Eindtermen Hike- survival instrukteur



Dovnload 26.67 Kb.
Datum27.08.2016
Grootte26.67 Kb.

Eindtermen Hike- Survival instrukteur




Kaart en Kompas





  • De instructeur moet verschillende kompastypen kunnen onderscheiden en de onderdelen van deze kunnen benoemen.







  • De instructeur moet een positiebepaling kunnen maken met het kompas en eventueel een topografische kaart.




  • De instructeur moet verschillende kaarttypen kunnen onderscheiden zoals stafkaarten, wandelkaarten enz.




  • De instructeur moet alle legenda’s kennen die op een topografische kaart kunnen voorkomen.

  • De instructeur moet de drie noordrichtingen kennen.

Orientatie met behulp van de natuur





  • De instructeur moet vanuit een topografische kaart een route kunnen uitstippelen.




  • De instructeur moet met behulp van de stand van de sterren het geografische noorden kunnen bepalen.




  • De instructeur moet met behulp van een horloge en de zon het globale geografische noorden kunnen bepalen.




  • De instructeur moet met verschillende schaduw methoden het globale geografische noorden kunnen bepalen.


Bivak technieken





  • De instructeur moet de juiste stookplaatsen kunnen vinden of kennis hebben hiervan.




  • De instructeur moet kennis hebben van het koken op een vuur.




  • De instructeur moet kennis hebben van enkele blusmethoden en brandpreventie.




  • De instructeur moet kennis hebben van betrouwbare vuurbronnen zoals aanstekers en dergelijke.


Onderkomens





  • De instructeur moet kennis hebben van verschillende poncho-onderkomens, zoals de lean-to, basha enz.




  • De instructeur moet de basisprincipes kennen van een latrine en de kamphygiëne.




  • De instructeur moet enkel met natuurlijke hulpmiddelen een onderkomen kunnen creëren.


Jachttechnieken





  • De instructeur moet minstens drie ontspanningsmechanismen kennen.




  • De instructeur moet speervallen met struikeldraad kunnen maken of kennis hebben hiervan.




  • De instructeur moet valkuilen kunnen maken of kennis hebben hiervan.




  • De instructeur moet kunnen strikken of kennis hebben hiervan.




  • De instructeur moet verschillende diersoorten kunnen elimineren, villen en deze gereed kunnen maken voor consumptie.


Touwkennis


  • De instructeur moet verschillende touwsoorten kunnen onderscheiden.

  • De instructeur moet touw kunnen onderhouden of kennis hebben hiervan.

  • De instructeur moet touwbanen op kunnen spannen met verschillende opspan-/bandschling- en afbindknopen.

  • De instructeur moet verschillende touwbrugtypes kunnen bouwen zoals,

    • Indianenbrug;

    • Enkele touwbaan;

    • Duo touwbaan.

  • De instructeur moet de volgende knopen kunnen maken en deze voor de juiste situatie kunnen toepassen;

    • Platte knoop;

    • Mastworp;

    • Achtknoop;

    • Dixknoop (opspanknoop);

    • Bandschlingklemknoop;

    • Zaksteek;

    • Bulinknoop (paalsteek-methode).

  • De instructeur moet van een touw met een diameter van ongeveer 10mm een heupgordel en borstgordel kunnen knopen.

  • De instructeur moet de volgende paalverbindingen met touw kunnen maken en in de juiste situatie kunnen toepassen.

    • Paalverlengingsknoop;

    • Driepootverbinding.

  • De instructeur moet kennis hebben van veilige touwverankeringsmethodes en deze kunnen toepassen.

  • De instructeur moet kunnen abseilen aan een dubbel- en enkeltouw. Eisen:

    • Abseiltechniek m.b.v. een acht of een halve mastworp;

    • Inbindmethode dient zonder de kans op materiaalverlies te gebeuren.

