Een wettige vraag



Dovnload 71.62 Kb.
Datum25.07.2016
Grootte71.62 Kb.
Wie was Jezus werkelijk?

(Jezus in het Nieuwtestamentisch onderzoek) 1

Een wettige vraag

De vraag naar de historische Jezus is reeds twintig eeuwen lang een kernvraag. Geen wonder, want het antwoord op die vraag is van existentiëel belang voor het christelijk geloof, voor de theologie, voor de kerk, voor het dogma en het getuigenis van de kerk naar buiten toe.


Met het ‘dat’ en het ‘hoe’ van Jezus van Nazareth staat of valt in elk geval de gereformeerde theologie-beoefening, omdat deze gebaseerd is op het historisch heilshandelen van God. Met andere woorden: het is niet maar een academische vraag. Het is een zaak van ‘be or not to be’. 1.2
De vraag naar de historische Jezus is ook een vraag van blijvende actualiteit. De historische verschijning van Jezus, ons beschreven door vier Evangeliën, blijft ons uitnodigen tot een grondiger en - voor het geloof - steeds dieper verstaan. Wie komt er ooit in Hem uitgestudeerd?
Het is ook niet zo, dat er werkelijk uitputtend over Jezus is geschreven in het Nieuwe Testament. Wat wij daaruit aan de weet komen, is genoeg om in Hem te geloven als onze persoonlijke Zaligmaker. Maar als de evangelist Johannes zegt, dat de wereld te klein zou zijn om de boeken te bevatten, wanneer werkelijk alles over Jezus te boek zou zijn gesteld (Joh.20:30v; 21:25), wordt daardoor toch ook onze nieuwsgierig-heid gewekt. Wat is er wellicht nog meer te zeggen dan wat er tot nu toe gezegd is over Hem? En wat is er nog meer aan ‘nieuws’ te beleven?
De vraag naar de historische Jezus is ook een blijvend wettige vraag, omdat er in de loop der eeuwen vele Jezusbeelden zijn ontstaan, die gestempeld zijn door de traditie, door de kerkleer, door de theologische wetenschap (het wetenschappelijk onderzoek) met alle mogelijke en onmogelijke vertekeningen daarin, met vele aanvechtingen daaraan verbonden ook. Daarom kan de vraag nooit verstommen: Wie was Jezus echt? En wat moet er op basis van de bronnen aan ons traditionele Jezusbeeld wellicht bijgesteld worden?
Kan de wetenschap ons helpen om twintig eeuwen te overbruggen en tijdgenoot ven Jezus te worden? Moeten wij met K. Berger (voor wiens boek: Wie was Jezus werkelijk? ik in deze lezing veel aandacht zal vragen) bij voorbaat ‘kritisch’ staan tegenover de stroom van boeken over Jezus (vandaag), die allemaal een nieuwe en moderne Jezus willen aanbieden (Jezus als sociale hervormer, als filosofische maatschappijcriticus en als boerenrevolutionair). Zijn deze Jezusbeelden, zoals Berger meent slechts ‘spiegelbeeld van de eigen onvervulde wensen en verlangens’ van deze theologen (blz. 9)?
Waar staan wij in dit wetenschappelijk geding? Zijn ‘universiteiten wellicht slachthuizen van menselijke zielen’ (Theo Kunst)? Het lijkt me goed, dat ik probeer in deze zaken enige helderheid te verschaffen. Te meer, omdat ik me realiseer te maken te hebben met mensen die straks in de kerk zullen dienen als verbi divini ministri (dienaren van het Goddelijk Woord).

Inventarisatie van vragen

Ik begin met een kleine inventarisatie van vragen. In het wetenschappelijk onderzoek naar de historische Jezus komen steeds de volgende vragen aan de orde (cirkelend om de vraag naar onze omgang met de bronnen):





  • hoe zijn de Evangeliën ontstaan? Hoe zijn ze in de canon gekomen?

  • wat is hun historische betrouwbaarheid?

  • in welk opzicht en in welke mate zijn zij (latere) interpretatie/ inkleuring van (heils-)feiten?

  • welke waarde moet worden toegekend aan contemporaine stemmen, vooral ook van het intertestamentaire Jodendom; van Qumran; Josephus; apocriefen van 2e eeuw)? Moet naar de betekenis van Jezus gezocht worden tegen de achtergrond daarvan? Was Hij een Farizeeër van een bepaald soort? Is Johannes de Doper Zijn de sleutel tot het verstaan van Jezus? (van Bruggen)? 2.

  • hoe kan Jezus Zichzelf hebben verstaan? Zijn Messiaanse titels als Zoon des Mensen, Zoon van God meer geloofsbelijdenissen van de vroege kerk dan zelfgetuigenis van Jezus? Zijn bijvoorbeeld de zogenaamde indirecte christolo-gische getuigenissen als ‘amen, amen, zeg Ik u’ reeds bewijs van Jezus’ Goddelijke almacht? (I. Howard Marshall). 3.



Selectie en beperking

Heel dit vragencomplex lijkt een ‘mer à boire’. Om er enigszins in thuis te geraken, kan men wellicht het beste een illustratie kiezen uit de wereld van wetenschappelijke onderzoekers op dit terrein. Uiter-aard is dat dan een selectie. En het is sterk beperkend. Maar bij wijze van introductie in de vragen kies ik daarvoor.


