En de heer Bot, minister van Buitenlandse Zaken en mevrouw Van Ardenne-van der Hoeven, minister voor Ontwikkelingssamenwerking



Dovnload 0.54 Mb.
Pagina1/14
Datum27.08.2016
Grootte0.54 Mb.
  1   2   3   4   5   6   7   8   9   ...   14

VOLLEDIG ONGECORRIGEERD STENOGRAM EERSTE KAMER, niet voor citaten en niet voor correcties. Aan deze tekst kan geen enkel recht ontleend worden.


*0: EK

*1: 2003-2004

*2: 30

*3: WordXP



*4: 30ste vergadering

*5: Dinsdag 25 mei 2004

*6: 13.30 uur

Voorzitter: Bierman-Beukema toe Water
Tegenwoordig zijn 70 leden, te weten:
Van de Beeten, Bemelmans-Videc, Van den Berg, Bierman-Beukema toe Water, Biermans, Broekers-Knol, Van den Broek-Laman Trip, Van Dalen-Schiphorst, Dees, Doek, Doesburg, Dölle, Van Driel, Dupuis, Eigeman, Essers, Van Gennip, De Graaf, Hamel, Hessing, Van Heukelum, Holdijk, Jurgens, Kalsbeek-Schimmelpenninck van der Oije, Ketting, Klink, Koekkoek, Kohnstamm, Kox, Van der Lans, Van Leeuwen, Leijnse, Lemstra, Van der Linden, Linthorst, Luijten, Maas-de Brouwer, Meindertsma, Meulenbelt, Middel, Van Middelkoop, Nap-Borger, Noten, Van den Oosten, Pastoor, Pormes, Putters, Van Raak, Rabbinge, De Rijk, Rosenthal, Russell, Schouw, Schuyer, Slagter-Roukema, Soutendijk-van Appeldoorn, Swenker, Sylvester, Tan, Terpstra, Van Thijn, Vedder-Wubben, Wagemakers, Walsma, Werner, Westerveld, Witteman, Witteveen, Woldring en De Wolff,
en de heer Bot, minister van Buitenlandse Zaken en mevrouw Van Ardenne-van der Hoeven, minister voor Ontwikkelingssamenwerking.

**
De voorzitter: Ik deel aan de Kamer mede, dat zijn ingekomen berichten van verhindering van de leden:


Hoekzema, alleen voor het eerste deel van de vergadering wegens het bijwonen van een crematie;
Ten Hoeve, wegens ziekte.
Deze berichten worden voor kennisgeving aangenomen.
De voorzitter. De ingekomen stukken staan op een lijst, die in de zaal ter inzage ligt. Op die lijst heb ik voorstellen gedaan over de wijze van behandeling. Als aan het einde van de vergadering daartegen geen bezwaren zijn ingekomen, neem ik aan, dat de Kamer zich met de voorstellen heeft verenigd.

**

(Deze lijst is, met de lijst van besluiten, opgenomen aan het einde van deze editie.)


*B

*!Stemmingen*!


Aan de orde is de stemming over een motie ingediend bij de behandeling van het wetsvoorstel bekostiging OALT-middelen (29019) , te weten:

- de motie-Van Raak c.s. over het inzetten van voormalige OALT-middelen voor onderwijsachterstanden (29019,D).


(Zie vergadering van 18 mei 2004.)
In stemming komt de motie-Van Raak (29019,D).
De voorzitter: Ik constateer dat de aanwezige leden van de fracties van de PvdA, GroenLinks en de SP voor deze motie hebben gestemd en die van de overige fracties ertegen, zodat zij is verworpen.

**
*B

*!Beleidsdebat Buitenlandse Zaken*!
Aan de orde is het beleidsdebat naar aanleiding van de begroting van het Ministerie van Buitenlandse Zaken voor het jaar 2004 (29200-V).
De beraadslaging wordt geopend.

*N
De heer Van Thijn (PvdA): Mevrouw de voorzitter. Ik wens de regering geluk met de vrijlating van Arjan Erkel.

Minister Bot trad aan op een moment dat het buitenlands beleid van Nederland gekenmerkt leek door een grote bestuurlijke drukte. Het hele kabinet leek zich ermee te bemoeien. De heer Zalm trad op in zijn rol van boeteprediker en sfeerbederver jegens de Bondsrepubliek, nota bene onze belangrijkste bondgenoot. De heer Balkenende trad op als eenzame promotor van de joods-christelijke beschaving in de Europese Conventie. Het opgeheven vingertje was weer terug. Dan was er ook nog mevrouw Verdonk die eerst al een onderzoek van de Raad van Europa over zich afriep naar haar als inhumaan ervaren uitzettingsbeleid. Zij zette Nederland in zijn hemd door een stripnummer te maken van de Kaderwet nationale minderheden die nu alleen nog maar voor de Friezen geldt. Het is alsof de tijd een paar eeuwen heeft stilgestaan.

