uitgezien. Met schelpen verhard. Erg fraai zal 't niet zijn geweest, 'n ieder moest het stukje straat voor zijn eigen huis verzorgen.

Omdat de meeste huizen van hout waren opgetrokken zal het toch wel 'n genoegelijke indruk hebben en bij ons 20e eeuwse mensen 'n romantische sfeer te weeg hebben gebracht.

'n Vervelend feit was echter dat wanneer 'n inwoner naar 'n andere stad verhuisde, hij zijn huis meestal meenam. Deze houten kasten waren gemak­kelijk uitneembaar en elders weer op te bouwen.

dd 15 juli 1612:

"is mede geresolveert dat Burgemeesteren de lege erffven, die de stede zijn competerende bij openbare custebode (veiling) sullen vercopen, hoe eerder hoe liever".

Het verpondingsregister van 1572 begint met de vermelding van de huizen aan de westzijde van 't Noordeinde. Er werd gewerkt vanaf de Middeldam ("de drie spronck") in noordelijke richting en onderweg werden alle stegen meegenomen.

Bij de noorderpoort gekomen ging men aan de overzijde van 't Noordeinde in zuidelijke richting terug.

Op het eerste gedeelte van 't Noordeinde tot de "Claes Vuijllen Mollen­steech" (1) blijken dertien huizen te staan. Het zijn de hoogst getaxeerden van de stad. Het eerste huis van Nijsgen Jans van Neck wordt op  975,- geschat, de rest varieert tussen de  300,- en  750,-.

"Geen geld" zouden we tegenwoordig zeggen, maar als u weet dat 'n wachtmee­ster in die tijde jaarlijks  65,- ontving, dan is er naar verhouding niet zoveel veranderd.

Door de schaarste aan consumptieve goederen kon men er in 1572 echter minder voor kopen.

We lopen de eerste steeg in. De "Claes Vuijllen Mollensteech" (1). Zo genoemd omdat aan 't eind van dit steegje de "volmo­len" staat van Claes Sijmensz.

Met de molen bewerkte men 't wollen weefsel door middel van 'n kneed­proces en onder toevoeging van verschillende bijtende en ontvettende stoffen tot 'n dichte egale massa, die laken wordt genoemd.

Later wordt deze steeg de eerste, naeste of heijnste (de dichtstbij­zijnde) molensteeg (ook wel pastoorsteeg) genoemd.

Deze steeg bestaat niet meer. Met twee huizen aan de zuidzijde en een huis aan de noordzijde verdween dit straatje toen daaraan 't eind van de 19e eeuw de grote rooms-katholieke kerk gebouwd werd.
Zeven huizen verder op 't Noordeinde vinden we de tweede of middelste molensteeg, in 1572 "Sijmen Heerensteeg" (2) genoemd.

Oudere Monnickendammers noemden dit straatje "de wijde steeg".

Sijmen Heer was 'n korenmolenaar, evenals Jan Jansz Brasscher, die zijn molen aan 't einde van de derde, noorlixste of veerste molensteeg (3) had staan.

De molen worden op  600,- geschat en men moet  2,- aan ver­ponding betalen.


Deze molenaars blijken de lastigste mensen van de stad te zijn, omdat zij regelmatig om salarisverhoging vragen.
Op 23 april 1580 wordt vermeld:

"Beroerende 't sallaris vande mollenaers is bijde meeste stemmen vande Vroetschappe geresolveert, dat sij zullen hebben alsulcken salaris als die van Edam en Purmereynde zijn hebbende"

dd 11 juli 1584"

"Belangende 't versoeck van Jan Jansz Brasscher of zij heuren molen sullen mogen vercoopen ofte op een ander plaetse transporteren, is daerop bijde voirsz Vroetschappe geresolveert, dat men Jan Brasscher sal presenteren zijnen molen in sulcker vrijheijt van loon sal toe laeten, als die ander molens binnen onser stede.

Mits dat Jan Brasscher beloven sal die voirsz molen niet anders te vercoopen dan tot een coornmolen staende te blijven daer zij nu es staende".

dd 23 augustus 1584:



"Dat de molenaers een oortgen (2 duiten of 'n vierde stui­ver) op ijder mudde rogs tot opslach sullen hebben, mits dat de molenaers sullen beloven inde tijt van "thijen" naevolgende jaeren niet weder eenich opslach te versoecken ende soe Jan Jansz Brasschers molen niet staende sal blij­ven tot een coornmolen sullen sij geen opslach ontfangen".

