Emigratie naar noord-amerika



Dovnload 132.1 Kb.
Datum06.12.2017
Grootte132.1 Kb.
EMIGRATIE NAAR NOORD-AMERIKA

door Adhemar Dauw

De uitwijking uit eigen streek dient gezien in het kader van die uit het hele land en uit Europa alsook in het kader van de geschiedenis van de Verenigde Staten van Noord-Amerika.


De eerste 13 van de thans bestaande 50 Verenigde Staten zijn ontstaan uit evenveel koloniën die in de loop van de jaren 1600 langsheen de oostkust van Noord-Amerika door maatschappijen, landheren en andere particulieren uit Engeland werden gesticht.
De eerste kolonisten waren meest allen groepen mensen die om godsdienstige of politieke redenen hun land ontvluchtten. In de koloniën voerden zij een harde strijd tegen het klimaat, de wildernis en de Indianen die hun het leven niet zoet maakten. Toch genoten zij er de gewenste vrijheid en veroverden zij een zekere welstand, wat na korte tijd nog meer emigranten uit de Britse eilanden en uit arme gebieden op het Europese vasteland aantrok.

De 13 koloniën waren: Virginia en Massachusetts, gesticht door maatschappijen waarvan het kapitaal door particuliere beleggers was bijeengebracht. Andere koloniën zoals New Hampshire, Maine, Maryland, North en South Carolina, New Jersey en Pennsylvania waren oorspronkelijk bezit van de Engelse adel of landadel en dienden om pachters en landarbeiders aan een beter bestaan te helpen. Rhode Island en Connecticut ontstonden door bevolking vanuit de kolonie Massachusetts. Georgia werd door Engelse filantropen gesticht. New York tenslotte werd veroverd op de Nederlanders die er in 1624 Nieuw Nederland (Novum Belgium) en het dorpje Nieuw Amsterdam hadden gesticht.

Zoals het in alle koloniën gaat, groeide na generaties de bevolking van het moederland weg en streefde zij naar onafhankelijkheid temeer omdat deze 13 koloniën zich in hun drang naar uitbreiding naar het Westen gehinderd voelden. Reeds hadden de Fransen hun kolonie in oostelijk Canada door een gordel van versterkte handelsposten in het Mississippi-stroomgebied - het hinderland van de 13 koloniën - met hun kolonie aan de monding van deze stroom verbonden. Toen in 1765 de Engelsen die honderdjarige Canadese kolonie op de Fransen veroverden riepen zij datzelfde Mississippi-stroomgebied tot verblijfplaats van Indianen uit. Deze en andere redenen gaven het sein tot openlijke opstandigheid die in 1776 uitliep op de eenzijdige Onafhankelijkheidsverklaring; Deze werd nog tot 1782 door Engeland met de wapenen bevochten terwijl de koloniën door Frankrijk ondersteund weren. Toen verkregen de 13 Verenigde Staten niet alleen hun onafhankelijkheid doch werd hen ook het oostelijke Mississippi-stroomgebied in volle eigendom toegekend.

Het duurde nog tot 1787 eer het tot een ware statenbond kwam; alle onderlinge geschillen waren bijgelegd en de manier bepaald waarop het wingewest en alle volgende wingewesten zouden beheerd worden: er zouden nieuwe "staten" uitgestippeld worden en deze zouden, na een bevolking van 60.000 zielen bereikt te hebben eveneens bij het Congres of centraal bestuur in Washington vertegenwoordigd kunnen zijn en als evenwaardige Staat kunnen aansluiten.


In 1789 werd George Washington tot eerste President verkozen. Reeds vóór 1776 waren naar schatting 100.000 kolonisten over het Appalachengebergte het Westen ingetrokken, de pelsjagers (trappers) achterna. De grote immigratie kon beginnen.

Belangrijke data in de geschiedenis van de USA

1803

Louisiana, ten westen van de Mississippi, wordt van Napoleon (Frankrijk) afgekocht. De oppervlakte van de USA wordt hierdoor verdubbeld.

1804

Het Congres beslist: alle Indianen uit Oost-Amerika zullen ten westen van de Mississippi gebracht worden, na onderhandelingen over vergoeding, desnoods met geweld.

1812-13

De USA in oorlog met Engeland dat ook in oorlog is met Frankrijk en de Amerikaanse vrijhandel verhindert.

1819

Florida wordt van Spanje afgekocht.

1832

De opstandige Sauk- en Fox-Indianen zijn in Illinois verslagen en worden over de Mississippi gebracht. In oostelijk Amerika is alle gevaar voor Indianen weg.

1846

Texas, van Mexico afgescheurd, vraagt om aansluiting bij de Verenigde Staten.

1847

Oregon en Washington worden Amerikaans bezit na onderhandeling met Engeland dat dit gebied voortdurend betwist had.

1848

De USA verslaan Mexico en verwerven California en aanpalende gebieden.

1861-65

Secessieoorlog. Omwille van het houden en verhandelen van negerslaven scheuren 11 zuidelijke staten zich van de noordelijke af doch worden verslagen.

1868

De Indianen naar Oklahoma gedreven.

1886

De "Indianenjacht" loopt ten einde.

Het aantal Indianen, in 1800 op 1 miljoen geschat, bedraagt nog 286 duizend. Allen zijn in ruim 300 reservaten ondergebracht.



 

Belangrijke data voor de immigratie in het algemeen

1820

Bij wet zullen alle staatsgronden opgemeten, verkaveld en verkocht worden.

1856

Een spoorlijn vanuit Chicago heeft de Mississippi bereikt. Een spoorbrug bij Rock Island-Moline brengt treinen tot diep in de staat Iowa.

1862

De Homestead-wet of "heemstede-wet". Iedereen die het wenst verkrijgt gratis 160 acres (64 ha) land tegen voorwaarde: gedurende 5 jaar bewerken en vruchtbaar maken.

1862-69

De transcontinentale spoorlijn wordt tot de Stille Oceaankust doorgelegd. Men begint in twee richtingen. Samenkomst te Ogden in de staat Utah.

 

Belangrijke data voor immigratie uit onze Vlaamse gewesten

1847

John Deere, een smid uit de oostelijke staten afkomstig, vervaardigt te Moline Illinois ploegen uit bijzonder staal. Uitbreiding van de werkhuizen maakt van Moline de "ploegenstad" (Plow City).

1867

Te Mishawaka nabij South Bend in Indiana stichtten Jacobus Beiger en zoon de bekende Ball-Band fabrieken.
(Wie zegt "Mishawaka", denkt "Hansbeke).

 

Kolonisatie van het "Noordwesten"

De meeste aandacht van de jonge Verenigde Staten ging naar hun "Noordwesten" dat is het gebied van de huidige staten Ohio, Indiana, Illinois, Michigan en Wisconsin aan de oostkant van de Mississippi en Iowa aan de westkant. Ook naar Missouri ging de aandacht.

