Emeritiforum k. U. Leuven



Dovnload 30.36 Kb.
Datum28.08.2016
Grootte30.36 Kb.


EMERITIFORUM K.U.Leuven

pa. SENAAT K.U.LEUVEN

“EYgen Heerd”

Minderbroedersstraat 5

B-3000 LEUVEN




KATHOLIEKE

UNIVERSITEIT

LEUVEN


ONS KENMERK

UW KENMERK

LEUVEN,



17 december 2004



EMERITIFORUM




Forumgesprek nr. 14

WAT IS (NOG) KUNST?”


Inleiders: em. prof. H. Parret, de heer P. Tanghe

Coach : Prof. R. Laermans
Donderdag 16 december 2004 om 10.00 uur, Lemaire Zaal (Faculty Club)
Aantal ingeschrevenen:115

Aantal verontschuldigden: 14

Aantal deelnemers aan de lunch: 80

Ter beschikking gestelde teksten :

Inleidendingstekst forumgesprek door em. prof. C. De Ranter

Inleidende tekst door prof. R. Laermans


Tekst: "De kunst is dood, leve de post-kunst?" door prof. R. Laermans

Tekst: "Beroering en ontroering, over de zinnelijkheid van het gemoed" em. prof. H. Parret

Aanbevolen lectuur: “Toeternitoe” een boek aan van de hand van de heer P. Tanghe

De voorzitter van het Emeritiforum K.U.Leuven leidt het forumgesprek in (tekst als bijlage).

De coach van de discussie, prof. R. LAERMANS situeert het onderwerp en stelt de inleidend spreker en de discutant voor (tekst eveneens als bijlage).

Prof. H. PARRET kwalificeert de vraag in hoofding vermeld als delicaat, emotioneel en ook controversieel. Zij duidt op het aanwezig zijn van ongerustheid, onzekerheid, ongemakkelijkheid, scepsis en misschien vooral nostalgie naar vroeger. In een historisch perspectief bekeken is die vraag wel altijd gesteld geworden: Cicero al vond de Griekse standbeelden meer kunst dan de Romeinse. En ook nadien wilde men steeds terug naar zuiverheid, echtheid, authenticiteit, weg van zogenaamde decadentie: de Renaissance greep terug naar de Oudheid, nadien wilde men opnieuw het Middeleeuwse model.

Aan de hand van een aantal voorbeelden uit de beeldende kunst toont hij aan dat die vraag met het voortschrijden van de tijd, ten aanzien van kunstwerken niet meer van toepassing is. De kunst van een van Gogh , een Mondriaan, een Francis Bacon en ja zelfs van een L. Freud wordt nu als “verworven” beschouwd.Naarmate men verder in de tijd doorgaat, wordt de vraag echter meer en meer relevant. De ongerustheid groeit bij het zien van het werk van de Weense actionisten en vele anderen….

Zijn standpunt is evenwel dat de 20ste eeuw een zeer grote eeuw was op het gebied van de beeldende kunsten.

Maar waar steunt dat gevoelen van “ongemak” dan op? Blijkbaar op een misverstand.

Er is vooreerst het cynisme van de “art world” (misschien maar een groep van een tweehonderdtal mensen in Vlaanderen), dikwijls spektakelfiguren die de kunst tot commercie hebben teruggebracht.

Maar het toch diepgewortelde misverstand vindt zijn oorsprong in het feit dat er een breuk ontstaan is tussen kunst en talent, dat er niet meer gemikt wordt op stielkennis, dat één idee al goed is en originaliteit zelfs geschuwd wordt (Warhol). Het ligt ook in de omstandigheid dat kunst soms vulgair, makkelijk en zelfs afstotelijk is (Marcel Broodthaers): zij ontstaat uit banale materialen, is zonder direct visueel genot en is hooguit “interessant". Het klassieke predikaat “schoon” is niet meer relevant.

Een ander component van onze onrust is dat de kunst haar transcendent karakter verliest. Kunst brengt ons niet meer zoals voorheen buiten het alledaagse, maar brengt ons terug naar het leven, een leven van oorlog en miserie. Ook de gebruikte materialen brengen ons terug naar dagdagelijkse gebruiksvoorwerpen en naar de natuur, zelfs in haar bedreigingen. Het kunstwerk wordt dikwijls uit het museum gehaald en midden in de natuur neergezet.

Kunst heeft ook niet meer haar klassieke morele waarde, zij wordt soms puur immoreel. Hierbij dient echter gezegd dat de kunst zeer dikwijls een marginale moraal heeft voorgesteld: in de 19e eeuw bij voorbeeld werd immoraliteit zeer intens naar voren gebracht in de kunst.

Men maakt veelal een onderscheid tussen hedendaagse (laatste 50 jaar) en actuele kunst (nog levende kunstenaars). Maar reeds vanaf ongeveer 1860 was er, met de zogeheten moderne kunst, een reactie tegen het academisme. Het overspant een hele periode, van Manet tot Picasso.