De vroetschap was erg bang dat de molenaars hun molen naar 'n andere stad verplaatsten; men trachtte door aan hun wensen tegemoet te komen deze nijverheid voor de stad te behouden. Na ruim 3 jaren staan ze alweer op de stoep.

dd 24 januari 1588:

"op 't versoeck vande molenaers is geresolveert dat men de molenaers sullen consenteren ende toeleggen van ijder mudde rogge van maelen een halve rijael en van ijder mudde tarwe twee stuijvers ende een blanck"­(=6 duiten of 3 3/4 cent; denk aan vierduitstuk of 2½ cent).


Op 9 april 1589 blijkt Jan Brasscher zijn molen toch verkocht te hebben:

"Op 't versoeck van Willem Wilmsz, molenaer op de verste molen (inde 3e molensteeg) off hij dezelve molen sal mogen vercopen om aff te breken dan niet is geresolveert dat alsoe hem geconsenteert es soe veel loons van maelen als andere molenaers, dat deselve molen sal blijven staen".

dd 10 april 1612:

"Op 't versoeck van Meijndert Jelisz molenaer omme zijn molen te versetten opt blockhuijs (naast de noorderpeert) aent eynde van Kuyten lijnbaen is geresolveert dat hij zijn coornmolen op 't Voorz blockhuys sal mogen stellen.

Dat gaat waarschijnlijk niet door want op 5 april 1615 noteert men 't volgende:



"Op 't versoeuckers vande mollenaers omme haere molens te stellen, dat eene bij de suyderpoort ende dander bij de noorderpoort is geresol­veert dat de molenaers haer molens sullen mogen versetten volgende haer versoeck mits dat de borgerije geen wet gestelt sal werden vant coorn ende dat ijder borger daerinne sal mogen doen omme sijn coorn ter molen te brengen, soe het haer believen sal".

Zo kwamen de molens bij de poorten te staan!


Op weg naar de noorderpoort wordt nog de Arent Engelssteech (4) genoemd (nog wel eens Hardt Engelssteech geschreven door de in Monnickendam uitgesproken H voor een klinker).
Nu we de noorderpoort naderen moet ik ineens aan de jaarmarkt of kermis denken. Op 't noordeinde mochten de cramers hun stal neerzetten zonder huur te betalen. Voor 't eerst in december 1592 lees ik in de resolutie boeken (die vanaf 1578 ononder­broken werden bijgehouden) iets over de jaarmarkt:

dd 29 augustus 1594:

"Is mede geresolveert dat de cramers die op onse jaarmarkt sullen compareren haere vrije wille sullen laeten behouden off sij op den Dam om gelt ofte int noorteijnde om niet sul len staen ende geen cramers naerder aen de regel (stoep­rand) vande straet staen dan op vier voeten".

dd 9 augustus 1595:



"Dat Jan Willemsz Lap en Mr. Jan Buijes (stadstesoriers) hare rekenin­ge sullen doen op dingesdach voor de marct als wesende St. Onthooffdingedach"

Een reden om aan te nemen dat dit de 29e augustus zou zijn kan worden afgeleid uit de resolutie van 9 augustus 1610, waarin medegedeeld wordt:

"Tot Auditeurs (controleurs) over de stadtsrekeningen zijn geeligeert Claes Reijnsz, Jan Wilmsz Lap ende Jacob Kuyt ende sal de dach van rekeninge gescheijden op dingesdach voor onse aenstaende jaermarct als wesende den Letsten augusti 1610”.

Nagerekend bleek de 31e augustus 1610 op dinsdag te vallen, dus de jaar­markt of kermis werd in de eerste volle week van september gehouden.


Uit 't boekje van de Heer Veltrop "Herinneringen aan oud-Monnickendam" blijkt dat later in augustus kermis werd gevierd.

Uit de resolutie van 10 april 1612 blijkt dat er nog 'n markt­dag te Monnickendam gehouden werd; namenlijk de "kruismarkt".



"Is mede geresolveert dat onse Cruijsmarct verandert sal werden op woensdach voor meije 't welck voortaan alle jaere tenselven dage achtervolcht ende onderhouden sal werden".

Aan de westzijde van 't Noordeinde stonden in 't jaar 1572 92 huizen (incl. 18 huizen en 3 molens in de zijstraten). U kunt 't natellen op 't kaartje.

Aan de oostzijde van 't Noordeinde stonden 171 huizen (incl. 49 huizen op de haven en 45 in de zijstraten).

De westzijde werd "binnendijks" genoemd, de oostzijde "buitendijks".

