Emeritiforum ku leuven



Dovnload 26.74 Kb.
Datum19.08.2016
Grootte26.74 Kb.


Emeritiforum KU LEuven

p.a. “Eygen Heerd”

Minderbroedersstraat 5

B-3000 Leuven






KU LEUVEN



ONS KENMERK

UW KENMERK

LEUVEN,




Forumgesprek nr. 96
ADHD of toch niet? Problemen met de etikettering

in kinder- en jeugdpsychiatrie
Sprekers: - dokter Lut De Rijdt, Kinder- en Jeugdpsychiater, De Kade, UPC KU Leuven
- prof.Marina Danckaerts, kinder- en jeugdpsychiater KU Leuven

Inleider-moderator: em. prof. Paul De Cock, gewezen hoofd Centrum Ontwikkelingsstoornissen
UZ/KU Leuven

Plaats: Willem van Croÿzaal, Convent van Chièvres, Groot Begijnhof

Datum: donderdag 26 februari 2015

_____
Ter beschikking gestelde documentatie:


- Tekst van em. prof. A. Van de Putte
- Inleiding door em. prof. P. De Cock

- ‘Hij die niet genoemd mag worden: ADHD’, PowerPointpresentatie (30 dia’s) van prof. M. Danckaerts

- ‘Psychodiagnostiek bij adolescenten’ (6 blz.), dr. L. De Rijdt

- PowerPointpresentatie (19 dia’s) bij de hierbovengenoemde tekst van dr. L. De Rijdt

- Gedragsstoornissen van kinderen zijn een opvoedingsprobleem ”ADHD wordt een levensstijl”,
Nico Krols, Weliswaar.be, p.34-3

- Niet ieder moeilijkheid is een stoornis, Paul Verhaeghe, CVZ magazine, oktober 2011, p.8-9

_____

De voorzitter van het Emeritiforum stelt dat ADHD (attentive deficit hyperactivity disorder) één van de relatief nieuwe woorden is die opduiken. Er klinken echter stemmen die stellen dat we bezig zijn bepaalde fenomenen los te maken uit hun psychosociale context en er een ziekte van te maken: diagnosticeert men geen stoornissen die er geen zijn? Dit is niet onschuldig want beslist men zo niet, op een al te enge manier, over wat normaal en homogeen moet zijn, en is dat finaal geen onvermogen om met echte diversiteit te leven? Waarom doet de maatschappij dat en welke zijn de mogelijke sociale en psychologische effecten van deze etikettering? Dreigen jongeren zich niet te identificeren met hun etiket?


Ook dichters trokken zich, uiteraard in niet vrolijke teksten, het onderwerp aan: Willie Verhegghe deed dat in zijn ‘Kamiel’ en de Nederlander Gerrit Achterberg in zijn ‘Kinderangst’.
Em. prof.De Cock stelt aan de hand van hun cv de beide sprekers voor, beide feminae doctae.

Prof. Danckaerts is een internationaal erkend ADHD-expert en dr. De Rijdt is als psychoanalytica verantwoordelijk voor ‘De Kade’, nu deel van het UPC te Kortenberg.

Volgens de gezondheidsenquête Vlaanderen 2013 geven 32 % van de ondervraagden ouder dan 15 jaar, psychische problemen aan. What’s in a name: er is de verhouding tussen de naam en de / het benoemde, en de mogelijk negatieve invloed die er van een naam (zoals ADHD) kan uitgaan.

Een groot probleem in de psychiatrie is, volgens de inleider-moderator, dat de vraag naar oorzaak en pathogenese d.i. het ontstaan en de ontwikkeling van een ziekte, quasi nooit precies kan worden beantwoord noch overtuigend objectief kan worden aangetoond. Stoten we via de fenomenen door naar iets essentieels? In dit verband weze o.a. verwezen naar de DSM-bijbel (Diagnostic en Statistical Manual of Mental Disorders) thans in editie 5 (2013), een descriptieve catalogus voornamelijk gebaseerd op symptomen.