Bij de opmeting van dit gebied trok men eerst zes "middaglijnen" van zuid naar noord tussen twee bepaalde punten. Tussen deze lijnen werden alle gronden in "townships" of "gemeentelijke ruimten" verkaveld. Een "township" omvatte 6 mijlen in het vierkant en werd onderverdeeld in 36 secties van 1 vierkante mijl (1 mijl = 1,6 km).

Een centraal gelegen sectie werd niet verkocht doch bleef voorbehouden voor eventuele scholen en administratiegebouwen (school reserve; in Canada clergy reserve omdat die voor de geestelijkheid voorbehouden werd).

Een sectie omvat 640 acres, een halve sectie 320 acres, een vierkante sectie of quarter 160 acres (ca. 64 ha de meest gevraagde oppervlakte), een achtste 80 acres en een zestiende 40 acres, het minimum dat te koop gesteld werd. Prijs per acre: minstens 1,25 dollar. (Een acre = 40,4671 are).

Volgende tabel geeft een overzicht van de gronden die tussen 1820 en 1840 werden te koop gesteld, de verkochte oppervlakte en de prijs.

 


 

Publiek te koop gestelde acres

Verkochte acres

Prijs per acre in $

1820

1821


1822

1823


1824

1825


1826

1827


1828

1829


1830

1831


1832

1833


1834

1835


1836

1837


1838

           3.338.675

         10.919.480

           9.602.951

         11.411.508

           7.294.186

           3.449.694

           2.880.703

           3.314.846

           3.268.493

           6.148.962

           6.750.798

         11.005.561

           4.205.805

           6.614.596

         13.056.856

         15.767.268

             500.054

                      -

                      -


          303.404

          781.213

          801.226

          655.519

          749.325

          893.461

          848.082

          926.727

          965.600

       1.244.800

       1.929.733

       2.777.856

       2.462.442

       3.856.227

       4.658.218

     12.565.478

     20.074.807

       5.601.102

       1.388.722


            1,40

            1,50

            1,28

            1,50

            1,27

            1,35

            1,33

            1,42

            1,26

            1,26

            1,26

            1,28

            1,27

            1,29

            1,31

            1,27

            1,25

            1,26

            1,25


 

Dat deze gunstkoopjes een stroom van volk lokte, niet alleen uit de 13 VS en Canada, doch ook rechtstreeks uit Europa, toont ons volgende statistiek.

 

Nederzettingen in de staat Illinois
(vijfmaal de oppervlakte van België)


 

Inwoners in Illinois

1800

(geen nederzettingen)

1810

12.282

1820

55.211

1830

157.455

1840

476.183

 

Bevolkingsevolutie in het "Noordwesten"
(de huidige staten Ohio, Indiana, Illinois, Michigan, Wisconsin en Iowa)

 

Aantal inwoners

1800

50.240

1810

293.089

1820

859.305

1830

1.210.472

1840

3.351.542

1845

4.432.765

 

Hoe bereikten Europeanen deze streken?

Tot omstreeks 1880 geschiedde de reis uitsluitend per zeilschip. Toen kwam concurrentie van de stoomboten en tegen het einde van voorgaande eeuw was het uit met zee-zeilschepen. De best uitgeruste waren de Amerikaanse driemasters waarvan sommige namen nog bekend zijn. Deze brachten graan en andere producten naar Europa; op hun terugreis namen ze mensenmateriaal mee dat hun door scheepsbevrachters en aanwervers van volk voor de Amerikaanse nijverheid geleverd werd tegen 25 à 30 frank "per kop". Lokale agenten in onze dorpen kregen hiervan tot 10 frank "per kop".

De reis van Antwerpen tot New York duurde gemiddeld 33 tot 45 dagen doch het kon ook dubbel zo lang zijn bij windstilte of als het schip door storm uit koers geslagen werd. Een reis naar Nieuw Orleans en van daar met paddelboten de Mississippi op duurde een paar dagen langer. Missionarissen die in de jaren 1840 Oregon aan de Stille Oceaankust wilden bereiken deden er 6 tot 8 maanden over. Zij vaarden namelijk omheen de zuidelijkste punt van Zuid-Amerika, via Kaap Horn. Zo schreef pater De Smet, de apostel der Indianen, nadat hij met de eerste zes missiezusters van N. D. de Namur naar ginder trok: "Na op 12 december 1843 Antwerpen verlaten te hebben met het zeilschip 'l'Infatiguable', de Atlantische Oceaan doorgevaren, het duidelijke punt van Zuid-Amerika voorbijgezeild en de Stille Oceaan opgevaren te zijn, kregen wij op 28 Juli 1844 de kust van Oregon in zicht en op 5 Augustus wierp men het anker bij Fort Vancouver, aan de Columbiarivier".

De grootste zeilschepen vervoerden 160 tot 200 passagiers tussendeks (er waren ook een paar kajuiten). Ieder passagier kreeg enkel een bank ter beschikking. Hierop kon hij een strozak leggen om te zitten, te rusten, te eten, te slapen en... zeeziek te zijn. De reiskoffers en hoeveelheden proviand voor 90 dagen bevonden zich in het ruim. Gehuwde mannen en vrouwen, kinderen, jongelingen en meisjes liepen, stonden of lagen allen dooreen. Men raadde aan om zijn vuilste kleren te dragen en die bij aankomst in zee te werpen. Om zo te zeggen bij iedere reis kwamen sterfgevallen voor. Een lijk bleef niet lang opgebaard: men weende en bad, de scheepsaalmoezenier gaf de zegen en het lijk werd over een plank in zee geschoven.

In verband met het proviand lezen we het volgende in de toenmalige reglementen:
"Volgens de bestaende verordeningen moeten de levensmiddelen voor 90 dagen volstaende zijn. Deze kosten in Antwerpen voor een volwassen passagier 35 tot 45 fr. (volgens hoedanigheid) voor New York, en 5 fr. meer voor New Orleans. Kinderen onder één jaar zijn vrij van levensmiddelen; Die van 1 tot 8 jaer moeten halve portie hebben en die van 8 tot 12 jaren driekwart portie.
Elke volle portie voor New York bestaet uit:


23,5 K°zeebeschuit

22 K° drooge groenten (erwten, boonen, rijst, bloem, gerst)

3.5 K° hesp

3 K° zout

2 liter azijn

1 hectoliter aardappelen

Voor New Orleans:

28 K° zeebestuit

26 K° drooge groenten

6 K° hesp

3 K° zout

2 liter azijn

1 hectoliter aardappelen.
Daerbij kan men nog meenemen: gebraden of gerookt vleesch, uitgekookte melk, bewaerde eieren, lindebloemen, citroenen, enz. Daer men soms hevig aen verstopping lijdt: enkele pillen meenemen. Ook een lantaarn mag men zeker niet vergeten!"