Die ommezwaai, het op de achtergrond stellen van diversiteit, heeft veel opzien gebaard binnen Europa. Waarom heeft de minister van Buitenlandse Zaken zich van dit dossier afzijdig gehouden? Het gaat hierbij toch om het primaat van Buitenlandse Zaken, zeker ten tijde van het voorzitterschap van de Raad van Europa?

Het hoofdthema in dit debat is echter de (nieuwe) identiteit van het Nederlands buitenlands beleid. In "De herontdekking van de wereld" van Clingendael wordt gesignaleerd dat alle hoekstenen van ons buitenlands beleid -- thuishavens zou de minister zeggen -- op drift zijn geraakt na de elfde september en de oorlog in Irak. De relatie tussen Amerika en Europa wordt zwaar beproefd. Ik citeer Kagan. Can Europe possibly follow where America leads? And if it cannot, does that matter? Einde citaat. Het is een prangende vraag nu de belangen en invalshoeken meer en meer uiteenlopen. America does the fighting, Europe the dishes, zei een andere auteur.

Van Wijk signaleert dat Europa in de interessesfeer van de VS van de tweede plaats naar de zesde plaats is gedaald. Wij kunnen wel vinden dat het bondgenootschap tussen Amerika en Europa cruciaal is voor de internationale veiligheid, maar als de feiten dat weerspreken, zullen wij onze blik toch moeten verruimen. Binnen Europa bestaan grote spanningen over de mate van volgzaamheid. Met het geproclameerde uitgangspunt dat wij zowel transatlantici als Europeanen zijn, definiëren wij de echte problemen weg en dreigen wij tussen alle stoelen te vallen. Dat signaleert ook collega Van Gennip in een belangwekkende beschouwing over "Allemachtig Amerika: wedijver of partnership?", waarin hij een nieuw "grand design" voor het buitenlands beleid aanbeveelt als reactie op de veelzeggende vraag: vazal of verstotene, antagonist of partner?

Van zo'n nieuw design -- dat hoeft voor mij niet per se "grand" te zijn -- is nog heel weinig te merken. Dat het huidige beleid tot een spagaat heeft geleid, is duidelijk. Om dit te verhullen, hanteert de minister steeds vaker de term "bruggenbouwer" als voortzetting van een zogenaamde traditie. Dat veronderstelt ook bruggenhoofden, aldus de scherpzinnige Heldring, maar die zijn er nu juist niet. Bovendien suggereert dat een zekere mate van neutraliteit, een oud trauma, dan wel een weinig karaktervolle politiek als allemansvriend. Het is ook een overschatting van de eigen positie als klein land, want zelfs Blair is er niet in geslaagd om als bruggenbouwer te functioneren. Dat staat weer haaks op betogen van de minister aan de overzijde dat wij onszelf niet moeten overschreeuwen en dat effectiviteit minstens zo belangrijk is als principes. Mijn grootste bezwaar tegen het bruggenbouwerverhaal is echter dat het keuzes uit de weg gaat, terwijl het maken van keuzes nu harder nodig is dan ooit.

Hoe verhoudt zo'n "low profile"-beleid zich met de hoofddoelstellingen van de begroting die wij hier bespreken? De eerste doelstelling is het bevorderen van een internationale ordening c.q. de internationale rechtsorde, met Den Haag als juridische hoofdstad van de wereld. Dat is, als ik dat mag zeggen, ook niet bepaald een bescheiden insteek. Vanuit deze doelstelling zou Nederland een herkenbaarder beleid moeten voeren, ook als het om de strijd tegen het terrorisme gaat. Die strijd is belangrijk en allesoverheersend, maar Nederland heeft daarin een bijzondere verantwoordelijkheid, namelijk dat deze strijd niet ten koste gaat van de fundamentele vrijheden en mensenrechten en zich ook richt op de zogenaamde "root causes". Belangrijk is ook dat de strijd tegen het terrorisme niet, ook niet onbedoeld, uitdijt tot een strijd tegen de islam, tot een strijd tussen beschavingen of tot een strijd tussen het occidentalisme -- ik citeer Buruma en Margalit -- en het oriëntalisme. Zo gehanteerd is het westen een onbruikbaar begrip geworden, laat staan dat er nog sprake is van een morele superioriteit. Natuurlijk zijn de verlichtingsidealen nog altijd onze drijfveer, maar het Westen heeft daarvan niet het alleenrecht. De recente vernederende folterpraktijken in de Abu Ghraib-gevangenis hebben op deze pretentie bovendien een schril licht geworden en hebben de haatgevoelens tegen "het Westen" alleen maar verder aangewakkerd.