De inner van de verpondingsgelden ging op zijn terugtocht 't Noordeinde niet geheel af tot de Dam.

Nadat hij de Moortsteegh (5) en de Grietscheeljannensteegh (6) afgewerkt had ging hij door de Oude steech (8) naar de Haven.

Hier begon hij in 't Noorden en na 12 huizen werd de helling van Isbrant Heymsz Bestevaer bereikt. Na nog 9 huizen volgde de helling van Claes Aeriaensz. Een huis verder lag de Jaep Kuytensteech (7). Deze blijkt volgens de kaart van Jacob van Deventer niet naar het Noordeinde door te lopen.
Na de Oude steech (8) overgeslagen te hebben (daar was hij al geweest) liep hij de Jans Florensteech (9) in. De Jan Florensteech is de huidige Brug­straat (vroeger de lange brugsteeg). Dit straatje had volgens Jacob van Deventer nog geen verbinding met 't Nooreinde, zoals hij tegenwoordig daar op tegenover de Molenstraat (2e Molensteeg) uitkomt. vandaar het bezoek vanaf de Haven.

Het Jannevaersteegje (10) vinden we 8 huizen verder genoemd naar 'n bekend Monnickendams burgemeester die voor 1560 overleed.

Had de belastinginner de gehele haven tot de Dam afgelopen dan vervolgde hij pas zijn route in 't Noordeinde.

Hij begon dan op de zuidelijke hoek van de Oude steeg (8) en bereikte na 17 huizen de "Nijeuwe Steech (11). Nu wordt duidelijk dat er tussen deze twee stegen eerder geen doorgang was; na de oude kwam de nieuwe steeg.


Na de Nieuwe steeg bleek in 't Noordeinde nog 'n steeg te lig gen: tussen 't laatste woonhuis en 't stadhuis lag de Willem Lappensteech (12) waarvan nu niets meer te vinden is. Willem Pietersz Lap, die in 't tweede huis aan de westzijde van 't Noor­deinde in eigendom had, woonde precies tegenover de steeg waarin hij nog 'n paar huisjes bezat. Waarschijnlijk stonden de huizen in de Willem Lappensteech alle aan de noorderlijke zijde van 't straatje, zodat men vanuit deze huizen uitkeek op de zijkant van 't stadhuis.
Bij de beschrijving van 't toenmalige stadhuis ga ik van de veronderstel­ling uit, dat dit gebouw de voormalige bagijnenkerk was, doch daarop kom ik aan 't einde van mijn verhaal terug.

Deze mening wordt versterkt door de resoluties, die genomen worden om het gebouw na 1572 beter in te richten en aan de buitenzijde te verfraaien.

Op 29 augustus 1581 wordt door de Vroetschap de volgende beslissing genomen:

"Is geresolveert, dat men 't stathuys sal opruymen ende bequaem maecken om savonts te gaan wanderen (wandelen) ende oock eene bequaeme weeskamer ende oock eene schepencaemer, daer de jegenwoordige schepen­caemer (waar) nijet secreet en is ende schepenen van een ijder beluys­tert werden".

Op 23 augustus 1584 wordt dit nog eens bevestigd:

"Is geordonneert bijde Vroetschappe voirsz, dat de Burgemeesteren 't stadthuys sullen laeten opclaeren ende die zijde langs met bancken te maecken om op te sitten ende voort bequaem ende effen te maecken om de bergers daer inne te mogen wandelen". Zou er in die jaren niets aan gebeurd zijn?

Op 12 maart 1592 wordt 't volgende gemeld:

"Belangende de gevel van 't stadhuys is geresolveert dat Burgemeeste­ren 't bovenste van de gevel sullen mogen laten vermaecken soe verde als de noot sal vereijsschen". Ook de schepenkamer is kennelijk klaargekomen:

Op 17 augustus 1592 wordt geresolveerd:

"dat men de Baliuw sal verwittigen zijn "Banck van Schepe­nen" te hebben teneijnde recht ende justitie geadminis­treert mach werden".

Je vraagt je af of er voordien dan geen recht gesproken werd door schepe­nen. In ieder geval als 't 'n enkele maal gebeurde schijnt 't allerbelabberdst geweest te zijn.

Op 17 october 1593 wordt gezegd:

"dat er dagelijcx clachten vallen van datter geen recht bij schepenen gehouden is geweest sedert Laurenty verleden (10 augustus 1593) tot deser tijt toe tot groote oneere vande justitie.