Uit het Nieuwtestamentisch onderzoek van onze tijd vraag ik dan bij deze uw aandacht voor Klaus Berger, Wie was Jezus werkelijk? 4.
Ik volsta met zo uitvoerig mogelijk zijn positie als Nieuwtestamenticus te beschrijven om daarna mijn visie op zijn manier van doen te geven. Berger is een toonaangevend Nieuwtestamenticus, in het begin van de zeventiger jaren universitair docent te Leiden, later hoogleraar Nieuwe Testament te Heidelberg.
Aanvankelijk was ik van plan om ook E. P. Sanders, Jezus, mythe en werkelijkheid 5. de revue te laten passeren. Maar ik ben daarvan afgestapt. Ik sta vierkant tegenover deze wetenschapper. Ik vind ook, dat deze internationaal gerenommeerde wetenschap-per niemand echt verder helpt. De resultaten van zijn onderzoek zijn gebaseerd op door hem geopperde waarschijnlijkheden (‘hypothesen’). 6. Deze weg moeten wij mijns inziens verlaten. Ze is ‘onbegaan- baar.’ Wie daarmee wil leven, moet dat doen. Ik kan het niet. Ik wens mijn geloof ook niet te baseren op privé-meningen. 3
Bij nader inzien leek het mij zinvoller om met elkaar van gedachten te wisselen over de methode en visie van K. Berger. Het kon wel eens zijn, dat deze wetenschapper ons een alternatieve benadering aanreikt, die ook onder velen aandacht zal trekken en ons meer zal aanspreken dan die van Sanders. Hij daagt ons in elk geval meer uit, omdat hij geen methodische twijfel aan de dag legt met betrekking tot de betrouwbaarheid van de vier Evangeliën.
In het jongste boek van J.van Bruggen, Het Evangelie van Gods Zoon (zie aantekening 2), vindt u naar mijn inzicht een methode en werkwijze aangereikt die verreweg te verkiezen is boven die van Sanders en ook boven die van Berger. Ook daarop ga ik echter thans verder niet in. Nogmaals, ik richt mijn aandacht op de publicatie van Berger en wil onderweg gaarne ingaan op de vragen die mij door het bestuur van de GTSV Voetius zijn gesteld.
Een opleving van het onderzoek naar de historische Jezus?
Vooraf de vraag: waar komt de opleving van het onderzoek naar de historische Jezus nu eigenlijk precies vandaan? Ik wil daar vier dingen over zeggen.4
1) Vóór de 18e eeuw (‘Aufklärung’) hield men zich in kerk en theologie in het algemeen niet bezig met historisch-kritisch Bijbelonderzoek. De historische betrouwbaarheid van de Bijbelse gegevens was algemeen aanvaard. Vooral het gereformeerde Schriftgeloof verbood een methodische twijfel daaraan. Het was bovendien voor dat Schriftgeloof van fundamenteel belang de boodschap van de Schrift in historische gebeurtenissen verankerd te zien (Jeruzalem en Rome liggen op de aarde en Gods openbaring is bepaald meer dan een bundel geloofsvisies, c.q. geloofservaringen van vroegere geslachten).

Nog steeds gaat de gereformeerde theologie ervan uit, dat de Evangeliën zich wel degelijk lenen voor een reconstructie van ‘das Leben Jesu’, c.q. van die historische Jezus Wiens woorden en daden als de Gezondene des Vaders voor het geloof van we- zensbelang zijn. Met een ‘kerugmatische’ Christus kan het ware geloof niet leven, omdat dat geloof niet gegrond wil zijn in een boodschap die als een Griekse ideeënwereld in de lucht hangt.

2) Het historisch-kritisch onderzoek van de Evangeliën (met methodische twijfel aan de betrouwbaarheid daarvan) komt op in de 18e eeuw en wil de Bijbel in het raam van geschiedvorsing bestuderen net als elk ander literair product. Filologen leggen nadruk op tekstkritiek, taalstudie en vergelijking met contemporaine Joodse en Hellenistische bronnen.

Bovendien komt - mede door koloniale expansie, opgravingen en materiaal uit Joodse ghetto's - de vergelijkende godsdienstwetenschap in die tijd met verregaande parallellen in oosterse religies die de gedachte doet opkomen van afhankelijkheid van de Joodse en christelijke godsdienst daarvan (de godsdiensthistorische methode van Bijbelonderzoek).


Naast de literaire methode van Bijbelonderzoek ontstaan later ook andere methoden als ‘Formgeschichte’, ’Redactionsgeschichte’ en struc-tuuranalyse. 7.
Intussen bracht dit historisch-kritisch onderzoek van de Bijbel wel heel wat belangrijk materiaal op tafel, waardoor op het ontstaan van de geschriften van de Bijbel en wat betreft het Nieuwe Testament op de intertestamentaire, Joodse en hellenistische context van het in de Bijbel verhaalde een bijzonder licht kwam te vallen. Dat contemporaine geschriften (Josephus b.v.) en ook (overigens vaak fantastische) apocriefen van het Nieuwe Testament uit de tweede eeuw aanvullende informatie over Jezus kunnen geven, mag niet bij voorbaat worden miskend.
Gelet op de typisch gereformeerde instelling, dat het geloof, het dogma en de prediking nooit los van die historische context gezien mogen worden, zijn de resultaten van het historisch-kritisch onderzoek niet zonder meer te veronachtzamen. Wij kunnen niet net doen, alsof onze neus bloedt. Bovendien zijn heilsfeiten alleen maar heilsfeiten, als ze historisch gefundeerd zijn.
3) Inmiddels is er, doordat het historisch-kritisch Bijbelonderzoek het in het kerkelijk dogma verwoorde Godsbeeld en Jezusbeeld vaak op losse schroeven zette, veel theologische verwarring en homiletische verlegenheid ontstaan. K. Barth en de Amsterdamse school o.a. probeerden en proberen daar bovenuit te komen, door alle nadruk te leggen op de boodschap van de Schrift (met honorering overigens van de resultaten van het historisch-kritisch Bijbelonder-zoek). 8.
4) Wij zullen er rekening mee moeten houden, dat de belangstelling voor ‘religie’ en ook voor de historische figuur van Jezus van Nazareth in onze dagen eerder toeneemt dan afneemt. De moderne mens in een multireligieuze samenleving als die van het Westen (met andere religies vlakbij) is religieuzer dan menigeen denkt en houdt zich meer dan te voren bezig met thema’s als geloof, dood en liefde, met zingevingsvragen, met een mogelijk herstel van normen en waarden, met de betekenis van rituelen (meer houvast) (‘inloggen op het hemelse netwerk’). De leegte is met handen te tasten. ‘Geloven mag weer.’
Ik ga er vooreerst vanuit, dat Godsbeelden en Jezus-beelden, zoals deze geschetst worden op basis van historisch-kritisch Bijbelonderzoek, maar ook die Godsbeelden en Jezusbeelden die gebaseerd zijn op het geloof in de historische betrouwbaarheid van de Schrift (K. Berger), mogen rekenen op aandacht van de kant van die op ‘ervaring’ ingestelde moderne mens.
Het Jezusbeeld van Klaus Berger
Ik wil nu enigermate breedvoerig de belangrijkste punten uit het onderzoek van Berger naar de historische Jezus noemen.
Wie was Jezus werkelijk? Een titel die pretendeert, dat het de auteur gaat om de historische Jezus Die tegelijk ook de Jezus moet zijn van het christelijk geloof en getuigenis na Pasen.
Vooropgesteld dient te worden, dat Berger - tegen de stroom van het moderne wetenschappelijke Bijbelon-derzoek in - zijn Jezusbeeld niet gebaseerd wil hebben op vooronderstellingen van historische kritiek.