Waarom heeft de Nederlandse regering amper een geluid van afschuw en protest laten horen, zeker nu steeds duidelijker wordt dat de conventie van Genève bewust en van hoger hand terzijde is geschoven? Vernedering als machtsinstrument, staat dit niet haaks op de internationale rechtsorde die wij geacht worden om na te streven?

Onze steun, politiek en militair, aan de oorlog in Irak stond al op gespannen voet met voornoemde centrale doelstelling. We zijn te lichtvaardig in het Amerikaanse kielzog meegezogen. Dat is geen wijsheid achteraf, want de argumenten waren tevoren bekend. De preventieve inval in Irak was in strijd met de internationale rechtsorde. De Veiligheidsraad werd voorbij gelopen en de bondgenoten werden voor het blok gezet. De aanleiding was onhelder en veranderde voortdurend. Wat zich aftekende, was een recht geclaimd door de machtigste mogendheid om unilateraal tot actie over te gaan. Koffi Annan overdreef niet toen hij zei dat deze "logic" een fundamentele breuk is met de grondbeginselen van een wereldorde waarmee, al was het nog zo imperfect, 58 jaar lang een zekere mate van wereldvrede en stabiliteit was gewaarborgd. Een politiek van oorlogspreventie is vervangen door een politiek van preventieve oorlog. Maar Nederland ging hieraan luchthartig voorbij. Dat we, wat de dreiging van massavernietigingswapens betreft, ook nog op het verkeerde been zijn gezet door allerhande inlichtingendiensten, was toen nog niet bekend. Premier Balkenende beriep zich op een Brits inlichtingenrapport "for his eyes only" en weigert daarover alle openheid, terwijl in het Britse Lagerhuis en in de Amerikaanse Senaat geprobeerd wordt, de onderste steen boven te krijgen.

Dat dankzij deze preventieve oorlog het lugubere regime van Saddam Hoessein omver is geworpen, is een "blessing in disguise", maar het was rijkelijk naïef om te denken dat de coalitietroepen als bevrijders zouden worden ontvangen en niet binnen de kortste keren als bezetters zouden worden gezien. Het bleek immers al rap dat er totaal geen plan was voor de naoorlogse situatie. Her en der waren daarvoor echter bouwstenen aangedragen. Bovendien is het een wereldvreemde gedachte om te denken dat je van buitenaf een democratisch systeem kan opleggen, nota bene in een "wider Middle East".

Het Amerikaanse optreden was contraproductief en heeft de haat tegen "het Westen" alleen maar verergert. Het einde is nog niet in zicht. Nu is dan, rijkelijk laat, alle hoop gevestigd op de UN. Binnen een maand van nu moet de overdracht van de soevereiniteit onder toezicht van de UN plaatsvinden aan een nog te installeren interim-regering waarvan de gedoodverfde premier inmiddels is vermoord. Het is een riskante operatie waarmee de UN, getraumatiseerd na de moordaanslag op De Mello, erg in de maag zit. Dat is zeker het geval daar er nog nauwelijks een beeld is van de wijze waarop de UN in de periode daarna, tot aan de te organiseren verkiezingen in januari, haar autoriteit in dit diep verscheurde en door geweld ontwrichte land zou moeten waarmaken.

Ook de zojuist ingediende resolutie van de Veiligheidsraad, waar natuurlijk grondig naar gekeken moet worden, biedt op het eerste gezicht daarover nog geen duidelijkheid. Wat betekent een leidende rol voor de UN? Ik heb begrepen dat daarover pas een beeld te vormen is als de heer Brahimi over drie weken zijn visie op het gebeuren uitbrengt.
Nederland mag zich wel driemaal bedenken of het onder die omstandigheden zijn diensten moet blijven aanbieden. Zonder dat dit destijds de bedoeling was, dreigen onze troepen meegezogen te worden in een opflikkerende oorlogssituatie. De door minister Bot aan Colin Powell gestelde voorwaarden lijken allerminst vervuld. Of denkt hij daar zelf anders over?

