Eindeloos bewustzijn 'De hersenen zijn de boodschapper van het bewustzijn.'



Dovnload 255.52 Kb.
Pagina1/8
Datum26.08.2016
Grootte255.52 Kb.
  1   2   3   4   5   6   7   8
Eindeloos bewustzijn

'De hersenen zijn de boodschapper van het bewustzijn.'

Prof. John C. Eccies (1903-1997)

Kwantumfysica en bewustzijn.

De continuïteit van het veranderende lichaam.

Eindeloos bewustzijn.

Morfogenetische velden.

Penrose beschrijft op basis van kwantummechanische theorieën een hypo­these die de relatie tussen hersenen en bewustzijn kan verklaren. Hij stelt dat ons bewustzijn niet in de hersenen gelokaliseerd kan zijn omdat hersenen op zuiver theoretische gronden niet geschikt zijn om menselijk be­wustzijn voort te brengen. De hersenen kunnen de ervaring van onze subjectieve werkelijkheid mogelijk maken, maar niet ver­oorzaken. Ook de bekende neurowetenschappers Charles S. Sherrington (1857-1952), John C. Eccies (1903-1997) en Wilder Penfield (1891-1976) waren van mening dat de hersenen eerder lijken op een gecompliceerd orga­nisme dat bewustzijn registreert en doorgeeft, dan dat zij dit voortbrengen. Beauregard toont in zijn recente boek aan dat in de neurowetenschappen een materialistische relatie tussen bewustzijn en hersenen wetenschappelijk niet langer te handhaven is. Religieuze, mystieke, spirituele en BDE (bijna-dood ervaringen) kunnen niet het product van de hersenen zijn. Ook hij is ervan overtuigd dat de hersenen slechts het ervaren van bewustzijn mogelijk maakt.


De hersenen zijn een uiterst ingewikkeld functionerend en geheimzinnig orgaan van +/-1,5Kg, dat bijna 20% van onze lichaamsenergie verbruikt. Ons brein bestaat uit 100 miljard neuronen die via duizenden synapsen per neuron zeer intensief met elkaar verbonden zijn om zo een netwerk van ongekende complexiteit te vormen. Je bewust zijn van jezelf en je omgeving en het hebben van gedachten en ge­voelens is niet afhankelijk van één actief plekje in de hersenen, maar vereist een functionerend netwerk van vele centra. En dit geldt ook voor bewuste aandacht bij meditatie, waarbij andere centra in de hersenen actief worden dan bij het dagelijkse waakbewustzijn.

Het is onwaarschijnlijk dat bewustzijn zuiver en alleen een product is van de hersenen. Gemeten activiteiten in de hersenen zeggen niets over de inhoud van gevoelens en ge­dachten. Bewustzijn is in staat de anatomie en de functie van de hersenen te veranderen (neuroplasticiteit, placebo). Bewustzijn kan onafhankelijk van hersenfuncties ervaren worden (een bde).



Kwantumfysica en bewustzijn.

We weten nog steeds niet hoe het mogelijk is dat een verruimd bewustzijn kan worden ervaren tijdens een hartstilstand, waarin de hersenen geen meetbare activiteit meer vertonen en alle her­senfuncties zoals lichaamsreflexen, hersenstamreflexen en ademhaling zijn uitgevallen. Bewustzijn kan niet als het re­sultaat van hersenactiviteit worden beschouwd. Soms lijkt zelfs het omgekeerde waar, het bewustzijn beïnvloedt de werking van de hersenen zowel op korte als op langere termijn door het empirisch bewezen principe van neuroplasticiteit.

Enkele elementen van een bde beschouwd:


  • Alles lijkt met alles verbonden te zijn (verstrenge­ling). Alles blijkt één te zijn.

  • Tijdens een BDE kan elk detail van het voorbije leven op­nieuw worden beleefd. Alle gebeurtenissen uit het verleden lijken als het ware opgeslagen en toegankelijk te zijn en beschikbaar op het ogenblik dat men er zijn aandacht op richt.