Is geresolveert dat Schout, Burgemeesteren ende Schepenen metten anderen een wilkeur sullen maecken omme de onwilligen Schepen te constringeren te sitten op sekere boeten ten behoeve vande compareren­de schepenen te verbeuren opdat on ser stede met goet recht ende justitie mach bedient worden als naer behooren".

Dit wordt pas bevestigd op de 1e januari 1594



"Alsoo alsnoch bij schepenen geen borger recht gehouden en wert ende alsnoch geen recht begeeren te sitten hen ter tijt toe dat Reijn Jansz de zevende schepen mede compareert ende recht sit ende tselve in voicatie (dagvaarding) vande vroetschappen geleijt. Is geresolveert dat de ses schepenen over de onwillige schepenen sullen sitten ende wijsen ende dat voorts Schout, Burgemeesteren ende Schepenen sekere wil keure metten anderen sullen maecken, dat alle weke recht ge houden werde op de boete van thijn stuivers bijde absente schepenen te verbeuren ten proffijte van de compareren­de".

In 'n beschrijving van de speeltoren wordt in "De monumenten van ges­chiedenis en kunst in Waterland en omgeving" gezegd:

"De toren blijkt deel uitgemaakt te hebben van een georiënteerd (in overeenstemming gericht) gebouw, een kerk dus hoogstwaarschijnlijk, die echter reeds in de tijd van Jacob van Deventer verdwenen was, want op diens cartonkaart van de stad staat op de plaats van de speeltoren een gebouw als "civita domus").
Op de kaart van Frederik de Wit van plm. 1680 staat 'n selfde kerkachtig gebouw met "dakruiter" zoals de grote kerk dit tegenwoordig ook weer heeft. Ik veronderstel juist 't omgekeerde: de kerk is blijven staan, doch de toren heeft men afgebroken. Waar stond deze toren?

Op 26 juli 1615

versoucken die van Holisloot omme te hebben het clockgen dat achter het stadthuys is staende, geresolveert is dat men de saecke alsnoch in surcheantie te sullen houden omme bijde stadt te laeten blijven".

Op 13 october 1615 wordt:



"opt versoeck van die van Vuytdam (Uitdam) omme het clockgen te hebben in coope alst de stede betaelt heeft; geresolveert dat men 't selve bijede stadt sullen houden sonder te vercopen".

Op 26 january 1586 wordt de wens geuit:

"Oft niet geraden en is een nieu vuijrwerck (uurwerk) met een ander clock te coopen en de doen maecken dan niet. Es bijde meerderstemmen de voirsz vroetschappen geresolveert, dat sij tselve mede voor goet insien ende dat Burgemeeste­ren sullen tselve vervorderen ende maecken laeten".

Was dit voor de oude toren of de dakruiter?

Uit de volgende resolutie meen ik te mogen concluderen dat niet 'n oude kerktoren werd opgeknapt, doch 'n geheel nieuwe toren (de Huidige speel­toren) op de hoek van de Middeldam en Noordeinde werd gebouwd.

Op 17 december 1589 wordt genotuleerd:



"dat men eerstdaechs sullen vervorderen omme een nieuwe toorn ende uijrwerck te maecken ende dat de penningen daartoe noodigh, genomen sullen werden vuijt de geestelijke (ex Rooms Katholieke ) goederen".

Op 20 mei 1590:

"Is ten leste geresolveert, dat men eenige abdij"- ende geestelijke landen sullen vercopen tot nootelijke costen ende volmaeckinge vanden nieuwen toorn".

dd 30 october 1590:

"Wert Jan Jansz Brasscher gecommitteert beneffens de Burgemeesters omme Fabrijckmr (stadsarchitect) te wesen ender goede opsicht besteden ende opt werck van onser stede nieuwe toorn".

dd 25 november 1590 wordt besloten dat

"Burgemeesteren met de Mr. Timmerman vande toorn als oock met Mr. Hans elcx op sijne besteck heur werck bijden hoope sullen besteden ende opt werck van onser stede nieuwe toorn".

Op 6 januari 1591:

"Wert geresolveert, dat Burgemeesteren het land tot Wester­blocker gelegen sullen mogen vercopen ten behoeve van onse nieuwe toorn op alsulcken prijse als zij met den cooper sullen cunnen accorderen".