Een van de gevolgen van de onmiskenbare verwijdering tussen de VS en Europa is de noodzaak om de samenwerking binnen de vernieuwde EU te intensiveren, met name op veiligheidsgebied. Niet zozeer vanuit een oogpunt van wedijver of antagonisme – ik vind de metafoor van Mars versus Venus voer voor astrologen – maar wel omdat het een bikkelharde realiteit is dat wij zeker voor wat betreft de conflicthaarden binnen Europa voortaan op onszelf zijn aangewezen. Het is niet te verwachten dat bij een nieuwe uitslaande brand de Amerikanen opnieuw te hulp zullen snellen, nog afgezien van de vraag of wij dat zouden moeten willen. Mijn fractie vraagt zich af of de EU-nieuwe-stijl zich dat wel bewust is.

De Balkan is nog altijd een mijnenveld. Het feit dat in Servië-Montenegro het nationalisme, aangestuurd vanuit de Scheveningse gevangenis, weer in alle hevig is opgelaaid in combinatie met en versterkt door de recente geweldsuitbarstingen in Kosovo, toont aan dat de lucht in die regio nog lang niet geklaard is. Dat zal ook niet gebeuren zolang de discussie over de finale status van Kosovo almaar vooruit wordt geschoven. Mijn fractie maakt zich ongerust over het feit dat Nederland zijn troepenmacht op de Balkan aan het afbouwen is. In de Nota regionale benadering westelijk Balkan wordt zelfs de vraag opgeworpen of daar überhaupt militaire presentatie nodig is. Eerlijk gezegd vinden wij zo’n uitspraak in de huidige omstandigheden onverantwoord. Hoe verhoudt die uitspraak zich met het feit dat het militair comité van de EU inmiddels aan Nederland heeft gevraagd om per 1 januari 2005 bij te dragen aan de nieuwe troepenmacht die het van SFOR moet overnemen? En dit alles onder het Nederlandse voorzitterschap! Zijn wij op alles voorbereid, zeker wetend dat de Amerikanen ons deze keer niet uit de nesten zullen helpen als er weer wat gebeurt?

Een bijkomend gevolg van het focussen op Irak is dat al die andere brandhaarden in de wereld aan de aandacht van de internationale gemeenschap dreigen te ontsnappen. Er gaat nogal wat mis. De tijd ontbreekt mij om alle brandhaarden langs te lopen – volgens de International Crisis Group zijn er 20 brandhaarden waar de situatie verslechtert – maar toch wil ik iets zeggen over Darfur, het grensgebied tussen Soedan en Tsjaad. De situatie in deze regio verslechtert dramatisch. Er zijn al tienduizenden slachtoffers gevallen en een half miljoen mensen zitten als ratten in de val, nog afgezien van de 1,2 miljoen ontheemden in Soedan zelf. Internationale organisaties reppen van de dreiging van een nieuwe genocide, vergelijkbaar met die indertijd in Rwanda.



De optie van een militaire interventie is "on the table", schrijft ICG in een brandbrief aan de Veiligheidsraad. Khartoem mag niet de miscalculatie maken dat vanwege Irak een genocide in dat deel van de wereld onopgemerkt zal blijven. Ik dring er bij de regering met klem op aan dat dit wordt opgepakt en dat Nederland als EU-voorzitter al het mogelijke zal doen om de internationale gemeenschap rond deze dramatische situatie te mobiliseren.

