Elise van calcar



Dovnload 0.55 Mb.
Pagina1/9
Datum24.07.2016
Grootte0.55 Mb.
  1   2   3   4   5   6   7   8   9
FREDERIK FRÖBEL

ELISE VAN CALCAR

Biografie
Voorwoord

Wie het heden wil begrijpen, moet eerst het verleden leren kennen. Slechts uit wat vroeger was, laat zich verklaren, wat thans is, en aan geen sterveling wordt het gegund een klare blik op de toekomst te slaan, die zijn oog niet gevormd en gescherpt heeft door ernstig en aanhoudend onderzoek naar de weg die achter ons ligt.

Ieder mens, ieder volk — de hele mensheid is wording — en ik geloof niet, dat er een ander middel is om recht te verstaan wat geworden is, dan alleen door na te sporen hoe het geworden is.

Het is deze overtuiging die mij noopt uw aandacht te vestigen op een klein kind en zijn eerste voor de wereld onbeduidende lotgevallen, terwijl de titel van dit boek u het leven en streven van een man belooft.

In de kiem rust de toekomst — in het zaad sluimert de vrucht — in het kind woont de man — in de volheid en de kern van zijn individualiteit, met al de voorraad van zijn gaven en krachten voor tijd en eeuwigheid; nochtans zal die inwendige, die sluimerende wereld bepaald en gewijzigd worden door de wereld, die buiten hem woelt en streeft, en die even belemmerend als begunstigend, even verminkend als veredelend op hem inwerken kan.

Want dit is de grootheid en de kleinheid van de mens — dit zijn heerlijkheid en zijn ellende, dat terwijl de omstandigheden hem binden en doordringen en stempelen met duizend invloeden, die hij niet bij machte is te weerstaan of weg te nemen — tegelijkertijd een hogere kiem, zijn eigenlijke ik, zich in hem ontvouwt en zich versterkt en vormt, ondanks en vaak door middel van die banden zelf, om hem eindelijk als overwinnaar de boeien los te doen rukken, de uiterlijke omstandigheden te onderwerpen en de zedelijke vrijheid van de geest te veroveren op al de machten, die hem tegen stonden.

Deze innerlijke bevrijdingsstrijd wens ik u te schetsen in de worstelingen van een man, die door God opgedragen was om door zijn overwinning velen te bevrijden, en lang nog voort te werken nadat hij is gestorven.

Elise van Calcar


I

HET KIND THUIS EN OP SCHOOL



Zie, daar ligt een vrouw ziek te bed, in de eenvoudige pastorie van het dorp Oberweissbach in het Thuringerwoud; een slepende ziekte ondermijnt haar krachten, sinds zij het leven gaf aan haar vijfde zoon. Het is een kind der smarte; de droefheid hangt haar sluier over het wiegje van de zuigeling — maar hij sluimert zacht, al treedt de dood tussen hem en die moeder, die hem nog eenmaal wenst te zien en aan het hart te drukken, dat straks zal stilstaan. Zij vouwt plechtig de handen over het kleine hoofd, slaat de brekende ogen nog eens als met vernieuwd levenslicht ten Hemel — zij draagt haar lieveling op aan haar God — kust hem mond en voorhoofd, en die kus en die zegenbede, dat is al haar nalatenschap aan hem. En toch ziet zij het kind aan zo kalm, zo gerust, als had een engel Gods hem uit haar armen opgenomen en hem voor heel het leven bescherming toe gezegd.

In een brief over zijn harde kinderlot sprekende, zegt Fröbel: "op hetzelfde ogenblik, waarin mijn stervende moeder mij haar hoogste zegenbede op voorhoofd en lippen kuste, aanvaardde de wereld mijn teder, voor alle indrukken zo licht toegankelijk wezen, om mij op te nemen in de levensstrijd met al zijn ellende, verdorvenheid en wangestalten; maar de zegen van mijn stervende moeder bleef op mij en de beschermengel, die haar laatste bede voor mij afsmeekte, wandelde bij en met mij".

Weinig dagen zijn voorbijgegaan, en er is al zoveel veranderd. Wanneer de dood op de drempel van een woning verschijnt, dan is het alsof geheel het huiselijke raderwerk van streek raakt en alles stil moet staan — maar nauwelijks is hij voorbijgegaan of de bedrijvigheid herneemt met verdubbelde spoed haar rechten en de ene dag stuwt de andere dag weer voort, zoals de ene golf steeds de andere verslindt.

De moederloze knaapjes gaan naar school als voorheen; hun vader, Joh. Jac. Fröbel, de leraar der gemeente, herneemt zijn ambtszorgen, die vele zijn, daar hij herder is over ongeveer 5000 zielen, die over een uitgestrektheid van 6 à 7 uren zijn verspreid. Behalve de veelvuldige arbeid, die uit een zeer ijverige en nauwgezette waarneming van zijn plichten als herder over een zo talrijke kudde voortvloeit, plichten die voor de geestelijke in die dagen, grote omvang hadden — roepen nog andere bezigheden hem gedurig van huis. Onder andere was het toezicht over de bouw van een grote kerk hem opgedragen.

Is het een wonder, dat de huishouding van een man, die nooit zich met de bijzonderheden van het huisbestuur of met de verzorging van de kinderen had hoeven te bemoeien en daarvoor weinig oog had, al spoedig begint te lijden onder het gemis van een liefderijke zorgende moeder, van een trouwe huisvrouw? Voornamelijk weegt al de druk van deze ramp op de tedere zuigeling, die nauwelijks negen maanden telde, toen hij aan vreemde verpleegsters werd overgeleverd, die deze taak niet al te ernstig opvatten, en zich naar haar bijzondere bedoelingen, de gedurige afwezigheid van de heer des huizes ten nutte maakten.

Gelukkig hadden de vier broers, hoe jong en hulpbehoevend ze zelf ook nog waren, de kleine Frederik zeer lief, en hun lustige spelen en hartelijke liefkozingen, als zij thuis kwamen, waren de enige zonnestralen op het kwijnende kinderleven, dat dagelijks uren lang zich voortsleepte in eenzaamheid en verveling, aan alles gebrek lijdende, wat tot krachtsinspanning en bedrijvigheid had kunnen uitlokken; een ware marteling voor de jonge ziel, die in de eerste levensjaren zo begerig rondtast naar voedsel, naar gemeenschap met de wereld daarbuiten, waaraan zich onze innerlijke wereld opbouwen moet.

Maar de ware balsem des levens — de vreugde — die zoetste vreugde van zich geliefd en verzorgd te voelen, ontbrak aan ons weesje, en een gedrukte stemming en een verdrietig gelaat maakten het knaapje weinig aantrekkelijk voor de vader, die door dit ziekelijke kind, altijd zo smartelijk herinnerd werd aan de zware slag, die zijn huis en zijn hart hadden getroffen.

Toen Frederik zijn vierde jaar was ingetreden, gebeurde er echter iets, dat hem geheel scheen te zullen opheffen uit de droefgeestigheid en kwijning, waarin veronachtzaming en gebrekkige lichamelijke verpleging hem gedompeld hadden. Zijn vader besloot te hertrouwen en veel werd hem nu verhaald van de nieuwe moeder, die hem zou liefhebben en dag en nacht voor hem zorgen en altijd bij hem blijven zou. Ongekende aandoeningen van blijdschap en hooggespannen verwachting doorstroomden het teergevoelige kinderhart; met ongeduld vroeg hij telkens: wanneer die lieve moeder toch zou komen! O, voorwaar een heerlijke feestdag moest dat zijn als het moederloze kindje voor het eerst zou kunnen schuilen in het beste hoekje voor een kind en zich gekoesterd voelen aan een liefhebbend hart.

Op vergevorderde leeftijd herinnerde Fröbel zich nog al de bijzonderheden van de aankomst der nieuwe moeder, hoe hij haar met al de schat der tederste kinderlijke liefde tegemoet snelde en zich bij haar aansloot als degene, die hij nu zolang verwacht had.

