Elster over het belang en de waarde van de rationele keuze theorie



Dovnload 125.82 Kb.
Pagina1/3
Datum22.08.2016
Grootte125.82 Kb.
  1   2   3
HOOFDSTUK III:

ELSTER OVER HET BELANG EN DE WAARDE

VAN DE RATIONELE KEUZE THEORIE




  1. Inleiding.

In dit derde en laatste hoofdstuk proberen we te komen tot een synthese. Daarvoor moeten we eerst evalueren wat, volgens Elster, de repercussies zijn van de problemen, zoals we die in het tweede hoofdstuk hebben besproken, voor de rationele keuze theorie (2). Wanneer we dit hebben besproken gaan we kort in op Elsters opvattingen over de mogelijke alternatieven voor de rationele keuze theorie (3). Tenslotte proberen we te komen tot een algemeen besluit waarin we ons afvragen wat, volgens Elster, de waarde van de rationele keuze theorie, na dit alles, nog kan zijn (4).




  1. Gevolgen van de problemen van onbepaaldheid en inadequaatheid voor de rationele keuze theorie.

Nu we weten met welke problemen de rationele keuze theorie kampt, moeten we ons afvragen wat de gevolgen hiervan zijn voor de rationele keuze theorie zelf. We maken hierbij, zoals in het tweede hoofdstuk, het onderscheid tussen de gevolgen van de problemen van onbepaaldheid (2.1) en van inadequaatheid (2.2). Verder houden we eveneens rekening met het onderscheid tussen de normatieve en descriptieve variant van de rationele keuze theorie.


2.1. Gevolgen van de problemen van onbepaaldheid voor de rationele keuze

theorie.
Zoals we reeds hebben gezien, vormen situaties waarin de rationele keuze onbepaald is, een groot probleem voor de rationele keuze theorie (II, 2.1). We kunnen dit probleem op twee manieren formuleren, verwijzend naar de normatieve en descriptieve varianten van de theorie. Zo kunnen we ons, ten eerste, afvragen, wat de normatieve variant van de theorie nog kan betekenen in situaties waarin ze niet kan voorschrijven hoe men moet handelen. Iemand die de voorschriften van rationaliteit wil volgen, weet hier immers niet wat te doen. Er is namelijk in zulke gevallen niet één bepaalde handeling die de rationele optie kan genoemd worden. Het gevolg hiervan is natuurlijk dat we, ten tweede, ook vragen moeten stellen bij de waarde van de descriptieve variant van de rationele keuze theorie. Deze kan immers, in dergelijke situaties, het gedrag van mensen niet adequaat beschrijven of verklaren. Welke handeling men ook kiest, ze kan niet het resultaat zijn van louter rationele overwegingen.

Toch is het algemene probleem van onbepaaldheid niet zo nefast voor de rationele keuze theorie als het lijkt. Om de impact van deze problematiek op de theorie samen te vatten, kunnen we Elster zelf aan het woord laten: “(t)he infinite regress involved in games without solution and in the problem of the optimal amount of information prevent the rational-choice model from even getting off the ground. This does not mean that people in such cases cannot make rational choices, only that there is no choice which is the rational one. The situation is not a ‘single exit’ one, but this does not mean that all exits are equally good. More precisely, to make the situation into a single-exit one we must add some causal assumptions to the purely intentional ones, in order to be able to predict which of the non-discarded options will actually be realized” (US, p. 156). Ook dit moeten we interpreteren in het licht van zowel de normatieve als de descriptieve variant van de rationele keuze theorie.




      1. Gevolgen van de problemen van onbepaaldheid voor de normatieve variant van de rationele keuze theorie.

Op het normatieve vlak kunnen we dus stellen dat de voorschriften van de theorie in situaties van onbepaaldheid te zwak zijn om één optie als de rationele keuze voor te schrijven. Een voorbeeld kan hierbij verhelderend werken (NB, p. 26-27). Wanneer een boer moet kiezen tussen twee soorten gewassen, kan hij niet, op basis van rationele overwegingen, tot een beslissing komen. Zo kan, in een periode van mooi weer, gewas A meer opbrengen dan gewas B. Maar gewas B kan meer opbrengen dan gewas A in een periode van slecht weer.


Weer gewas A (opbrengst in €) gewas B (opbrengst in €)

Goed 40 000 30 000



Slecht 10 000 20 000
Aangezien men niet kan weten welk weer er het komende jaar zal heersen, kan de boer niet kiezen tussen A en B: er heerst onbepaaldheid. Eén strategie, ook wel de gokstrategie of ‘maximax’ genoemd, schrijft voor dat men moet hopen op goed weer en dus kiezen voor gewas A. Een andere strategie, ook wel ‘maximin’ genoemd, schuwt eerder de risico’s en stelt dat men moet uitgaan van het slechtst mogelijke scenario. Deze strategie, die het zekere voor het onzekere neemt, zal dan ook gewas B voorschrijven. Zoals we reeds hebben gezien, is de rationele keuze theorie echter niet in staat om één van deze strategieën voor te schrijven als de enige rationele methode (cf. II, 2.2). Dit betekent daarom nog niet dat ze volledig zinloos is geworden. Er zijn twee manieren om de waarde van rationaliteit op dit vlak te verduidelijken.

  1. Rationaliteit kan, ten eerste, nog steeds enkele opties uitschakelen (to discard)134. Zo kan het wel de keuze voor gewas C uitschakelen, wanneer dit, in alle omstandigheden, minder opbrengt dan A en B (bijvoorbeeld € 25 000 bij goed weer en € 5 000 bij slecht weer). Om te komen tot één bepaald handelingsalternatief, moeten andere (causale) mechanismen echter de rationele keuze theorie aanvullen. Zoals we reeds hebben gezien, kan de theorie van rationaliteit als ‘satisficing’ fungeren als een supplement voor de rationele keuze theorie als ‘maximizing’ (cf. II, 2.4).

  2. We moeten, ten tweede, erkennen dat rationaliteit, in sommige situaties, ons niet veel vooruit helpt. De onbepaaldheid tussen gewassen A en B blijft immers bestaan. Dit betekent echter niet dat de theorie in het algemeen wordt weerlegd of vernietigd. Om te illustreren wat rationaliteit hier nog kan betekenen, bespreken we een voorstel dat het domein van de rationele keuze theorie inperkt tot dat van de ‘middelgrote’ beslissingen, waar de verschillende opties wel wat, maar niet te veel verschillen (SJ, p. 26-27)135. Bij beslissingen waar de verschillende opties veel van elkaar verschillen, wordt een rationele keuze immers moeilijk, omdat we de mogelijkheden moeilijk kunnen vergelijken. Dit probleem komt vooral voor bij beslissingen, die zo ingrijpend zijn voor het verdere verloop van ons leven, dat we de gevolgen ervan niet kunnen overschouwen. Bij beslissingen omtrent onze huwelijkspartner of de carrière die we uitbouwen, zullen we niet ver geraken met de voorschriften van rationaliteit. Dit geldt echter ook voor beslissingen waar de verschillende opties heel weinig van elkaar verschillen, zoals het kiezen van één uit de vele blikken soep in een supermarkt. In dit geval is men vaak onverschillig en zal het maken van een rationele keuze meer tijd en moeite kosten dan het uiteindelijk aan voordeel zal opleveren. Maar zelfs in deze domeinen heeft rationaliteit haar waarde. De voorschriften van rationaliteit zijn in staat om ook hier enkele opties uit te schakelen. Zo zullen we misschien niet rationeel kiezen voor één partner, maar er zijn zeker mensen met wie we, op basis van rationele overwegingen, zeker niet mee zullen trouwen. En ook al kunnen we niet rationeel kiezen tussen alle blikken tomatensoep, toch kunnen we, op basis van onze verlangens en overtuigingen, andere soorten soep uitsluiten. Toegeven dat het domein van de rationele keuze theorie niet alomvattend is, betekent dus nog niet dat ze vervangen moet worden. Ook hier moeten we de mechanismen, die opduiken in de domeinen waar rationaliteit niet het laatste woord heeft, niet beschouwen als alternatieven voor de rationele keuze theorie, maar als aanvullingen.