Hij gaat kennelijk uit van de (historische) betrouwbaarheid van de primaire bronnen, c.q. de Evangeliën. Zijn methode is niet die van methodische twijfel aan die betrouwbaarheid.


Zelfs het Evangelie naar Johannes dat bijvoorbeeld bij Sanders het meest in aanmerking komt als een Evangelie met een theologisch sterk ingekleurde bewerking van de historische gegevens uit later tijd, wordt door Berger gewaardeerd als ongeveer even oud als het Evangelie naar Markus (in ieder geval voor 70 nChr.) en historisch even betrouwbaar (blz. 23).
Berger gaat ervan uit, dat er geen reden is om te denken, dat de eerste getuigen bedriegers waren (blz. 220). 9. Hij maakt geen onderscheid tussen de ‘historische Jezus vóór Pasen en de Christus van het geloof ná Pasen’ (blz. 17). Bovendien wil hij het natuurwetenschappelijk niet verklaarbare niet voor onmogelijk gehouden hebben.
Dit houdt voor Berger echter niet in, dat de Evangeliën een afgerond beeld van Jezus geven. We vinden hier een open mozaïek. Er blijven genoeg vragen over, waarop we geen antwoord krijgen. Het moet ook niet uitgesloten worden geacht, dat de apocriefe Evangeliën (goeddeels uit de tweede eeuw n.Chr.) met hun grote nadruk op de menselijkheid van Jezus ons op belangrijke punten aanvullende en betrouwbare informatie geven met betrekking tot het historische Jezusbeeld (blz. 160). 10.
Zo bijvoorbeeld een woord uit het Filippus-evangelie dat het volgende woord van Jezus aanhaalt, beschrijvend de waarde van de kinderen Gods in Gods ogen: ‘Als een parel in de modder wordt gegooid, wordt zij niet minder waard en ook zal zij niet (pas) waardevoller worden, als zij met balsemolie is gezalfd’ (blz. 172). 11.
Welnu, wie was Jezus werkelijk? Berger zegt daarover het volgende. Ik heb zijn visie puntsgewijs geordend.
1) Jezus is wijsheidsleraar; zijn wijsheid is in vergelijking met die van de Spreuken van Salomo en van Jezus Sirach uiterst realistisch (blz. 105). Hij brengt geen moraalleer in de gebruikelijke zin van het woord. Hij ‘toont een uitgesproken gevoel voor het groteske en zodoende een eigenaardige humor’ (blz. 53). Hij speelt vaak in op de actualiteit, de reclame en heeft ‘een duidelijk gevoel voor het effect en de publiciteit van schanddaden’ (blz. 53). Hij kiest in een ‘ergerniswekkend optreden’ de zijde van hoeren en tollenaren. Voor hen is Zijn woord in het bijzonder genezende scheppingskracht (blz. 149). De maaltijd is voortaan het centrum van het christelijk beleven (blz. 47).

Jezus leverde tenslotte geen sluitende doctrine; Zijn uitspraken lijken soms tegenstrijdig (blz. 19). Hij was zelf bewust ongehuwd (blz. 25vv). 12.


2) Jezus is een radicale wetsleraar Die demonstratief en aanstootgevend en in geen enkel opzicht halfslachtig onderwijs geeft. De ‘religieuze radicaliteit van dit godskind Jezus’ (blz. 97) beoogt een leven, zoals door God in de schepping is bedoeld. Die radicaliteit brengt een omkering van waarden met zich mee. Alles wordt met verloochening van de Mammondienst op één kaart gezet. De mens zal zichzelf moeten opgeven en zich onvoorwaardelijk moeten toewijden aan God Die in alles voor hem zorgt. ‘Als de roeier die met zijn rug naar het doel toe roeit’ (blz. 121). In dit opzicht spoort Jezus geheel met wat de rabbijnen over Mozes hebben verteld. 13.
‘Jezus heeft een antenne voor de gewetenloosheid van het gebruik van macht en de meedogenloosheid, die door de ‘autonomie’ van het kapitaal aan de bezitter, naar het schijnt, wordt opgedrongen.’ (blz. 55).
3) Dit Jezusbeeld brengt met zich mee, dat Jezus niet - zoals in de kerkelijke traditie - antithetisch gesteld kan worden tegenover de wet en het zogenaamde ‘wettische’ Judaïsme. Dit zogenaamde Joodse wetticisme is - volgens Berger - een ‘waanidee’ (blz. 85vv). ‘Wij moeten Jezus proberen te begrijpen op basis van het Jodendom uit die tijd’ (blz. 16; zie ook blz. 88). Jezus ging verder dan de Farizeeër van Zijn dagen. Hij deed er een schepje bovenop. 14.

Het verschil met de Farizeeën is Jezus ‘offensieve reinheid’. Hij was niet tegen de tempel en niet tegen de sabbat (blz. 86vv; 92). Hij wilde een vernieuwde tempel waarin ook heidenen een plaats zouden hebben. Zijn daad van de tempelreiniging moet dus gezien worden als een actie tegen de tempel als zaak van commercie, van winstbejag (blz. 186v).