Over 't uurwerk en de klokken vond ik 't volgende:

Op 15 juni schrijft men:

"Opde andieninge (aanbod) van een hoorlogie ofte voorslagh (uurwerk) tot Schoonhoven is geresolveert, dat Burgemeesteren 't selve werck sullen besichtigen, mits met hun nemende eenige personen, die hem twerck es verstaende".

dd 21 juli 1592:

"Dat Burgemeesteren eerstdaegs sullen reijsen tot Delft ende versouck doen hoet met het Vuyrwerk staet, mitsdijen de Mr. vandijen overleden es ende bevorderen, dat het werck bij de beste Mr. dien zij weten, sullen te gecrijgen".

dd 11 januari 1595 wordt bekend:

"Dat Burgemeesteren tot Utrecht sullen reijsen omme te vervorderen, dat de toonclockges gegoten ende herwaerts mogen comen met hun nemende 't accoort met Thomas Bot (de klokkengieter van de grote uurklok Ao 1591) gemaeckt".)

Tot nu toe veronderstelde ik, dat de bouw van de speeltoren een van de uitingen was van de grote welvaart, die Monnickendam in de negentiger jaren beleefde. Nee, uit alles blijkt dat 't helemaal geen vetpot was!

Aan 't stadhuis werd alleen 't noodzakelijkste opgeknapt en de speeltoren kon alleen worden gebouwd door de uitverkoop der geestelijke goederen van de uitgeschakelde Roomskatholieke kerk.

Overigens in 1615 aan 't begin van de gouden eeuw was 't kennelijk hope­loos.

Op 5 december 12615:

"wert geresolveert, dat men met Hoorn en andere steden omme doleantie sal versoeuken over haer verpondinge, vermits wij onse groote zeevaert guijt sijn, de timmeragye teniet, de hellinghen gants vergaen, de lijnbanen affgebroken ende bij naest teniet ende dat meer is".


Aan de Middeldam staan kennelijk behalve "de Wage, toecomende den armen tot Monnickendam" geen huizen aan de noordzijde. Overigens stond deze waag er al in 1561 voor zover ik kan nagaan. Het huidige gebouw moet van plm. 1650 dateren.

We komen nu op 't Zuideinde. Op 't eerste rijtje aan de noordzijde (de buijtendijkszijde) tot de Grootenoort (13) vinden we zeven huizen; tegen­woordig staan er slechts vijf. Het eerste huis aan de Damsluis staat kennelijk te dicht bij de Haven.

Op 28 juni 1594 wordt vermeld:

"Alsoe Arent Dircxz hem zeer clachtich maeckt aende Burgemeesteren der stede Monnickendam, hoe dat hij zijn huis moet inhaelen ende affbreken tot sijnder groote schade ende derhalve niet van vermogen en is 't selve huijs te mogen affbrecken ende weder te bouwen als naerbehoo­ren".

't Gevolg is, dat de stad zijn huis koopt en 't af laat bre­ken.
In de Grootenoord (13) woonde in 't huis met C aangeduid Cornelis Dircxz Admirael, die op 12 october 1573 de Spaanse vloot op de Zuiderzee ver­nietigde en de Stadhouder van Holland, de graaf van Bossu, gevangen nam. U kunt 't allemaal in mijn reeds eerder genoemde boekje lezen.
Wat u misschien nog niet wist is:

dat op 14 augustus 1594 geresolveert wert:

"dat zijne Excellentie den Prince Mauritius hier testede dal comen ten huijse van Admiraels' kinderen ende aldaer sal logeren. "t Selve huijs sal daerop worden toegerust".

Ik denk dat de familie Admirael toen al op de Middeldam woonde. Hoe 't ook zij, de Prins was Cornelis Dircxz niet vergeten, hoewel deze reeds in 1583 overleed.


Een zijstraat in de Grootenoord heet de Tonnensteegh (14) en ontstond eerst tussen de jaren 1560 en 1570.

Aan 't eind van de Grootenoord vinden we de timmerwerf van Jan Claesz.

Op 9 augustus 1590 wordt vermeld:

"Opt versouck vande timmerluijdens-requeste omme vrijheijt te hebben opt erve in 't Proyen (eind Grootenoord) een loodsije op stadtscosten te mogen maecken ende voorts haer bier opt werck drinckende vrij te hebben sonder eenige acchijns te betalen. Is geresolveert, dat men haer een ander erffve sullen doen met een cleijn loodsije op stadts­costen ende het bier, dat op haer timmererve gedroncken sal werden, sal vrij zijn van de stadts-acchijns".


Op 20 september 1594:

"in versouck van sekere Mr. Timmerman van de Rijp ende Gracht (Graft) een erve van de stadt te hebben ende de impost van tdrinckbijer opt werck vrij omme nieuwe buijssen (schepen) opte setten ende te tim­meren".