Kunnen psychische en psychiatrische problemen zoals ADHD, borderline, … gedefinieerd worden buiten de context van persoonlijke geschiedenis en relationele omgeving? Waar liggen de grenzen tussen the bumps of life (Joel Paris) en de stoornis? Wat doet het overigens met iemand die een etiket…en een ticket voor toegang tot een zorgcircuit… opgekleefd krijgt?
Prof. Danckaerts geeft haar toelichting met haar bovengenoemde PPt-presentatie. Beleven we een epidemie van psychische stoornissen en is het ‘etiketten plakken’ in deze niet doorgeslagen? In de classificatie van DSM-5 komt ADHD nu onder ‘ontwikkelingsstoornissen’, eerder was dat onder ‘storend gedrag’. Maar wat is een stoornis (schadeberokkenend…) en wat is een ziekte? (dia 6). De overlabeling - in onze te veel prestatiegerichte maatschappij - kan een nadeel betekenen en wordt sterk bekritiseerd, ook al omdat het kan dienen om anderen te ‘ontschuldigen’. Zie in dit verband prof. Paul Verhaeghe van de UGent, voor wie het probleem van jongeren een (gedrags)stoornis noemen er een probleem van maakt. Voor prof. Richard Saul bestaat ADHD dan ook niet en prof. Thomas Szasz vindt aansluiting bij de zogeheten antipsychiatriebeweging.

Er heerst een taboe inzake ADHD en dit heeft zo zijn redenen. Volgens sommigen bestaat het dus niet, maar het is alleszins enerzijds hooggenetisch en geassocieerd aan allerlei verschillen en van prognostisch belang en anderzijds een bidimensionele diagnose met een aparte aandachtsfactor en een aparte hyperactiviteits- / impulsiviteitsfactor (dia’s 7-10). Maar vanaf wanneer moet men er iets gaan aan doen? Heeft ADHD ten slotte ook een maatschappelijke causaliteit? (dia 11).

ADHD wordt overdreven gediagnosticeerd en behandeld. Voor kinderen komt men wereldwijd op een score van 6,5 %, voor adolescenten op 2,7 % - wat er meteen op wijst dat het geen life long condition is. Deze cijfers zijn onafhankelijk van het jaar van publicatie van de verschillende studies over dit onderwerp, en zijn evenmin een Westers probleem (dia’s 13 en 14, Belgische cijfers in dia’s 15 en 16).

Het ADHD-label kan ook een stigma zijn, het wordt slecht onthaald en gebruikt, het is een vangnet geworden voor negativiteit. Vooral leeftijdsgenoten nemen afstand van het (storend, kinderachtig of overdreven) gedrag, en dit gedrag én het label lokken bij volwassenen reacties uit (zie meningen daarover onder Zelf-stigma, dia 19). Medicijnen hebben hun minnen en hun plussen. De regel voor het eventueel gebruik ervan is uiteraard dat de behandeling een voordeel moet hebben. Medicalisering heeft weliswaar zijn positieve en negatieve zijde, maar ondanks alles blijken non-farmacologische therapieën minder goed tot niet te werken, en blijkt medicatie het meest kostenefficiënt te zijn. Ook diagnose zelf van ADHD heeft zijn contra’s en zijn pro’s: dia 25.