4) Dit Jezus-beeld nu dat zich aftekent tegen de achtergrond van het Jodendom van Zijn dagen levert een Messiasbeeld van Jezus op dat in principe voor Zijn volksgenoten niet onacceptabel kan worden geacht. Jezus presenteert Zich als een Zoon van God, Messias met een unieke relatie met God de Vader als Gezondene des Vaders in Wie God present is; een unieke plek van Gods tegenwoordigheid. Hij pretendeert echter niet God Zelf te zijn. Met andere woorden: Hij is niet de Zoon in de zin het oud-katholieke credo van Nicea (325 n.Chr.) en van het latere Chalcedon (451 n.Chr.) (blz. 133).
5) De reden voor Zijn afwijzing, c.q. veroordeling tot het kruis is - nog steeds volgens Berger - dit Messiasbewustzijn van Jezus geweest (Gezondene des Vaders te zijn). Hij stelde zich volgens het Joodse sanhedrin in een vermeend mandaat aan als Gezant van God en dat kon worden geïnterpreteerd als godslastering.
6) De betekenis van Jezus’ kruisdood vervolgens heeft voor de eerste christenen hierin gelegen, dat Hij die als enige rechtvaardig is (‘niets op zijn kerfstok heeft, niet verstrikt is in een verstrengeling van belangen’) ten gunste van anderen sterft (Mark. 10:45). ‘Daarmee maakt Hij goed wat ons is mislukt.’
Zo’n rechtvaardige kan als schadeloosstelling voor God gelden; een gedachte die meer voorkomt in het Jodendom. ‘God is over dit plaatsbekledend sterven van Jezus zo enthousiast, dat Hij alle schaduwzijden van de overige mensen kan en wil vergeven’ (blz. 206vv; 211). Tegelijk is het kruis van Golgotha een aantijging aan ons adres. Het laat ons onze wreedheid zien ten opzichte van hen die geen deel hebben aan onze algemene corruptie. Het toont ons in elk geval niet een God die alleen maar door een ‘offer genoegdoening kon krijgen’ (blz. 209).
7) Tenslotte de opstanding. 15. De opstandings-verhalen zijn er niet om feitelijkheden vast te stellen, maar om duidelijk te maken, dat Christus’ volgelingen een opdracht kregen (blz. 217). De opstanding van Jezus hoeft en kan niet bewezen worden. De levende God bewijst zich ermee (blz. 222). De verhalen veronderstellen eenvoudig, dat mensen heilzame ervaringen opdeden (ze zagen Hem) (blz. 218vv ; 220). Of die mensen werkelijk Jezus ook hebben gezien, kunnen we nu niet meer bewijzen noch weerleggen. Het ‘lege graf’ is niet te fotograferen (blz. 228).
Wel kunnen wij soortgelijke ervaringen opdoen met Jezus’ opstanding.

Laten wij op zoek gaan naar resten van de Paaservaring in onze erediensten waarin wij de over-dracht van de Paaservaring vieren (blz. 222v; 226; 228; 231). 16.5



Positiva

Wanneer ik thans overga tot een beoordeling van dit door Berger gegeven Jezusbeeld, wil ik eerst zeggen, dat ons zijn boek, zeker wanneer wij dat leggen naast wetenschappelijke betogen als die van Sanders, weldadig in de oren klinkt. Dat zal ook wel de reden zijn, waarom Bergers geschrift onder ons enkele malen zeer positief in boekbesprekingen is benaderd. 17.


Niettemin voel ik me niet geroepen om de methode en het resultaat van Bergers wetenschappelijk onderzoek als een geschikt alternatief voor schriftkritische verhandelingen bij u aan te bevelen. Ik zou zelfs willen zeggen, dat gereformeerde theologen met Bergers Jezusbeeld op allerlei punten overhoop moeten liggen.

Ik hoop dat aan te tonen. Eerst echter wil ik enkele positieve aandachtspunten noemen, die recht overeind moeten blijven bij alle kritiek die ik zo meteen uit.


1) Berger neemt de ‘primaire bronnen’ (de Evangeliën) hoogst serieus in hun historische betrouwbaarheid (blz. 9). Het is voor hem ‘het basisbestand van datgene wat men ook als niet-christelijke en niet-gelovige historicus als waarschijnlijk kan beschouwen’ (blz. 37).
In zijn vroege datering van het Johannes-evangelie breekt hij zelfs met een oude traditie (blz. 21). Berger gaat er echter tegelijk vanuit, dat er ook andere bronnen zijn (de oudere apocriefe evangeliën o.a.), die aanvullende betrouwbare informatie kunnen geven.
2) Berger poogt ons Jezus ‘life’ te schetsen. Dat wil zeggen, dat hij ons geen afgerond beeld van Jezus meent te kunnen geven. Hij schrijft: ‘Ik heb geen beeld van Jezus’ (blz. 10). Intussen wil hij Hem wel midden in de barre werkelijkheid van het volle leven geplaatst hebben (‘net zo zonderling als een Poolse jood uit de achttiende of negentiende eeuw’) (blz. 10).
Geen rationalistisch Jezusbeeld waarin alles theoretisch en dogmatisch kloppend is gemaakt. Maar een Jezus die aan de ene kant radicaal kritisch staat tegenover de individualistisch/ materialistisch ingestelde moderne mens en anderzijds een Jezus met een boodschap voor deze moderne mens met zijn gevoel voor ervaring (om niet te zeggen: mystiek).
3) Wij hebben in het Jezusbeeld van Berger te maken met een Jezus Die ‘diep in het vlees is getrokken’ (Kohlbrugge). De ‘menselijke’ Jezus die Berger ons toont, is en wordt onder ons niet zelden vergeten ten gunste van een Goddelijke Christus. 18. Bij Berger staat Jezus midden onder Zijn volk en is tegelijk Representant van God; het laatste is voor hem geen resultaat van gemeentevorming na Pasen (blz. 14v).
4) Al te vaak is in de geschiedenis, ook van het gereformeerd protestantisme het Evangelie uitge-speeld tegen de wet, alsof het kruisevangelie de opheffing van de wet zou betekenen en niet juist de bevestiging van de wet. Waarschijnlijk komt dat, omdat wij de conflictverhalen van de Evangeliën (Jezus’ twistgesprekken met de Joodse leidslieden) niet altijd correct hebben geïnterpreteerd en een Jezus hebben gecreëerd ‘die het Jodendom op het punt van de wet uit zijn voegen tilt’ (blz. 14).

Negativa

Maar dan nu mijn bezwaren.


1) Mijn eerste bezwaar is behoorlijk zwaarwegend. Het betreft wat ik zou kunnen noemen de ‘Heimhohlung’ van Jezus. ‘Jezus begrijpen op basis van het Jodendom van die tijd’ (blz. 16). Jezus is bij Berger passend gemaakt binnen het kader van het Judaïsme van Zijn dagen. Berger ontdoet eerst het Judaïsme van het odium van wetticisme en tekent Jezus vervolgens als een ‘herdruk’ van Mozes met alle na-druk op Zijn radicaliteit in Zijn wetsinterpretatie. Jezus gaat verder dan de Farizeeën. ‘Hij berispt (hen) heel scherp, omdat hun rechtvaardigheid aan de oppervlakte blijft en niet de hele mens omvat’ (blz. 40).
Zo kan Jezus gezien worden als een exponent van wat er leefde binnen het Jodendom. Binnen een veelheid aan heilsverwachtingen kent het Jodendom immers ook de figuur van de rechtvaardige die nu eenmaal, omdat hij rechtvaardig is, martelaar wordt. Zo’n Jezus is metterdaad in principe niet onacceptabel voor Zijn Joodse tijdgenoten.
Mijn bezwaren tegen deze stellingname zijn:


  • in heb in principe geen behoefte aan het schetsen van een Jezusbeeld dat perse moet passen binnen het religieuze Jodendom van Jezus’ dagen. Het kan net zo goed zijn, dat Jezus’ optreden daar uitgerekend haaks op heeft gestaan. 19.