Alle huisgenoten waren levendig getroffen door de verbazende verandering, die met het stille, eenzelvige kind had plaats gegrepen, en de nieuwe moeder voelde zich niet weinig gestreeld door de liefde van een jongske, dat anders zijn gunsten niet voor een ieder veil had. Zij beantwoordde zijn kinderlijke toewijding met oprechte toegenegenheid en zichtbaar won het kind met iedere dag in gezondheid, kracht en opgeruimdheid. Het bloesemknopje door de nachtvorst verschrompeld, was nog op tijd door de lentezon bereikt en ontplooide zich zo bevallig, dat het scheen alsof de vrucht niet veel beschadigd zou zijn door de eerste nood lottige invloeden.

Gedurende een jaar ongeveer ontvouwden zich de ziels- en lichaamskrachten van het kind op een bewonderenswaardige wijze; het was alsof hij al hetgeen zijn ontwikkeling vroeger ten achter was geraakt, geheel inhalen en te boven komen zou. Maar neen, de smart die aan zijn wiegje neerstreek, had hem maar een korte tijd verademing gegund, en haar rouwfloers was weer dreigend over het spelende wichtje opgeheven, om hem straks nog dichter te omhullen en neer te buigen.

De nieuwe moeder zou inderdaad moeder worden. Frederik begroette met de oprechtste vreugde een broertje, dat de rijkdom en het geluk van zijn liefhebbend hart aanvankelijk nog verhoogde.

Maar nauwelijks is de jonge moeder tot de huiskamer wedergekeerd, of het komt de kleine Frederik voor, alsof zij een geheel ander mens is geworden, dat hem niet meer herkent. Zijn liefkozingen vervelen haar, zijn tegenwoordigheid is haar spoedig te veel — hij moet altijd weg — en mag hij blijven, dan heeft zij oor noch oog voor hem; zij ziet niets dan haar zuigeling en voor het jongetje, dat nog zo grote behoefte had aan de tederheid van koesterende moederzorgen, heeft zij geen hart, geen belangstelling meer. — Zij duldt hem, maar ziet zijn bijzondere belangen en behoeften geheel over het hoofd en de geurige bloemkelk van dat rijke warme kinderhart, die zich zo liefelijk reeds opende, sloot de tedere blaadjes pijnlijk weer toe, als door de winterkou bestorven.

Van nu aan zag men het kind zijn oude droefgeestige houding, weemoedige blik en grote stilzwijgendheid hernemen. Zijn tweede moeder was voor hem gestorven, toen zij het leven gaf aan haar eigen zoon; haar hart was te klein voor meer dan één liefde! — Wat de kloof scherp aftekende, die haar bekrompenheid stelde tussen haar hart en het halve weesje, en die ook voor vreemde sterk in het oog deed vallen, was de gewoonte, die zij voortaan aannam, om het kleine kind, dat nauwelijks vijf jaren telde, in de derde persoon met U aan te spreken en hem nimmermeer het vertrouwelijke, hart en ziel verbindende "du" toe te voegen. Frederik kon zich nog geen rekenschap geven van zijn aandoeningen, maar het was hem sedert, alsof hij altijd alleen en verlaten was, of hij van heel de wereld was afgesneden en verstoten. Inderdaad was dit ook zo, want de tederste band van de samenleving, de heilige band, die het kind met de wereld doet samenhangen is de moederliefde, en deze was losgemaakt. Frederik’s hart werd hierdoor te dieper wonde toegebracht, nu hij het zoet van dat vertrouwelijk aansluiten, dat uiten, dat zich openen, in een woord, nu hij een zweem van moederliefde gesmaakt had.

De nieuwgeborene nam de aandacht en de zorgen van de ouders zo geheel in beslag, dat zij in het eerst de teruggang in Frederik’s ontwikkeling niet ontwaarden — en toen die zich zo onmiskenbaar vertoonde, dat zij elk in het oog viel, werd de schuwheid en droefgeestigheid van het teruggestote kind, hem als een schuld aangerekend.

"Wat kon de oorzaak anders zijn van zijn lusteloosheid en afgetrokkenheid dan jaloezie"? — Zo redeneerde de stiefmoeder — hij gunde haar kind niets — de wangunst verteerde hem — dat was een zeer lelijke karaktertrek — zijn vader moest het niet door de vingers zien — en hem bij zijn thuiskomst dat pruilen en dromen eens met een goed pak slagen afleren". De ondeugendste bedoelingen werden aan zijn eenvoudigste daden toegedicht en dat met zulk een schijn van waarheid, dat het bij de vader niet de minste twijfel over de strafbaarheid van het kind overliet.

De thuiskomst van de vader werd van nu af aan de nadering van het gericht en de scherprechter, in plaats van een vreugde voor het kind. Harde woorden en zware straffen vervingen de zonneschijn, die voorlang door dreigende wolken was verduisterd.

Neen, het was geen wangunst wat dat kleine hart beving — hij had het broertje zo innig lief — hij wilde alles van harte met hem delen en zo gaarne bij hem zijn. Het was iets geheel anders. Hij had zijn moeder mogen toeroepen, wat de wanhopende Ezau tot zijn vader sprak: "mijn vader, hebt gij niet meer dan één zegen! — mijn vader zegen ook mij". — En als het knaapje de blik niet afwenden kon van het wichtje, dat zo blij en dartel speelde op moeders schoot, zo zoet gekoesterd werd aan haar boezem — dan brak hij soms eensklaps zijn stilzwijgen af met de vraag: "Zou moeder die in de hemel is, mij ook wel op haar schoot genomen hebben"? — Wanneer een bars bescheid hem dan heen dreef, was het hem als voelde hij nog een ander antwoord, diep in zijn hart, en hij heeft in later leeftijd menigmaal betuigd, dat het hem was, als leefde hij met die onzichtbare moeder; hij sprak tot haar, en hij geloofde niet alleen, dat zij hem antwoordde, maar dat hij haar dikwijls gezien had. Hoe groter hij werd, zo te meer trachtte hij van zijn moeder te vernemen, en alle bijzonderheden, die hij van haar te weten kon komen, waren trekken van het beminnelijkste en liefderijkste karakter van een godvruchtige en weldadige vrouw. Dat beeld werd dus steeds met meerder heerlijkheid en liefelijkheid omstraald, en het wijdde het innerlijke leven van het kind tot een stille verering, die hem reine, ernstige en zachte aandoeningen schonk, die leven en warmte gaven aan het godsdienstig gevoel, dat vroegtijdig bij hem ontwikkeld, de beschermengel van zijn gevaarvolle kindsheid werd.

Zijn vader was een Luthers theoloog van de oude stempel, die hoewel hij alle kennis en wetenschap gering achtte bij de uitnemendheid des geloofs, toch naar vermogen met zijn tijd poogde mede te gaan. Hij hield er de beste tijdschriften op na, las wat er in zijn vak belangrijks uitkwam en toetste zorgvuldig wat hem daarin geboden werd. Iedere morgen en avond verzamelde zich het gezin tot de huiselijke godsdienstoefening en Frederik waren die uren van stille zielverheffing en aanbidding geheel zijn leven onvergetelijk. Al vroeg moest hij op Zondag tweemaal naar de kerk gaan en hij deed het graag. In de Sacristie gezeten, volgde hij met grote oplettendheid de hoog ernstige en mystieke preken van zijn vrome vader; niet enkel omdat hij verplicht was iets van het gehoorde te verhalen, maar omdat de sterk gekleurde en geheimzinnige beeldspraak van die voordrachten hem aantrok, en omdat hij meende daarin menige toespeling te vinden op de voorvallen van de dag en de ontmoetingen en ervaringen van zijn vader.

