Einstein en spinoza over wetenschap en religie



Dovnload 12.7 Kb.
Datum20.08.2016
Grootte12.7 Kb.
EINSTEIN EN SPINOZA

OVER WETENSCHAP EN RELIGIE
Herman De Dijn, K.U.Leuven
1. INLEIDING
- Spinoza en Einstein als diepreligieuze ongelovigen (verschillend van niet-religieuze gelovigen en niet-religieuze ongelovigen)

- die een radicale scheiding voorstaan tussen wetenschap (theorie) en religie (geloof als ingebed in sociale praktijken)

- maar die via wetenschap (theorie) een nieuwe vorm van individuele religiositeit mogelijk achten (cosmic religious feeling; Amor intellectualis Dei)
2. WETENSCHAP EN RELIGIE ONAFHANKELIJK EN NIET AAN ELKAAR TEGENGESTELD


  • leer van wat is tegenover (sociale) levensleer (hoe we moeten leven)

  • neutraal objectief weten tegenover ‘weten van het hart’

  • oplossen van problemen tegenover omgaan met mysterie

  • rol van de moderne wetenschap i.v.m. religie: uitzuiverend

  • over wetenschap en metafysica: anti-holisme

3. WETENSCHAP/THEORIE ALS BRON VAN NIET-THEïSTISCHE RELIGIOSITEIT


- Wetenschap en haar mogelijke effecten in de brede cultuur

- techniek (gevaar van antropocentrisme)

- vreugde van het kennen

- ‘cosmic religious feeling’ en intuïtie : een niet-theïstische religiositeit voor een elite: wetenschappelijke (theoretische) activiteit als leidend tot contact met de diepste kern van onszelf als onderdeel van de onpersoonlijke God-Natuur



Uit Albert Einstein, Ideas and Opinions (New York, Dell, reprint 1981)
1. “[K]nowledge of what is does not open the door directly to what should be. One can have the clearest and most complete knowledge of what is, and yet not be able to deduct from that what should be the goal of our human aspirations. Objective knowledge provides us with powerful instruments for the achievements of certain ends, but the ultimate goal itself and the longing to reach it must come from another source… The knowledge of truth as such is wonderful, but it is so little capable of acting as a guide that it cannot prove even the justification and the value of the aspiration toward that very knowledge of truth. Here we face, therefore, the limits of the purely rational conception of our existence…

To make clear these fundamental ends and valuations, and to set them fast in the emotional life of the individual, seems to me precisely the most important function which religion has to perform in the social life of man [religion as a powerful tradition].” (p. 51)


2. “For science can only ascertain what is, but not what should be, and outside of its domain value judgments of all kinds remain necessary. Religion, on the other hand, deals only with evaluations of human thought and action: it cannot justifiably speak of facts and relationships between facts. According to this interpretation the well-known conflicts between religion and science in the past must all be ascribed to a misapprehension of the situation which has been described…

Now, even though the realms of religion and science in themselves are clearly marked off from each other, nevertheless there exist between the two strong reciprocal relationships and dependencies. Though religion may be that which determines the goal, it has, nevertheless learned from science, in the broadest sense, what means will contribute to the attainment of the goals it has set up. But science can only be created by those who are thoroughly imbued with the aspiration toward truth and understanding. This source of feeling, however, springs from the sphere of religion…[cosmic religious feeling]. The situation may be expressed by an image: science without religion is lame, religion without science is blind.” (p. 54-55)



Uit Spinoza, Theologisch-politiek traktaat (Vert. F. Akkerman, Amsterdam Wereldbibliotheek, 1997)
“[W]ij nemen als onwrikbaar aan dat de theologie [onder theologie versta ik hier precies de openbaring, in zoverre die het doel aanwijst dat … de Schrift beoogt] niet verplicht is dienstbaar te zijn aan de rede noch de rede aan de theologie [de religie], maar dat elk van beide op haar eigen terrein heerst. Zoals wij immers zeiden: de rede heerst op het gebied van waarheid en wijsheid, de theologie [de religie] op dat van vroomheid en gehoorzaamheid. Want de kracht van de rede strekt zich, zoals wij reeds hebben aangetoond, niet zo ver uit dat zij kan bepalen dat de mensen alleen door gehoorzaamheid, zonder begrip van de dingen, gelukkig [beatus] kunnen zijn, de theologie [de religie] echter zegt ons niets anders aan en legt ons niets anders op dan gehoorzaamheid; tegen de rede wil zij niets en vermag zij niets.” (p. 340)

Verdere LITERATUUR


- Albert Einstein, Mein Weltbild, Frankfurt/M., Ullstein Bücher, herdruk 1959.
- Herman De Dijn, Einstein en Spinoza, Mededelingen vanwege het Spinozahuis 64, Delft, Eburon, 1991.
- Herman De Dijn, “Over Einsteins visie op religie en wetenschap”, in Jochanan Eynikel (red.), De dobbelstenen van Albert Einstein. Over kosmische religiositeit, SPES-cahier 6, Antwerpen, Tertio, 2006, p. 15-22.
- Max Jammer, Einstein and Religion. Physics and Theology, Princeton, Princeton University Press, 1999.
- Arnold Burms & Herman De Dijn, De rationaliteit en haar grenzen, Leuven, Universitaire Pers Leuven, herdruk 2005.
- Arnold Burms, “Absolute waarheid en transcendentie”, Tijdschrift voor Filosofie 44 (1982), p. 104-123.
- Herman De Dijn, Spinoza: de doornen en de roos, Kapellen, Pelckmans, herdruk 2010.







De database wordt beschermd door het auteursrecht ©opleid.info 2016
stuur bericht

    Hoofdpagina