  • alle vier de Evangeliën tekenen het optreden van Jezus tegen de achtergrond van het optreden van Johannes de Doper. Terecht zegt daarom van Bruggen, dat het optreden van Jezus - hoezeer het ook gezien kan worden tegen de achtergrond en binnen de context van toenmaals bestaande heilsverwachtingen van het Joodse volk - daaruit niet verklaard kan worden.

Jezus’ verschijning moet gezien worden als de realisering van de door de boeteprediker Johannes de Doper gepredikte komst van het Koninkrijk van God (de komst van God Zelf, vergeving der zonden door het Lam Gods, wedergeboorte door de Geest). Het optreden van de Doper wordt door van Bruggen terecht een ‘revival’ van de Joodse religie genoemd, de spits van het oudtestamentisch profetisch getuigenis. En daar ligt een wezenlijk onderscheid met de wetsreligie van het Farizeïsme. 20.
2) Mijn tweede bezwaar tegen Bergers Jezusbeeld is gelegen in zijn min of meer isolerende en tegelijk open behandeling van de Evangeliën.

Enerzijds isolerend in de zin van: min of meer los van de rest van het Nieuwe Testament; naar ik meen te weinig verbonden met wat wij in de andere geschriften van het Nieuwe Testament omtrent Jezus vinden. Paulus, de brieven aan Hebreeën, Efeze/ Kolossenzen leveren volgens Berger meer aanknopingspunten op voor wat hij noemt ‘vastomlijnde verwachtingen van eeuwenoude vroomheid’ (verlossing door het bloed van Jezus).

Berger schrijft: ‘Wij hebben geprobeerd de teksten op een nieuwe manier te lezen zonder direct vastomlijnde verwachtingen van eeuwenoude vroomheid daarin terug te vinden. Volgens deze vroomheid zijn wij door de dood en het bloed van Jezus verlost’ (blz. 211). 21.
Dit acht ik een gevaarlijke manier van doen. Het is een selectief omgaan met het Schriftgetuigenis. Ik ben benieuwd hoe een boek over de theologie van Paulus van de hand van Berger eruit komt te zien. Heeft de eerste christenheid ons dus toch aan een aantal vertekeningen geholpen?
Anderzijds zijn de contouren van het Jezusbeeld dat Berger ons tekent, opener dan het totaalbeeld van de Evangeliën zelf en vager dan wij op grond daarvan weten. Bergers punt van aanvullende informatie, c.q. bijstelling vanuit de apocriefen (met hun sterke nadruk op de menselijkheid van Jezus) vind ik aanvechtbaar.
Het is niet onmogelijk, dat ons in de apocriefe geschriften dingen omtrent Jezus’ woorden en daden bewaard zijn, die teruggaan op een traditie die historisch betrouwbaar is. Toch heeft reeds de kerk van de tweede eeuw (niet in het minst uit afweer tegen de ketterij (Marcion b.v.) de grenzen van de canon vastgesteld. Bovendien is het canonieke Schriftgetui-genis door Gods Geest Zelf uitgeselecteerd. En het lijkt me wijs, daar niet achter terug te gaan.
3) Mijn derde punt van bezwaar betreft Bergers theologische interpretatie van de gegevens van de Evangeliën. Dit is - voor zover ik zie - een ‘herinterpretatie’ die in verschillende opzichten haaks staat op het oudchristelijk dogma van de triniteit en op het katholieke/ reformatorische dogma van de ‘verzoening door voldoening’ (blz. 209).

Berger interpreteert de (volgens hem) ‘polyinterpre-tabele beelden’ in de Evangeliën (blz. 48) 22. op zijn wijze en ontleent de vrijmoedigheid daartoe aan het feit, dat Jezus nooit tot op de bodem te peilen is (blz. 209). Hij doet geen poging om kerkelijke uitspraken/ geloofsbelijdenissen op de twee genoemde punten te zien als doorvertaling van wat het Nieuwe Testament ons leert inzake de Godheid van Christus (blz. 134v) en inzake de verzoening door het bloed van Christus.


Ik spits dit nu tenslotte toe op de twee genoemde punten.


  • Allereerst de Godheid van Jezus

Nog afgedacht van vele andere nieuwtestamen-tische getuigenissen omtrent de Godheid van Jezus, zijn de Evangeliën bepaald niet onduidelijk op dit punt. Jezus Christus is niet maar een Messias (rechtvaardig en lijdend). Hij is ook niet slechts dé Messias in Wie God present is en die de komst van God Zelf en van Zijn vrederijk op aarde voorbereidt (blz. 132vv).


Zo zou Hij inderdaad passen binnen de eigentijdse Joodse heilsverwachtingen. Maar Jezus Christus is de Vervulling van de oud - profetische belofte omtrent de Heilskoning van de eindtijd in Wie God Zelf op aarde verschijnt. 23. Voor daadwerkelijke verlossing is niets minder nodig dan dat. Het is daarom ook, dat de Evangeliën (Mattheüs vooral) nadruk leggen op zijn geboorte uit de ‘maagd’ Maria.


Zo is Hij bij de doop in de Jordaan (en later ook op de berg der verheerlijking) door de Vader in de hemel als de geliefde Zoon aangewezen en aangeprezen (Matth.3:17; Joh. 1:32vv). Zoon van God niet slechts als uniek mens met een unieke relatie met de Vader. Maar God uit God (Joh.1:1vv; 17:21 o.a.).6


Van Zijn Goddelijke almacht getuigde Zijn woord, als Hij zonden vergaf bijvoorbeeld (Mark.2:5vv).
Daarvan getuigden ook Zijn daden (de daad van de opwekking van doden en de daad van Zijn opstanding uit de doden). 24. Het laatste is bepaald meer dan een gegeven uit de ervaringswereld van volgelingen van Jezus (toen en nu), zoals Berger betoogt. Pasen is een ‘feest, omdat het een feit is’; het is niet slechts ‘een feit, dat het een feest is’. 25.
Van deze uit de dood opgestane God-menselijke Messias getuigen de Evangeliën ook in vele andere Messiaanse titels die Jezus worden gegeven (de ‘Kurios’ - titel b.v.). 26.