Ten slotte het Midden-Oosten. De oorlog in Irak heeft de energie opgeslorpt die nodig was om een doorbraak te bewerkstelligen in het Palestijns-Israëlische conflict. Het perspectief van de Roadmap, tot voor kort geschraagd door de Groep van Vier, lijkt in rook opgegaan door het gemakzuchtige onderonsje tussen Bush en Sharon. Daarin werd eenzijdig besloten tot een eenzijdige terugtrekking uit Gaza -- op zich goed -- maar wel gecompenseerd door een consolidatie van een groot aantal nederzettingen op de Westbank, waarmee de vestiging van een Palestijnse staat in 2005 feitelijk de pas werd afgesneden. Inmiddels is ook dat voorstel van de baan als gevolg van een referendum onder Likoed-leden. Een kleine minderheid van 60.000 mensen kan hierdoor een heel volk -- in feite twee -- in gijzeling houden. Dat is moeilijk te verteren, temeer daar inmiddels, uitgerekend in dat gebied en met name in Raffa, de Israëli’s met disproportioneel geweld nieuwe wonden hebben geslagen en vele burgerslachtoffers hebben gemaakt. Mijn fractie is deze gang van zaken meer dan zat. Deze spierballenpolitiek leidt tot niets. Een verdere escalatie van het Midden-Oostenconflict bedreigt de stabiliteit, niet alleen in de regio, maar ook wereldwijd en ook lokaal in onze eigen regio, met opkomende moslimhaat en nieuw antisemitisme. Het is primair dan ook een Europees belang dat aan het vredesproces nieuw leven wordt ingeblazen. Terecht heeft minister Bot na zijn onverwachte bezoek aan Arafat -- waarvoor we hem prijzen -- gezegd dat de EU een veel prominentere rol zou moeten vervullen en zelf verantwoordelijkheid moet durven nemen. Een van de weinig hoopgevende ontwikkelingen van de laatste tijd was de totstandkoming van het zogenaamde Geneefse initiatief van Jossi Beilin en Yassir Rabbo. Dit plan was na twee jaar van onderhandelingen, dwars door de escalatie van geweld heen, overeenkomen en geeft invulling aan de derde fase van de Roadmap. Het bevat een eindplaatje dat, als er ooit vrede komt -- niemand weet wanneer -- een hoge mate van onvermijdelijkheid heeft: twee staten, een einde aan de bezetting, de opheffing van het merendeel der nederzettingen, Jeruzalem als hoofdstad van beide naties en een oplossing voor het Palestijnse vluchtelingenprobleem, waaraan beide partijen zich committeren zonder dat het karakter van de joodse staat in gevaar wordt gebracht. Een win-winsituatie voor alle betrokkenen. Het plan heeft al bij de lancering grote steun gekregen vanuit de internationale gemeenschap, maar ook binnen Israël en de Palestijnse gebieden tekenden zich hoopgevende minderheden af van zo'n 40%; een goede uitgangspositie. Al tijdens de begrotingsbehandeling in de Tweede Kamer heeft minister Bot zijn sympathie voor dit plan niet onder stoelen of banken gestoken en zich bereid verklaard beide initiatiefnemers in Nederland te willen ontvangen. Ik wil de minister dringend vragen, mede met het oog op het aanstaande voorzitterschap, die uitnodiging alsnog gestand te doen. Ik overweeg hierover in tweede termijn een motie in te dienen.
Het is tijd voor een herwaardering van het buitenlands beleid. De drastische wijzigingen in de geopolitieke verhoudingen nopen daartoe. Wij gaan niet zo ver om te bepleiten dat Nederland zich moet afwenden van de transatlantische relatie, maar wij stellen wel dat zwaarder moet worden ingezet op de totstandkoming van een herkenbaar, eigen beleid van de EU, niet als antagonist maar als partner die eigen accenten legt. Daarbij is de bevordering van de internationale rechtsorde een eerste prioriteit. Het eigen continent, het aanpalende Midden-Oosten en de vergeten brandhaarden in Afrika, ons nabuurcontinent, zijn prioriteitsgebieden. Ook is het van het allergrootste belang dat wij ons losmaken van het mede door de oorlog in Irak dreigende schisma in de wereld tussen hét westen en dé islam. Moge onder het Nederlands voorzitterschap de euro-Arabische dialoog in het kader van het zogenaamde "Barcelonaproces" nieuw leven worden ingeblazen.

*N
De heer Rabbinge (PvdA): Mevrouw de voorzitter. De bestuurlijke drukte op het gebied van buitenlandse zaken waar mijn collega Van Thijn over sprak, lijkt zich te onttrekken aan het onderdeel ontwikkelingssamenwerking. De bestuurlijke activiteiten en de vormgeving en uitvoering van het beleid voltrekken zich in betrekkelijke rust. De uitgangspunten van het beleid worden breed onderschreven en de oppositie stemt grotendeels in met veel beleidsvoornemens en beleidsdoelen die geformuleerd zijn in begrotingsstukken en beleidsnota's. De door de Verenigde Naties geformuleerde millennium development goals worden door Nederland onderschreven. In de rapportage die wij zo-even ontvingen, wordt vooral een beeld geschetst van millennium development goal 8 over partnerships. Het is natuurlijk ook interessant om te lezen hoe het staat met de andere millennium development goals, die vooral over honger en biodiversiteit en dergelijke gaan.