Met een diep geroerd gemoed nam Frederik zich gedurig voor recht vroom en braaf te zullen worden; maar ondanks deze oprechte godvruchtige gemoedsaandoening contrasteerde zijn gedrag vaak zeer met zijn voornemens. Viel hij weer in enig kinderlijk vergrijp dan liet zijn teder geweten hem geen rust; hij kon geen oog sluiten van angst voor de straffen van de hel, die ongetwijfeld zijn deel moesten worden.

Wat hem het meest deed struikelen was zijn rusteloze zucht tot bezigheid en onderzoek — zijn begeerte om de dingen te leren kennen. En daar zijn moeder geen begrip had van de levenseisen van zijn leeftijd, verzuimde zij hem van die voorwerpen te voorzien, die hem gepaste bezigheid en oefening zouden verschaft hebben. Hij mocht nergens aankomen. "Overal afblijven — de boel niet omhalen" was haar leus.

Was zijn hart teruggestoten en had het nu ook al zijn krachten in de diepste schuilhoek samengetrokken om inwendig met zich zelf en met het ideaal van zijn afgestorven moeder te leven, zijn geest streefde te vuriger naar voedsel, naar ontwikkeling, maar vond die niet; want alles werd hem onthouden, wat hem tot kloeke krachtsinspanning en kinderlijke bedrijvigheid uitlokken zou. Zijn vader kon zich zo weinig met hem bezig houden als zijn moeder — de oudere broers waren allen van huis gezonden — en de jongere broertjes en zusjes, die intussen het huis bevolkten, konden dat gemis niet vergoeden. Integendeel, zoals Frederik de lieveling van zijn eigen broers was geweest, zo was hij voor de nieuwe broers de steen des aanstoots. De onderdrukking maakt uitgelaten als de natuur zich wreekt. Frederik ging dus, als hij los kwam, ondanks zijn stilzwijgendheid en schuwheid, alle perken te buiten, daar hij een zeer levendig en prikkelbaar temperament had. Doch nu werd hij ook altijd als de enige oorzaak van alle rumoer en van elk ongeval der jongere kinderen beschouwd en gestraft.

Alles wat hem vermaakte of gepaste bezigheid schonk moest hij aan hen afstaan en weder was het wachtwoord: "Stil zijn en nergens aankomen". Dit was echter even goed als hem alles tot de begeerlijke verboden vrucht te maken. De lust om alle voorwerpen, die hem omringden van nabij te bezien en te betasten werd zo ontzettend geprikkeld door die gestadige strijd van alles afnemen en weer opbergen, zonder iets anders te verschaffen, dat hem bezigheid geven kon, dat onze rusteloze natuurvorser dagelijks voor de verzoeking bezweek. Deze geheel onbestuurde lust om alles te leren kennen, open te maken en van zijn plaats te halen, stortte hem in alle mogelijke kinderrampen en deed hem alles bederven, wat onder zijn bereik kwam. Geen straf, geen bedreiging hoe zwaar ook, waren in staat zijn ondoofbare aandrift tot werkdadig onderzoek te beteugelen. Wel verre van te verstaan wat de eisen van dit werkzame karakter en de rechten van deze leeftijd waren, zagen zijn ouders in deze onweerstaanbare aandrift niets anders dan moedwil en boosheid. En toch hadden zij zo licht tot de opmerking kunnen geraken, dat het levendige en opmerkzame kind in zijn enge opsluiting wel tot het onderzoek van zijn naaste omgeving gedwongen was, zou zijn ontwakende geest althans enige werkzaamheid vinden.

Er was in het sombere, van alle zijden door gebouwen, schuttingen en muren omgeven ouderhuis niets, wat een jong kind kan boeien en daarbuiten was al even weinig. Hij had niet eens een vrij uitzicht, wat voor een kind zo weldadig is. Kort voor het huis stond de kerk en achter het huis beperkte de steile rotswand van een hoge berg het gezicht over de moestuin. Slechts naar de hoogte werd hem een vrije blik gegund, en hij verzuimde niet het oog vroegtijdig naar de blauwe hemel te wenden, die in de bergstreken zo bijzonder klaar en vrolijk kan zijn; de vreugde, welke die blik en het ruisen van de frisse berglucht hem in de kleine hoog ommuurde tuin schonk, bracht hem soms in een soort van verrukking, die hem in hoge ouderdom nog heugde.

Eensklaps werden Frederik’s ouders aangegrepen door de zucht, om hun huis te vergroten en te verfraaien. Gedurende een geruime tijd kwamen allerlei ambachtslieden een werkplaats in de pastorie opslaan, en voor het opmerkzame, peinzende kind ging niets verloren.

Wat was dat een ongekende vreugde, als hij dan op zijn wijze bij iets behulpzaam mocht zijn. De inspanning van zijn krachten werkte opwekkend en vrolijkten hem op. Ook werd hij nu zo groot, dat hij bij vaders liefhebberij "het werken in de tuin" mocht meehelpen, en van toen aan werd de natuur met de rijkdom der planten- en bloemenwereld hem een voorwerp van gestadige waarneming en overpeinzing.

Met vreugde ontdekte het oplettende kind, dat bij gebrek aan andere dingen, zich zelf zo vroeg reeds bestudeerde —hoe hij door zijn kinderlijke arbeid, niet alleen veel dingen leerde kennen, maar ook dat hij sterker werd. Wat hij in het eerst niet kon tillen, droeg hij weldra weg, en nu had zijn werklust twee nieuwe drijfveren gekregen. Al ontbrak het hem ook nog altijd aan genoegzame uiting en levensgemeenschap met de zijnen, zijn gemoed had de drie hoofdbronnen gevonden, waaruit ons innerlijk en uiterlijk leven van kindsbeen aan gedrenkt moet worden — de godsdienst, de natuur en de arbeid.

De knaap mocht echter niet langer zo doelloos rond­lopen, meende zijn stiefmoeder — hij moest aan het leren! dat wil zeggen hij moest beginnen aan het minst belangwekkende van alles wat hij tot nog toe had gezien.

Frederik kreeg dan het abc-boek! Maar daar kon hij niet mee overweg. Zijn geest raakte onmiddellijk in strijd met de oude sleurgang van het onderwijs, een strijd die hij tot aan zijn einde heeft voortgezet. Zijn vader was een verdienstelijk en ervaren onderwijzer voor grotere kinderen, maar dat eerste onderwijs van Frederik viel de meester even bang als de leerling, die zich daarbij voor eens en voor goed, de naam van een grote domkop verwierf.

Eindelijk kwamen dan toch de letters in het hoofd en het kind begon te lezen, maar de ontmoedigde vader besloot voor het verder onderwijs geen tijd aan hem te vermorsen en hem eenvoudig naar de dorpsschool te zenden.

Het schijnt dat Ds. Fröbel zijn redenen heeft gehad om zijn kleine, vreemdsoortige Frederik niet op de gewone jongensschool te plaatsen; althans, zonderling genoeg, treffen wij het achtjarige knaapje op de meisjesschool aan, waar hem wederom afzondering en uitsluiting wachtte. De meester oordeelde het niet betamelijk, hem in de klas van de meisjes van zijn leeftijd in te delen en gaf hem een afzonderlijke plaats naast zijn hoge lessenaar, in de nabijheid van de grootste meisjes. Hoe dom Frederik door de zijnen ook bevonden werd, de meester stond verbaasd over zijn ongemene kennis van de bijbelse geschiedenis, wel het voornaamste leervak van de scholen te dier tijde. Immers kerk en school stonden in die dagen in een onmiddellijk verband, en werkten eenparig op de zedelijke en godsdienstige vorming van de leerlingen in. De schoolkinderen hadden afzonderlijke plaatsen in de kerk, waar zij door iedereen gezien konden worden, en moesten regelmatig naar de kerk komen en daar zedig en stil aanwezig zijn. Zij moesten op maandag in de school naar vermogen verslag te doen van het gehoorde, voor het minst enige door de leraar aangevoerde bewijsplaatsen of de opgegeven liederen kunnen opzeggen.