Hoe geraakte men ter bestemming?

Sommige nationaliteiten werden te New York onthaald door een eigen beschermcomité dat logies verschafte en zijn mensen verder op de weg hielp. Voor de Belgen was dit het "Deutsches Verein".


Amerikaanse maatschappijen zorgden voor verder transport.

Bestemming Noord-Ohio, Noord-Indiana, Michigan: per boot op de Hudson tot Albany, verder per spoor of over een kanaal tot Buffalo aan het Eriemeer. Verder over dit meer tot Cleveland, Toledo, Detroit. Doorheen Zuid-Michigan reed spoedig een trein van oost naar west tot het havenstadje St.Joseph van waar men Chicago bereikte.

Voor Wisconsin vaarde men omheen Michigan over het Huronmeer, door de Straat van Mackinaw en over het Michiganmeer.



Bestemming Zuid-Ohio, Zuid-Indiana, Zuid-Illinois en zelfs Missouri: per trein tot Philadelphia en de staat Pennsylvania binnen.

Van daar per boot over de Ohiorivier die de zuidergrens van deze staten vormt. Vanaf de monding in de Mississippi: deze stroomopwaarts tot St.Louis en Missouririvier.



Bestemming Missouri, Iowa en westelijk Illinois: dan was de landingshaven new Orleans aan de monding van de Mississippi. Per wiel- of raderboot vaarde men dan tot de monding van de Ohio van waar men ook hoger vermelde staten kon bereiken. Verder Missouri, Iowa, Illinois. Deze boottocht duurde 6 à 7 dagen doch viel goedkoop uit als men wilde, onderweg bij diverse stapelplaatsen, helpen hout opladen om te stoken.

 

Bescherming van "landgenoten"

In 1781 wordt door de wetgeving van Pennsylvania een charter verleend tot hulp aan behoeftige Duitsers (vernieuwd in 1810).
In Baltimore bestaat een Vereniging voor Ieren (vernieuwd in 1841) en een voor Duitsers.
Het "Deutsches Verein" van New York bestaat sinds 1804 (vernieuwd in 1824).
Slechts in 1844 wordt een beschermvereniging voor Engelsen opgericht. In 1860 wordt een (katholiek) Duits Sankt Raphaelsverein gesticht. De hoofdzetel is het stadje Limburg, provincie Nassau.
In 1888 volgt het Belgisch (katholiek) Sint-Raphaëlsgenootschap, gesticht door Graaf Waldbott von Bassenheim uit Zwaben-Beieren doch te St.-Andries-Brugge gevestigd (van 1878 tot 1890). Zijn bijzondere medewerker is Ridder Stanislas van Outryve d'Ydewalle en de vereniging werkt over het ganse land.

 

Emigratie uit België naar Amerika

Het staat vast dat van meetaf aan de Ieren uit het arm eiland en bewoners uit de armste streken van Duitsland zich het talrijkst onder de Europese volkeren op de geboden kansen in Amerika geworpen hebben.

De Ieren hadden het voordeel zich bij talrijke reeds aldaar gevestigde familieleden te kunnen aanmelden doch ook de Duitsers kenden dat voordeel, vooral in de reeds welvarende en half-Duitse staat Pennsylvania, van waaruit zij verder uitzwermden.

De Duitsers waren bekend als de beste organisatoren, "de bete boeren en ploegers ter wereld" en al wie, ook in ons land, emigratie voorbereidde, verwezenlijkte of beschermde (zowel Baron Van der Straten-Ponthoz, Victor de Ham als anderen) raadde onze emigranten in die tijd aan zich in de onmiddellijke buurt van een Duitse kolonie te vestigen.

Van het Europese vasteland kwamen, vanaf 1820 en tot zolang de emigratie duurde (1914) het gros van de immigranten uit Duitsland. Buurlanden als Polen, Rusland, Oostenrijk en Hongarije volgden het voorbeeld in bijna gelijke mate, onze Nederlanden minder.

Betreffende onze Nederlanden werd pas in 1920 emigratiegeschiedenis van Nederland geschreven door J. Van Hinte. Voor het Groothertogdom Luxemburg bestaat een studie over emigratie tot 1889. Over België bestond niets vóór in 1947 dhr. Antoine De Smet, bibliothecaris aan de Kon. Bibliotheek te Brussel een studie publiceerde over emigratie uit België van 1830 tot 1860. Een werk over de daropvolgende periode bestaat blijkbaar niet.

De emigratievirus zal wel via het Groothertogdom Luxemburg onze provincie Luxemburg binnengeslopen zijn en zo eerst onze Waalse gewesten en meteen gedeeltelijk doch later om zo te zeggen uitsluitend onze Vlaamse gouwen "besmet" hebben. Als oorzaak voor de emigratie geeft dhr. Antoine De Smet op:

1. Onbegrensde mogelijkheid voor Europeanen om zich in Amerika te vestigen.

2. Mogelijkheid om er goedkoop gronden te verwerven (met wet van 1820).

3. Slechte economische toestand in België vanaf zijn onafhankelijkheid in 1830.

4. Reclamebrochures alsook brieven van de reeds in Amerika gevestigde emigranten.

5. Wervingsactie van scheepvaartagenten en plaatselijke agenten in onze dorpen (bekende scheepvaartagenten te Antwerpen in de jaren 1840 waren: Serigiers, Leroy-Steinmann, Strecker, Klein en Stock, ook de geduchte Adolf Strauss, een jood die zich in 1846 te Antwerpen vestigde).

6. Propaganda voor de haven van Antwerpen (door de Staat gesteund door gunstige vervoertarieven) door emigranten uit Duitsland en Zwitserland aan te lokken (Bremen en Hamburg hadden hun bloei aan de emigratie te danken en Antwerpen wenste een deel van de koek).

7. Het was een middel voor de Belgische staat om zich van een aantal behoeftigen te ontdoen; (men kan er gerust bijvoegen:

8. Invloed en hulp van missionarissen).

Reeds in 1832 belandden in Detroit Michigan 8 Vlaamse missionarissen, onder wie Pater Jean De Bruyn uit Mechelen en Leon Vandepoel uit Wakken die 11 werklieden en stielmannen naar hun missiepost meebrachten alsook Louis Deseille (geboortig van Sleidinge en laatst onderpastoor te Hansbeke en te Bellem) die drie mannen uit Hansbeke meebracht naar Notre Dame (South Bend - Mishawaka).

Eerste emigranten uit Luxemburg


- Omstreeks 1830 emigreerde een groep bewoners van Guirsch aan de Luxemburgse grens (oost van Arlon) naar Amerika.

- Hun brieven lokten in 1833 bewoners uit Fouches (Hachy), Messancy en Sélange.