Ook de accenten op de armoedebestrijding, een selectief landenbeleid en een versterking van het bilaterale beleid ten koste van het multilaterale beleid, dat vooral op begrotingstekorten is gericht, worden door de PvdA-fractie onderschreven. Het gaat niet om een volledig verdwijnen van steun ten behoeve van begrotingstekorten, maar om een accentverschuiving. Ook het feit dat Nederland op de development friendliness index op de eerste plaats staat, kan vanzelfsprekend rekenen op de hartelijke instemming van mijn fractie. Dat komt vooral door het percentage van 0,7 van het BMP dat voor aid bestemd is en de score voor trade. Nederland scoort zeer goed op deze componenten en het is van belang om dat zo te houden. In dit verband is het natuurlijk vooral van belang om niet het eetbudget te vervuilen met allerlei andere taken. Ik hoor graag van de bewindsvrouw op welke wijze zij dat wil voorkomen. Het is voor haar van grote betekenis om die vervuiling en allerlei andere activiteiten die onder aid worden geschoven, te voorkomen. Het is alom bekend dat de ministeries die in budgettaire moeilijkheden zitten, graag naar de vetpotten van Ontwikkelingssamenwerking toekomen om daar wat steun te halen. Dat zou zeer onjuist zijn want daar zijn die middelen primair niet voor bedoeld.

Ten aanzien van de development friendliness index moet wel aangetekend worden dat Nederland bij de component migration een sterke daling vertoont die de totaalscore negatief beïnvloedt. In feite is het inhumane, bekrompen en soms zelfs xenofobe vreemdelingenbeleid volledig in strijd met de andere componenten van de development friendliness index. Het is volledig terecht dat dit punt aan de kaak is gesteld door de secretaris-generaal van de Verenigde Naties, de heer Kofi Anan, in een toespraak die hij onlangs in Europa hield.

De verandering van beleid is in strijd met een historische traditie en een jarenlang ingenomen standpunt. Hoe staat de minister voor Ontwikkelingssamenwerking in dit debat, waar het regeringsbeleid zo strijdig lijkt met de door haar beleden doeleinden waarin humaniteit, armoedebestrijding, veiligheid, vrede en menselijke naastenliefde zo'n belangrijke rol spelen? Zij demonstreert haar betrokkenheid bij en passie voor vrede en stabiliteit door haar inzet bij de oplossing van de conflicten in de twee grote brandhaarden in Afrika, het Grote-Merengebied en de Hoorn van Afrika. In hoeverre slaagt zij erin, een bemiddelende rol te spelen en bij te dragen aan de stabilisering van de situatie en het herstel van vrede? Collega Van Thijn sprak zonet al over de schrijnende toestand in Zuid-Sudan. De situatie is explosief, wat grote gevolgen kan hebben voor de veiligheid en vrede in het gehele gebied.

De PvdA-fractie kan zich in grote lijnen vinden in de beleidsvoornemens op het gebied van ontwikkelingssamenwerking, en stelt vast dat hiervoor ook in de Tweede Kamer grote steun bestaat. De oprispingen van de (voormalige) VVD-woordvoerster veroorzaakten daar terecht veel verontwaardiging en opwinding, omdat zij de mondiale werkelijkheid ontkent, het welbegrepen eigenbelang van ontwikkelingssamenwerking niet ziet, de grote effecten van programma's en projecten niet wil zien en alleen uit is op bevrediging van de eigen ijdelheid. De oprispingen hadden geen gevolgen voor de opstelling ten aanzien van het beleid van de verschillende fracties in Tweede Kamer, inclusief die van de VVD. Ook in deze Kamer zal er zeker draagvlak zijn voor het beleid van de bewindspersoon. De opvattingen van de desbetreffende VVD-woordvoerster ondermijnen echter wel het draagvlak voor ontwikkelingssamenwerking in de Nederlandse samenleving. Dit zeg ik temeer omdat er een enorme actie wordt gevoerd door de huidige woordvoerder van de VVD-fractie in de Tweede Kamer. Het is zaak om te voorkomen dat het draagvlak wordt ondermijnd. Wat doet de minister in dat verband? In hoeverre is zij bereid om de verschillende initiatieven te steunen die door het NCDO worden genomen en gefaciliteerd? Welke andere middelen zet zij in om ontwikkelingssamenwerkingsbeleid gemeengoed te maken en duidelijk te maken dat het gaat om welbegrepen eigenbelang?

De minister voert een beleid dat wordt gekenmerkt door doelmatigheid en doeltreffendheid, passend bij de traditie van ontwikkelingssamenwerking. In de nota's geeft zij dat heel duidelijk aan. Zij wil geen trendbreuk met het verleden en zet het selectieve beleid en de focus op een aantal landen voort. De keuze voor landen is ondanks de zogenaamde objectieve criteria nog steeds erg arbitrair. Dat is in feite ook niet erg, omdat het criterium van goede relaties, grote resultaten en sterke, goed gedefinieerde vraag vaak doorslaggevend is. Het is alleen zaak, niet te rigide met de landenkeuze om te gaan, periodieke evaluaties uit te voeren en de keuze ieder vier tot vijf jaar te herijken. Hoe wil de bewindsvrouw dat gaan doen?