Wat de grootste leerlingen op deze wijze opgezameld hadden, moesten zij de kleinere meedelen, door het hun zo lang voor te spreken, tot zij het allen goed uit het hoofd konden opzeggen. De grootste meisjes waren daarmede iedere dag om de beurt enige tijd bezig.

Frederik kwam dan op Maandagmorgen voor het eerst in de school, juist toen de meisjes met het aanleren van de zondagsspreuk zouden beginnen.

Onbeschrijfelijk was de indruk die het binnentreden van deze ordelijke, zindelijke school op het gemoed van het kind maakte, dat voor alle goede en schone aandoeningen zo ontvankelijk was. Verraste hem de aanblik van die schaar van netgeklede meisjes, die met stille bevreemding, maar toch met vriendelijke glimlach het bedeesde knaapje met een hoge blos zagen binnentreden, al die vriendelijke ogen en welwillende gezichtjes gaven hem moed, en in gespannen verwachting nam hij plaats op het aangewezen bankje.

Er heerste een plechtige stilte in de schoolzaal en lieflijk klonk hem het zangerige geluid van het koor dier zachte meisjesstemmen in de oren, als zij gelijkmatig en eerbiedig de spreuk herhaalden, haar door een enkele stem voorgezegd.

De spreuk, die gedurende die gehele week iedere morgen herhaald werd, was dat schone woord van Christus: "Tracht eerst naar het Koninkrijk van God en zijn gerechtigheid te zoeken, en alle dingen zullen u worden toegeworpen".

Deze woorden zonken zo diep in de kinderlijke ziel, dat Fröbel veertig jaren daarna getuigt: "Deze spreuk maakte een zo buitengewone, zo machtige indruk op mijn gemoed, als nimmer voor of na die tijd enige spreuk bij mij verwekt heeft; ja zo sterk en blijvend grepen die woorden mij aan, dat het mij heden nog is, als hoor ik ze op die eigen toon mij woord voor woord weer toegezongen". "Wellicht", zegt Fröbel, "rees er in het eenvoudige kinderhart toen reeds een onbestemd voorgevoel, dat in dit schone woord de richtsnoer en het heil van mijn leven lag en vloeide daaruit die diepe overtuiging, die de worstelende strijder tot een bron van ondoofbare moed werd en hem de kracht gaf om steeds met bereidvaardigheid en vreugde elk offer te brengen. Genoeg — de opname in die school beschouw ik als de wijding, ja de geboorte tot een hoger geestesleven".

De meester was bijzonder met de knaap ingenomen, die zich spoedig zeer gunstig onderscheidde, zowel door zijn eerbiedige aandacht als zijn helder inzicht. Hij deelde alras zoveel mogelijk het onderwijs van de grote meisjes, voornamelijk in twee punten — de bijbellezing en het van buiten leren van een van in de kerk gezongen liederen.

"Onder de gezangen die ik leerde", zegt Fröbel, "waren er twee die als heldere morgensterren in de bewolkte, kille ochtendschemering van mijn eerste kindsheid blonken. Zij werden mij tot levenszangen, omdat ik daarin mijn eigen kleine leven afgespiegeld vond, en de inhoud greep zo diep in mijn hart, dat ik mij in later dagen menigmaal nog gesterkt en verkwikt heb aan hetgeen daarin mijn gemoed geschonken was. Het ene is: "Schwing dich auf mein Herz und Geist", en het andere: het lied van Christ. Fr. Richter.
Es kostet viel, ein Christ zu sein,

Und nach dem Sinn des reinen Geistes leben,

Denn der Natur geht es gar sauer ein, Sich

immerdar in Christi Tod zu geben;

Auch ist's mit Einem Kampf, den wir volbracht,

Nicht ausgemacht, nicht ausgemacht.


Auf, auf, mein Geist, ermüde nicht, Dich aus

der Nacht der Finsterniss zu reissen,

Was sorgest du, dass dir's an Kraft gebricht?

Bedenke, was für Kraft uns Gott verheissen!

Wie gut wird sich's doch nach der Arbeit ruhn,

Wie wohl wird's thun! wie wohl wird's thun!

Doch hoe weldadig de schooluren op Frederik’s toestand inwerkten, zij gaven hem toch de treurige ervaring, dat het elders beter was dan thuis. De tegenstelling van zijn geluk in de school en van zijn aanhoudende vervolging thuis, kwam tot een smartvol bewustzijn, en hij begon heimelijk zijn broers gelukkig te prijzen, die op een andere plaats werden opgevoed.

Daar de school geenszins zijn werk- en weetlust bevredigde of zijn ontwakende geesteskrachten voldoende inspanning gaf, zette hij op eigen ge-legenheid steeds zijn natuur- en werktuigkundige nasporingen voort, op al wat hij maar machtig worden kon, proeven die ongelukkig nog altijd van een ontledende aard waren, en hem de geduchte straffen van zijn stiefmoeder en het ongenoegen van zijn vader op de hals haalden. De maatstaf die bij deze straffen werd gebruikt, was een gewone, maar zeer verkeerde. Zijn daden werden beoordeeld naar haar toevallige gevolgen, niet naar haar zekere beginselen. Zulke straffen zijn aller nadeligst voor het kind, dat al het onrecht weegt, hem hierdoor aangedaan, en bij iedere straf dus meer eerbied en vertrouwen verliest, meer wrok vergadert. Konden echter de zwaarste straffen de behoefte aan werkzaamheid niet in zijn hart doven, zij misten haar noodlottig uitwerksel niet — zij leerden hem het geweld te ontduiken door de list — door achterhoudendheid en eindelijk door onwaarheid.

Vielen zijn proeven goed uit, dan bleven zij ongestraft, maar verongelukte enig voorwerp onder zijn rusteloze handen, dan was hij strafbaar en, terwijl hij zwichtte onder de harde kastijding, verfoeide hij al het onrecht van deze willekeurige handelwijze.

Onedele mensen, die het oog op de ongelukkige verhouding van het kind tot zijn stiefmoeder opmerkten, lieten niet na ongunstig op hem te werken en hem tegen haar op te zetten, maar een natuurlijk instinct, een zeker onbestemd gevoel van afkeer, dreef hem van die lieden terug; hij ontweek ze waar hij maar kon met verachting voor hunne lage inblazingen; want was hij schuchter en achterhoudend geworden, het lage en boosaardige vatte nimmer post in deze grootmoedige ziel. Nooit zou hij bij voorbeeld zijn broers beschuldigen, of zich tegenover anderen beklagen over het ongelijk hem aangedaan.

Doch al deze jeugdige levenservaringen droegen niet weinig bij om in zijn ziel een fierheid en zelfgenoegzaamheid te kweken, waarbij zijn eigenliefde soms haar rekening maakte en de grond werd gelegd tot die zekere onverzettelijke stijf­zinnigheid en ijzeren volharding bij eigen inzien en eigen waarneming, die hem de kracht gegeven heeft om ten einde toe te volharden op zijn moeitevolle baan, maar hem soms ook een minder aangenaam mens voor zijn medestanders moest maken, die hij bij verschil van mening, geen haarbreed toegeven kon.

Grote mannen hebben vaak de gebreken van hun deugden, en wat ontaardt lichter in overmoed dan de moed, wat slaat lichter tot hardnekkigheid over dan de volharding?

"Van mijn tederste jeugd af,” schrijft Fröbel in een van zijn brieven, "werd ik als met geweld gedrongen tot mij zelf in te keren, mij inwendig samen te vatten.

Daar er voor mij in mijn huis geen ruimte voor enige ontwikkeling bestond, trok mijn geest al zijn krachten bijeen en mijn boezem was gelijk aan een windroer, waarin de jager de lucht heeft samengeperst".