  • Tijd speelt geen rol meer. Alles is tijd­loos aanwezig.

  • Dit geldt niet alleen voor de tijd, maar ook voor de plaats. Men is op elke plaats in het verleden aanwezig op het ogenblik men er aan denkt en daar wil zijn. Men beleeft opnieuw alles wat op dat ogenblik als belangrijk werd ervaren, met inbegrip van de emotionele betekenis die dit alles had, voor jezelf alsook voor andere personen die erbij betrok­ken waren.

  • Alles blijkt in het bewustzijn gelijktijdig aanwezig te zijn in een niet aan tijd en plaats gebonden dimensie.

  • Hetzelfde verschijnsel wordt in het bewustzijn ervaren zoals men een voorschouw of vooruitblik ervaart, waarbij het begrip tijd zoals we dat in het dagelijks leven ervaren niet lijkt te bestaan. We ervaren dit tijdloze aspect ook in dromen, waarbij alles tijdloos lijkt te gebeuren. Maar de heldere wer­kelijkheid die tijdens een BDE wordt ervaren is niet te vergelijken met de dagelijkse werkelijkheid of met een droom. Tijdens een bde kunnen zowel beelden uit de persoonlijke toekomst als uit de toekomstige wereldontwikkeling worden ervaren. Alles lijkt in die tijdloze dimensie mogelijk en toegankelijk. En de waargenomen gebeurtenissen blijken jaren later precies te kloppen, wanneer zij als onderdeel van de vroegere bde worden herkend of als een soort déja-vu worden ervaren.

Een niet aan plaats gebonden ervaring kan ook optre­den tijdens een uittreding, waarbij men in het bewustzijn, dus los van het lichaam, ogenblikkelijk daar kan zijn waar men aan denkt. Wanneer men in coma ligt na een ernstig verkeersongeluk en men denkt op dat ogenblik aan de partner, is men direct thuis bij de partner. Men neemt waar wat hij doet en denkt. Later blijkt deze waarneming ook te kloppen. Het blijkt dus mogelijk non-lokaal verbonden te zijn met het bewustzijn van andere mensen. En zo is het ook mogelijk non-lokaal verbonden te zijn met de gevoelens en gedachten van overleden vrienden en familie en via gedachteoverdracht met hen te communiceren. Na een bde behoudt men meestal tot zijn grote verwarring deze mogelijkheid van non-lokale verbondenheid. Communicatie voorbij tijd en afstand blijft buiten de wil om. Het is verhoogde intuïtieve gevoeligheid. Mensen die tijdens een bde een tunnelervaring hebben, lijken bewust over te gaan van onze fysieke tijd­ruimte naar een meerdimensionale ruimte waar tijd en af­stand geen rol meer spelen.

Volgens de klassieke fysica komt de objectieve werkelijkheid volgens be­paalde vaste regels tot stand. Alle gebeurtenissen in onze wereld voltrekken zich binnen een onveranderlijke structuur van ruimte en tijd, met vaste wetmatigheden die met eenduidige begrippen over werkelijkheid, oorza­kelijkheid, continuïteiten, lokaliteit verklaard kunnen worden. Men veronder­stelt in de klassieke fysica dat de waargenomen werkelijkheid in de fysieke wereld ook objectief werkelijk is.

De kwantumfysica zet het klassieke wetenschappelijke beeld van onze materiële, manifeste wereld op zijn kop. Nieuwe begrippen uit de kwantumfysica zijn superpositie, complementariteit, onzekerheidsprin­cipe, meetprobleem, verstrengeling, non-lokaliteit. Al deze begrippen betreffen hetzelfde probleem. Is er geen waarneming van een kwantumobject, heeft het geen definitieve locatie in tijd en ruimte noch vaststaande eigenschappen zoals in de klassieke fysica. Bv licht gedraagt zich als deeltje of als golf, afhankelijk van de proefopstelling, maar nooit als beide tegelijk. Dit verschijnsel noemt complementariteit. Deeltjes en golven zijn comple­mentaire aspecten van licht. Wat voor licht al was bewezen, namelijk dat het zowel een deeltjes- als een golfaspect bezit, bleek ook voor materie te gelden. Alle materie (voor 99,999% uit leegte gebouwd) kan uiteindelijk ook als golffunctie worden beschouwd en heeft dus een golfdeeltjescomplementariteit.