      1. Gevolgen van de problemen van onbepaaldheid voor de descriptieve variant van de rationele keuze theorie.

Wanneer we willen verklaren waarom mensen in situaties van onbepaaldheid op een bepaalde manier handelen, zullen we niet voldoen met de rationele keuze theorie. Ook op dit descriptieve vlak, moeten we, zoals Elster zelf zegt, causale mechanismen toevoegen om te verklaren dat men in een dergelijke situatie een bepaalde keuze maakt (NS, p. 72). In het geval van de boer, kunnen we bijvoorbeeld verwijzen naar psychologische aspecten om te verklaren waarom hij voor een bepaald gewas kiest. Zo kan het zijn dat hij van nature eerder risicoavers is en daarom kiest voor gewas B. Ook hier beschouwt Elster deze causale mechanismen enkel als aanvulling en niet als alternatief voor de rationele keuze theorie: “(t)here are many cases in which rationality (...) can do no more than exclude certain alternatives, while not providing any guide to the choice between the remaining. If we want to explain behaviour in such cases, causal considerations must be invoked in addition to the assumption of rationality” (SG, p. 2). Zo blijft hij, na de bespreking van de problemen van onbepaaldheid, vasthouden aan het descriptieve model dat een bepaalde handeling analyseert als het resultaat van een filterproces. Zoals we reeds hebben gezien bestaat dit proces uit twee opeenvolgende filters: de eerste filter omvat de beperkingen die de verzameling van uitvoerbare handelingsalternatieven definieert en de tweede filter bestaat uit een mechanisme dat hieruit één handelingsalternatief selecteert (cf. I, 2.2). Elster kent op dit tweede niveau een centrale plaats toe aan rationaliteit. In gevallen van onbepaaldheid kan rationaliteit enkel een paar opties uitschakelen. Elster voegt daarom een derde filter toe: op dit niveau spelen de mechanismen die uit de overgebleven opties één bepaald alternatief selecteren136.




      1. Hyperrationaliteit als een gevolg van de problemen van onbepaaldheid.

Elster kan dan ook besluiten dat de problemen van onbepaaldheid niet zo catastrofaal zijn voor de rationele keuze theorie als men aanvankelijk zou denken: “(w)hilst serious, in Elster’s view these difficulties are not decisive objections to rational-choice theory in either its positive or normative versions. Because rational choice’s domain is limited, this does not mean that it should be rejected” (O’Leary, 1987, p. 487-488).


Hiermee is echter niet alles gezegd. We weten immers nog niet wat mensen zullen doen in situaties van onbepaaldheid. Elster stelt dat er geen overkoepelende theorie is die ons in staat stelt om te voorspellen welke mechanismen in zulke gevallen optreden en dus ook niet wat de uitkomst van het hele filterproces zal zijn: “(...) we do not have a theory of what people do when they would like to act rationally but rational choice is indeterminate” (NB, p. 36). Het probleem ontstaat wanneer mensen in zulke situaties kost wat kost rationeel willen zijn. Dit verlangen kan zo ver gaan dat men de problemen van rationaliteit weigert in te zien: “(o)ne thing they sometimes do is to deny the indeterminacy. Human beings have a very strong desire to have reasons for what they do and find indeterminacy hard to accept” (NB, p. 36). In het voorbeeld van het toekennen van het hoederecht over een kind zien we wat de gevolgen hiervan zijn. Omdat men de onbepaaldheid van de keuzesituatie, of meer bepaald de onzekerheid, ontkent, gaat men veel te lang door met het zoeken naar de optie die optimaal geweest zou zijn, indien ze onmiddellijk was uitgevoerd. Het is belangrijk in te zien dat een keuzeprocedure die zich beroept op het toeval, zoals het opgooien van een dobbelsteen, een rationelere uitkomst biedt dan een strikte toepassing van de voorwaarden van rationaliteit zelf137.

Elster stelt dat een dergelijke strikte toepassing getuigt van een irrationeel geloof in de kracht van de rede138. Hij vat deze gevallen samen onder de noemer ‘hyperrationaliteit’, hetgeen hij omschrijft als een ‘verslaving aan de rede’ (addiction to reason) (SU, p. 183). Het punt is hier dus dat een rationeel persoon in gevallen van onbepaaldheid dit probleem moet erkennen en de rationele keuzeprocedure moet aan de kant schuiven: “(s)ometimes, as Pascal said, nothing is as rational than the abdication of reason” (NB, p. 36)139.



Hierin ligt dan ook de reden waarom Elster zich interesseert voor de beperkingen van het rationele keuze paradigma. Zo kunnen we immers beter anticiperen op situaties waarin dergelijke problemen zich voordoen. Elster probeert in zijn geschriften heel precies de grenzen van deze rationaliteit aan te wijzen. In de wetenschap dat een overschrijding van deze grenzen vaak leidt tot irrationeel gedrag, zal iemand die rationeel wil zijn, zoals Elster, alleen maar baten bij een goed begrip van de grenzen en beperkingen van rationaliteit: “(...) the first task of reason is to recognize its own limitations and draw the boundaries within which it can operate” (SJ, p. 17).
Doordat Elster personen irrationeel noemt wanneer ze blijven vasthouden aan rationele beslissingsprocedures in situaties van onbepaaldheid, laat hij zien dat er een verband kan bestaan tussen de twee soorten van problemen voor de rationele keuze theorie. Wanneer mensen niet erkennen dat er in een bepaalde situatie onbepaaldheid heerst, zijn ze irrationeel en zal dus de rationele keuze theorie inadequaat blijken in de verklaring van het gedrag (Cuypers, 1995, p. 125)140.
Aangezien problemen van onbepaaldheid op alle niveaus van de rationele keuze theorie voorkomen, kan ook het probleem van hyperrationaliteit op deze niveaus optreden.

  1. Wanneer er onbepaaldheid heerst op het niveau van de handeling, zoals bij een onverschilligheid tussen de verschillende opties, kan het vastklampen aan rationele keuzeprocedures tot irrationeel gedrag leiden. Als voorbeeld kunnen we hier opnieuw de ezel van Buridanus nemen. In deze interpretatie weigert de ezel te erkennen dat de rationele keuze onbepaald is en blijft zoeken naar een reden om de ene hoop boven de andere te verkiezen. In die zin is hij verslaafd aan de rede, hetgeen in dit voorbeeld duidelijk leidt tot irrationeel gedrag (de ezel komt immers om). Meer in het algemeen stelt Elster: “(...) to insist that (...) all pairs of alternatives be comparable can be a form of hyperrationality – that is, of irrationality” (SJ, p. 9)141.

  2. We kunnen het verhaal van de ezel van Buridanus echter ook interpreteren als een voorbeeld van onbepaaldheid van verlangens, met name als een geval van onvolledige preferentieordening (cf. I, 2.2.1). Ook hier stelt Elster dat men van hyperrationaliteit kan spreken, wanneer men van de mensen vereist dat ze een volledige preferentieordening bezitten (SJ, p. 9, p. 25-26).