II

BLIJVENDE INDRUKKEN


Wanneer wij op onze eigen levensontwikkeling terugzien en nagaan, door welke hulpmiddelen zich onze innerlijke vorming bewerkstelligd heeft, dan zullen wij menigmaal waarnemen, dat het niet altijd de door onze opvoeders opzettelijk voorbereide pogingen geweest zijn, die ons het meest in de ziel grepen en aanspoorden, maar vaak verborgen drangredenen, die niemand begreep en invloeden, die als toevallig op ons inwerkten en soms niet eens door onze opvoeders opgemerkt werden. Het was een voorval op de straat — het was een verhaal dat gans niet tot ons gericht werd — een woord dat wij als in het voorbijgaan opvingen — het was de ontdekking van een waarheid, die ons te meer aantrok, omdat men haar voor ons poogde te verbergen — het was een indruk, die vluchtig ja bliksemsnel over ons voorbijging, maar die een blijvend beeld in onze ziel achterliet.

Het waren dan ook niet zozeer de vele vermaningen en godvruchtige onderwijzingen, die Frederik’s gemoed het diepst bewogen, maar wat op die tijd hem het machtigste aangreep was een gevolg van de toevallige omstandigheid, dat hij de stille getuigen van vele ontmoetingen en gesprekken zijns vaders was.

Een knaapje tussen acht en elf jaar, klein en teer van gelaat en gestalte, zich schijnbaar bezig houdende met een boek of enig schrijfwerk, scheen geen belemmering voor de bezoekers der pastorie, die hun hart voor de hoog vereerde en vertrouwde leraar kwamen uitstorten en hem raad vroegen in hun moeilijkste omstandigheden; en het schijnt dat de predikant het kind zoveel mogelijk bij zich op zijn studeerkamer hield, om ongenoegen te voorkomen.

Intussen luisterde dat jonge onopgemerkte kind met al de scherpe oplettendheid van een weetgierige doordringende geest, die nog geheel vreemd was aan de wereld met haar verhoudingen en verwikkelingen. Elk van de bezoekers was voor hem als een spleet in het voorhangsel, dat hem het leven verborg — elk van deze gesprekken werd voor hem als een verrekijker, waarmede hij de wereld bespieden en waarnemen kon.

En wat kreeg hij in dit observatorium te zien? De vader mocht de biechteling toewenken, dat hij gerust voort kon spreken, overtuigd als hij zich achtte, dat die domme jongen niets begreep — de biechteling mocht in bedekte termen spreken — het kind vergat geen woord, onthield het meest die enkele raadselachtige bewoordingen, die men bezigde om hem van het spoor te brengen, zo hij soms mocht luisteren — en hij verwerkte al het gehoorde naar eigen behoefte.

Het was de sombere nachtzijde van het leven, die zich met zwarte trekken aan de kinderlijke ziel openbaarde. — Het was de klacht van een zwaar beproefde moeder over een losbandige zoon — het was de belijdenis van een verborgen afdwaling, de bekentenis van een diepe val — het was de wroeging, de vrees, het naberouw, de wanhoop, die hier beurtelings het woord voerden, terwijl de ernstige, ja gestrenge leraar, nu eens met de onverbiddelijke eisen der goddelijke wet, dan met de vertroosting der genade op deze verontruste gemoederen poogde te werken.

Hadden altijd de beeldsprakige en schriftmatige gezegden des vaders het leergierige kind tot nadenken opgewekt, om toch naar de ware zin van die klanken door te dringen, nu hij diezelfde bewoordingen, die hij uit preken, catechisatie en huisgodsdienst reeds zo vroeg gehoord had, in het leven zag gebracht, streefde hij naar de kennis, het zuivere begrip der bedoelde zaken.

Inderdaad behoort er een grote oplossende kracht toe om de oud-kerkelijke uitdrukkingen van die dagen voor een jong kind verstaanbaar te maken. Doch waar later soms de mannenkracht te kort schiet, daar dringt vaak de levensvolle aandrift van een eenvoudig nadenkend kinderhart in door, als de geest in alles naar oorzaak en samenhang begint te vragen. Al vroeg richtte zich Frederik’s denken daarheen om het denkbeeld, het begrip uit de zeer ingewikkelde woorden en beelden uit te vinden — de steen te kraken om de pit te bezitten — de schelp te openen om de parel te bezien. Hij merkte op hoe hij dezelfde uitdrukking in allerlei verbindingen gedurig hoorde wederkeren met geringe wijziging en peinsde er zolang op tot hij het bedoelde begrip klaar en zuiver uit de schaal te voorschijn zag springen. Groot was dan zijn vreugde als hij weer op enig punt tot klaarheid was gekomen.

Bijzonder boeide hem de zo dikwerf onder allerlei vormen herhaalde eisen van het Evangelie: als "Christus een gestalte in ons verkrijgende". "Christus in ons wonende". "Christus in ons levende". — "Christus te volgen". — "In Christus te

zijn" — "in Christus op te wassen", enz.. Deze uitdrukkingen traden bij zijns vaders ijver voor leer en leven aanhoudend op de voorgrond en wat de kinderlijke ziel aangrijpt, dat vervult haar ook geheel; het kind kent geen beperking, en daar hij die eis in zijn volheid in zich opnam, wilde hij ook de vervulling geheel en volkomen.

Deze ernstige gedachte woog met al haar hoog gewicht, maar ook met hare moeilijkheid zo zwaar op de kinderlijke ziel, dat hij de vervulling daarvan ten ene male onmogelijk vond — en toch — het moest geschieden! De tegenstrijdigheid van een noodwendigheid en een onmogelijkheid maakten hem soms wanhopig. Fröbel herinnerde zich later nog zeer goed het plekje, waar hij nederzat om dit benauwend punt te bewenen, en waar hij tevens tot een gedachte kwam, die hem rust gaf, namelijk deze: dat de ontzettende moeilijkheid om het leven van Christus te leven niet daaruit voortvloeide, dat hij, een kind, een mens was, maar daaruit dat hij de rechte weg daartoe nog niet wist in te slaan. Al zijn streven werd van nu aan daarop gericht om de weg te zoeken om met Christus en voor Christus te leven.

De vrees voor de hel en het eeuwige oordeel, die zijn geest een zeer geruime tijd beklemd had, kwam hij allengs peinzende te boven, toen hij uit de gesprekken zijns vaders tot troost voor boetvaardige zondaren op een, voor zijn kinderlijk gemoed bevredigende wijze, het besluit durfde trekken, dat hij toch niet in de hel zou komen, maar dat er ook voor hem een plaatsje in de hemel zou zijn.

Een andermaal hield hij zich sterk bezig met de bepeinzing van hetgeen hij door enige bekrompen lieden over de ondergang der wereld had horen verhandelen, die zij meenden dat zeer dicht op handen moest zijn. Deze gedachte baarde hem echter weinig vrees en spoedig kwam hij dit schrikbeeld geheel te boven. Hij voelde duidelijk en klaar dat de gehele aarde met al haar bewoners een bestemming had, die zij eenmaal moest bereiken, en dat zij niet kon ondergaan voor zij die volbracht zou hebben. "Eerst moeten de mensen de volmaaktheid bereikt hebben", zei hij met vastheid, "eerder kan de aarde niet vergaan", en daar was hij gerust op. "Deze gedachte aan een te bereiken doel, keerde in mijn verder leven onder allerlei vormen en in velerlei toepassing gedurig terug", zegt Fröbel, "en gaf mij vaak rust, vastheid, volharding en moed".

Bij de omstandigheden, waaronder Frederik in zijn eerste jeugd opwies, hadden zinnelijke prikkels vroeg en sterk op hem gewerkt en waren daarom een voorwerp van zijn onderzoekend nadenken geworden — al zeer spoedig kwam hij tot de overtuiging, dat alle zinnelijke geneugten ons niets blijvends, niets bevredigends kunnen geven en dat ze daarom niet verdienen nagejaagd te worden.