Bij proeven met afzonderlijke fotonen blijkt een foton zich soms als golf te gedragen, wat betekent dat het met zichzelf is verstrengeld. Er is dan sprake van een zogenaamde superpositie van golffuncties. Een golf wordt niet meer als een echte realistische golf gezien, maar als een waarschijnlijkheidsgolf, zoals dit kwantumverschijnsel genoemd wordt. Het is de waarschijnlijkheid waarmee een deeltje op een bepaalde plaats kan wor­den aangetroffen. We kunnen dus nooit weten waar een deeltje zich bevindt. Dit is het onzekerheidsprincipe van Werner Heisenberg (1901-1967). De waarneming is niet mogelijk zonder het geobserveerde object fundamenteel te veranderen. Enkele kwantumfysici steunen de vergaande interpretatie dat de waarneming op zich letterlijk de fysieke werkelijkheid creëert, waarmee wordt verondersteld dat het bewustzijn fundamenteler is dan materie of energie. Dwz het bewustzijn maakt uit of en hoe we de (subjectieve) werkelijkheid ervaren.

Een van de belangrijkste principes van de kwantumfysica is dat 2 ge­scheiden deeltjes elkaar op afstand ogenblikkelijk kunnen beïnvloeden. Dit is een verstrengeling van 2 objecten. Dit wordt non-lokaliteit genoemd.

In de kwantumfysica ont­staat zo het begrip van een non-lokale ruimte:



  • een meerdimensionale ruimte waar

  • alleen sprake is van mogelijkheden, ook wel waarschijnlijkheidsgolven genoemd. In die ruimte is alles onzeker. Deze ruimte vormt de grondslag van een oneindig aantal mogelijkheden.

  • waar niets vastligt,

  • waar geen materie aanwezig is

  • waar tijd en afstand geen rol spelen. Deze ruimte bevat geen tijd.

  • Metin­gen noch waarnemingen zijn daar voor fysici mogelijk.

  • In de non-lokale ruimte is sprake van een verborgen werkelijkheid die op kwantumniveau voortdurend invloed uitoefent op onze fysieke wereld, die het complement is van de non-lokale ruimte.

  • Zij heeft geen structuur,

  • is perfect symmetrisch,

  • Ook wel het absolute of werkelijke vacuüm genoemd. Het is een lege ruimte waarin quarks, elektronen, zwaartekracht en elektriciteit tot één geheel versmolten zijn en als zodanig ook niet langer bestaan.

  • Bij een temperatuur van het absolute nulpunt, (0°K) bevat het ware vacuüm een oneindige hoeveelheid energie (nulpun­tenergie).

  • dit absolute vacuüm, deze non-lokale ruimte, zou volgens sommige wetenschappers ook een basis kunnen zijn voor het bewustzijn.

In een elektro­magnetisch veld kan een onbeperkte hoeveelheid informatie worden opge­slagen. Cfr de miljard websites die 'draadloos' via een computer waar ook ter wereld te ontvangen zijn. Een elektromagnetisch veld heeft een oneindige capaciteit voor opslag of codering van informatie, als verschillen in golflengtes.

Twee golven zijn coherent wanneer zij regelmatig trillen; een bepaalde relatie met elkaar hebben en hierdoor in staat zijn tot interferentie.

Interferentie wordt gebruikt om informatie op te slaan.

Het holografische principe maakt het mogelijk informatie over een object als geheel te verkrijgen vanuit elke locatie in een coherent veld.