Er kan eveneens hyperrationaliteit optreden op het niveau van de overtuigingen, met name bij onzekerheid. We hebben gezien dat een toekenning van een subjectieve probabiliteit aan bepaalde uitkomsten in deze gevallen afhankelijk is van de technieken waarmee deze probabiliteit wordt gemeten. Voor Elster is het irrationeel om toch vast te houden aan de resultaten die men alzo verkrijgt: “(...) it is often more rational to admit ignorance than to strive for a numerical quasi-precision in the measurement of belief. By setting the standards of rationality too high, irrationality may ensue” (US, p. 128). Van personen in onwetendheid vereist rationaliteit dus dat ze dit durven toegeven en niet langer handelen op basis van dergelijke overtuigingen: “(i)f they have little information or poor judgement, rationality requires them to abstain from forming and acting upon such estimates. To attempt to do so would, for them, be a form of hyperrationality” (SJ, p. 11).

  1. Zoals we reeds weten, is er op het niveau van de informatievergaring steeds sprake van een zekere mate van onbepaaldheid. Om te laten zien dat dit ook hier kan leiden tot hyperrationaliteit, kunnen we opnieuw het voorbeeld van de toekenning van een hoederecht gebruiken. Hier zien we immers dat men blijft zoeken naar informatie en bewijsgronden om een rationeel oordeel te vormen in verband met de keuze van één van de twee ouders. Dit is volgens Elster echter een hyperrationeel en dus irrationeel gedrag. Ook al zou een beslissing door het toeval betere resultaten opleveren142, toch blijft men redenen zoeken voor de beslissing: “(...) because of what one might call an addiction to reason we do not use a lottery, but go on looking for reasons, until eventually we find one. I believe the child custody case brings this out with special poignancy. To promote the best interest of the child, the compulsive rationalist searches for evidence of fitness and unfitness of the parents while, in the meantime, the damage done to the child by the process of searching exceed the benefits to be expected from the search. It is more than rational in such cases to resist the sirens of reason” (SU, p. 183).

Wanneer we ons afvragen wat we dan wel moeten doen in situaties waarin de rationele keuze onbepaald is, bevinden we ons alweer op het normatieve vlak. Elster stelt dat men op een bepaald moment gewoon moet kiezen voor een bepaalde optie (handeling, overtuiging, hoeveelheid informatie), zelfs als we hiervoor geen gegronde redenen voor hebben. Volgens Elster schrijft rationaliteit ons hier dus voor dat we op een bepaald moment gewoon een beslissing moeten nemen in plaats van de gangbare rationele beslissingsprocedures te doorlopen: “(i)t might be more important to make some decision and then stick to it, than to make the best decision. A rational man will make a choice, rather than procrastinate indefinitely, but this is not to say that he makes a rational choice” (RC, p. 19). Hij spreekt in dit opzicht van ‘decisionisme’ (decisionism) als een manier om hyperrationaliteit te vermijden143. Dit wordt het duidelijkst op het niveau van informatievergaring. Zoals we reeds hebben gezien (I, 2.4), zit er immers steeds een arbitrair element in de beslissing om te stoppen met het verzamelen van informatie.


2.2. Gevolgen van de problemen van inadequaatheid voor de rationele keuze

theorie.
Elster stelt dat gevallen van inadequaatheid een groter probleem vormen voor de rationele keuze theorie dan de problemen van onbepaaldheid (SJ, p. 1; RC, p. 20). Het probleem hier is immers dat men, in gevallen dat de rationele optie wel degelijk bestaat en dat men dus rationeel kan handelen, het toch niet doet. Elster bestudeert deze schendingen van rationaliteit echter niet om aan te tonen dat de rationele keuze theorie niet geschikt is voor de analyse van het menselijk gedrag. Zijn bedoeling is eigenlijk tweeledig, en komt overeen met de algemene indeling in de normatieve en descriptieve variant van de rationele keuze theorie.


      1. Gevolgen van de problemen van inadequaatheid voor de normatieve variant van de rationele keuze theorie.

Wat het normatieve niveau betreft, hebben we reeds gezien dat Elster vasthoudt aan de prioriteit van rationaliteit (cf. I, 2.1)144. We hebben, doorheen onze bespreking van de verschillende fenomenen van irrationaliteit, steeds benadrukt hoe Elsters analyse aanleiding geeft tot een bespreking van de verschillende strategieën en technieken om deze problemen te boven te komen. Mensen proberen dus, bijvoorbeeld in gevallen van wilszwakte, zo goed mogelijk aan de voorwaarden van de rationele keuze theorie te voldoen, ook al vereist dit dat ze hiervoor heel wat maatregelen moeten treffen.

Belangrijk hierbij is dat we zien dat Elsters bedoeling zich voornamelijk situeert op het praktische niveau: hij bedrijft geen theorie omwille van de theorie, maar omwille van de praktijk. Dit is, ons inziens, de grond van zijn opvatting dat de rationele keuze theorie primair als een normatieve theorie moet begrepen worden. Ze spoort ons, gegeven onze overtuigingen en verlangens, aan tot een bepaald gedrag en vertelt ons wat we moeten doen om deze verlangens te realiseren. Dit betekent niet dat Elster hierin naïef is en denkt dat mensen deze voorschriften steeds zullen en kunnen volgen. Het is net daarom dat hij de strategieën bestudeert die ons helpen om zo rationeel mogelijk te handelen. Dit is de eigenlijke betekenis van het begrip ‘onvolmaakte rationaliteit’ (second-best rationality of imperfect rationality). Elster bedoelt hiermee immers dat wij, als mensen, geen almachtige en alwetende wezens zijn en dus ook niet steeds handelen zoals de ‘volmaakte rationaliteit’ dat ons voorschrijft (first-best rationality of perfect rationality)145. Vanuit deze vaststelling dat we niet steeds het beste (kunnen) doen, besluiten we echter niet dat het niet uitmaakt wat we doen, maar proberen we precies zo goed mogelijk te doen (doing our level best) (DO, p. 12). Elster gelooft niet dat we ooit volmaakte rationele wezens zullen worden, maar wel dat we niet mogen ophouden dit ideaal na te streven. En de studie van de diverse fenomenen van irrationaliteit is waardevol omdat ze ons hierbij kan helpen: “(e)ven though we may never be able to get rid of our irrational propensities, knowledge of how they operate may at the very least enable us to take some rational precautions” (MD, p. 1388).
Het feit dat we dus zo graag rationeel willen zijn, is voor Elster de belangrijkste reden om rationaliteit op het normatieve vlak prioritair te noemen (SJ, p. 28). Niemand is immers trots op irrationeel gedrag, laat staan dat men dit als ideaal zou kunnen of willen nemen. Deze vaststelling is voor Elster dan ook de belangrijkste reden om rationaliteit in al haar opzichten te bestuderen: “(w)e care about rationality because we want to be rational and want to know what rationality requires us to do” (SU, p. 189).


      1. Gevolgen van de problemen van inadequaatheid voor de descriptieve variant van de rationele keuze theorie.

Bij problemen van inadequaatheid wordt de descriptieve variant van de rationele keuze theorie niet zozeer te zwak bevonden, zoals bij onbepaaldheid, maar wordt ze eigenlijk weerlegd. Mede door de problemen van irrationeel gedrag, legt Elster de nadruk op de rationele keuze theorie als een normatieve theorie (SJ, p. 1-3)146.