De ‘Leuvense’ visie er op - ervan uitgaande dat ADHD een risicofactor is en geen ziekte in de enge betekenis - pleit voor een behandeling in ontwikkelingsperspectief, dus een preventie op primair, secundair en tertiair niveau. Zij staat voor een acceptatie van het (druk, impulsief en concentratiezwak) gedrag binnen een onderwijs- en arbeidscontext, die gelijkwaardige participatie moet kunnen bieden voor deze gedragsvariant.
Ook dr. De Rijdt werkt met een PowerPoint-presentatie. Volgens haar is psychodiagnostiek - en dat is geen verlies van de band met het lichaam! - bij adolescenten een aartsmoeilijke opgave omdat men die psychodynamisch moet verbreden of alleszins aanknopingspunten moet aangeven voor psychotherapie. Het probleem is dat er in de psychiatrie geen goede afbakening is tussen pathologie en normaliteit. Maar er is eveneens een groot risico dat heel veel patiënten in een bepaalde categorie worden ondergebracht (vb. autismespectrumstoornissen, ASS) zelfs als men diagnostiek eerder dimensioneel ziet.

Polarisatie inzake diagnostiek komt niemand ten goede, beschrijvende diagnostiek verschaft geen dieper inzicht: psychoanalyse moet een antwoord geven op de vraag hoe we symptomen moeten begrijpen, wat de achterliggende dynamiek van de symptomen is.

Adolescenten met psychiatrische problemen hebben recht op psychotherapie. Daartoe is inzicht in de normale adolescentie (12-22 jaar, kruispunt continuïteit en ruptuur) een basisvoorwaarde. Die ruptuur die ‘chaos’, is verantwoordelijk voor veel pathologie maar ook het aanknopingspunt voor therapeutisch handelen. De redenen ervoor zijn de Nachträglichkeit (men gaat anders kijken naar zaken uit het verleden, vroegere gebeurtenissen krijgen een andere betekenis en kunnen daardoor traumatisch worden) en ook de ontwikkelingstaken als daar zijn identiteitsontwikkeling, loskomen van het gezin, en volwassen seksualiteit. Een goede diagnose en aansluitend psychotherapeutisch handelen laten toe dat adolescentie een tweede kans kan zijn, een periode waarin men zijn keuzes moet kunnen afstemmen op zijn mogelijkheden. Maar psychiatrische diagnose, die niet structureel psychodynamisch is d.i. rekening houdend met de realiteit die afgeweerd moet worden, kan negatieve impact hebben (dia’s 9 en 10). Zo moet farmacotherapie gekaderd worden, en is er het gevaar van self-fullfilling prophecy!

Diagnostische omzichtigheid is ook te handhaven bij zeer ernstige problemen (persoonlijkheidsstoornis, psychose - die echter potentieel reversibel is, dia 14).

Autisme van zijn kant is ondertussen een ware hype geworden. De diagnose ervan heeft voordelen maar ook nadelen: psychotherapie wordt vaak uitgesloten waardoor een lagere zelfverwachting ontstaat, terwijl bij een aantal van de betrokkenen een zekere groei mogelijk is op gebied van relaties en symbolisatie. Maar psychotherapie vraagt eveneens inspanningen van jongeren, het is helemaal geen passieve onderwerping.

Als besluit (dia’s 17 en 18) stelt dr. De Rijdt dat een diagnostische classificatie een zeer complex iets is. Een oorzakelijke diagnostiek is voorlopig onmogelijk. Diagnostiek is noodzakelijk maar wel persoonlijk en psychodynamisch gericht op psychotherapie. Structurele gezinsdiagnostiek is hierbij even onontbeerlijk.


_____
V. In epidemiologische studies worden ook de DSM-criteria gebruikt om te laten vaststellen dat men een bepaalde ziekte heeft of niet.

Zijn er ook geen problemen met het voorschrijfgedrag van de dokters?

A. Het onderzoek is internationaal en wat betreft die universaliteit moeten goede afspraken gemaakt worden. Daartoe worden verschillende methoden gebruikt. Er wordt gekeken naar de frequentie in x jaar, maar bv. niet naar de plek waar het kind leeft.

Wat het voorschrijfgedrag betreft hebben vaststellingen al geleid tot afspraken en protocollen (adviezen Hoge Gezondheidsraad). Ter informatie: 44 % van ADHD-behandelingen worden door de huisarts voorgeschreven.