Het is om deze ‘pretentie’ van de God-menselijke Messias te zijn, dat Jezus volgens het duidelijke getuigenis van de Evangeliën door het Joodse sanhedrin is veroordeeld om Godslastering.


Berger ziet dit anders. Hij vindt de gedachte, dat Jezus de rechtvaardige was en als zodanig noodzakelijkerwijs - om Zijn onwrikbare trouw aan Zijn opdracht - de marteldood stierf; ‘de sleutel tot het begrip van Jezus’ gehele religieuze betekenis’ (blz. 45). Zo heet Jezus’ kruisdood bij Berger een justitiële schanddaad. Voor de Romeinen was Hij een onruststoker (‘Koning’); het sanhedrin kon Hem niet houden voor de met de Geest vervulde Messias (blz. 195v).
De Godheid van onze Zaligmaker zal - helaas - vooreerst nog wel een discussiepunt blijven onder de theologen. Het is mijn diepe overtuiging, dat in het christelijk getuigenis op dit punt geen water in de wijn kan worden gedaan, ook niet in het gesprek met het Jodendom en de Islam (blz. 134, 166).
b. En dan nu nog het laatste punt: het verzoenend lijden en sterven van onze Zaligmaker.
Het zal waar zijn, dat de Evangeliën daarover niet uitvoerig spreken. Maar een tekst als Mark. 10:45 (zie ook Matth. 20:28 en Luk. 22:27) over het geven van Jezus’ leven tot een losprijs voor velen kan en mag niet verklaard worden zoals Berger dat doet (Jezus geeft zichzelf radicaal weg en dat ten behoeve van velen, d.i. om te doen wat zij moesten doen, als schadeloosstelling voor God; ‘mensen kunnen in de luwte van de enige Rechtvaardige gaan staan’) (blz. 209).
In genoemde teksten is duidelijk sprake van plaatsvervanging in de zin van de oudtestamentische offerdienst (het geven van het leven in de plaats van velen; tot wegneming van de straf en tot voldoening aan het recht van God; Jes.53).

In die lijn liggen ook de instellingswoorden van het Heilig Avondmaal: ‘Dit is Mijn lichaam/ bloed dat voor u (velen) gebroken/ vergoten wordt (Mark.14:24; Luk.22:19); zie 1 Kor.11:25.


Het klinkt dan ook helemaal niet overtuigend, als Berger deze laatste woorden loskoppelt van Jezus’ dood en er een samenvatting van Jezus’ leven en werken in hoort (‘ik ben als brood voor jullie’; levensnoodzakelijk en fundamenteel; het gemeen-schappelijk drinken uit de beker = bloed-broederschap) (blz. 197v). Op deze wijze wordt in elk geval door Paulus niet over Jezus’ zoendood gespro-ken.

Conclusie

Afrondend: ik acht het boek van Berger geen goed alternatief voor wat ons gedurende twee eeuwen door de historisch-kritische wetenschap aan Jezusbeelden is aangereikt. In feite voert hij op basis van een ‘vrije wil’- theologie (blz. 108) een pleidooi voor afschaffing van een christendom dat ‘troostreligie’ wil wezen, een religie ‘voor mensen die gevloerd zijn, voor gediscrimineerde mensen, voor de randgroepen, de minderheden en de verachte mensen’ (blz. 108). ‘De Vader wil alle mensen tot Zijn kinderen maken’ (blz. 64).


In plaats van deze troostreligie komt bij Berger een daadchristendom van sterke persoonlijkheden, om niet te zeggen een protestreligie, dat al te tijdbetrokken is. De nadruk op het leven hier en nu met al zijn uitdagingen (ook in maatschappelijk en po-litiek opzicht) kan toch nooit ten koste gaan van het leven als ‘preparatio aeternae vitae’.
Zo’n pleidooi hoeft voor mij niet. Ik vind daar het ‘pure’ Evangelie niet in terug. Ik mis hier ook de dimensie van de eeuwigheid. Ook gaat de ergernis van de gekruisigde en opgestane Zaligmaker voor mij bepaald verder dan bij Berger. En tenslotte kan het boek van Berger voor mij ook niet dienen als handreiking voor het gesprek met het Jodendom, juist omdat de diepe betekenis van Jezus als Verzoener en Verlosser hier niet het ontmoetingspunt is. 27.
* * *
Aantekeningen
1. Dat Jezus historisch heeft bestaan, blijkt uit ‘het feit, dat buiten de Evangeliën om tien andere theologische schrijvers aan Jezus refereren, de meesten onafhankelijk van elkaar’. Aldus Klaus Berger, Wie was Jezus werkelijk. Kampen 1996 (blz. 22vv). Op dit punt gaan wij hier verder niet in. Zie verder aantekening 4.
2. Zie: dr.Jacob van Bruggen, Het Evangelie van Gods Zoon; Persoon en leer van Jezus volgens de vier evangeliën. Kampen 1996.
3. I. Howard Marshall, The origins of the New Testament Theology; Inter-Varsity Press (ISBN 085.111.408). Ook wanneer men alle uitspraken in de Evangeliën zou uitpellen, die suggereren, dat Jezus Zich identificeerde met Joods-messiaanse gestalten (uit de apocalyptische/ rabbinistische traditie) en tevens alle uitspraken die creaties van de vroege kerk kunnen zijn geweest, zijn daar nog de ‘indirect’ christologische getuigenissen van de Evangeliën.
4. De Nederlandse vertaling (Kampen 1996) van Klaus Berger, Wer war Jesus wirklich? (Stuttgart 1995) is van de hand van F.Hijszeler. K. Berger (geb.1940) was van 1970 tot 1974 universitair docent in Leiden en sinds 1974 hoogleraar Nieuwe Testament in Heidelberg. Hij publiceerde o.a. over de Bergrede en over de theologiegeschiedenis van het vroege christendom. Bekend is vooral ook zijn boek over: De Dode-Zeerollen en Jezus (1994). Berger schaamt zich niet om tegen de stroom van modernistische opvattingen (b.v.inzake de opstanding van Jezus Christus) in te roeien. Waarschijnlijk bedoelt hij zich zelf, wanneer hij op blz.126 van zijn boek herinnert aan een Duitse hoogleraar die in een blad van de Pinkstergemeenten schrijft en daardoor verdacht wordt van ‘evangelische snit’ (‘Die schrijft nota bene in dat blad’).
5. E.P Sanders, Jezus, mythe en werkelijkheid; G. F. Callenbach 1996 (ned.vertaling door Lutgart Debroey van ‘The Historical Figure of Jesus’; 1993).
6. In feite doet Sanders hetzelfde als b.v. W. G. Kümmel in zijn boek: Das Neue Testament, Geschichte der Erforschung seiner Probleme; Freiburg/ München 1958. Zijn Jezusbeeld is - kort gezegd - gebaseerd op selectieve z.g. wetenschappelijk verantwoorde vooron- derstellingen. Over het z.g. liberale Jezusbeeld zie K. Berger, a.w. 15v.
7. B.v. F. C. Baur (1792-1860), de grondlegger van de historisch-kritische methode van Bijbelonderzoek en van de zg. Tübinger School staat zeer kritisch tegenover de historische betrouwbaarheid van de vier Evangeliën en houdt het Johannes-evangelie als niet historisch.