Ook andere sectoren kunnen bijdragen aan het bilaterale beleid. De minister opteert voor een versterking van PPS-constructies onder de slogan "trade no aid"; dit heeft de instemming van mijn fractie. Hoe is het echter mogelijk, succesvol te zijn op plaatsen waar een georganiseerde private sector nog vrijwel volledig ontbreekt? In dat geval blijft structurele samenwerking nodig en is er een keur van ontwikkelingsinstrumenten, zoals onderwijs, ontwikkeling van ondernemerschap, microkredieten, informele structuren, kennis, en noodzakelijk onderzoek. Hoe ziet de minister dat?

In dit beleidsdebat wil ik namens mijn fractie, zoals is afgesproken, vooral ingaan op het Afrikabeleid van de minister. Terecht wordt in de nota over Afrika betoogd dat de grote problemen van armoede, honger, verslechtering van het milieu en het aantasten van de biodiversiteit zich vooral voordoen in Afrika. Om die reden wordt het deel van ODA voor Afrika verhoogd van zo'n 40% naar 50%. Tevens wordt aangegeven dat wordt ingezet op de LDC's. Dat is op zich terecht, doch er wordt niet geanalyseerd waarom die situatie is ontstaan en nog steeds verder verslechtert. Er wordt volstaan met de enigszins oppervlakkige constatering dat het ontbreken van bestuurlijke kwaliteit en goed bestuur de belangrijkste oorzaken zijn. Daarbij wordt ook nog eens uitgegaan van een beperkte opvatting over bestuur, namelijk alleen het gouvernementele bestuur. De bewindsvrouw zal het met mij eens zijn dat er allerlei andere, intermediaire structuren zijn die een grote rol kunnen spelen. Vindt de minister dat deze kunnen worden benut?

Met de inzet op het goede bestuur wordt in feite de onduurzaamheidsspiraal miskend, waarin vele boeren -- in die landen is ongeveer 70 à 80% van de beroepsbevolking nog werkzaam in de landbouw -- en regio's gevangen zitten, mede door toedoen van westerse landen, waaronder Nederland. Zolang die onduurzaamheidsspiraal niet wordt doorbroken, heeft ook goed bestuur geen enkele mogelijkheid om vooruitgang te boeken.

Het is daarom onbegrijpelijk dat zowel in de begrotingsstukken, in de nota "Aan elkaar verplicht", als in de Afrikanota wordt gesteld dat het landbouwbeleid geen prioriteit heeft. Water- en milieubeleid kunnen alleen tot stand komen als de goede landbouw op de goede plek, en met de juiste methoden en technieken plaatsvindt. Dan wordt vervuiling geminimaliseerd, wordt productieverhoging gerealiseerd en wordt er ruimte gecreëerd voor natuur, zoals tropisch regenbos, wat voor het behoud van biodiversiteit noodzakelijk is. Weliswaar heeft de minister gesteld dat er een misvatting bestaat over de keuze tegen landbouw, en is de instelling van de Commissie-Doornbos een zeer goed teken, maar in de geschreven beleidsnota's blijft onmiskenbaar overeind staan dat de accenten komen liggen bij goed bestuur, milieu, water en een deel van de gezondheidszorg, namelijk HIV/AIDS en ten slotte primair onderwijs. Landbouw en platteland spelen geen rol.

De PvdA-fractie maakt een andere keuze op grond van een analyse van de behoeften in de minst ontwikkelde landen, op grond van de beschikbare expertise en op grond van de verwachte effecten en de impact van het beleid op die gebieden. Mijn fractie kiest dan voor voedselvoorziening, en dus voor landbouw, water in den brede, dus niet alleen drinkwater, maar ook irrigatiewater, en voor energie. Door die keuze worden ook milieu en ruimte het meest gediend.

Tachtig procent van het zoete water wordt voor de landbouw gebruikt, en de sterke toename van de agrarische productie die nodig is om de vele monden te voeden zal ook leiden tot een sterke toename van de waterbehoefte, tenzij de efficiëntie en de effectiviteit in de landbouw drastisch worden verhoogd. In de Afrikanota worden behartigenswaardige woorden gesproken over de noodzaak om juist op dit continent actief te zijn op het gebied van ontwikkelingssamenwerking.