Ons klassieke wereldbeeld
Tijdens en na een bijna-dood ervaring worden verschijnselen ervaren die wijzen op een non-lokale verbondenheid met gevoelens en emoties van an­deren. Men bevindt zich met zijn verruimde bewustzijn in een dimensie waar tijd en afstand geen rol spelen. Deze verschijnselen zijn niet te verklaren met de inzichten die we van de klassieke fysica leerden. Volgens de klassieke fysica kan men niet op twee of meer plaatsen tegelijk zijn en kan men zich niet 'instantaan' verplaatsen naar een andere tijd of een andere plaats. 'Instantaan' betekent ogenblikkelijk, dus met een veel hogere snelheid dan de snelheid van het licht. Non-lokaliteit betekent een verbon­denheid die onafhankelijk van de afstand altijd en overal aanwezig is. Dwz elke gedachte en elke subjectieve ervaring van een persoon bepaalt zijn persoon­lijke handelingen alsook beïnvloedt het processen op afstand. Er is sprake van een coherentie van gebeurtenissen omdat alles met alles in verbinding staat en dus alles met alles samenhangt en elkaar wederzijds beïn­vloedt. Waarneming beïnvloedt dus ook het resultaat van een waarneming. Daardoor kan er geen objectieve waarneming meer bestaan.

Volgens de klassieke fysica ligt de manier waarop de objectieve werkelijk­heid tot stand komt volledig vast volgens bepaalde strikte regels; volgens de vaststaande begrippen over werkelijk­heid, oorzakelijkheid, continuïteit, lokaliteit en vaste wetmatigheden. Alles gebeurt binnen een absoluut gefixeerde ruimte en tijd. De klassieke fysica stelt dat de waar­genomen werkelijkheid in de fysieke wereld ook objectief werkelijk is. Dit betekent dat de werkelijkheid onafhankelijk van een waarneming bestaat.

Oorzakelijkheid of causaliteit betekent dat de tijd in één richting ­loopt. De volgorde van oorzaak naar gevolg ligt altijd volledig vast.

Continuïteit betekent dat er in onze fysieke wereld nooit een discontinuïteit bestaat en dat alles geleidelijk en regelmatig in tijd en ruimte verloopt.

Lokaliteit betekent dat objecten uitsluitend worden beïnvloed door een direct (lokaal) contact. Invloed op afstand is volgens dit concept uitgesloten.

Vaste wetmatigheden betekent dat alles in onze natuurlijke wereld op een ordelijke en voorspelbare manier plaatsvindt. 'God dobbelt niet', volgens Al­bert Einstein.

Einstein noemde in de klassieke fysica het concept tijd een relatief begrip, nadat hij had bewezen dat tijd geen absolute constante in het universum is.
Complementariteit van deeltjes en golven
Het was al langer bekend dat bij verhitting van een metaal de toename van de intensiteit van het uitgestraalde licht, voornamelijk in het ultraviolette spectrum, niet overeenkwam met de voorspelling. De fysicus en Nobelprijswinnaar Max Planck (1858-1947) kwam in 1900 met de rekenkundige beschrijving van een discontinue wisselwerking tussen licht en materie die hij kwanta noemde. Er was een discontinuïteit, te vergelijken met een bal die je van een trap laat stuiteren en die op elke tree even blijft lig­gen en zich bij een waarneming nooit tussen de treden kan bevinden. Deze discontinuïteit werd een kwantumsprong genoemd. Einstein kwam enkele jaren later tot de hypothese dat licht zich ook in pakketjes (lichtkwanta) voortbewoog en gaf dit energiepakketje in 1905 de naam 'foton'. In 1926 werd zijn foton hypothese experimenteel bevestigd.