Hij sloeg zijn zoekend oog in het verwarde, verscheurde, bezwaarde mensenleven, en vond als oorzaak van bijna al de ellende: de zinnelijkheid, de lusten des vleeses. Was niet doorgaans de aanleiding tot de herderlijke vermaning: gebrek aan zelfbeheersing tegenover de kracht der driften?

De wijze waarop hij zijn vader dan hoorde spreken van verkeerde echtelijke verhoudingen en verbode liefdesbetrekkingen, gaf hem de indruk, dat deze zaken tot de allerzwaarste en smartelijkste lasten en worstelingen van het menselijk bestaan behoorden, en in zijn kinderlijke eenvoudigheid voelde hij er een diep leedwezen over, dat de mens alleen, naar zijn mening, onder de schepselen aan zulke kwellende geslachtsbetrekkingen prijs gegeven was, waarin het zo ontzettend moeilijk scheen de rechte weg te houden.

Zo door alles wat hem omgaf, uit het uitwendig op het inwendig leven der mensen heengevoerd, openbaarde zich reeds vroeg dat leven in zijn verborgen drijfveren, met zijn verholen strijd en smart, en ontwaarde hij steeds meer de samenhang van zaken en woorden, van daden en bedoelingen — zonder dat hij in zich of om zich iets bevredigends, iets verzoenends kon ontdekken, en hoewel deze schone ziel reeds een onbestemde behoefte aan eenheid en harmonie gevoelde — kon zij nog niet meer dan de onverenigbaarste tegenstellingen, de onverzoenbaarste strijdigheden opzamelen.

Frederik zal ruim tien jaren oud geweest zijn, toen in het voorjaar zijn oudste broer Christoffel, student in de theologie, enige tijd in de ouderlijke woning kwam door brengen.

Het waren feestdagen voor Frederik, en gaarne vergezelt hij die hoogvereerde broer op zijn wandelingen, die hem een engel der vertroosting scheen, hem begreep en tegen menig onrechtvaardige bejegening in bescherming nam, omdat hij bij al de kinderlijke gebreken, de schone en goede zijde van dit miskende en onderdrukte karakter duidelijk zag doorstralen. Daar de kruiden en bloemen uit de hof der pastorie Frederik’s liefste speelgenoten tot hiertoe geweest waren, trokken ook alle nieuwe verschijnselen uit de liefelijke en bevallige plantenwereld zijn belangstelling, en hij bestormde Christoffel met allerlei vragen. Vooral waren het thans de fraaie purperdraden van de bloeiende hazelaars, die hem in verrukking brachten. Christoffel onderrichtte hem op edele en bevattelijke wijze omtrent de geslachtsverhouding der planten, zonder te vermoeden welke lichtstralen hij daardoor in deze naar kennis en waarheid dorstende ziel stortte.

"Nu werd mijn gemoed aanmerkelijk bevredigd", verhaalt Fröbel — "want de bloesems leerden mij datgene, wat ik als een ellende beschouwd had, in de stille, liefelijke, reine bloemenwereld, met een geheel ander oog gadeslaan — namelijk als een schone door de hele schepping heersende inrichting. Van nu aan waren in mijn oog mens en natuur, gemoed en bloemenleven innig verwant — en nog zie ik mijn bloeiende hazelaars, hoe zij als met de vinger van een engel mijn ogen opende voor de tempel der schepping. Ik had gevonden wat ik behoefde: bij de kerk moest ik de natuur — bij het Christelijk godsdienstig leven moest zich het leven der schepping aansluiten — naast de door hartstochten en vijandschappen bevlekte en verscheurde mensenwereld, moest ik de vreedzame, tedere en reine plantenwereld leren waarnemen".

"Het was mij, als had ik het kluwen van Ariadne gevonden, dat mij door alle war- en dwaalwegen der levensverschijnselen het spoor zou laten vinden, en een meer dan dertigjarige omgang met de schepping, heeft mij de natuur steeds meer leren kennen als een spiegel, ja ik kan wel zeggen, als een beeld van het mensenleven, zelfs in zijn hoogste geestelijke betekenis. Inzonderheid was de bloemen- en boomwereld voor mij leerrijk.

Bewonderenswaardig om de diepte en rijkdom der betekenis is het mij steeds, als de H. Schrift ons spreekt van een boom des levens, en van een boom der kennis des goeds en des kwaads. Hoe kenschetst ons dit de ware natuur van al het goede en kwade. Hoe veel ik uit de kristalvormen en stenen ook leerde, nergens was de taal der schepping mij zo duidelijk en klaar als in de liefelijke vreedzame plantenwereld".

De wijsgerige kritiek begon in die dagen de leerstellingen der kerk in strenger ogenschouw te nemen. De jonge theologiestudent bracht een verdachte reuk van ketterij mede in de pastorie en menigmaal kwam het tussen vader en zoon tot warme woordenwisseling.

De oude Fröbel was zeer heet gebakerd en wist niet van toegeven, en Christoffel, hoe zacht en bescheiden ook van aard, scheen thans even onverzettelijk als zijn vader, en met bloedrode wangen en schitterende ogen stonden vaak de beide mannen in hete strijd tegenover elkaar.

Frederik, die zoiets nooit had bijgewoond, zat alle dagen met stille verbazing te mijmeren bij deze strijd van twee mannen, die hij beiden zo hoog vereerde. Het kwam hem voor alsof hij wel iets begreep van datgeen, waarover zij worstelden, en of zij elkaar soms ongelijk aandeden. Nu eens vond hij dat zijn vader gelijk had, en dan weer, dat er in de zienswijze van zijn broer iets scheen te liggen dat niet minder waar was, maar niet zo onverenigbaar met het gevoelen van zijn tegenstander, als beiden schenen te vinden — en er ontwaakte in Frederik een onbestemd voorgevoel van deze grote waarheid: dat er in iedere mening enig deel van de waarheid te vinden is — en het is dikwijls, bij eerlijke strijders, ook de liefde tot dat deel, wat hen zo krampachtig aan hun mening doet vasthouden — want het is zo juist wat Fröbel aanmerkt, "waar ik later twee mensen over een waarheid hoorde strijd voeren, waren zij mij beide even behulpzaam om die waarheid recht te bezien, daar elk er slechts een zijde van bestreed of verdedigde. Ik koos dan ook als jong mens zeer ongaarne partij, en dit is mijn geluk geweest".

Na een kort verblijf zag Frederik zijn broer met diepe droefheid vertrekken, maar zijn ziel bleef hem aanhangen voor heel het leven. Het was deze edele broer, die door de Voorzienigheid bestemd was om op Frederik’s ganse ontwikkeling nog menigmaal een krachtige invloed uit te oefenen, en zelfs nog na zijn dood, werd deze hechte broederband het grote keerpunt in Fröbels loopbaan.

Na deze verademing door Christoffels opwekkende verschijning, scheen het jeugdige leven van onze Frederik nog moeilijker en knellender te worden; één vurige wens vervulde hem dag en nacht: weg te kunnen gaan — het huis uit, evenals al zijn oudere broers.

Wij zullen zien hoe deze begeerte tot vervulling kwam.