- In 1834 ook bewoners uit Sampont (Hachy) die naar Stark County in Ohio trokken. Vanaf 1840 reisde men meer en meer via New York. (Reeds spoorlijnen naar het binnenland?)

- Tussen 1830-1840 zijn reeds 300 Belgisch-Luxemburgers geëmigreerd naar de staten Ohio en Michigan.

- Vanaf 1835-36 trekken bewoners van Fouches en omstreken naar Sheldon (New York).

- Vanaf 1838 trekken emigranten uit Luxemburg ook naar Iowa (streek van Dubuque).

- In 1845 vind met reeds Belg.-Luxemburgers rond Chicago. Zij trekken noordwaarts de staat Wisconsin binnen en groeperen zich vooral in Ozaukee County (Port Washington, Holy Cross, Fredonia en vooral in Town Belgium of Belgium). In Belgium zijn bijna allen uit de streek van Arlon en Etalle afkomstig. In 1855 bezetten zij met 450 familie bijna twee "townships".

- In de jaren 1850-60 vestigen zich ook Luxemburgse families in Minnesota (50 in Wabash County, 80 omheen het dorp Belvédère).

- Via New Orleans, de Mississippi en de Ohio reizen ook een aantal Luxemburgers naar Kentucky en zuidelijk Indiana. Allen komen uit Virton, Paliseul, Etalle en Neufchateau.

Die in het stadje New Albany: uit Virton, Etalle en Arlon.

Te Leopold (Perry county, Indiana) domineerden in 1834 de Luxemburgers. Leopold werd gesticht door de Franse pater Buissonet die uitgestrekte oppervlakten grond gekocht had en voortverkocht. Spijts moeilijkheden bij het ontginnen van de wouden kwamen toch veel Luxemburgers: de eersten uit het kanton Florenville, alle anderen uit de streek van Arlon-Virton-Etalle, Neufchateau. In 1880 woonden te Leopold ca. 200 Waalse families.

- In meerderheid waren het landbouwers, oningelicht, onbegeleid, zonder hulp vertrokken. Privaat initiatief, het voorbeeld van voorgangers en de actie van wervingsagenten waren dus ook hier de beweegredenen geweest.

- Drie enigszins belangrijke Belgische nederzettingen uit die tijd zijn: Sheldon (staat New York), Leopold (Indiana) en Belgium (Wisconsin).

 

De staat organiseert emigratie

In 1843 had Francis Gründ in Duitsland een zeer belangrijk studie gepubliceerd over kolonisatiemogelijkheden in de U.S.A.

Gedurende 17 jaren had hij (van 1825 tot 1842) alle staten doorkruist en had hij met vele mensen gesproken.

Lente 1844. De Belgische regering gelast graaf Auguste van der Straten-Ponthoz, eerste secretaris bij het Belgisch gezantschap te Washington om in de best geschikte streken van de U.S.A. de mogelijkheid voor Belgische nederzettingen te onderzoeken. In 1844-45 maakt hij gedurende 7 maanden een studiereis en publiceert dan een rapport over de bijzonderste Europese nederzettingen in Pennsylvania, Ohio, Indiana, Michigan, Wisconsin, Missouri, Illinois en New York.

Er worden geen Belgische nederzettingen vermeld doch hij zegt dat "de meeste Belgen uit de streek van Aalst en uit Luxemburg zich geïsoleerd bij voorkeur in Michigan en Ohio vestigen". "Velen zijn ongelukkig doch zij bereiden een toekomst voor hun kinderen voor...".

In 1847 vertrekken enkele Vlamingen uit de streek van Eeklo onder de leiding van Pierre Dirckx met bestemming Wisconsin doch met aanbevelingsbrieven van Buitenlandse Zaken worden zij naar Jefferson in Missouri gestuurd, naar Harrville (nu Taos) waar reeds Duitsers gevestigd zijn en onder wie missionaris d'Huddeghem uit Gent werkzaam is. Deze nederzetting slaagt.

Juni 1847. Het ministerie van Binnenlandse Zaken bestudeert een ontwerp om Vlaamse behoeftigen naar Amerika over te plaatsen: 500 tot 1000 families naar de streek van Taos in Missouri waar reeds de katholieke nederzetting van Eeklo gevestigd is.

De regering hoopt dat, bij welslagen, de gemeentelijke commissies van Openbare Onderstand en particulieren dit werk zullen voortzetten. Eerst zouden er 100 families gestuurd worden doch de uitvoering bleef uit en in 1848 raadde Buitenlandse Zaken aan te onderhandelen met de Amerikaanse "Société de Ste Marie" in Pennsylvania over aankoop van gronden aldaar. Daar waren de Redemptoristen werkzaam, in Missouri de Jezuïeten. Er werden 10.000 acres (400 ha) grond gekocht voor een Vlaamse nederzetting te Ste Marie op voorwaarde dat alle gunstige elementen qua gezondheid, vruchtbaarheid, enz. aanwezig zouden zijn. Er wordt een delegatie voor onderzoek gestuurd: Auguste Moxhet, consul-generaal te New York en Victor de Ham, speciaal bureauchef voor Vlaamse Zaken bij het ministerie van Binnenlandse Zaken. Dat speciaal "bureau voor Vlaamse toestanden" was bij min. besluit van 12/10/1847 opgericht.

De regering stelde echter de ondertekening van het definitief contract voortdurend uit. Op 27/7/1849 betekent minister Charles Rogier bij de grondeigenaars van Ste Marie afzegging van het regeringsproject. Op 28/7/1849 gaat de regering met Victor de Ham volgend akkoord aan dat bij K.B. van 24/1/1850 bekrachtigd wordt:

- Victor de Ham neemt het regeringsproject over (werkt dus, "in regie") en gaat volgende verbintenis aan:

- Hijzelf zal zich met zijn gezin te Ste Marie in Elk county, Pennsylvania, vestigen.

- Gedurende 3 opeenvolgende jaren zal hij telkens 50 Vlaamse emigranten plaatsen.

- Bij welslagen en bij naleving van de verplichtingen van deze laatsten zal hij de volgende 5 jaar ook telkens 50 Vlaamse behoeftigen plaatsen.

Het Ministerie van Binnenlandse Zaken verbond zich tot:

- Gratis overtocht, voedsel inbegrepen, Antwerpen-Philadelphia of New York voor 50 emigranten per jaar gedurende 3 jaar.

- de Ham kreeg 55.000 frank, de helft als vergoeding, de tweede helft bij vierden terug te betalen.

- In geval van welslagen kreeg de Ham een bijzondere subsidie van 15.000 frank.