Op 29 juni 1595 pas hebben:

"Burgemeesteren geresolveert de huysinge van Rijer Jacobs in huijre te houden ende heur beste doen, dat men weder een timmermr op de timmer­werven sullen mogen gecrijgen om nieuwe schepen te maecken".
Van 't Zuideinde kan ik niet meer vermelden dan dat we aan de noord-oost zijde (nog steeds buitendijks) nog de Zuijdteijnder mollensteech (16) vinden en aan de andere zijde 't Achterom (16) en "Pau Cornelisz steech (17) en door de Nijessenoort s­teech (18) en de Nijessenoort (19) komen we aan "'t Pest­huys" met die hogewerff (D) d'welck bewoont wert ende toe­compt den weeskinderen deser stede".

In 1561 blijkt 't nog geen weeshuis te zijn en behoort 't aan de armen.

't wordt dan bewoont door de Proptor (de uitgang op "or" duidt op 'n beroep, maar ik kan de uitdrukking niet thuisbrengen).

Zoals u ziet stond dit "Pesthuijs" op 'n eiland verbonden door 1 brug naar de binnendijkszijde van Zuideinde.

Vele middeleeuwse steden hadden dergelijke pesthuizen om lijders aan besmettelijke ziekten af te zonderen.
De huizen, die op 't eiland staan, zullen er nog niet zolang geleden neergezet zijn, want de pestziekte stak in deze tijd telkens weer de kop op.

Op 22 mei 1589 notuleert men:

"Voorts es goet gedocht bijde voorsz Vroetschappen, datmen voor eerst de gasthuijs vader ende moeder sullen versoucken omme inden weeshuyse te wonen omme goede acht ende toesicht opde weeskinderen te nemen, mits dat men weder een ander inden gasthyse sullen verordineren, doch dat men tselve met bewilliginge ende consente van weesevaders ende armevoich­den sal te wercke leggen".

Op 1 maart 1591 is voorts geresolveert:

"dat alle voichden aver eenige weeskinderen gestelt ende int weesboeck zijn gestelt alle jaer eens sullen dien be hooroijcke rekeninge ten weescamere voor weesmrn ende ten overstaen van de naeste vrunden derselver kinderen ende dat voort aen alle kinderen (wiens) vader ende moeder overleden zijnde terstond bij haere voechden ende naeste vrunden int weesseboecke met haere goederen gestelt sullen werden".

Op de kaart van Jacob van Deventer is nog veel groen (van weiland) te zien op 't Wezen(ei)land.

Derhalve werd op 20 februari 1594 voorgesteld:

"dat Burgemeesteren een nieuwe valbrugh sullen maecken vant Weeselant op de huijsinge vant nieuwe lant".

In dit geval 't Rosendael.

Het huidige weeshuis dateert volgens de gevelankers uit 1638.

Ik vraag mij af of 't geheel nieuw opgetrokken is of dat er zich nog gedeelten in bevinden van 't oude Pesthuis.
We lopen weer naar 't Zuideinde en naderen nu de Damsluis.

Noch 't Sant, noch de fluwelenburchwal worden in het verpondingsregister van 1572 genoemd, Bestond deze burchwal dan nog niet?

In zijn boek "De Witte Vrouw" beschrijft Jan Mens hoe Weintgen Klaasdochter (ook Wendelmoet genaamd) na de grote brand op de 10e juli 1500 (die op 80 huizen na, de gehele stad verwoestte) weer na nieuwjaar 1501 in Monnicken­dam terugkomt na 'n gedwongen verblijf in Amsterdam, omdat ook het huisje van haar ouders verwoest was:

bladzijde 23:

"Welkom in Monnickendam", zei vader; hij legde de loopplank uit en hielp ons aan wal, Moeder en Arnout het eerst. Tesamen liepen wij de Dam over. Er werd druk getimmerd, wij konden elkaar niet verstaan door het lawaai. Mannen sjouwden met balken en binten of trokken aan de hei, er werd gezaagd en gehamerd, op enkele plaatsen tikten metselaars op de steen. etc. etc.

Langs 't Zand kwamen wij aan de Fluwelenburgwal; ook daar werd ge­bouwd, hoewel niet zo druk als aan de Dam.

Wat mij (Weintgen) eensklaps opviel was, dat de bomen ver dwenen waren. Hier en daar stond een geblakerde tronk, die fel afstak tegen het wit van de sneeuw.- En hier zijn we thuis zei vader opeens, zijn stem klonk warm, hij opende de deur van een klein huisje van rode steen en liet moeder voorgaan etc. etc.