Eeuwenlang was een van de grote problemen in de fysica hoe de eigen­schappen van licht verklaard konden worden. Licht kon zich volgens Christiaan Huygens (1629-1695) als golf gedragen, maar volgens Newton be­stond licht uit deeltjes. In het beroemde 'dubbele-spleet'-experiment, dat in 1801 werd uitgevoerd door de arts Thomas Young (1773-1829), wordt het licht of door een dubbele smalle spleet gestuurd, of door een en­kele smalle spleet doordat een van de spleten wordt gesloten. Valt het licht door de beide spleten, gedraagt het licht zich als een golffunctie en zien we door interferentie donkere en lichte strepen ontstaan; een verschijnsel dat we zien wanneer we twee stenen in een vijver gooien, waarbij de cirkelvormige golfpatronen op elkaar reageren en er door interferentie gedeeltelijk hogere golven ontstaan en andere golven verdwijnen. Dit zijn de lichte en donkere strepen bij de dubbele-spleetproef. Toen Young zijn dubbele-spleetexperiment in 1802 publiceerde, waar­bij hij concludeerde dat licht zich als een golf gedroeg, werd hij met spot en vijandigheid overladen omdat dit inging tegen de lichtdeeltjestheorie van Newton.

Er ontstaan heldere en donkere strepen door interferentie.

Proef 2: Maar het was nog ingewikkelder. Valt er een heel zwak licht door beide spleten, waarbij telkens slechts één foton de spleten passeert, bestaat de mogelijkheid dat het licht zich ook als deeltje gedraagt, waarbij er een gelijkmatige verdeling van licht over het hele projectievlak (een fotografische plaat) wordt gezien en het interferentiepatroon verdwijnt. Dit gebeurt echter alleen als men precies wil weten waar het foton zich onderweg bevindt en meet welke spleet het foton genomen heeft. Alleen indien een meetinstru­ment vóór of achter de spleten is geplaatst dat meet of en waar een foton is gepasseerd, zal men precies weten welke weg het foton genomen heeft en blijft het licht zich als een deeltje gedragen. Dit geldt zelfs ook wanneer men voorbij de spleten een meting verricht en het meetinstrument pas aanzet als het foton de spleten al gepasseerd is, maar voordat het foton de fotografische plaat heeft bereikt. Ook in dat geval zal het foton zich tgv deze meting alsnog als een deeltje gedragen. Meten we tijdens het experiment onderweg niets, blijft het licht zich als golf gedragen. De Nobelprijswin­naar en fysicus Niels Bohr (1885-1962) noemde dit fenomeen complementa­riteit. Het licht gedraagt zich of als deeltje of als golf, afhankelijk van de proefopstelling, maar nooit als beide tegelijk. Deeltjes en golven zijn complementaire aspecten van licht. Ze sluiten elkaar uit en zijn dus nooit beide tegelijk waarneembaar. Het probleem voor fysici was dat licht zich afhankelijk van de proefopstelling als golf of als deeltje gedraagt. Het gedrag van licht is daarmee afhankelijk van de keuze van de persoon die het experiment doet om extra meetinstrumenten te plaatsen of om één of twee spleten te openen. Door zijn (bewuste) keuze hoe hij de proef zal uitvoeren, bepaalt deze onderzoeker of het licht zich als golffunctie of als deeltje zal gedragen.'