Wanneer mensen handelingen stellen die niet overeenkomen met de voorschriften van de rationele keuze theorie, moet deze theorie aangepast worden of zelfs helemaal aan de kant geschoven worden: “(...) it must be replaced or modified, not supplemented” (SJ, p. 1). We proberen echter aan te tonen dat Elster een middenweg tussen deze twee strategieën probeert te zoeken.
Zo zien we, ten eerste, dat Elster niet vindt dat de rationele keuze theorie door zijn analyse van irrationaliteit weerlegd wordt of haar waarde verliest. Zoals we nog zullen zien (3.2), zijn er heel wat modellen die een alternatief willen vormen voor het model van de rationele keuze theorie. De aanhangers van zulke modellen stellen vaak dat irrationeel gedrag deze theorie empirisch weerlegt en dat daarom een andere theorie moet gezocht worden die het gedrag in kwestie wel kan verklaren. Men zoekt dan ook naar andere veronderstellingen, die leiden tot meer accurate voorspellingen of beschrijvingen. Zoals we reeds hebben gezien (cf. I, 2.2), maar ook nog verder zullen uitdiepen (3.2), blijft Elster echter vasthouden aan het privilege van de rationele keuze theorie als middel om het menselijk gedrag te verklaren. Hij wil dus zeker niet dat het concept van rationaliteit in de verklaring van het handelen opzij geschoven wordt en vervangen door andere concepten, modellen of theorieën.

Dit betekent, ten tweede, echter niet dat Elster probeert elk gedrag rationeel te verklaren. Zo verzet hij zich ook expliciet tegen de tendens om de rationele keuze theorie zodanig aan te passen, dat ze alle menselijke handelen kan verklaren. De reden voor zijn verzet is dat bepaalde handelingen, zoals bijvoorbeeld een frequente en hardnekkige vorm van wilszwakte, vaak zo duidelijk irrationeel is, dat elke poging om het concept van rationaliteit uit te breiden of aan te passen zodat het ook hierop kan toegepast worden, geforceerd is. De kritiek is dus dat rationaliteit op die manier een soort van ‘passe-partout’ notie wordt: men rekt de betekenis wat uit om het gedrag in kwestie toch rationeel te kunnen verklaren.

Een voorbeeld hiervan is G. Becker, die onder meer de fenomenen verslaving, emoties en normen volledig verklaart aan de hand van een rationele keuze theorie (DO, p. 12)147. Een dergelijke notie verklaart op die manier dus alles en daardoor eigenlijk ook niets. Een kritiek die hierbij aansluit is dat rationaliteit op die manier een concept wordt dat ‘ad hoc’ wordt ingevuld. Afhankelijk van het gedrag dat men moet verklaren, past men de betekenis van het begrip ‘rationaliteit’ aan, of vult men bepaalde voorwaarden anders in. Het probleem hierbij is dat dit begrip op die manier geen eenheid vertoont en dus eigenlijk ook geen coherente theorie meer kan funderen. Men verkrijgt op die manier heel wat afzonderlijke opvattingen, die men allemaal onder de noemer van ‘rationaliteit’ plaatst. Dat Elster dit probeert te vermijden, zien we aan het feit dat hij niet twijfelt om bepaalde fenomenen ‘irrationeel’ te noemen. Hij perkt dus duidelijk het domein in waarbinnen de rationele keuze theorie staat is om adequate verklaringen te geven.
We zien dan ook hoe Elster probeert een midden te houden tussen deze extreme posities148. Enerzijds weigert hij de opvatting te aanvaarden dat de rationele keuze theorie weinig of geen betekenis heeft in de studie van het menselijk gedrag. Elster zal de rationele keuze theorie dan ook nooit volledig aan de kant schuiven. Anderzijds verzet hij zich ook tegen de opvatting dat rationaliteit het alomvattende concept moet worden in de sociale wetenschappen. Hij erkent dat er domeinen zijn, waar rationaliteit niet de meest geschikte notie is om het menselijk gedrag te verklaren.

Om enigszins te verduidelijken wat deze middenpositie dan wel precies inhoudt, wijzen we op Elsters opvatting dat fenomenen van irrationaliteit het algemene kader van rationaliteit helemaal niet weerleggen, maar net aantonen dat we precies rationele wezens zijn. Het is belangrijk in te zien dat men irrationaliteit enkel kan toeschrijven aan wezens die, in het algemeen (by and large), rationeel zijn149. Om de positie van de rationele keuze theorie op het domein van de verklaring van het menselijke gedrag beter te begrijpen, moeten we echter eerst de alternatieven op dit domein bestuderen.




  1. Alternatieven voor de rationele keuze theorie.

Omdat zowel de normatieve als de descriptieve variant van de rationele keuze theorie in de problemen komen door gevallen van onbepaaldheid en inadequaatheid, is het goed te kijken of er geen alternatieven bestaan die een betere theorie vormen.


3.1. Alternatieven voor de normatieve variant van de rationele keuze theorie.
Elster stelt dat er op het normatieve vlak geen enkel noemenswaardig alternatief voor de rationele keuze theorie bestaat: “(t)here is no alternative to rational-choice theory as a set of normative prescriptions” (RC, p. 22). Natuurlijk zijn er wel ethische theorieën die ons voorschrijven wat we moeten doen door het onderscheid te maken tussen wat goed is en wat niet. Hier bevinden we ons echter op een ander niveau150. Terwijl ethiek vertelt wat onze doelen moeten inhouden (of zeker niet mogen inhouden), vertelt rationaliteit ons eerder wat we moeten doen om deze doelen zo goed mogelijk te bereiken. Elster beschouwt ethische theorieën dan ook niet als alternatieven voor de rationele keuze theorie. Daarenboven veronderstelt elke ethische vereiste een zekere vorm van rationaliteit. Als men immers stelt dat mensen het ethisch goede moeten verlangen, dan impliceert dit reeds dat dit bereikbaar en intentioneel realiseerbaar is. Het verlangen naar het goede moet dan ook zin altijd rationeel zijn, in die zin dat het vervulbaar moet zijn (RC, p. 22).
3.2. Alternatieven voor de descriptieve variant van de rationele keuze theorie.
Aangezien de problemen van irrationaliteit zware gevolgen lijken te hebben voor de rationele keuze theorie als een verklaring van het menselijk gedrag, moeten we ons afvragen of er geen theorieën zijn die deze problemen niet of minder ondervinden. We kunnen de verschillende theorieën, die Elster bespreekt, plaatsen in het algemene model dat een handeling analyseert als het resultaat van twee opeenvolgende filters (US, p. 113-117)151. Zoals we reeds hebben gezien, bestaat de eerste filter uit beperkingen die de verzameling van mogelijkheden definiëren en bestaat de tweede filter uit een mechanisme dat uit deze verzameling één optie selecteert (cf. I, 2.2). Het moment van de rationele keuze bevindt zich op het niveau van die tweede filter152. We kunnen nu een indeling maken tussen theorieën die binnen dit algemene model het belang van de rationele keuze ontkennen (3.2.1) en de theorieën die de realiteit van de rationele keuze ontkennen (3.2.2)153.


      1. Alternatieven die het belang van het rationele keuzemechanisme ontkennen.

Deze theorieën hebben als gezamenlijk uitgangspunt dat het mechanisme van de rationele keuze niet in werking komt. Ze stellen dus dat dit mechanisme, en, meer in het algemeen, heel de tweede filter irrelevant is. Er zijn twee versies van deze theorie: een sterkere, die stelt dat de tweede filter helemaal overbodig is, en een zwakkere, die stelt dat de tweede filter triviaal en niet belangrijk is.