Dus ..... Wendelmoet Claesdr woonde op de Fluwelenburgwal !


Jan Mens schreef mij op 5 juli 1956:

"Mijn roman" De witte vrouw" berust eensdeels op werkelijke feiten, zelfs wat de namen betreft, maar de feiten waren, wat Wendelmoet betreft, gelukkig onvolledig. Zo heb ik veel moeten aanvullen met mijn eigen fantasie: ik weet nu waarachtig niet meer wat fictie is en wat waarheid. 't Zand en de Fluwelenburgwal blijken in 't boek 'n fictie te zijn. Zelfs in 1572 was deze burgwal er nog niet en bestond toen uit louter achtererven van de Kerkstraat, die op 't water uitkwamen.


Volgens de kaart van Jacob van Deventer liepen op de gracht achter de oostzijde van de Kerkstraat twee waterwegen uit; een naast de Calversteeg (20) namelijk de Kermergracht en een naast de Schoolsteeg (21) een brede sloot, die niet geheel tot de Kerkstraat reikte. Waar deze waterwegen uitmondden in de gracht (de latere Fluwelenburgwal) lagen nog geen bruggen en kan er dus langs de gracht geen weg gelopen hebben.

Uit de volgende resoluties blijkt dit ook:

"Den 13e januarij 1591 is mede geresolveert, dat men bij provisie een brugge sullen maecken, rechte nevens de Calverteegh (over de Kenne mergracht aan de kant van 't Zand) ende oft mochte gebeuren, dat de erffven ende wallen gevonden werden te straeten, dat men alsdan metter leggen vande selve brugge sullen handelen als nutst en bequaemst voor de stadt bevonden sal werden behoiren".
Resolutie dd 7 februari 1591:

"Op 't versouck van de gebruijren vant Kerckstraet ende Schoolstege omme te hebben een brugge neffens de Schoolsteeghe is geresolveert, dat men de gebruijren, die daerinne geraeckt (geïnteresseerd) zijn, sullen verhoren". Bedoeld wordt hier een brug te maken over reeds genoemde brede sloot.

In vervolg hierop komt op 5 april 1591 nog 'n verzoek binnen:

"Van de gebuijren van de Schoolsteegh (bedoeld wordt Kerk­straat) tot aende Schoolsteegh, omme de achtererven, vande Schoolsteegh (dus 't huidige Zonnepad) tot aende Schoolbrugh te straten; is geresolveert dat vervordert sal werden dat de erven vanden Damsluijs off all van voren in gestraet sullen werden, voor eerst aen de Kennemergracht bij Jan Garbrantsz hoff ende dat gedaen zijnde al voets geduyrende contin­nelijck tot dat alle erffven voort tot de schoolbrugh (hoek Zonnepad- Kerkstraat) toe gemaeckt ende gestraet sull werden, mits dat de stadt den kijsel ende de steen daertoe sal geven." Hier ontstaat dus 't plan om 't Sant, de Fluwelenburgwal en 't Zonnepad aan te leggen en te bestraten.

Op 20 februari 1594 wordt voor 't eerst de naam "'t Zand" genoemd (bij de behandeling van 't weeselant kunt u dit terugvinden). Deze naam is waar­schijnlijk ontstaan door de situatie zoals die jarenlang bestond voordat van enige bestrating sprake kon zijn.

"Op 16 juni 1594 hebben mede geresolveert, dat zij de euse vande bolwercke vande Damsluys tot aende Schoolsteegh niet en cunnen veran­deren dan ingevalle alle die gebeuren metten anderen cunnen van inhalen ende (bedoeld wordt, "vande") vuijtsteken accorderen. sijn wel te vreden datmen haer sulcx toelaeten".

(De eigenaars van de achtererven van de Kerkstraat moeten met elkander overeenkomen 't achterste deel af te staan voor 'n gezamenlijk aan te leggen straat).


Op 14 juli 1594:

"In voicatie vande vroetschappen geleijt zijnde: in wat manieren de stadts kaeijen ende wallen bij de Damsluijs opgevangen ende gemaeckt sullen werden. Is daarop geresolveert dat de wallen buytendijcx bijde Damsluijs met stienwerck opgevangen sullen werden en binnendijcx met hoet­werck".

(Buiten de Damsluis in de Haven worden de kaden of wallen door stenen, binnen de Damsluis aan de kant van 't Zand door hout gesteund).