Vanaf 1960 wordt echter radicaal gereageerd tegen de waarden van het modernisme. Tot dan ging men ervan uit dat kunst altijd avant-garde moest zijn en het steeds beter en beter moest doen in functie van de potentialiteiten van het medium waarmee gewerkt werd.

Daarop werd ondermeer door de Pop Art scherp gereageerd, met collages van minderwaardige materialen zonder enige gevoelsexpressie. Dit is eigenlijk het begin van de actuele kunst, alhoewel veel eerder Duchamps met zijn urinoir (1917) daar een aanzet toe gaf.

De reactie uitte zich niet alleen in het bovengenoemde materiaalgebruik, maar ook in de “minimal art”. Het onderscheid tussen schilderij en sculptuur verdwijnt soms in driedimensionale voorstellingen of de toeschouwer moet soms zijn hele lichaam gebruiken om een volle esthetische ervaring te hebben of zich zelfs binnen het kunstwerk verplaatsen.

Het wordt ook conceptuele kunst, die verband houdt met taal. Het object is maar waardevol voor de idee.


Hedendaagse kunst is dus antimodernistisch…maar is dat nog kunst?

Kunst gaat over het leven en iedere periode heeft de kunst die zij verdient.

De hedendaagse kunst spreekt ons aan over de “nieuwe werkelijkheid”. Kunst gaat altijd over het leven en de werkelijkheid van vandaag is er één van intolerantie, terrorisme en geweld en de kunst van nu hanteert daarvoor repetitieve middelen .

Zij stelt de lichamelijkheid centraal (zie Body Art), gebruikt antropologische elementen,…

Zij heeft het over het traumatische van het onbewuste ( cf.de psychoanalyse). Zij toont lelijkheid en vormeloosheid.

Als structuur en strategie noteren we de herwaardering van het materiële (“matiëristisch”), de kunst gebruikt nu bric à brac.

Er is een tijd/ruimtelijke reorganisatie (destabilisering) en een “ barokkisering” (Christo pakt bruggen in) of obsessieve collectivisering.


Als besluit kan men stellen dat kunst nog altijd een maatschappijkritische functie heeft en ethiekbevragend is.

De vraag die in deze overeind blijft is: is er nog goede kunst? Maar zelfs dat is een formele vraag, want “kunst kan het nooit winnen op religie” (Hegel).

Ter reflectie geeft prof.PARRET het volgende mee: hedendaagse kunst past in onze wereld van nu; elke tijd heeft de kunst die hij verdient; weigeren zich intellectueel te engageren is zich afkeren van de hedendaagse wereld.

Voor de heer P. TANGHE moet de titelvraag gerelativeerd worden. Het is een vraag van intellectuelen, zij is Westers want elders in de wereld ligt men er echt niet van wakker en zij sluit aan bij onze obsessie van decoratie (“iets aan de muur hangen”). Door de toenemende commercialisering wordt zij nu ook al wel gesteld in China en Japan, maar zij blijft toch behoren bij een zeer modieus, snobistisch milieu.

De heer TANGHE vertrekt van de bespreking van het urinoir van Duchamps. Dit is, volgens sommigen het meeste belangrijke kunstwerk van de 20ste eeuw. De artistieke daad van Duchamps, wel eens de peetvader van de hedendaagse kunst genoemd, bestond erin het voorwerp om te draaien, het een naam te geven (Fontein) en het te ondertekenen en te dateren.

Zelf beschouwt de discutant dit vruchtbaarheidsicoon als een meesterwerk. Kunst is altijd al een moeilijk begrip geweest en moet bekeken worden vanuit kunstervaring. Daartoe moeten drie voorwaarden vervuld zijn: het moet gemaakt zijn door een kunstenaar (intentie), het moet aanvaard worden door de kunstwereld en de toeschouwer moet een ervaring van kunst hebben. Die ervaring is altijd subjectief, relationeel en interpretatief, d.w.z.moet een oordeel met tal van vooroordelen (taal, context,…) bevatten.

Wat objectief is, is de “sensus communis”; een werk is kwalitatief wanneer het de context van een periode overstijgt. De diepste kern moet dezelfde zijn.

In zake ervaring moet men een onderscheid maken tussen oppervlakte-ervaring en diepte-ervaring. Diepte-ervaring is maar aanwezig wanneer zij een ontmoeting is met iets dat verband houdt met de mysteries van het leven, wanneer het werk een “openbaring” is, verrassend overkomt, een betekenis heeft als relevantie, zingeving. Dit veronderstelt wel ontvankelijkheid van de toeschouwer, een contemplatie.

Het symbool is geïncarneerd in een bepaalde vorm. Er is een verband met fictie en spel: kunst blijft fictie zonder engagement, zonder die existentiële gevolgen die de rite wel heeft.