        1. De sterke versie: de theorie van het structuralisme.

De sterke versie stelt dat de tweede filter, en dus ook het rationele keuzemechanisme, niet eens in actie treedt. De tweede filter wordt volledig overbodig geacht, omdat de beperkingen op het niveau van de eerste filter zo talrijk zijn, dat er slechts één mogelijkheid overblijft (US, p. 113-114; NB, p. 14-15; RC, p. 22-23; O’Leary, 1987, p. 488). Deze theorie, die Elster het ‘structuralisme’ noemt, maakt dus het keuzemoment, dat zich situeert op het niveau van de tweede filter, overbodig154.

Elsters belangrijkste bezwaar hiertegen is dat deze theorie helemaal niet adequaat is. In veruit de meeste gevallen bestaat de verzameling van mogelijke handelingsalternatieven uit meer dan één optie. Ook al hebben armen niet de keuze tussen een nacht in het hotel of onder de brug, toch hebben ze de keuze onder welke brug ze zullen slapen. Dit betekent niet dat Elster verdedigt dat het rationele keuzemechanisme het enige is dat een handeling bepaalt. Hij erkent wel degelijk het belang van allerlei beperkingen op het niveau van de eerste filter: “I am concerned to refute the view that constraints are everything, not to argue that they are nothing” (RT, p. 115-116).


        1. De zwakke versie: Stiglers en Beckers theorie van stabiele preferenties.

De zwakke versie van deze theorie geeft meer ruimte voor de tweede filter, maar stelt dat de mechanismen op dat niveau voor iedereen (ongeveer) dezelfde zijn en blijven. In deze opvatting beïnvloeden zowel de omstandigheden (eerste filter) als de verlangens of preferenties (tweede filter) welke handeling gerealiseerd zal worden. Het verschil met de rationele keuze theorie, zoals Elster die verdedigt, is dat hier wordt aangenomen dat de preferenties stabiel blijven met betrekking tot verschillende personen, plaatsen en tijden, zodat elke verandering in gedrag verklaard moet worden door een verandering in de omstandigheden (US, p. 114-115). Net zoals bij het structuralisme, stellen verdedigers van deze theorie dat het keuzemoment binnen het filterpoces eigenlijk van geen belang is. Het paradoxale is dan ook dat ze zich enerzijds binnen het paradigma van de rationele keuze plaatsen, maar anderzijds de rationele keuze zelf onbelangrijk vinden: “(a)lthough usually staunch defenders of rational-choice theory, they are led, paradoxically, to argue that choice almost doesn’t matter because any variations in behavior must be explained by variations in opportunities” (NB, p. 15). Verdedigers van deze theorie zijn onder meer G. Becker en G. Stigler155. Zo stelt Becker expliciet waarin de stabiliteit van preferenties bestaat: “(...) preferences are assumed not to change substantially over time, nor to be very different between wealthy and poor persons, or even between persons in different societies and cultures” (RC, p. 110).


Elster vindt dat ook deze theorie veel te ver van de dagelijkse realiteit staat om in aanmerking te komen als een alternatief voor de rationele keuze theorie (Cuypers, 1995, p. 79-81). Volgens hem verschillen mensen wel degelijk in hun verlangens. Elster acht dit zo vanzelfsprekend dat hij er geen woorden wil aan vuil maken: “(...) people differ in their desires as well as in their opportunities, and this view seems to me so obviously right as not to require further defense” (NB, p. 15). We kunnen dit toch verduidelijken door te wijzen naar het feit dat verschillende mensen met dezelfde mogelijkheden en in dezelfde omstandigheden, volledig andere wegen opgaan in hun leven. Dit is onverklaarbaar wanneer ze fundamenteel dezelfde verlangens zouden koesteren. Een voorbeeld hiervan zijn twee kinderen van dezelfde ouders, die ongeveer op hetzelfde moment geboren zijn, dezelfde capaciteiten bezitten en evenveel (financiële) ondersteuning krijgen van hun ouders.

Een andere manier om de rationele keuze te redden van een dergelijke benadering is de volgende. Wanneer men meer en meer de nadruk legt op de omstandigheden als een externe factor die ons in een bepaalde richting duwt, verliest men uit het oog dat deze zelf kunnen afhangen van de rationele keuze (NB, p. 16-20; Cuypers, 1995, p. 77). Dit is immers hetgeen Odysseus doet in zijn vorm van ‘onvolmaakte rationaliteit’: hij kiest, op een rationele manier, voor het invoeren van beperkingen. Hij kan op die manier de invloed van toekomstige omstandigheden, met name het gezang van de sirenen, voorkomen. We zien dus dat mensen van zichzelf weten dat hun preferenties veranderen (en dus instabiel zijn) en dat ze voorzorgsmaatregelen nemen om dit tegen te gaan156.




      1. Alternatieven die de realiteit van het rationele keuzemechanisme ontkennen.

Deze theorieën gaan ervan uit dat er meestal, na het eerste filtermoment, nog een verscheidenheid aan opties bestaat. Het verschil met de rationele keuze theorie bevindt zich daarom op het niveau van de tweede filter. De verschillende theorieën stellen verschillende mechanismen voor die uit de verzameling van uitvoerbare handelingsalternatieven één optie selecteren. Binnen deze alternatieven kunnen we een onderscheid maken tussen de mechanismen die nog dicht bij Elsters rationele keuze theorie aanleunen, zoals Simons theorie rond de notie ‘satisficing’ (3.2.2.1), en mechanismen die gebruik maken van een radicaal ander paradigma, zoals de theorie rond sociale normen (3.2.2.2).




        1. De theorie rond Simons notie van ‘satisficing’.

We hebben H. Simons notie van ‘satisficing’ en Elsters interpretatie ervan reeds uitgebreid besproken (cf. II, 2.4)157. Hier beschouwen we ze echter expliciet als een descriptieve theorie. De centrale stelling is dan dat mensen vaak niet het beste nastreven, maar tevreden zijn met iets dat goed genoeg is (SJ, p. 29-30; RC, p. 25-26; O’Leary, 1987, p. 489)158. Elster geeft toe dat deze theorie erg adequaat is. Het is vaak het geval dat mensen niet blijven doorgaan tot ze het best mogelijke bereikt hebben, maar stoppen van zodra ze een bepaaldstreefdoel bereikt hebben (aspiration level). Toch vindt Elster het als theorie onvoldoende om een alternatief te kunnen vormen voor de rationele keuze theorie. Het belangrijkste bezwaar dat hij heeft is dat de theorie rond ‘satisficing’ het gedrag eigenlijk niet verklaart, maar enkel beschrijft. Zo is er geen enkele verklaring waarom de mensen de streefdoelen hebben die ze hebben en waar deze streefdoelen precies liggen.

In die zin vereist de theorie van ‘satisficing’ heel wat bijkomende veronderstellingen en ‘ad hoc’ aannames, zodat de theorie van ‘maximizing’, zoals Elster die verdedigt, eenvoudiger en algemener is159. In die zin is ze, volgens Elster, (voorlopig) niet in staat om de rationele keuze theorie te vervangen als een algemene verklaring van het menselijke handelen. Daarom situeert Elster de waarde ervan voornamelijk in het feit dat ze wel als een supplement kan dienen in gevallen waar rationele keuze onbepaald is: “Simon’s theory (...) [is] intended to supplement rational-choice theory, both as a guide to and as an explanation of action. They are rarely intended to replace the rationality assumption” (SJ, p. 30). Op het descriptieve vlak zou dit betekenen dat het een mechanisme betreft dat optreedt op het niveau van een derde filter, dus nadat de rationele keuzeprocedure reeds enkele opties heeft uitgeschakeld.