V.Quid met het verband tussen aandachtsstoornissen en factoren zoals interesses, passies, …? Hoe algemeen is aandachtsstoornis?

A. Aandachtsstoornis slaat op observatie: jongeren zijn onderprikkeld, het organisme is te weinig gegrepen, er wordt een te lage motivatie aangevoeld en dit is een fysiologisch gegeven. Onmiddellijk bekrachtigen is positief aanwenden, maar sommige jongeren blijven afhankelijk van een externe bekrachtiging - niet vanuit zichzelf dus - of ‘vallen plat’.
V. Er werd een pleidooi gehouden voor psychotherapie boven medicatie, maar dit werd nog niet opgenomen in de ziekteverzekering. Men biedt dus die middelen niet aan de mensen.

A. Er is medicatie nodig, maar samen met…! Maar met psychotherapie voorkomt men ook duurdere opnames. Anderzijds bestaat natuurlijk ook de vrees voor een explosie ervan.


V. Stimularia zouden effecten hebben op ADHD, of zijn dat laattijdige effecten?

A. Er zijn generaties volwassenen die medicatie namen, maar nooit zoveel medicatie als nu. We hebben op dit ogenblik geen signaal dat stimularia medische schade aanrichtten.

Op macroniveau is er wel een inhaalbeweging aan de gang. De enige vrees is een mogelijke drempelverlaging voor de ontwikkeling van de ziekte van Parkinson (tekort aan dopamine).
V. Is aan de huidige ontwikkeling niets te doen? Wat met de rol van ouders, leerkrachten, …?

A. Risico’s vermijden heeft ook te maken met wat er zich in de loop van de jeugd installeerde. Er werd allerlei negativiteit in de omgeving opgewekt en de omgeving reageert zich af. Tegenover de moedeloosheid van de jongere moeten de ouders blijven moed geven. Dit laatste kan veel betekenen en het is evengoed therapeutisch werk!


V. Het is ongetwijfeld moeilijk om toe te lichten hoe groot de rol van een genetische factoren in deze is (DNA / erfelijkheid).

A. Als iets hooggenetisch (zie Danckaerts, dia 7) gebeurt, hoop je natuurlijk dat te kunnen vertalen naar bepaalde genen toe. Maar de gevonden associaties zijn klein. De mogelijkheid in zich is er misschien wel, maar de toestand is toch afhankelijk van een reeks interacties. Zoals wat meegemaakt wordt tijdens de zwangerschap en de leeftijd van 3-4 jaar, roken, drinken, angsten tijdens zwangerschap, … Dit is evenwel het terrein van de epigenetica.


V. Rilatine wordt soms discontinu voorgeschreven (bv. niet in weekend of tijdens verlof).

A. Voorschriften worden inderdaad soms gekoppeld aan situaties waarin moeilijkheden zich voordoen. Wellicht moet men deze diagnose die tot rilatinegebruik leidt reserveren voor de meest ernstige subgroep (waarvoor niet alles zich op de schoolbanken voordoet). De jongere kan zich met medicatie ook in een keurslijf voelen… of er psychologisch afhankelijk van worden.


V. De ouder moet met de jongere ook een goede relatie hebben om het aan te kunnen.

A. Het is evenwel nooit één factor die bepalend is, alles is multifactorieel. Vooral de manier waarop we uit elkaar groeien is belangrijk.


V. Wat met een doorbehandeling op volwassen leeftijd?

A. Het is anders voor volwassenen, die de vaardigheid ontwikkeld hebben over zichzelf na te denken; Maar als ADHD nog parten speelt, is ook nog behandeling mogelijk. Met de jaren kunnen wel aandachtsproblemen de kop opsteken.




Secretariaat : tel. 016/32 07 77 - Fax 016/32 37 38

e-mail : emeritiforum@kuleuven.be






De database wordt beschermd door het auteursrecht ©opleid.info 2017
stuur bericht

    Hoofdpagina