Daartoe was een bijzonder krediet van 1 miljoen uitgetrokken bij het Min. Binn. Zaken (wet van 21/6/1849) en het Staatsblad van 22/6/1849 geeft o.m. de emigrantenlijst op: 59 emigranten onder wie 39 uit Wakken, 10 uit Meulebeke, 2 uit Ingelmunster, 5 uit Waregem en 3 uit Passendale.
Op 8/9/1849 vertrekken die 59 uit Antwerpen met de Amerikaanse driemaster Lorena.
De reis duurt zeer lang: 109 dagen tot New York en dan nog enkele dagen tot Ste Marie. De gronden van de Ham bestaan uit te ontginnen bossen, op 8 mijlen (13 km) ten noorden van het centrum Ste Marie. De nederzetting wordt New Flanders gedoopt, het dorp zelf Leopoldsburg.

De kolonisten kregen ter beschikking: een woning met meubelen, landbouwalaam, voedsel tot de eerstvolgende oogst, doch alles moest aan de Staat terugbetaald worden. Op 1/7/1850 stuurt de Ham gunstig verslag doch meldt tevens dat in de eerste 6 maanden een gezin van 5 personen werd buitengezet en dat 11 anderen hun verplichting ontvlucht zijn en naar eigenaars in de buurt overlopen. Daardoor beloopt de schuld van de Ham tegenover de Staat reeds 500 dollar. Hij verwijt de kolonisten "gebrek aan werklust". Het eerste jaarverslag van een regeringsafgevaardigde bleek gunstig en de Ham ontving zijn 15.000 fr. extra vergoeding. De toestand verergerde en geen tweede contingent werd gestuurd. De De Ham bekende mislukking: op 31/1/1853 bleef nog één bejaarde kolonist over.

Door pastoor Cartuyvels uit Tongeren, oud-redemptorist, werd gepoogd een tweede kolonie, New Brabant, met als centrum New Brussels, n de buurt van Ste Marie te vestigen. Onder de Vlaamse emigranten kwamen er 10 uit St.-Truiden, Gorsem en Tongeren.
In 1855 mislukte de nederzetting, wegens moeilijkheid om die bosgronden te ontginnen".
Magis, Lhoest en Guinotte frères uit Brussel vormden een vennootschap en waren eveneens grondspeculanten. In 1849 stichtten zij te Kansas, Missouri, een landbouwinrichting en verkregen van de Staat eveneens 15.000 fr. uit datzelfde fonds van 1 miljoen. Transport en voeding betaalde de Staat liefst in geld: 300 fr. per volwassene en 150 fr. per kind. Er zouden 50 emigranten gevestigd worden en de verbintenis liep over 4 jaar. De kolonisten kregen een dagloon volgens gepresteerd werk doch verbonden er zich toe de voorgeschoten kosten terug te betalen. Na 4 jaar zouden zij een lapje grond krijgen van 2,5 acres (1 ha) bossen, het nodige om een huisje te bouwen, één jaar voeding. Vijftig emigranten, onder wie 44 uit West-Vlaanderen, de overigen uit Limburg en Nederland, vertrokken op 25/3/1850 uit Antwerpen met de Amerikaanse driemaster Georges Stevens. Bijna 3 maanden later (22/6/1850) arriveerden zij te Kansas, op 3 juli verbleven er reeds verscheidene te St. Louis waar zij zich bij het consulaat over "slechte behandeling" gingen beklagen. De nederzetting mislukte. Liquidatie van de zaak, ingezet in 1867, werd uitgevoerd in 1869.

Door de Stat gedirigeerde uitwijking is mislukt en in 1856 schuift Charles Rogier de schuld op de rug van de gemeenten die "alleen hun allerflauwste elementen op Amerika gestuurd hebben!" Over de behoeftigheid in ons land tussen 1848 en 1850 publiceerde E.G. Opsomer: Voorheen gemeentebeambte te Dentergem, thans notaris te Helchin" in 1854 volgende statistiek:



Provincie

Bevolking

Behoeftigen

Antwerpen

Brabant


West-Vlaanderen

Oost-Vlaanderen

Henegouwen

Luik


Luxemburg

Namen


Limburg

     416.000

     721.000

     627.000

     780.000

     727.000

     462.000

     190.000

     271.000

     187.000


      68.300

    179.500

    189.000

    188.000

    149.000

      87.000

        6.000

      42.000

      34.000


 

  4.381.000

    943.000

 

Weer vrije nederzettingen

Tussen 1850-1855 vertrokken verscheidene Vlamingen op eigen risico naar de streek tussen Mississippi, Ohio en de Canadese grens "doch van dergelijke nederzettingen zijn geen sporen bekend" schrijft dhr. De Smet. Toch kennen wij er een: Moline aan de Mississippi in Illinois waar wij in die jaren reeds een Dhuyvetter en een Schatteman, een Goethals en een Vandenberghe, allen van Lotenhulle, een Ivo Decock van Ruiselede-Doomkerke aantreffen met nog vele anderen, vooral uit Oost-Vlaanderen.


Zij boerden te Milan, Atkinson, Long Grove in Iowa, op het Arsenal Island en elders.

Wij doorbladeren een scheepsregister uit 1855, het enige dat nog te vinden is van de vele die in Antwerpen moeten bestaan hebben. Allemaal namen van Duitsers en nog eens Duitsers, Luxemburgers en Zwitsers, ook veel mensen uit Waals-Brabant die waarschijnlijk nog naar Wisconsin trekken. Hoogstens 50 Vlamingen ziet men er over verscheidene schepen verspreid: enkele uit Gent, Antwerpen, het Leuvense, een twintigtal samen uit Staden, Zarren, Handzame, ook enkelen uit onze streek.

14/01/1855: op de "Henry Reed" Charles Goethals (37) uit Lotenhulle.

17/08/1855: met de "Hurlbut" naar New York: Constantin Degroote (22) uit Nazareth en de 22-jarige Leopold Deklerck uit Deinze.

25/08/1855: met de 'Esmerald" Isle" over Hull en Liverpool naar New York: Ch. L. Persyn uit Pittem met vrouw en kinderen van 7, 4, 2.

07/10/1855: met het Amerikaanse schip "Antarctic" naar New York: Charles Bouckaert (46) uit Wingene met vrouw en kinderen (3 en 1).

10/10/1855: met de "Gazelle" via Hull en Liverpool naar New York: naast 7 anderen ook 8 landlopers uit Hoogstraten!

20/11/1855: met de "Georg" naar N. Orleans: Petrus (van) Landschoot, St.-Jan-in-Eremo.

Begin december 1855 (hun reiskaarten werden op 30/11 te Gent afgeleverd) vertrekken we met de "President Schmidt" naar New York: François Dhuyvetter (44) en August Dhuyvetter (19), het gezin Jan-Baptist Desmedt (44) met vrouw Livine Tant (39) en kinderen August (7), Bernard (5), Divan (3), Leonie (1) en Leonard Schatteman (32) allen uit Lotenhulle (is deze Schatteman dezelfde die wij in Atkinson Illinois terugvinden en heeft hij die plaats via de Ohio-rivier of met een omweg via Wisconsin bereikt?).