Op 20 september 1594:

Resolveren de vroetschappen, dat de straet vande Middeldam tot aende Damsluijs verhoocht ende int mits ront (int middenbol) geleijt sal werden. Aen de suijtsijde vande Damsluijs sullen Burgemeesteren de straet mede verhogen soe verde als zij met mijne Heeren vande Gerechte sulcx bevin­den".

dd 13 november 1594:

"Belangende off niet raetsaem is dat men de Damsluijs sal decken met clinckert ende sement, opdat hij langetijt sal mogen geduijren"

Op 18 december 1594 is mede geresolveeert, dat Burgemeesteren de wandelplaets langs ende dwars de Damsluijse sullen laten maecken".


18 jaren later:

"In voicatie geleijt zijnde den 29 januari 1612 off niet geraden soude wesen, dat men alle de lege erffven van de Corffmakershuijs (hoek Middeldam-Zand) off opt Zant tot aende Schoolsteegh toe met nieuwe huijsen soude voorsijen ende verbeteren, is bij vroetschappen geresol­veert, datmen vande Corffmakers huijs aff tot de Schoolsteegh toe een eenparige affteijckeninge sal doen van de erffven ende plaetsen, die niet betimmert en zijn ofte met schuijr be set. Dat men deselve sullen betimmeren inde tijt van twee jaeren ende wie hem beswaert vint off 't selve niet vermach te doen ende dat Burgemeesteren de eijgenaers bij heur sullen ontbieden ende dat zij datelijck antweert stellen ende bijde secretaris geannoteert sal werden end soe yemant anderssins oock in sijn gerechticheijt vercort wert, dat men de selve sullen helpen tot haer gerechticheijt".

Is geresolveert den 22 februari 1612 op de betimmeringe vande erffven ende oude schuijren vande Dam tot aen de Schoolsteegh, dat Burgemees­teren de luijden vande erffven bij haer ontbieden sullen ende de verclaerden wel te willen timmeren, dat zij 't selve sullen onder­teijckenen ende ingevalle zij langer wachten met timmeren als de verordineerde twee jaeren, dat Burgemeesteren alsdan deselve erffven in cope sullen nemen tot goede mannen seggen dat zij drie jaeren daernaer met de betalinge sullen moeten parenteren".
2 jaren later:

Op 12 januari 1614: "Hebben vroetschappen geresolveert, dat de geene die onwilligh zijn haere nieuwe huijsen te timmeren, dat die selve daertoe met 't Gerecht daertoe sullen geconstringeert werden".

dd 6 september 1615:

"Burgemeesteren sullen met schepenen een keur maecken, dat ter een nieuwe straet geleyt sal werden van 't breggetgen van de Calversloot (Kennemergracht) tot aende Schoolsteegh toe, mits d'eygenaers vant arbeytsloon ontlast sullen werden”.
Na 25 jaren plannen gemaakt te hebben zal de Fluwelenburgwal er nu ein­delijk komen.

Nu wordt ook duidelijk dat de naam Fluwelenburgwal in deze tijd niet ontstond.

De burgwal kreeg pas deze naam aan 't eind van de 17e of in 't begin van de 18e eeuw toen de sijdeverwers Adriaen Appel en Bruijning Karmelck en de lakenverkoper Pieter Mostert zich op 't Zand vestigden.

Dit moet voor de Monnickendammers aanleiding zijn geweest de burgwal te noemen naar 't produkt, dat er geverfd en verhandeld werd. Maar daarover later.


DEEL II

De onderwerpen in 't tweede deel van mijn verhaal zijn:


a de lakenhandel
b de stenenbrug en de herberg in de Kerkstraat
c 't Doelenpas en de oprichting van de schutterij
d 't Zarken en de huizen van de Baljuw en de Schout
e 't Convent van Mariëngaarde en 't oude mannetjes en vrouwenhuis
f de Parochiekerk en 'n jaarlijkse gebeurtenis op 't koor
g van mennisten, predesinatie en 'n hardnekkig sprookje over 'n kapelaan
h van burgemeesters benoemingen
i van munt en 't ijken
j van 't buitengebeuren: de tollen van Campen en Deventer

de komst van de Armada


k van de ijdelheid van de Monnickendammer Vroetschappen t.o.v­. 'n drukker
l en ten slotte de keur op 't ijsbijten en de ontdekking van de bagijnekerk



De database wordt beschermd door het auteursrecht ©opleid.info 2017
stuur bericht

    Hoofdpagina