De revolutionaire boodschap van de kwantumfysica is dus dat er wel een zekere orde in het universum wordt gezien (golven of deeltjes), maar dat het om meer gaat dan alleen het fysieke aspect. Materie kunnen we meten, maar het bewustzijn bepaalt ons weten. Onze gedachten en gevoelens bepa­len mede hoe het universum functioneert en dus ook hoe wij het universum waarnemen. Hoe wij denken heeft een fysieke invloed op wat wij waarne­men. Zoals Nobelprijswinnaar en kwantumfysicus Max Born (1882-1970) het zei: 'Theoretische fysica is eigenlijk filosofie.'
Verstrengeling
Proef 3 Wanneer men zo weinig licht door de spleet stuurt dat er maar 1 foton tegelijk door de 2 spleten gaat, en men geen verdere metingen doet om te we­ten waar het foton zich bevindt, ontstaat uiteindelijk weer een interferentiepatroon op de lichtgevoelige plaat. Het licht gedraagt zich dan ook bij afzonderlijke fotonen weer als golf. Dat betekent dat elk lichtdeeltje op hetzelfde ogenblik door beide spleten gaat. Het lichtdeeltje raakt als het ware met zichzelf verstrengeld. Er is dan sprake van een zogenaamde 'superpositie' van golffuncties, waarbij een golf niet meer moet worden gezien als een echte realistische golf, maar als een waarschijnlijkheidsgolf, zoals Born dit kwantumverschijnsel noemde. Het is de waarschijnlijkheid waarmee een deeltje op een bepaalde plaats aangetroffen kan worden. Dit wordt ook wel de golffunctie van een deeltje genoemd. Wanneer de intensiteit van het licht afneemt van een massaal bombardement tot het zenden van afzonderlijke fotonen, verschuift de beschrijving van licht van een elektromagneti­sche golf naar een waarschijnlijkheidsgolf. Licht wordt normaliter gedefini­eerd als een elektromagnetisch veld dat zich gedraagt als een verstoring in de lege ruimte of het vacuüm. Fotonen gedragen zich in grote aantallen als een elektromagnetisch golfpakket. In het geval van één enkel foton is er echter geen elektromagnetische golf meer te meten maar wordt de niet-meetbare waarschijnlijkheidsgolf gebruikt om statistisch te voorspellen waar het foton de fotografische plaat zal treffen. Een afzonderlijk foton gedraagt zich op dat ogenblik als een waarschijnlijkheidsgolf. Gebeurt er geen waarneming heeft het foton geen locatie omdat er een oneindig aantal mogelijke locaties zijn. De kwantumfysicus Erwïn Schrodinger (1887-1961) heeft de vergelijking voor deze kwantummechanische golven geformuleerd.

In een atoom bevinden elektronen zich in een waarschijnlijkheidsveld om de kern. Bij elke waarneming bevinden ze zich ergens anders in dat veld. De plaats en de im­puls (een maat voor de snelheid) van een elektron kunnen niet tegelijk gemeten worden. Wij kunnen dus nooit weten waar het elektron zich bevindt. Dit is het onzekerheidsprincipe van de Nobelprijswinnaar en kwantumfysicus Werner Heisenberg (1901-1967). Waarneming is niet mogelijk zonder het geobserveerde object fundamenteel te veranderen. Bij een waarneming worden de ontelbare mogelijkheden (waarschijnlijkheidsgolven) gereduceerd tot een enkel feit, namelijk de plaats waar een deeltje zich op dat ogenblik bevindt; door wis- en natuurkundige Roger Penrose 'objectieve reductie' genoemd. Conclusie: de waarnemer bepaalt waar en hoe een deeltje zal worden waargenomen. Een observatie beïnvloedt het resultaat van de waarneming omdat alles met alles verbonden is. Er is dus geen sprake meer van objectiviteit tijdens een waarneming. En dat geldt zowel voor een experiment als voor het dagelijks leven. Elke (waarneming van de) werkelijkheid is dus subjectief, want het bewustzijn van de waarnemer bepaalt wat zal worden waargenomen. En is er sprake van een overeenkomst tussen twee of meer waarnemers zou men moeten spreken van intersubjectiviteit in plaats van over objectiviteit van de waargenomen werkelijkheid.

Enkele belangrijke kwantumfysici zoals Eugene Wigner, Brian Josephson, John Wheeler en wiskundige John von Neumann steunen de vergaan­de interpretatie dat de waarneming op zich letterlijk de fysieke werkelijkheid creëert. Daarmee wordt verondersteld dat het bewustzijn fundamenteler is dan materie of energie. Von Neumann (1903-1957) schreef: 'Het universum is niet opgebouwd uit stukjes materie, maar uit stukjes kennis; subjectieve, veel betekenende stukjes in het bewustzijn.'