Massale uittocht naar Wisconsin (1853-1856)

In de jaren 1853 tot 1856 kenden Waals-Brabant en het aanpalend gebied in Henegouwen een massale uittocht naar Wisconsin, meer bepaald naar het schiereiland in het Michigan-meer tussen Green Bay en Sturgeon Bay. Ook enkele Vlamingen uit de streek van Leuven trokken naar die streek mee, een strook van 60 km lang bij 9 à 13 km breed.


Aldaar zijn nog de plaatsnamen Brussels, Namur, Thiry, Daems en Walhain bekend.

In vier jaar tijd woonden er duizenden. Strauss uit Antwerpen was de geweldige wervingsagent en zijn geweldige medewerker in de streek was J.J. Streykmans uit Walhain St.-Paul. Deze verdiende 5 fr. "per kop". Een landbouwwerkman verdiende alhier 9 tot 10 stuivers per dag (81 tot 90 centiem). De emigratie werd ingezet door 7 families uit Grez-Doiceau en 3 van elders.

Op 17 mei 1853 vertrokken zij uit Antwerpen op de Amerikaanse driemaster Quinnebaug die 162 passagiers vervoerde en na 49 dagen te New York aanlegde. Zonder vaste bestemming en oningelicht trokken zij naar Green Bay, Wisconsin. Zij doolden rond en zouden zuidwaarts trekken doch wegens sterfgeval en begrafenis van een kind ontmoetten zij toevallig Pater Daems, Kruisheer uit Schaffen bij Diest en deze troonde hen mee naar staatsgronden in zijn missiegebied Bay Settlement in het county Brown. Pater Daems wordt aldus beschouwd als de stichter van de Belgische nederzetting in die streek met Robinsonville (nu Champion genoemd) als centrum. In de counties Brown, Door en Kewaunee wemelt het van Waalse afstammelingen. In 1857 werd, even bruusk als zij begonnen was, de emigratie uit Waals-Brabant en Henegouwen naar Wisconsin stopgezet.

 

De emigratie na 1860

De emigratie na 1860 werd een om zo te zeggen uitsluitend Vlaamse aangelegenheid. Eens de burgeroorlog 1861-64 achter de rug, volgden enkele jaren van herstel doch spoedig, door toepassing van uitvindingen allerhande en uitbreiding van de wereldhandel, kwamen landbouw en industrie tot volle ontwikkeling.
Er kwam een overvloedige vraag naar werkkrachten uit Europa en vooral Vlamingen waren zeer gegeerd "zij zijn eerlijk en werkzaam en betalen stipt hun belastingen".
De pionierstijd was voorbij, ook het rooien van uitgestrekte wouden om landbouwgrond te verkrijgen - voorbij het bouwen en bewonen van blokhutten.

Onder onze emigranten waren weinig landbouwers om, nochtans begunstigd door de homesteadwet van 1862, een hoeve in de prairie te stichten. De overgrote meerderheid waren land- en seizoenarbeiders alsook kleingebruikers, die het, wegens het geringe risico, in fabrieksarbeid gingen zoeken en zich bijgevolg in en rond fabriekssteden gingen vestigen. Toch kennen wij een geval van groots opgezette landbouwersemigratie die dan nog door een West-Vlaams priester werd op gang gebracht. E.H. Julius Devos, in 1848 te Ingooigem geboren, werd priester en studeerde aan het Amerikaans College te Leuven. (Dat seminarie tot opleiding van priesters voor Amerika werd in 1857 gesticht en bestond tot 1907). Van 1874 tot 1883 was hij opeenvolgend onderpastoor te Spiere en te Waasten en beantwoordde gunstig een oproep van Mgr. Ireland, aartsbisschop van St.-Paul, Minnesota, om als priester onder de Vlamingen aldaar te werken.

"Van op een heuvel in Minnesota aanschouwde hij de onmetelijke ruimte in de prairie die onbewoond was en waar de rijke gronden nooit een ploeg hadden gezien. Met oorlog van de geestelijke overheid ging hij die rijke landbouwstreek met Belgen bevolken. Hij zond brieven naar de pastoors van de overbevolkte Vlaamse dorpen en door hun toedoen vertrok een grote groep uitwijkelingen naar Amerika. Bij de haven van New York werden dezen verwelkomd door E.H. Devos die reeds gezorgd had voor vervoer per spoorweg naar de grote prairie waar hij de eerste Vlaamse kolonie stichtte: Ghent. Daar was hij van 1883 tot 1885 pastoor. Toen begaf hij zich weer naar New York en bracht opnieuw een groot aantal emigranten mee, ditmaal naar O'Connor in Nebraska waar hij van 1885 tot 1886 pastoor was. Van 1886 tot 1905 was hij pastoor te Spalding, Nebraska, en meermaals ging hij terug naar New York om immigranten die hij nabij Spalding op goede gronden plaatste. In 1901 was hij pastoor in Chicago en hij bleef vanuit New York immigranten op goede gronden plaatsen."

In de jaren 1860 en '70 zouden vele emigranten zich in en rond Detroit gevestigd hebben. "Daar waren toen minstens 12 sigarenfabrieken waarin 14.000 mensen werk vonden (onder wie bv. 200 uit het Maldegemse), later werd Detroit een centrum van stovenfabricage en vanaf 1900 van de automobielindustrie.

Ook Chicago in Illinois, dat bliksemsnel aangroeide, kon best onze Vlaamse metselaars en hun helpers werk verschaffen. Hout hoort bij bouw en dat vond men in de meer dan 300 houtzagerijen die het voor 90% beboste Michigan telde.

Ook in verscheidene houtzagerijen, los- en laadplaatsen kwamen vele Vlaamse werkers terecht. Zo bv. te Manistee en Frankfort, ook te Emire waar eens 20 mensen uit St.-Maria-Aalter en Doomkerke-Ruiselede woonden. (Een tiental jaren later vindt men er evenveel uit die dorpen te Baker in het verre Oregon).

 

Mishawaka en south Bend in Indiana

Mishawaka was de naam van een legendarische indiaanse "princes": de naam van de tweelingstad South Bend betekent "zuidelijke bocht) in de St. Josephsstroom die er omheen vloeit. Ten noorden van deze laatste ligt de bekende Notre Dame University, niet ver van de grens Indiana-Michigan. Missionaris Louis Deseille was op die plaats, van 1832 tot 1837, de eerste pastoor van de Potowatomi's. Hij wordt beschouwd als de grondlegger van de nederzetting van Notre Dame en als de grondlegger - niet de stichter - van haar universiteit.