De diepere kern van de kunstervaring ligt in het sublieme dat verschilt van het schone. Het sublieme - dat in de vorm zit - ontroert, geeft besef van vergankelijkheid, houdt verband met mijn existentie. Bij drievierden van de hedendaagse kunst is het product echter gedicteerd door de kunsthandel.

Deze economisering is één van de redenen van de lage kwaliteit. Daarnaast is er het entertainment gehalte en ook nog de crisis bij de toeschouwer. Deze laatste wil een snelle sensatie, hij is onvoldoende ontvankelijk.

Vanuit de positie van de kunstervaring is de gestelde vraag totaal onbelangrijk. De sublieme diepte-ervaring vindt men ook buiten de kunst. Wat belangrijk is, is of de toeschouwer er door ontroerd wordt. Voor het overige is kunst een economisch product.

XXXXX


Prof.PARRET is het voor het overgrote deel eens met de analyses van de heer TANGHE, die de nadruk legde op de existentiële ervaring van kunst. Maar hij heeft het wel moeilijk met diens gemakkelijke overgang van artistieke naar religieuze ervaring, waar het engagement toch van een andere orde is.

Kunst is voor hem niet herleidbaar tot religie.

Voor de heer TANGHE heeft religieuze ervaring echter niet noodzakelijk iets te maken met God of godsdienst. Het is “gepakt zijn door het mysterie van het leven” en reikt verder.

Is er enig inzicht in het fenomeen dat verklaart hoe het komt dat bepaalde kunst maar na een tijd geapprecieerd wordt? Is er enige analogie met bijvoorbeeld de wetenschap?

De reden ligt in het feit dat kwaliteit maar met de tijd naar boven komt: de kwaliteit is zo goed dat zij de context van een bepaalde periode overschrijdt. De vorm wordt vergeestelijkt. Hoeveel schiet er trouwens nog over van de kunst van de zestiger jaren…? Vele namen van kunstenaars die toen in catalogi stonden, vindt men nu niet meer terug.

Het is de formidabele eenheid van vorm en inhoud die ontroert. Is de vorm te nadrukkelijk dan vervalt men in academisme, teveel inhoud wordt propaganda.

Maar…dikwijls wordt alles gestuurd door handel.

Analogie met de wetenschap gaat hier niet op: in de wetenschap vertrekt men van een onbegrijpbare hypothese en nadien wordt er geargumenteerd waardoor de opvatting verandert. van Gogh wordt nu geapprecieerd omdat men hem kan argumenteren.

Eén aspect is ook de sociale smaak, dit is een middenpositie die men bij de wetenschap uiteraard niet kent.

De hedendaagse kunst wil soms ook wel ingaan tegen de goede smaak ( anti-kunst), tegen de kunst die decoratie was, tegen de bourgeois kunstverzamelaars.

Zijn lijnen, tekening,…belangrijk?

Tekenen is en blijft de kern van de beeldende kunst, de kunstenaar neemt ruimte in op een manier zoals een ander dat niet kan.

Ervaring van het sublieme kan men ook hebben in een relatie met iemand en ook de natuur kan mij ontroeren.

Beroeren is iets zeer persoonlijks. “De Madonna in de badkamer”, een aan het bovenvermelde werk van Duchamps gegeven benaming, gaat te ver.

Duchamps zelf heeft zulkdanige symbolische interpretatie echter nooit aanvaard. Die is niet essentieel om zijn werk te begrijpen.

Zijn we, de kunstenaar en de toeschouwer, niet het slachtoffer van een gebrek aan tijd?

Er zijn nog altijd veel kunstenaars die maar één werk per jaar maken. Anderzijds worden dikwijls werken van een performer op een duurzame wijze (bijvoorbeeld op video) vastgelegd. Maar de hedendaagse kunst stelt ook de onsterfelijkheid van de kunst in vraag…

Het probleem ligt echter bij de toeschouwer: hij of zij moet zich ontvankelijk opstellen en tijd nemen.

Wat maakt hedendaagse kunstervaring zo specifiek?

“Hedendaags” is natuurlijk maar een conventionele manier van afbakening. Die periode zou beginnen in 1960.

Kunstervaring zelf is wel singulier, is iets anders (niet: “zolang er vrouwen zijn, moet er geen kunst zijn”!). Zij heeft te maken met de capaciteit van de zintuiglijkheid. Zij sluit bovendien de eis van universaliteit in zich.

Kunstervaring hoort wel bij de totaliteit van de menselijke ervaringen. Men kan eenzelfde kunstervaring hebben bij het bekijken van kunst uit de prehistorie.

De mode speelt natuurlijk een enorme rol, dikwijls ontwikkelt een elite een anti-smaak.

De hedendaagse kunst is een amalgaam van stijlen en strategieën.



Secretariaat : tel. 016/32 37 29 Fax 016/32 37 38

e-mail : emeritiforum@kuleuven.ac.be






De database wordt beschermd door het auteursrecht ©opleid.info 2017
stuur bericht

    Hoofdpagina