III

VRIJHEID
Een ander bezoek kwam Frederik weldra bemoedigen. De broer van zijn overleden moeder, de heer Hoffman, vertoefde enige dagen in de pastorie. Hij was ook Luthers predikant en Superintendent van Stadt-Ilem. In vroomheid en ijver was hij aan de oude Fröbel gelijk, maar in aard en levensopvatting zeer van hem onderscheiden. Fröbel was een enigszins eenzijdig streng volgens de wet levende en Hoffman een meer algemeen ontwikkelde evangelische man van een zeer zachtaardig, liefderijk karakter, heldere inzichten en gezonde onbekrompen levensopvatting. Het grote verschil, dat er tussen Fröbels tweede gade en zijn overleden zuster bestond, moest hem vooral diep treffen, die de afgestorvene onder al zijn betrekkingen het meest bemind en zo innig betreurd had. Kon het anders of zijn oog rustte met weemoed en belangstelling op het knaapje, dat zo vroeg haar tederheid had moeten mislopen? Met het sterke instinct van de kinderen voelde Frederik zich dan ook machtig tot die man aangetrokken. Hij wist het wel, dat deze trouwe ogen hem met goedheid en verschoning gadesloegen, en hartelijk sloot hij zich bij zijn oom aan, die zeer spoedig de valse en gewrongen toestand van dit arme kind onderkende. En toen Frederik eens de levendige en toch zo zacht weemoedige ogen met vertrouwen en als met verlangen tot hem opsloeg, was het hem plotseling te moede alsof hij in het gelaat van het kind de moeder had gezien — alsof de ziel van de geliefde zuster door die blikken een smeekbede tot hem gericht had, en hij besloot in zijn hart er gehoor aan te geven. Zonder echter aan iemand te zeggen, wat er in hem omging, vertrok hij, maar na enig overleg met zijn schoonmoeder, die zijn huishouding bestuurde, schreef hij aan Fröbel en deed het voorstel om zich met de verdere opvoeding van Frederik te belasten.

Aan dat verlangen werd gaarne en zeer spoedig voldaan. Nog in datzelfde jaar verliet Frederik vol hoop op de onbekende toekomst de woning, waarin hij het levenslicht had aanschouwd, om in het huis van zijn oom een nieuw en beter vaderhuis te gaan betrekken.

Ds. Hoffman had vrouw en kind verloren en vond veel behagen in het jongetje, dat hij zorgvuldig bestudeerde om het door en door te leren kennen; doch hij had de grote wijsheid om het kind dat niet te laten merken. Hij vreesde niets zozeer dan de onwaarheid, de gekunstelde behaagzucht, die zo spoedig voor de dag komt, als kinderen begrijpen, dat er op hen gelet wordt.

Hij kreeg een zieke en vergroeide plant op te kweken, maar gelukkig was het leven fris en krachtig in de wortels gebleven, al waren de takken misvormd en de bladeren en bloesems beschadigd.

Het leven ruimte te gunnen — alle gesmoorde uitingen lucht te geven, de kasplant in de volle grond en de vrije lucht te zetten — ziedaar wat hij ondernam.

Wantrouwen had deze ziel ziek gemaakt — vertrouwen moest haar herstellen — miskenning had het zelfvertrouwen verzwakt — waardering en belangstelling moest de zelfstandigheid wekken.

Uiterlijke dwang had de innerlijke band verbroken, hij moest hersteld worden door de liefde, die de band is van de volmaaktheid, en door de vrijheid — alleen door verantwoordelijkheid beperkt.

Wonderbaar was de kracht die deze wijze van doen op het kinderlijke leven uitoefende, en de kleine mijmeraar eensklaps in een uitgelaten wildeman scheen te zullen herscheppen; want de tegenstelling was zo ontzettend groot van het zijn te Stadt-Ilem bij het leven te Oberweissbach, dat menigeen in de rusteloze worstelaar, in de woelzieke springer en klouteraar, het dromende kind van vroeger niet meer zou herkend hebben.

Oom Hoffman had wel voorzien, dat deze beker in het eerst wat overbruisen zou, en om de vrijgelatene enig tegenwicht te stellen, zond hij hem naar de school, waar Frederik voor het eerst van zijn leven met een veertigtal jongens van zijn jaren zou leren omgaan.

De pastorie was een ruim, luchtig huis door grote tuinen omgeven, en het gehele stadje lag in een uitgestrekt dal aan een heldere kleine rivier. Frederik kreeg niet alleen vrije toegang tot de tuinen, maar mocht ook, in zijn tussenuren, vrijelijk de hele omtrek doorkruisen, mits hij strikt op de klok paste en op tijd weer thuis of op school was. Met volle teugen dronk het kind de nieuwe levenslucht in — de gehele landstreek was zijn speelplaats, en het was of de aarde en het leven daar lachend en vriendelijk als een lusthof voor hem lagen.

Met hetzelfde warme hart waarmede hij de schepping tegensnelde, kwam hij ook zijn nieuwe makkers tegemoet, doch deze waren niet terstond met de kleine vreemdeling op aangename voet — zij vonden hem zo raar — zij wisten zelf niet hoe — en hoe meer hij zijn best deed om hen te winnen, zo te meer viel zijn onhandigheid hun op. Hij wilde toch zo graag meedoen, maar zijn bewegingen waren stijf en zijn houding zo houterig, dat hij een verworpeling onder de bende zou zijn geworden, zo niet een van de knapen respect voor zijn goede hoedanigheden opgevat en besloten had zich met zijn ontbolstering, maar tevens ook met zijn bescherming te belasten. Doch had Frederik een verdediger gevonden, deze vriend kon zijn ongeoefende en verzwakte ledematen niet vlug en lenig maken, en tot zijn innig leed mocht hij niet meedoen in de meeste spelen, omdat hij niet sterk en rap genoeg was. Tevergeefs probeerde hij door vaste wil en onversaagde moed zijn sterkte te tonen — maar de rustige kracht en de behendigheid van de in vrijheid opgeschoten knapen overwonnen ogenblikkelijk zijn dolzinnige aanval.

Toch zegevierde zijn volharding en moed — de lucht, de krachtige beweging, de betere verzorging en de blijmoedigheid droegen niet weinig bij om zijn veerkracht en gezondheid te verhogen — en na een zware proeftijd, kreeg hij toch eindelijk de vererende toelating van de knapen om "mee te mogen doen".

Ongehoorde staaltjes van onbesuisde uitgelatenheid kenmerkten die dagen, ofschoon Fröbel betuigt: "wij knapen oefenden onze spelen uit op daartoe bepaald gekozen plaatsen in het dal, waar het oog van onze meesters ons niet belemmeren kon; ons leven vloeide voort zonder enige voor ons zichtbare of voelbare controle, maar ik herinner mij niet, dat wij ooit enig waarlijk boze trek uitgericht hebben".

Een oppervlakkige beschouwer van Frederik’s veranderde levenstoestand, zou hem in die dagen wellicht voor geheel verwilderd en van alle zachte en godvruchtige aandoeningen ontbloot aangezien hebben; maar aan het vrije krachtontwikkelende jongensleven in het open veld paarden zich twee machtige invloeden — de ene was het huis — de andere kerk en school.

In huis ademde alles liefde, vrede, orde, en oom en oudtante wisten door liefde en eerbied, een innerlijke tucht te scheppen, die alle uiterlijke luchtmiddelen voor het onstuimige kind overbodig maakte.

De verering, het ontzag voor de ernstige waardigheid, de aantrekkelijkheid van die zachte, vriendelijke oude vrouw, de belangstellende zorgen van die vaderlijke oom vertederde en ontvonkten het jonge gemoed tot de edelste geestdrift voor al wat schoon en goed, rein en waar was. Zo opgewonden kon hij niet zijn, of de stilheid en ernst van het huis brachten hem tot zich zelf, en herstelden allengs weder het evenwicht in dit beweeglijk gemoed en terwijl het bloed hem thans frisser en gezonder door de aderen stroomde, waren ook zijn gemoedsbewegingen warmer en dieper dan voorheen. De schone bezielde prediking van Ds. Hoffman deed hem de kerk liefhebben. Nooit was de godsdienst hem zo liefelijk, maar ook nooit zo verheven voorgesteld — en maandags gaf hij in uitvoerige schetsen een getrouw verslag van al wat hij Zondags hoorde.