        1. De theorie rond sociale normen.

Hier zijn we terechtgekomen bij de theorie die Elster als het voornaamste alternatief beschouwt voor de rationele keuze theorie in de verklaring en beschrijving van menselijk gedrag. Om een idee te geven van Elsters opvattingen omtrent de plaats van normen in verhouding tot de rationele keuze theorie, kunnen we hem zelf aan het woord laten: “(m)ijn vroegere werk over rationaliteit erkende wel degelijk de mogelijkheid van irrationeel gedrag en legde daar zelfs de nadruk op. In Ulysses and the Sirens sprak ik vrij uitvoerig over wilszwakte. Sour Grapes onderzocht gevallen van zelfbedrog, evenals de irrationaliteit van gewilde pogingen om toestanden die essentieel bij-producten zijn te bereiken. Hoe fascinerend ik deze gevallen ook vind, ze leiden echter toch niet tot een algemene en robuuste categorie van irrationeel gedrag. Dat is precies wat het concept van door sociale normen geleid gedrag wèl deed. Velen hebben weliswaar geprobeerd rationele-keuzeverklaringen te geven voor sociale normen, maar ik denk niet dat ze daar in geslaagd zijn” (Cuypers, 1995, p. 32). De belangrijkste elementen die we hierbij moeten onthouden is dat Elster, ten eerste, gedrag dat geleid wordt door normen irrationeel noemt en dat hij, ten tweede, stelt dat het bestaan van normen en normgeleid gedrag niet kan verklaard worden door de rationele keuze theorie. Wat, volgens Elster, de verhouding tussen rationele keuze en normen dan wel precies inhoudt, wordt niet verduidelijkt. Om beide opmerkingen beter te kunnen plaatsen, moeten we eerst het onderscheid tussen deze twee theorieën en deze twee vormen van gedrag verduidelijken.


Het belangrijkste onderscheid is, volgens Elster, dat normen, in tegenstelling tot rationaliteit, niet uitkomstgeoriënteerd zijn (SJ, p. 32; NB, p. 113). Terwijl rationele handelingen gericht zijn op een doel, zijn normgeleide handelingen dit niet160. Men maakt in dit opzicht dan ook het onderscheid tussen toekomstgericht rationeel gedrag tegenover normgeleid gedrag dat ongevoelig is voor de gevolgen in de toekomst (SN, p. 99; RS, p. 109; CS, p. 97-99). Een voorbeeld hiervan vormt de norm van wraak, die ons vertelt om in actie te komen van zodra een onrecht is aangedaan (in het verleden), ongeacht wat de gevolgen van de eigen handelingen zullen zijn (in de toekomst). We hebben hier dus te maken met een theorie, die gebaseerd is op volledig andere veronderstellingen. Elster beschouwt sociale normen dan ook niet als een aanvulling, maar als een echt alternatief voor de rationele keuze theorie (NB, p. 36). In die zin moeten we dan ook begrijpen dat hij normgeleid gedrag irrationeel noemt. M. Hollis probeert dit verder te expliciteren: “[Elster] thinks of ‘rational’ always as meaning instrumentally rational and hence hypersensitive to consequences. He thinks of social norms as a source of irrational motives, because obedience to them is (usually) blind, compulsive, mechanical or even unconscious and hence wholly insensitive to consequences” (Hollis, 1991, p. 13). Een dergelijke opvatting van normgeleid gedrag als irrationeel is, ons inziens te simplistisch. Wanneer mensen een bepaalde norm volgen, betekent dit nog niet dat ze zich irrationeel gedragen: een dergelijk gedrag kan immers heel rationeel zijn. Zo kan het perfect overeenkomen met rationeel berekenende overwegingen. Ik kan bijvoorbeeld ervoor kiezen om bepaalde normen omtrent tafelmanieren te volgen, omdat ik minder nadeel ervaar wanneer ik ze volg (het is een kleine moeite) als wanneer ik ze schend (mijn moeder zou beginnen preken). Zo kan ik ook de waarheid vertellen, zonder hiermee blind de norm tegen liegen te volgen. Ik kan namelijk een autonoom verlangen hebben om eerlijk te zijn en daarbij de opvatting huldigen dat de samenleving ermee gediend zou zijn als iedereen eerlijk zou zijn. De waarheid vertellen is in dit geval zeker niet irrationeel te noemen. Normgeleid gedrag wordt dus in deze gevallen niet louter veroorzaakt door onbewuste drijfveren, maar is gebaseerd op basis van goede redenen.

Het is, ons inziens, dan ook belangrijk om een onderscheid te maken tussen situaties, waarin men, zoals Hollis zegt, blind en mechanisch normen volgt en situaties, waarin normen rationeel gedrag voortbrengen of waarin rationaliteit ons vertelt om de normen aan de kant te schuiven. In de eerste gevallen zal Elster het gestelde gedrag zeker irrationeel noemen, aangezien we hier een ongeoorloofde invloed hebben van causale mechanismen op het gedrag van een persoon, net zoals dit het geval is bij wilszwakte161. In het tweede geval, zal Elster het resulterende gedrag rationeel noemen, zolang de verlangens op basis waarvan men handelt, niet heteronoom zijn ontstaan. Omdat normgeleid gedrag vaak niet blind en onbewust wordt gesteld, kunnen de reductie van dit gedrag tot een dergelijk irrationeel gedrag te simplistisch. Wanneer men de tegenstelling tussen rationeel en normgeleid gedrag voorstelt als een dichotomie tussen bewust intentioneel gedrag en onbewust veroorzaakt gedrag, wordt het al te makkelijk om het normgeleid gedrag te bekritiseren162.


Met betrekking tot de precieze verhouding tussen de invloeden van rationaliteit en van normen op de handelingen van een mens, neemt Elster een specifiek standpunt in. Hij weerlegt vooreerst meerdere strategieën die men gebruikt om het algemene fenomeen van sociale normen te reduceren tot een of andere vorm van rationaliteit163. We kunnen een indeling maken in deze theorieën door te kijken of ze de werking van normen verklaren door een vorm van individuele, dan wel sociale rationaliteit.

  1. Een eerste strategie bestaat erin om aan te tonen dat het volgen van normen voor het individu rationeler is dan het schenden ervan, omdat dit laatste gepaard gaat met kosten. Het sociale karakter van normen bestaat er immers in dat de mensen, met wie deze normen worden gedeeld, sancties opleggen aan degenen die de normen niet volgen: “(...) norm-guided behaviour is supported by the threat of sanctions that make it rational to obey the norm” (SJ, p. 34; SN, p. 104).

Elster acht deze strategie echter weerlegd door volgende tegenargumenten. Heel wat normen worden, ten eerste, gevolgd, ook al is er geen kans op betrapt te worden op eventuele schendingen164. Normen, zoals de norm om niet te stelen, zijn soms in die mate geïnternaliseerd, dat er geen sancties meer nodig zijn om het normgeleid gedrag te ondersteunen: “(w)hen norms are internalized, they are followed even when violation would be unobserved and not exposed to sanctions” (NB, p. 119; CS, p. 131). We moeten ons, ten tweede, afvragen waarom mensen sancties opleggen aan mensen die een bepaalde norm niet volgen. Men kan stellen dat men zelf een sanctie kan verwachten indien men dit niet doet. Maar wanneer we dan vragen wie deze sanctie zal geven, wordt het stilaan duidelijk dat dit alles niet kan verklaard worden louter op basis van een rationele berekeningen van de eventuele kosten en baten (SF, p. 98-100).