Louis Deseille, in 1795 te Sleidinge geboren, werd priester en opeenvolgend onderpastoor te Hansbeke en te Bellem. In 1831 vertrok hij met 7 anderen als missionaris naar Noord-Amerika. Hij nam met zich drie jonge Hansbekenaren mee: de gebroeders Frederik en Bernard Reyniers die er nog zijn misdienaars geweest waren en Karel Ronsele. Deze hoopten er werk te vinden doch keerden na een jaar onverrichterzake terug. Toch werden zij opgevolgd door andere Hansbekenaren. In 1837 werd de Potowatomi-stam naar westelijk Missouri verdreven en Louis Deseille was zinnens zijn volkje daarheen te volgen doch stierf eenzaam in zijn blokhut.

In de loop der volgende jaren kwamen zich volgende Vlamingen vestigen op de plaats waar nu South Bend in Mishawaka gelegen zijn:

August Versype, Meigem, 1840

Boudewijn Vanneste, Poeke, 1840

Lodewijk Buysse, Nevele, 1840

Theresa Debrabandere, wwe Cockaert, Nevele, 1840

Désiré Reyniers en ouders, Maldegem, 1850

De familie Degroote, Bultinck, Rutsaert en Van Holsbeke uit Hansbeke, 1860

Twee gebroeders Buysse, Gent, 1860

Een familie Verplaetse, 1860

Felix Vandewalle, Nevele (hij vaarde 58 dagen op zee), 1860

Familie Mahank (Meganck?) en Goethals, Hansbeke, 1870

Ivo Taillieu, Wingene, 1870

Felix Vervinckt, Lotenhulle, 1875

Familie Van Rie, Maldegem, 1880

Vital Lafree, Kruibeke, 1880

Aloïs Gilles, Hansbeke, 1880

Karel Bultinck, Hansbeke, 1878

Familie Maenhout, Waarschoot, 1880

August Mestdagh, Landegem, 1882

Leonard Mestdagh, Landegem, 1882

Karel Meuninck, Ruiselede, 1885

Een Désiré Demeyer, 1885

Karel (Van) Nieuwenhuyse, Kanegem, 1888

De familie Baele, Aalter, 1888

De familie Baert, Zuiddorpe, 1888

De familie Vlerix, Aalter, 1888

Alfons Van Hecke, Lotenhulle, 1890

Camiel Termont, Assenede, 1890

 

Kwamen al die mensen in de landbouw terecht? Vermoedelijk niet, want South Bend werd een handelscentrum met veel "middenstand" en Mishawaka een nijverheidsstad met de Ball-Band en andere fabrieken. In 1867 kochten Jacob Beiger en zoon Martin een wolwasserij en -spinnerij die sinds 1838 te Mishawaka bestond. In 1874 werd een firma gesticht en het werd een wolweverij. In 1886 vonden Martin Beiger en Adolf Eberhart de uit één stuk geweven slobkous uit en de fabricage ervan kende groot succes. Bovenaan was die kous versierd met een zwarte band en daarin een rode bol. Daarom "Ball-Band". Men droeg die vooral in rubberlaarzen en daarom werden vanaf 1898 ook rubberlaarzen door de firma zelf vervaardigd. Er werden rubberschoenen aan toegevoegd in 1916, lederen werkschoenen in 1917 en tennispantoffels in 1922. In 1924 werd de firmanaam "Mishawaka Rubber and Woolen Company" en tenslotte in 1858 "Mishawaka Rubber Company" nadat de fabricage van wollen producten was opgeheven. Vooral de oprichting van een rubberlaarzenfabriek in 1898 werd een spoorslag om talrijke mensen, uitsluitend uit de driehoek Hansbeke-Knesselare-Wingene aan te trekken. Ook de streken Eeklo en het Land van Waas leverden een tamelijk belangrijk aantal. Het parochieboek 1907 van de St.-Bavokerk vermeldt de namen en geboorteplaatsen van 364 echtelingen (zonder de kinderen die in België of reeds in Mishawaka geboren zijn), van 113 ongehuwde alleenstaanden (onder wie 7 vrouwen en 14 weduwnaars en weduwen, zonder de nog inwonende kinderen).



 

Hansbeke

Ruiselede

Wingene

Aalter


Knesselare

Bellem


Waarschoot

54 geh. + 13 ong. = 67

17 geh. + 29 ong. = 46

26 geh. +   8 ong. = 34

20 geh. +   5 ong. = 25

28 geh. +   3 ong. = 31

16 geh. +   4 ong. = 20

16 geh.        -      = 16


 

Moline aan de Mississippi in Illinois

Een John Deere werd in 1804 te Rutland in de oostelijke staat Vermont geboren en groeide er op in het plaatsje Middlebury. Als talentvol smid trok hij in de dertiger jaren naar het "nieuwe westen" waar reeds enkele van zijn streekgenoten zich als landbouwers te Grand Detour in Illinois gevestigd hadden. Hij zag met hoeveel moeite hun ploegen er de vette, kleverige grond van Illinois keerden en stak in 1837 zijn eerste ploeg uit speciaal gepolijst staal ineen, de enige doeltreffende in zulke bodem. Het werd een succes en hij besloot dergelijke ploegen in serie te vervaardigen. Het eerste staal kwam uit Engeland, al het volgende uit Pennsylvania. Wegens de moeilijkheid bij het vervoer zocht hij een gunstig gelegen plaats: Moline aan de Mississippi. Daar kregen zijn producten wereldfaam, Moline werd "de ploegenstad" en de zetel van tal van andere bedrijven. Reeds sinds de vijftiger jaren woonden tal van Vlamingen in die streek en toen vanaf 1880 weer een golf van emigranten naar Amerika rolde, kreeg ook Moline zijn deel. Zo belandde ook de familie Coryn in 1881 te Moline. Het gezin Leo Coryn woonde aanvankelijk te Lotenhulle, verhuisde naar de Sterrestraat op Aalter, naar het "hooggoed" op St.-Maria-Aalter en van daar naar de USA. Benevens de ouders waren er drie zonen: August, Charles en Edward.

Edward Coryn, in 1857 te Lotenhulle geboren, werkte er zich op: eerst als arbeider bij de fa. Keaton, daarop als zelfstandige in een handelszaak "Rank en Coryn". Hij werd ook postmeester en lid van een bankbestuur. Zo hielp hij velen een eigen huisje bouwen. Hij financierde de "Gazette van Moline" die in 1907 gesticht werd en was betrokken bij de bouw van de Belgische H. Hartkerk (1907). Hij was er voorzitter van de Vlaams-Amerikaanse vereniging, een van de verscheidene in de USA die jaarlijks in "conventie" bijeenkwamen. In 1919 werd hij er de eerste vice-consul voor België en stierf in 1921. Edward Coryn was gehuwd met een dochter Devoghelaere uit Ruiselede en zo geraakte ook de streek Lotenhulle-Aalter-Ruiselede binnen zijn invloedssfeer. Naast de plaatselijke reisagenten was hij de grote bewerker van emigratie naar Moline.