Bekende figuren uit de ‘Relgionsgeschichtliche Schule’ zijn H. Gunkel, W. Bousset en R. Bultmann.

Zie hiervoor verder: Dr. A. F. J. Klein (red.), Inleiding tot de studie van het Nieuwe Testament; Kampen 1982; vooral M. de Jonge over ‘De Historisch-Kritische methode’ (blz. 71vv) en A. F. J. Klijn over ‘De Godsdiensthistorische Methode’ (blz. 86vv).
8. M.i. ligt hier tegelijk de zwakte van de Amsterdamse school, die zulk een sterk accent legt op de boodschap van de Schrift (als literair product met zeer verscheiden interpretatiemogelijkheden), dat het historisch karakter van de Godsopenbaring daardoor ondersneeuwt.
9. Hij zou ook hebben kunnen verwijzen naar de belofte van Christus, nl. dat de Geest door Zijn indachtigmakende genade de Zijnen in al de waarheid zou leiden (Joh. 14:25; Joh. 16:13vv). Zo dr. H. N. Ridderbos, Het Evangelie naar Johannes; proeve van een theologische exegese, Deel I; Kampen 1987; blz. 45vv.
10. Zie K. Berger, blz. 161: ‘De teksten van de bekendste apocriefe Evangeliën zijn allemaal te lezen bij Wilhelm Schneemelcher: Neutestamentliche Apocryphen I: Evangelien, Tübingen 1987.'
Berger meent:
a) dat ‘de christelijke bijbelcanon een selectie is uit talrijke potentiële aanzetten om het geheim van de persoon van Jezus te verklaren’;

b) dat de waarde van de apocriefe evangeliën hierin bestaat, dat de nieuwtestamentische verhalen 'in het licht van deze overleveringen een nieuwe kleur en betekenis krijgen’; ze zijn aanvullend (blz. 178, 160).


c) dat deze apocriefen door de kerk uitgeselecteerde boeken zijn met bezwaren, zoals: Jezus is radicaler, ascetisch, maar wel met een duidelijk herkenbaar accent op de mensheid van Jezus (blz. 173).
M.i. echter heeft de vroege kerk deze apocryfen uitgeselecteerd, omdat zij kennelijk niet dat gezag hebben gekregen in de gemeenten, zoals de canonieke Evangeliën. Dat is een proces geweest, dat niet losgedacht kan worden van de sturing van de Heilige Geest. Zie N.G.B., art.5. Dit betekent echter niet, dat er in die apocriefen niet ook dingen uit de traditie bewaard kunnen zijn, die historische waarde hebben.
De verhalen zijn soms zeer fantastisch en ook wel moraliserend/ ascetisch. Sommige dingen zijn ook duidelijk in strijd met de inhoud van de canonieke Evangeliën. Zo vinden we bijvoorbeeld in het evangelie der Ebionieten (een versie van het Mattheüs-evangelie) niets over de maagdelijke geboorte, terwijl het er wel de nadruk op legt, dat Jezus de offers afschafte en geen vlees at.
11. Berger kiest citaten uit de apocriefe evangeliën die hem in de lijn lijken te liggen van wat de canonieke Evangeliën over Jezus laten weten. o.a. uit het Filippus-evangelie. Over het Thomas- evangelie zie blz. 159vv. Ook ‘in de vroegislamitische geschriften staat een verbazingwekkend groot aantal afzonderlijke woorden van Jezus, die verder nergens bewaard zijn gebleven’ (blz.166).
12. Jezus Zelf koos voor Zich bewust de ongehuwde staat. Berger somt daar een aantal mogelijke beweegredenen van op (blz. 25vv).
13. Over het afstand doen van zijn bezit: deze gedachte is verwant aan het Griekse denken over God. Philo herinnert op dit punt aan Mozes die volgens het geschrift ‘Over het leven van Mozes’ afstand deed van alle bezit, zichzelf niet eens bezat en daardoor gelijk werd aan God. Zo’n (goddelijke) vriend van God wilde Jezus zijn; Hij richtte zich naar het beeld dat de rabbijnen schetsen van Mozes (blz.64v).
M.b.t.de komst van het Koninkrijk schrijft Berger: ‘Er kan geen twijfel over bestaan: Jezus sluit zich met zijn woorden over het Koninkrijk Gods aan bij de Joodse verwachtingen, die daarmee waren verbonden’ (blz. 71v, 77). Eerst komt het rijk van de Messias, daarna het Koninkrijk Gods. Jezus is dus niet de ‘autobasileia’ (vgl. blz. 76). Het Koninkrijk Gods bij Jezus = ‘universele heerschappij en erkenning van God met Israël in het middelpunt’ (blz. 72). Het nieuwe bij Jezus is: overwinning op de boze geesten en keuze voor de hoogste waarde. Gods komst is een proces van lange duur (blz. 80v). ‘De weg naar de on- voorwaardelijke verheerlijking van alle schepselen die onherroepelijk naar de eeuwigheid van God leidt, is al ingeslagen’ (blz. 82).
14. Berger schrijft:Jezus kent ‘rechtvaardigen’ die geen bekering nodig hebben (Mc. 2:17; Luc. 15:7), wier gerechtigheid hij absoluut erkent en positief beoordeelt (Mt. 5:20)’ (blz. 41). Zie ook Feitse Boer-winkel, Meer dan het gewone; over Jezus en zijn bergrede; Baarn 1977. Geheel anders oordeelt J. van Bruggen, wanneer hij schrijft (a.w., blz. 160), dat ‘de wetgeleerden en Farizeeën denken, dat zij gezond en rechtvaardig zijn (Luk.18:9;20:20);zij hebben blijkbaar geen behoefte aan vergeving (zie ook blz. 237). Vgl. ook Matth.24:1vv en Joh.3:1vv).
15. ‘Ook studenten in de theologie vragen tamelijk vaak, wat ze allemaal moeten geloven, en wie in een kerkelijke universiteit verklaart: ‘Ik geloof niet in de opstanding van Jezus, niet in de wederkomst van Christus en niet in de opstanding der doden’, die kan zeker zijn van een donderend applaus van hen die denken: eindelijk is iemand eens eerlijk en nu kunnen we beginnen om ondanks de kerk een goed mens te zijn’ (blz.18).
16. ‘Opstanding is daarom geen ouderwets geloofsartikel, waarmee je je orthodoxe opvattingen zou kunnen bewijzen, om je van andere te onderscheiden. Integendeel: het gaat om een buitengewoon stoutmoedige uitspraak, die ons hele bestaan betreft: het einde, de zin is niet de dood, maar het leven’. En daaruit vloeit voort: ‘het christendom bestaat niet uit een ‘opvatting’ of een ‘leer’, maar het is in zijn uiterste consequentie een creatief opheffen van hinderlijke barrières’ (blz. 231). Zie ook: blz. 229.
17. Door dr. A. Noordegraaf in De Waarheidsvriend (jrg. 85, nummer 7; 13 februari 1997) en door dr. J. Broekhuis in het Reformatorisch Dagblad (maart 1997).
18. ‘In de geloofsbelijdenissen, in de kunst, en ook in de liederen van de kerken valt het optreden van Jezus op deze aarde bijna helemaal weg.’ (blz. 44; zie ook blz. 51vv over de beelden bruidegom en wijn als kwaliteit van het leven).
19. Zie hierover I. Howard Marshall, a.w. hoofdstuk 3: Did Jesus have a christology?, blz. 43vv).
20. Voor Van Bruggen houdt dit alles evenmin als voor Berger in, dat Jezus met de Farizeeën overhoop heeft gelegen, omdat zij wetticisten waren. Zie a.w. blz. 33vv.
21. Berger schrijft, dat ‘deze eeuwenoude vroomheid zich in dit opzicht kan beroepen op Paulus, op Hebreeën, op Efeze en Kolossenzen; maar deze brieven, hoewel ouder dan de Evangeliën halen daarbij geen woorden van Jezus Zelf aan (behalve Paulus in 1 Kor. 11:25)’ (blz. 211v).
22. ‘Jezus pretendeert zijn volmacht van God te hebben, maar al het andere, vooral de rol die Jezus voor zichzelf claimt, blijft onduidelijk’ (blz. 74v).
23. Zie o.a. dr A. H. Edelkoort,De Christusverwachting in het Oude Testament. Wageningen 1941. Blz. 199, 206, 219vv.
24. Zie o.a. prof. dr. G. Sevenster, De Christologie van het Nieuwe Testament. Amsterdam 1948/2. Blz. 73vv (vooral over de christologische titels).
25. ‘'Opstanding is niet een of ander obscuur wondergeloof of een farizeïstische gril, maar het vinden van jezelf’ (identiteit). ‘En omdat Jezus één is met God, wekt God hem ook op uit de dood. De opwekking van Jezus moet als een wonder uit de eenwording met God worden verstaan. Dezelfde wonderdaden kunnen mensen echter ook tot stand brengen, als zij met elkaar een eenheid vormen of vrede onder elkaar sluiten’ (blz. 142; zie ook 123; 156, 158 (over Lazarus).