  1. Een tweede strategie bestaat erin om aan te tonen dat normen bestaan en gevolgd worden omdat ze nuttig of functioneel zijn voor de samenleving waarin ze leven.

Elster betwijfelt niet dat normen goede gevolgen kunnen hebben: beschaving is voor een deel te danken aan het bestaan van normen. Maar dit betekent nog niet dat mensen normen volgen omwille van het feit dat dit voordelen oplevert (NB, p. 117-123; SF, p. 88-89). Elster gelooft ook niet dat het feit dat normen positieve effecten voortbrengen een verklaring vormt voor het bestaan van deze normen. Deze stelling wordt verdedigd door de zogenaamde functionalistische theorieën in de sociologie (CS, p. 147-149)165. We behandelen ze hier als een strategie die het bestaan van normen probeert te verklaren door aan te tonen dat ze ‘rationeel’ zijn. Dit kan begrepen worden in de betekenis dat normen het nut van de samenleving optimaliseren (sociale rationaliteit) of dat ze de beste manier zijn gebleken voor de personen van een samenleving om zich aan te passen aan de omgeving (evolutionaire rationaliteit) (NB, p. 123; RS, p. 121). Indien deze theorieën zouden kloppen, zo stelt Elster, zouden er geen normen zijn zonder positieve effecten. Normen rond etiquette vormen echter een goed tegenvoorbeeld: ook al zijn ze niet nuttig, toch zijn ze erg talrijk en doen mensen heel veel moeite om ze te volgen (CS, p. 139-141).
Elsters eigen opvatting bestaat er dus niet in om het bestaan en de motivationele werking van sociale normen volledig door de rationele keuze theorie te verklaren (CS, p. 125). Hij weigert zich te laten verleiden tot het geven van een verklaring van het bestaan en ontstaan van normen (Brennan, 1994, p. 78-79)166. Hij doet bovenstaande theorieën dan ook af als ‘verhalen’, die eigenlijk niets verklaren: “(n)orms, in my view, result from psychological propensities about which we know little. Although I could tell a story or two about how norms might have emerged, I have nothing to say about how they actually did emerge” (NB, p. 123). Elster probeert hier de theorie rond sociale normen een eigen zelfstandigheid te geven tegenover de rationele keuze theorie167. Dit neemt niet weg dat hij zwaar de nadruk legt op de rol van de persoon in de werking van normen. In de sociologische theorie rond sociale normen is men echter vaak geneigd om normen te beschouwen als groter dan en onafhankelijk van de individuen, hetgeen we een vorm van methodologisch holisme kunnen noemen (CS, p. 105-106). Elster wil normen daarentegen behandelen in het kader van een methodologisch individualisme: “(s)ocial norms, as I understand them here, are emotional and behavioral propensities of individuals, not supra-individual entities that constrain behavior” (RS, p. 113-114).
Op die manier probeert Elster ook te laten zien dat de rationele keuze theorie niet aan belang verliest. Hij verdedigt dan ook dat handelingen zowel door rationaliteit als door normen kunnen beïnvloed worden. Om dit te verduidelijken, kunnen we het voorbeeld geven van het zogenaamde ultimatumspel, dat door twee spelers wordt gespeeld (SN, p. 102; RS, p. 115). De eerste speler stelt een verdeling voor van een bepaalde som, bijvoorbeeld € 100, en de tweede speler heeft de keuze om deze verdeling te aanvaarden (en dan krijgen beide spelers hun deel) of om ze te weigeren (en dan krijgen beide spelers niets). Soms is de gekozen optie van de tweede speler eerder het resultaat van rationele overwegingen. Wanneer de eerste speler een verdeling van 99/1 voorstelt, zal de rationele speler dit aanvaarden, aangezien € 1 beter is dan niets. Soms is de gekozen optie echter eerder het resultaat van een norm. Zo kan de tweede speler een dergelijke verdeling weigeren, vanuit de overtuiging dat ze de norm van een rechtvaardige verdeling schendt. Soms kunnen rationaliteit en sociale normen in interactie treden. Het resultaat kan dan zijn dat de handeling een compromis is tussen rationaliteit en een bepaalde norm. Zo kan men, ook al verwerpt men een verdeling van 99/1, toch een verdeling van 60/40 aanvaarden. Wanneer rationaliteit en normen interageren, kan het echter ook gebeuren dat normen optreden als beperkingen op rationaliteit. Zo kunnen we het gedrag van de eerste speler die een 60/40-verdeling voorstelt begrijpen: hij wil zijn eigen winst maximaliseren, maar binnen de norm van sociale rechtvaardigheid. Een ander resultaat uit een dergelijke interactie kan zijn dat rationaliteit optreedt als een beperking op normen. Ook al wil de eerste speler de norm van rechtvaardigheid naleven, toch zal hij geen verdeling voorstellen die voor hem minder dan € 50 opbrengt.
Om te begrijpen dat normen en rationaliteit kunnen interageren, stelt Elster dat we ze op hetzelfde niveau moeten plaatsen168. We kunnen dit alweer verduidelijken aan de hand van het algemene filtermodel. Aangezien Elster rationaliteit op het niveau van de tweede filter situeert, zal hij de werking van normen eveneens hier situeren. Zo zien we dat hij twee manieren bespreekt waarop sociale normen in het filterproces kunnen geïntegreerd worden (RC, p. 23-25). Men kan ze, ten eerste, beschouwen als een vorm van beperking en dus op het niveau van de eerste filter plaatsen. Elster vindt dit echter geen plausibele interpretatie, omdat normen, in tegenstelling tot bijvoorbeeld fysische beperkingen, geschonden kunnen worden. Hij heeft daarom meer voorkeur voor de tweede interpretatie, waarin sociale normen beschouwd worden als een mechanisme op het niveau van de tweede filter.

Hier zitten we nu echter met meerdere mechanismen op hetzelfde niveau, met name sociale normen en rationaliteit, en dit zowel in de betekenis van ‘maximizing’ als van ‘satisficing’. Elsters studie omtrent sociale normen “(...) leads him to the eclectic solution that some forms of action can be explained through rational choice models, others with reference to social norms” (Moggach, 1991, p. 54-57). Het probleem is nu dat er geen overkoepelende theorie bestaat die verklaart wanneer en waarom een bepaald mechanisme in een bepaalde situatie het meest doorslaggevende is. Meer specifiek, met betrekking tot de verhouding tussen rationaliteit en normen, stelt Elster: “(t)here does not exist a robust, well confirmed theory specifying the conditions under which, and the limits within which, norms override rationality” (RC, p. 24). Elster besluit dan ook dat het ontwikkelen van een dergelijke theorie de voornaamste taak is in de studie van het menselijk gedrag: “(...) the goal of the social sciences must be (...) to understand outcome-oriented motivations and nonconsequentialist ones as elements in a general theory of action. As long as this task is not accomplished, rational-choice theory will probably remain privileged, by virtue of the simplicity and power of the maximizing assumption” (SJ, p. 35).


Elster is dus, zoals we overigens reeds hebben gezien (cf. I, 2.2; II, 2.4), van mening dat de verschillende alternatieven in gebreke blijven als het gaat om een eenvoudige, geünificeerde theorie die het gedrag van mensen verklaart. Zolang deze er niet is zal de rationele keuze theorie (als ‘maximizing’) prioritair blijven op descriptief vlak: “(n)eoclassical economics will be dethroned if and when satisficing theory and psychology join forces to produce a simple and robust explanation of aspiration levels, or sociological theory comes up with a simple and robust theory of the relation between social norms and instrumental rationality. Until this happens, the continued dominance of neoclassical theory is ensured by the fact that one can’t beat something with nothing” (RC, p. 26-27). Elster stelt in dit opzicht ook dat de rationele keuze theorie zeker met problemen kampt, maar dat de alternatieve theorieën er eigenlijk nog erger aan toe zijn169.