In 1901 werd het bedrijf John Deere weer uitgebreid: er kwam een gieterij te East-Moline en gedurende enkele jaren volgende weer een toevloed van Vlamingen.

Met de oorlog kwam in 1914 een einde aan de emigratie en deze zou na 1918 niet weer opleven, vooral wegens de strenge beperking in 1923 door de Amerikaanse regering.

 

Canada

Reeds in de jaren 1890 en het begin van deze eeuw waren enkele Vlamingen naar Canada uitgeweken; niet naar Montreal of Quebec, daar die streken genoegzaam bevolkt waren, doch naar verzwakte Franse koloniën die met Vlamingen opgekalefaterd werden: St. Bonivace bij Winnipeg en Bruxelles, verder in Manitoba. Ook naar Montmartre in Saskatechewan "een Franse kolonie die ineengestort was". Het aantal Vlamingen was er echter betrekkelijk gering, zodat een Belgische inlichtingenblad "het onnodig vond om ook een Nederlandstalige versie te publiceren". Toch kwam er nog een laatste opflakkering in de emigratie. In 1927 waagde en Vandenbussche uit Moorslede het om in zuid-Ontario een tabakplantage te beginnen. Zijn poging lukte en in de streek van Delhi zag men na enkele jaren niets dan tabakvelden, er door een paar honderd West-Vlamingen in de jaren '30 aangelegd. Delhi in zuid-Ontario werd aldus het jongste centrum van verenigingsleven bij Vlaamse emigranten in Amerika.

 

Uitwijking via de haven van Antwerpen

 


 

Rechtstr. Lijnen

Onrechtstr. lijnen

Belgen

 

Totaal

Belgen

Totaal

Belgen

1890

1891


1892

1893


1894

1895


1896

1897


1898

1899


1900

1901


1902

1903


1904

1905


1906

1907


1908

1909


1910

1911


1912

1913


36.660

48.856


43.580

38.010


13.737

18.982


23.407

14.960


15.983

25.886


2.573

3.071


4.052

2.689


914

945


1.218

760


780

1.290


 

2.011

2.631


3.020

4.114


2.178

1.708


977

833


728

949


403

385


1.122

1.192


353

573


211

163


148

166


2.976

3.456


5.174

4.881


1.267

1.318


1.429

923


928

1.456


2.215

2.769


3.464

4.117


4.191

4.492


5.618

6.423


2.907

3.650


4.110

4.586


4.403

7.590


Nota: van de 7.590 in 1913 reisden 3.306 per rechtstreekse lijn (Red Star Line, Canadian Pacific Line e.a.) en 4.284 per onrechtstreekse lijn (Allan Line, White Star Line, Cunard Line en andere)

 

Het Belgische St.-Raphaëlsgenootschap

Naar aanleiding van het Europees Katholiek Congres in 1887 gesticht, had deze nieuwe vereniging van katholieke voormannen niet tot doel de emigratie te verhinderen. Men zou alleen de twijfelaars die hun om raad vroegen aanraden hier te blijven en hun die toch naar Amerika wilden vertrekken een van de 30 lokaliteiten aanprijzen waar reeds een priester-landgenoot verbleef. Emigreren zonder priesterbegeleiding betekende voor onze geestelijkheid steeds: zich met lichaam en ziel verloren werpen. Toch stelde zij in de havens van Antwerpen, Liverpool en New York medewerkers aan om de emigranten op alle wijzen bij te staan. Zij kloeg ook de a-sociale toestanden aan die op sommige zeilschepen heersten (daarom leefde zij in onmin met bv. de Cunard Line) en bekampte ook de schaamteloze methodes waarmee sommige dorpse reisagenten, die hoegenaamd Amerika niet kenden, trachtten zoveel mogelijk klanten op de boot te krijgen.

Uit een verslag, einde 1913, van secretaris Stanislas van Outryve d'Ydewalle:


"'t Is vooral in West Vlaanderen dat de uitwijkingsbeweging het grootst is. In sommige streken en bijzonder al de kanten van Tielt mag het een geesel genoemd worden". "Een klein onderzoek - onvolledig - over 1913. Zijn vertrokken: uit Torhout 134, uit Zedelgem 12, Ruddervoorde 54, Aartrijke 20, Lichtervelde 70, Koekelare 71, Oostrozebeke 6, Handzame 37, Westrozebeke 6, Zarren 45, Ingelmunster 45, Meulebeke 135, Wingene 100, Ruiselede 80, Doomkerke 10 huisgezinnen met kinderen, een jong gezin en 24 jonkheden." Zonderling dat Doomkerke, niet een gemeente doch een parochie onder Ruiselede, hier afzonderlijk wordt gemeld. Was het om zijn 400 emigranten en zijn welbekende reisagent?

 

Geraadpleegde werken

Ant. De Smet, Emigration belge aux E.U. pendant le 19e siècle jusque la guerre civille.

Francis J. Gründ, Handbuch und Wegweiser für Auswanderer nach den Vereinigten Staaten von Nord Amerika, 1843.



Bon Auguste van der Straten-Ponthoz, Rapport studiereis 1845-46, 1847.

Victor de Ham, Leidsman van den Belgischen uitwijkeling, 1849.

Uitgeverij Conart (Antwerpen), Wegwyzer en Raedgever der Landverhuizers, 1850.

E.G. Opsomer, Le pauperisme et les bureaux de bienfaisance, 1854.

Ant. De Smet, Voyageurs en Amérique.

Ed. de Moreau S.J., Missioinnaires belges.

Leon Buyse, Gazette van Detroit, 1970-1973.

G.P. Baert, Vlamingen te Moline.

Pater J.P. Desmet, Missiën van den Oregon, Reizen in het Rotsgebergte, 1845-46.

Herman Wouters, Indianen vroeger en nu.

St. Bavokerk, Miskhawaka, Jaarboek 1907.

St. Andries-abdij (St.-Andries-Brugge), Documentatie over St.-Raphaëlsgenootschap.

Bernard d'Ydewalle (Herentals), Documentatie over St.-Raphaëlsgenootschap.

Bond oud-Doomkerkenaren, Oostkamp, Tijdschrift "Ons Doomkerke", jg. 1956-78.

Am. Voorlichtingsdienst, Beknopt overzicht der Amerikaanse geschiedenis.



Bron: http://www.landvannevele.com/



“Emigratie naar Noord Amerika” door Adhemar Dauw - -




De database wordt beschermd door het auteursrecht ©opleid.info 2017
stuur bericht

    Hoofdpagina