De kwantumfysicus Henry Stapp schrijft dat het inbrengen van menselijk bewustzijn in de basisstructuur van fysische theorieën één van de meest in­grijpende ontwikkelingen in de kwantumfysica is geweest. Hij beschouwt het feit dat ‘onze gedachten in de 'klassieke' fysica totaal irrelevant waren’ als een serieus probleem. Het kernidee van kwantumfysica is ons als kenniszoekende en kennisgebruikende personen te beschouwen die door onze onderzoekende activiteiten ook invloed kunnen uitoefenen op de omgeving, en dus niet gereduceerd kunnen worden tot mechanische automaten. De Nobelprijswinnaar Eugene Wigner (1902-1995) beweerde dan ook dat de kwantumfysica zich bezighoudt met waarnemingen en niet met het waar­neembare.


Non-lokaliteit
Hoe verklaart men dat 2 gescheiden deeltjes elkaar op afstand instantaan, ogenblikkelijk, kunnen beïnvloeden?; een verstrenge­ling van 2 (of meer) objecten op grote onderlinge afstand? Dit is één van de belangrijkste principes van de kwantumfysica en één van de meest diepzinnige en verbazingwekkende ontdekkingen uit de geschiedenis van de natuurkunde. Het is gebaseerd op het theorema van Bell en dit theorema is door de proef van de fysicus Alain Aspect en collega's in 1982 bewezen. Verricht men een lokale meting op de 'spinrichting' of 'draairichting' van een deeltje, gaat men volgens de klassieke fysica uit van een plaatselijk effect van de meting. Maar 2 deeltjes uit eenzelfde bron komend, maar naar verschillende richtin­gen gestuurd, waarna metingen verricht op 2 verschillende plaatsen van elkaar, blijkt dat wanneer men de meting bij het eerste deeltje verricht men daarmee ook de uitslag van de meting van het tweede deeltje weet. Er is dus een samenhang, een verstrengeling van de 2 deeltjes. De uitkomst is te voorspellen. En er bestaat geen lokale oorzaak voor de uitslag van de meting van het tweede deeltje. Dit is een revolutionaire bevinding omdat tot nu toe altijd werd gedacht dat alleen de lokale omstandigheden de uitkomst zouden bepalen. Maar dat is volgens de kwantummechanica niet waar. Aanvankelijk hadden velen het moeilijk met een instantaan effect op afstand. Zelfs Einstein had moeite met de non-lokale effecten in de kwantumfysica. In 1982 is echter definitief bewezen dat door verstrengeling tussen 2 deeltjes een non-lokale relatie bestaat. Nicolas Gisin bij fotonen op 11 km in cern bij Genève; later op 50km. Non-lokaliteit is zelfs bewezen in 3 verstrengelde systemen (de Greenberger-Horne-Zeilinger paradox).
Het nieuwe wereldbeeld op basis van de kwantumfysica
Alles hangt met elkaar samen. Er is geen lokale oorzaak voor een gebeurte­nis. Gebeurt er iets, verandert op datzelfde ogenblik het hele universum. De Nobelprijswinnaar Louis de Broglie (1892-1987) schreef in 1923 al dat alle materie in het universum uiteindelijk ook als golffunctie beschouwd kan worden. Ook materie heeft een golfdeeltjescomplementariteit zoals bij licht. (deeltjes- en golfaspect) In 1930 schreef Einstein: 'Wij zijn nu tot de conclusie gekomen dat ruimte primair is en materie secundair.'

Schrödinger enige jaren later: 'Wat wij als materiële objecten en krachten beschouwen zijn slechts vormen en veranderingen in de structuur van de ruimte.'



  1   2   3   4   5   6   7   8


De database wordt beschermd door het auteursrecht ©opleid.info 2017
stuur bericht

    Hoofdpagina