We zien hier dus onmiddellijk hoe Elster blijft vasthouden aan het privilege van de rationele keuze theorie in de studie van het menselijk gedrag. Ook al zijn er bepaalde gedragingen die beter door de theorie rond sociale normen kunnen verklaard worden dan door de rationele keuze theorie, toch dient de theorie rond rationaliteit het uitgangspunt van elke studie van het menselijk gedrag te zijn170. Een andere reden hiervoor bespreken we in ons algemeen besluit.




  1. Algemeen besluit.

We zien dus dat Elster, zelfs na de studie van de verschillende problemen, blijft geloven in de waarde van de rationele keuze theorie, zowel in haar normatieve als in haar descriptieve vorm. Het belangrijkste argument die Elster hiervoor geeft is, ons inziens, op beide vlakken dezelfde. Elster baseert zich hiervoor op het concept van een algemene ‘vooronderstelling van rationaliteit’ (presumption of rationality) (US, p. 153-156; RC, p. 27)171.


Zo vinden we, op normatief vlak, van onszelf dat we rationeel moeten zijn. Vanuit dit verlangen om rationeel te zijn, is het begrijpelijk dat we helemaal niet trots zijn op eventueel irrationeel gedrag en dat we bijgevolg heel veel moeite doen om dit te voorkomen (SJ, p. 28).
De veronderstelling dat mensen zich rationeel gedragen, is echter vooral op descriptief vlak van groot belang (NS, p. 72). In het dagelijkse leven gaan we er steeds vanuit dat de mensen rondom ons rationeel zijn: “(i)n our dealings with other people, we are compelled to treat them as, by and large, rational. Communication and discussion rest on the tacit premise that each interlocutor believes in the rationality of the others (...). To understand others, we must assume that, by and large, they have rational desires and beliefs and act rationally upon them” (SJ, p. 28). Het gaat hier om een soort van veralgemenende redenering: we veronderstellen dat de anderen even rationeel zijn als ons172.

Net zoals dit het geval is in de dagelijkse omgang met mensen, moet ook de wetenschapper die het menselijke gedrag probeert te verklaren, uitgaan van een model dat gebaseerd is op begrip ‘rationaliteit’. Wanneer het bestudeerde gedrag aan de voorwaarden van rationaliteit voldoet, dan heeft hij het volledig verklaard. Rationaliteit veronderstelt immers zelf geen verdere verklaring: “(...) rationality itself does not presuppose anything else. On grounds of parsimony, therefore, we should begin by assuming nothing but rationality” (SJ, p. 29). Hij zal echter vlug geconfronteerd worden met gedragingen die blijkbaar niet in een rationele keuze theorie passen173. Vaak zullen dergelijke gedragingen, na een grondigere analyse, toch rationeel blijken te zijn (US, p. 155). Zo hebben we gezien dat het rationeel kan zijn om, zoals Odysseus, de verzameling van keuzemogelijkheden te verkleinen door beperkingen toe te voegen (cf. II, 3.1.1.3). In andere gevallen is er sprake van een echte afwijking van de (vooronderstelling van) rationaliteit: “(...) there is in human behaviour a presumption of rationality such that global maximization or strategies of precommitment – first-best or second-best rationality – are natural forms of behaviour that do not require any further explanation. Rather an explanation is called for when deviations from perfect and imperfect rationality are observed” (US, p. 87). Zoals we in ons tweede hoofdstuk hebben gezien, moeten we soms inderdaad concluderen dat een bepaald persoon irrationeel is. Maar zelfs deze conclusie komt tot stand op de achtergrond van de veronderstelling dat hij, in het algemeen, wel rationeel is (Vanmechelen, 2000, p. XI)174. Elster kan op die manier omgaan met de problemen van rationaliteit zonder hiermee de hele rationele keuze theorie te verwerpen (Brennan, 1994, p. 74-75).


Een andere manier om dit te doen is een verbreding van het concept van rationaliteit. Elster blijft in zijn uiteenzettingen nogal sterk vasthouden aan de instrumentele opvatting van rationaliteit. Zoals we reeds hebben gezien, vult hij de rationele keuze theorie, zowel in haar normatieve als in haar descriptieve variant, volledig instrumenteel en uitkomstgeoriënteerd in (cf. I, 2). Het is echter mogelijk om het concept van rationaliteit los te maken van de instrumentele invulling ervan het in een bredere context te plaatsen. Elster doet dit zelf op heel wat plaatsen. Zo stelt hij dat rationaliteit niet enkel geldt op het niveau van de keuze tussen verschillende opties om een gegeven doel zo goed mogelijk te realiseren. Rationaliteit levert immers ook voorschriften voor de overtuigingen en verlangens van een persoon en voor de hoeveelheid informatie men moet vergaren. We kunnen Elsters opvattingen hieromtrent perfect plaatsen in het opzet van R. Boudon om een “synthetische theorie van rationaliteit” op te bouwen, waaronder men meer dan enkel de ‘enge’ vorm van instrumentele rationaliteit kan plaatsen175. Boudon stelt dat een strikt instrumentele opvatting van rationaliteit problemen heeft met niet-intentioneel (unintentional) of niet-doelgericht (unpurposive of unpuposeful) gedrag dat toch gegrond is op (goede) redenen. Als voorbeeld geeft hij de volgende handeling (waarbij X een persoon is, Z een handeling, T een theorie en G een doel): “(...) X does Z because he or she believes in the T, has good reasons for believing in T, and has good reasons for believing on the basis of T that Z will result in G” (Boudon, 1993, p. 10). Het geloof in een theorie is echter een niet-intentioneel gedrag dat bijgevolg ook niet op instrumentele basis rationeel of irrationeel genoemd kan worden. Omdat echter in de meeste handelingen een of andere overtuiging (belief) belangrijk is, moet het rationaliteitsconcept uitgebreid worden als het nog van belang wil zijn in de verklaring van menselijk gedrag176. En dit is dus precies wat Elster doet met zijn ‘brede’ theorie van rationaliteit. Door voorwaarden op te stellen die bepalen wanneer een overtuiging rationeel is, verbreedt hij het concept van rationaliteit, zoals Boudon dat zelf ook wil doen. In de rationele keuze theorie van Elster, zoals we die in het eerste hoofdstuk hebben uiteengezet, is immers ook niet-instrumenteel gedrag als ‘geloven’ inbegrepen.

Toch staan zulke uitbreidingen van het rationaliteitsconcept bij Elster nog steeds in het teken van een handeling die een rationeel persoon in een bepaalde situatie moet stellen om een gegeven doel te bereiken. Men heeft best rationele overtuigingen, omdat men op die manier meer kans heeft om een gewenst doel te bereiken. Elster neemt dus niet echt afstand van het instrumentele rationaliteitsmodel. Dit wordt eveneens duidelijk als we naar het overkoepelende schema kijken, waarin alle pijlen naar de handeling verwijzen: de diverse uitwijdingen op de verschillende niveaus (zoals onder meer dat van de overtuigingen) staan uiteindelijk in dienst van de (instrumentele) rationaliteit van de handelingen.



handeling





  1   2   3


De database wordt beschermd door het auteursrecht ©opleid.info 2017
stuur bericht

    Hoofdpagina