In de school, die al te weinig voedsel voor deze krachtig werkzame geest had te bieden, boeide het godsdienstig onderwijs hem alleen, als het enige leervak, waarin hem iets wezenlijks werd gegeven voor verstand en hart en dat met zijn leven in verband scheen te staan. En hoe liefelijk de welluidende stem van zijn oom hem ook tegenklonk, nog hoger schatte hij het uur van godsdienstig onderwijs in de school; want ofschoon Ds. Hoffman niet geheel ten onrechte meende, dat de docent veel te hoog voor zulke jonge knapen sprak, hing Frederik, heilbegerig en dorstende naar licht en waarheid aan zijn lippen, en het was hem telkens als vielen zonnestralen op het nevelige verschiet, dat hem verward en onverklaarbaar scheen. Deze leraar gaf hem de woorden, de juiste uitingen voor duizend denkbeelden en aandoeningen, die hem lang reeds bezig hielden; hij bracht orde in zijn denken en verhelderde, bezielde en verwarmde dit jong gemoed op een zo onvergetelijke wijze, dat Fröbel er zich op zijn oude dag nog in verblijden kon. Vooral wist hij het leven en werken van de Heiland zo verheven en roerend te malen, dat Frederik’s hart als van gevoel dreigde te versmelten en stromen van tranen door hem in de eenzaamheid vergoten werden onder het vurige gebed, toch eenmaal aan dit heerlijke beeld in de verte gelijkvormig te mogen worden.

Aan het onderwijs in de Stadt-Ilemse school ontbrak wat in zovele scholen nog altijd ontbreekt — een goede grondslag — het fundamentele element — en de op deze losse gronden aan het Latijn vermorste tijd, is alleen daardoor niet geheel voor Fröbel verloren geweest, dat hij er ten klaarste door leerde, hoe ongeschikt de aldaar en elders in zwang zijnde manier van onderwijs was, om de jongelieden waarlijk nuttig te kunnen zijn.

Het rekenen lag in zijn natuur — en daar hij daarin nog privaatles nam, maakte hij weldra zulke grote vorderingen, dat hij de lang niet onbeduidende hoogte van zijn meester nabij kwam. Hoe verbaasd stond hij dus, als hij later op 23-jarige leeftijd voor het eerst in Pestalozzi’s school komende, de voorstellen niet ogenblikkelijk oplossen kon, die daar de scholieren werden voorgelegd — en dit was wel een van de treffende ervaringen, die hem levendig voor Pestalozzi's leerwijze innamen.

De verdere leervakken stonden alle zeer laag. — Fröbel zegt deswege: "over de aardrijkskunde werd alles als papegaaien nageklapt. — Wij gebruikten veel woorden en wisten niets, want er was hier geen zweem van samenhang met het leven of de werkelijkheid — al ons weten bepaalde zich tot de namen der gekleurde plekken en plekjes op de kaart."­ De privaatles, die hij in dit schone leervak genoot, was niet beter, en de docent hield zich "om hem hoger op te brengen" uitsluitend met Engeland bezig.

Tevergeefs probeerde Frederik deze kennis op zijn omgeving toe te passen en in verband te brengen, maar welke gelijkenis had Engeland met zijn vaderland!

Ofschoon er veel werk van briefschrijven en schoonschrijven gemaakt werd, bleef de spelling geheel verwaarloosd, en het weinige dat er van geleerd werd, stond los op zich zelf. Ook in het zingen en pianospelen kreeg hij een even onvruchtbaar onderwijs. Over het geheel vervulde de armzalige vorm van al wat hem in die dagen op de school werd onderwezen, zijn in alles naar wezen en waarheid, naar samenhang en eenheid zoekende geest met zodanige weerzin en afkeer, dat hij zijn gedachten er slechts met de grootste moeite bij bepalen en zijn verstand nauwelijks dwingen kon, om al die levenloze fragmenten op te nemen.

Het grootste voordeel dat Frederik dus voor zijn vorming uit zijn verblijf te Stadt-Ilem trok was, volgens zijn eigen uitspraak, dit: "dat hij er weer kind werd in een jeugdige wereld, waardoor levensvreugde zijn gemoed verwarmen en verhelderen kon, en zijn verkleumd hart tot de natuurlijke elasticiteit kon wederkeren".

"Voor dit geluk van mijn jeugd", roept hij dan ook uit, "zegen ik eeuwig met een dankend hart de edelen, onder wier liefderijk oog ik het genieten mocht".

Ongestoord en zorgeloos vlogen de jaren voorbij, en zelfs als Frederik in zijn vakantietijd weer in het ouderhuis vertoefde, was het hem daar geheel anders dan voorheen. Hij behoefde nu ook niet langer stil te zitten en ledig te blijven. Hij sloot zich terstond bij alle huiselijke en landelijke bedrijvigheid gezellig aan. Maar kon hij 's vaders bibliotheek betreden, dan ging hij te gast aan de vele plaatwerken en boeken, onder welke hem die over de algemene geschiedenis het meest boeiden; maar niets scheen belangwekkender in zijn oog dan een tabel, waarop de vermoedelijke oorsprong en ontwikkeling van het letterschrift van verschillende talen was afgebeeld; voor het eerst ontdekte hij het spoor voor een verwantschap der talen, die hem meer lust en belangstelling voor deze studie inboezemde.

Van al de schriften voor de jeugd, die hij in die jaren las, maakte geen enkel op hem zo blijvende indruk als de geschiedenis van Samuel Lawills. Hoe wenste hij ook zulk een ring te bezitten, die door plotselinge knelling van de vinger, hem telkens waarschuwde, wanneer een ver­keerde neiging hem dreigde te verlokken, en hoe vertoornde hij zich over de onbezonne eigenaar, die het kleinood die trouwe vermaner, in een vlaag van woede van zich wierp.

De knaap was ongemerkt opgeschoten tot jongeling en de dag kwam aan, dat hij door zijn oom tot lidmaat der Christelijke gemeente zou aangenomen worden. "De ernstige dagen van voorbereiding en de heilige plechtigheid mochten voorbijgaan", zegt Fröbel — "diep en blijvend waren de indrukken van deze schone uren, waarin al de draden van mijn leven als in een heerlijk rust- en verenigingspunt werden samengevat".

Doch hoeveel goeds er in oom Hoffman’s bevrijdingsplan voor Frederik’s ontwikkeling ook gelegen mocht zijn, het ontbrak de Superintendent, als zovele leraren, aan prak­tische kennis van het werkelijke leven. Hij leefde in een zekere ideale wereld en dacht er niet aan, hoe weinig hij zijn kwekeling tot een bruikbare burger vormde, zodat Fröbel hierover aan de hertog van Meyningen schrijvende, zeer te recht zegt:

"Ik was eigenlijk als in een tuin gezet, waarin ik vrije­lijk mocht wandelen en waar de lieve zon mij vriendelijk verlichtte en verwarmde, doch waar ik slechts weinige en dan nog wel zeer zwaar te kraken en te verteren vruchten vond, die daarenboven voor mijn nog onontwikkelde kracht, aan moeilijk te beklimmen bomen hingen.

Op deze schrale weide moest ik zonder gids of leidraad krachten garen tot een zelfstandig leven — tot werken — tot handelen. Daar mijn geest altijd slechts het verwante, het analoge in zich opnam, kreeg ik een zeer eenzijdige richting. Ik schiep mij een wereld, die al heel weinig op de wereld leek en alleen voor mij begrijpelijk en verstaanbaar was. Ik wist en verstond zeer veel voor mij zelf, maar het was enkel een verhoogde zelfbewustheid, die voor anderen niet gold, zodat in waarheid van mij heten kon — "niemand weet wat in de mens is dan de geest van de mens die in hem is". — Ik kende of begreep overigens niets — vol­strekt niets van de wereld en het maatschappelijke leven, waarvoor ik toch ook bestemd was, en ik stond daar tegenover — ongevormd en onwetend".



  1   2   3   4   5   6   7   8   9


De database wordt beschermd door het auteursrecht ©opleid.info 2017
stuur bericht

    Hoofdpagina