Reeds W.G. Kümmel bedacht de constructie van de prioriteit van de ervaringsverhalen (Paulus) boven die van het lege graf (de Evangeliën). Berger noemt het naakte feit van het ‘lege graf’ in de Evangelieverhalen als ‘niet het belangrijkste voor de vrouwen’ (blz. 226).


Overigens is het ook voor Joden niet ongeloofwaardig, dat een martelaar na zijn dood een ‘hemels’ lichaam krijgt. Zie hierover: Geding over de opstanding (over de lichamelijke verrijzenis van Christus); aangeboden door de generale synode der NH Kerk; juli 1991 (Raad voor de zaken van Kerk en Theologie/ moderamen generale synode).
26. Zie C.den Boer, Oriëntatie In het Nieuwe Testament (serie Theologie in Reformatorisch Perspectief). Zoetermeer 1994. Blz. 54vv (over de christologische titels). Steeds is er onder de Nieuwtestamentici discussie geweest over de vraag, of de christologische titels Jezus door de vroege kerk zijn toegedicht of dat Jezus Zich in Messiaans zelfbewustzijn zo heeft laten benoemen.
27. ‘De negentiende eeuw heeft zich beziggehouden met de kwestie van het zelfbewustzijn van Jezus en uiteindelijk bestonden er circa zeventig psyschiatrische rapporten over de toestand van Jezus’ geest. Ook Albert Schweizer heeft daarover zijn medische dissertatie geschreven. Zijn resultaat: Jezus was niet ziek, maar een godsdienstig man. Ik ben van mening: zonder kennis van het Jodendom kan men in deze kwestie niet verder komen’ (blz. 191).
NB. Berger gebruikt nogal eens tamelijk diepzinnige en psychologisch-filosofisch geladen taal. Soms moet men raden naar de eigenlijke bedoeling van zijn woorden. Soms spreekt hij sterk verhullend, oude woorden gebruikend, maar die vullend met andere inhouden.


1 Deze lezing (over Klaus Berger, Wie was Jezus werkelijk?) is door mij gehouden op de conferentie van theologie - studerenden van de GTSV Voetius (2 april 1997).

2 De cijfers in de tekst (in vet) verwijzen naar de kanttekeningen aan het eind van deze voordracht.

3 Zie hierover III.E.P.Sanders, Jezus, mythe en werkelijkheid in de eerste voordracht van de rubriek Exegetisch-hermeneutisch (Moderne Jezus-beelden) van mijn website.

4 Zie hierover ook wat in de in noot 1 genoemde voordracht daarover is gezegd.

5 Op de afbeelding een groep reisgenoten tijdens een Israëlreis voor het open graf in de Garden Tomb te Jeruzalem. Lezende het Paasevangelie oefenen wij gemeenschap met de Opgestane in de hemel.

6 De afbeelding is een fragment uit glas 15 over De doop van Jezus (schilder Dirck Crabeth) in de St.Janskerk te Gouda.







De database wordt beschermd door het auteursrecht ©opleid.info 2017
stuur bericht

    Hoofdpagina