  • Alle handelingen m.b.t. de hillwalk/ klettersteig, touwpassages, toggelen en abseilen dienen altijd op een veilige, dus gezekerde, manier tot uitvoering te worden gebracht.



Water





  • De instructeur moet verschillende wateropvangsystemen kunnen improviseren of kennis hebben hiervan.




  • De instructeur moet op een geïmproviseerde manier water kunnen zuiveren.

Voedsel





  • De instructeur moet een giftest kunnen uitvoeren en de juiste conclusies hieruit kunnen nemen.




  • De instructeur moet een effectief noodrantsoen kunnen samenstellen.




  • De instructeur moet voor enkele dagen voedsel kunnen inslaan waarbij het draaggewicht en de voedingswaarde een grote rol spelen.



Materiaalkennis





  • De instructeur moet verschillende kledingssoorten kunnen onderscheiden en de toepasbaarheid hiervan kunnen benoemen.




  • De instructeur moet een goede kennis hebben van schoeisel en de functionaliteit van deze.




  • De instructeur moet verschillende messoorten kunnen onderscheiden en het onderhouden van deze.




  • De instructeur moet kennis hebben van de volgende bergsportmaterialen en de toepasbaarheid hiervan;

    • Abseil achten;

    • Verschillende soorten karabiners;

    • Katrollen;

    • Bandslinges;

    • Touw.




  • De instructeur moet kennis hebben van tenten en de toepasbaarheid hiervan.




  • De instructeur moet kennis hebben van de verschillende kompassen en hun toepassingsmogelijkheden.




  • De instructeur moet een survivalpakket kunnen samenstellen en de inhoud kunnen toepassen.




  • De instructeur moet kennis hebben van functionele buitensportkleding.







  • De instructeur moet kennis hebben van bergsporthelmen.


Rivieroversteek





  • De instructeur moet een drijfpakket kunnen maken of kennis hebben hiervan.




  • De instructeur moet een brug kunnen bouwen of kennis hebben hiervan.



Fysiologische aspecten survival





  • De instructeur moet de fysiologische waterhuishouding van het menselijk lichaam kennen.




  • De instructeur moet duidelijk op de hoogte zijn van het lichaamsonderhoud (buitensport).


Terrein en weer





  • De instructeur moet kennis hebben van de werking van een lage- en hogeluchtdrukgebied.







  • De instructeur moet kennis hebben van het weerelement onweer en hoe in een onweerssituatie te handelen.




  • De instructeur moet kennis hebben van weerkaarten met de daarbij behorende afkortingen.


Signalen




  • De instructeur moet het S.O.S. – teken kennen.




  • De instructeur moet de belangrijkste helikopter signalen kennen en kunnen toepassen.




  • De instructeur moet de signalen kennen die vanaf de grond tot de lucht gegeven kunnen worden.




  • De instructeur moet de alpine noodsignalen kennen.


Een aantal extra’s





  • De instructeur dient zich op de juiste manier te verplaatsen door het terrein m.b.t. stijgen en dalen in verschillende terreinsoorten onafhankelijk van de weersomstandigheden.







  • De instructeur moet op de hoogte zijn van het verzekeringstechnische gedeelte;

  • Eigen reisongevallen verzekering.




  • Tijdens een activiteit dient altijd een EHBO-set aanwezig te zijn. De instructeur dient dit te controleren.




  • De instructeur mag maximaal over een groepsgrootte van 10 deelnemers per activiteit beschikken.




  • Na afloop van een activiteit mag de instructeur geen sporen of afval achterlaten.




  • De regels van het desbetreffende gebied dienen altijd door de instructeur te worden opgevolgd.




  • De instructeur mag nooit onder invloed van alcohol of drugs zijn, wanneer hij of zij in functie is.




  • De instructeur moet kennis hebben van diverse schuilplaatsen (mogelijkheden).




De database wordt beschermd door het auteursrecht ©opleid.info 2017
stuur bericht

    Hoofdpagina