Er worden ook prioriteiten gesteld:

1. Bijdrage aan vrede en veiligheid door conflictpreventie. Daarop ben ik zojuist ingegaan aan de hand van de hoorn van Afrika en het Grote-Merengebied;

2. Bevorderen van goed bestuur en goed beleid;

3. Investeren in mensen, vooral met betrekking tot de reproductieve gezondheid, onderwijs en HIV/AIDS;

4. Bevorderen "pro-poorgrowth" via ontwikkeling van het bedrijfsleven;

5. Bevorderen duurzame ontwikkeling en beheer van natuurlijke hulpbronnen.

Die duurzame ontwikkeling kan alleen worden gerealiseerd als de problemen bij de wortel worden aangepakt. De onduurzaamheidsspiraal door armoede kan alleen worden doorbroken als een combinatie van middelen wordt ingezet. Een investeringsprogramma om de schrale, droge gronden weer productief te maken, aanvullende technologische irrigatievoorzieningen en waterbeheer, een stimuleringsprogramma voor de hele kennisketen, dus niet alleen primair onderwijs, maar ook onderzoek en hogere opleidingen, een versterking van de lokale en regionale markten, een verdere ontwikkeling van de coöperatie bedrijfsstructuren en organisaties van boeren en vooral vrouwen en vooral ook het bevorderen van "land entitlements", zodat vrouwen toegang krijgen tot microkredieten die hen ertoe in staat stellen om tot productiviteitsverhoging te komen. Kortom, een programma waarin vitalisering van de landbouw kan plaatsvinden. Structurele voedseltekorten in Afrika bestaan in feite pas sedert de jaren zeventig. De intensivering van de landbouw door productiviteitsverhoging en vermindering van milieueffecten is de weg die moet worden gegaan om die structurele tekorten te doorbreken. Ik wil daarover graag de opvatting van de minister horen, vooral ook omdat op het gebied van duurzame landbouw vorige week met de heer Veerman van gedachten is gewisseld, en gisteren de heer Van Geel daar expliciet over heeft gesproken. Daarom verneem ik graag van de bewindsvrouw op welke wijze zij probeert het beleid van de twee andere portefeuilles te coördineren, juist op het gebied van ontwikkelingssamenwerking en het stimuleren van die voedselproductie.

Ik vraag ook graag aandacht voor een ogenschijnlijk detailpunt, te weten de TRIP-overeenkomst. Die gaat over eigendomsrechten. Deze zijn vooral van belang voor ontwikkelingslanden. Het betreft niet alleen de levende materie, maar vooral de elementen die van belang zijn voor biodiversiteit. Wat is de houding neemt de Nederlandse minister voor Ontwikkelingssamenwerking daar tegenover?

Dan kom ik nu op de energievoorziening. In de rurale gebieden is deze nog steeds vrijwel volledig afhankelijk van het gebruik van hout, dat op vele plaatsen in feite niet meer beschikbaar is. Vrouwen moeten soms tien kilometer lopen om een klein beetje hout bij elkaar te sprokkelen dat nodig is om een potje te koken. Kleinschalige initiatieven, waarbij ook van andere vormen van biomassa gebruik wordt gemaakt, zoals bijvoorbeeld oliehoudende zaden, kunnen een verbetering bewerkstelligen. Waarom wordt energie niet meer als een kerntaak gezien? Waarom is dit geen prioritair aandachtsgebied meer voor ontwikkelingssamenwerking?


Juist op dat gebied heeft Nederland veel expertise. Er is ook veel vraag naar alternatieve energievoorzieningsystemen. Wil de minister hieraan tegemoetkomen?

Het beleid ten aanzien van Afrika moet als graadmeter van een succesvol ontwikkelingssamenwerkingsbeleid worden beschouwd. Welke rol ziet Nederland voor zich weggelegd in de Europese Unie? Wordt gepoogd om het fnuikende markt- en prijsbeleid van de Europese Unie te doorbreken ten behoeve van de ontwikkelingslanden? Wordt het nieuwe Verdrag van Lomé of van Cotonou de maat der dingen of zetten wij helemaal in op een herijking van de Wereld Handelsorganisatie zodat het in Cancún vastgelopen overleg kan worden vlotgetrokken? Is de minister bereid om tijdens het Europees voorzitterschap samen met de collega's van de ministeries van Economische Zaken en van Landbouw, Natuurbeheer en Voedselkwaliteit een nieuwe koers te gaan varen en om een goed ontwikkelingssamenwerkingsbeleid te introduceren?

Binnen Europa bestaat nu veel meer bereidheid om van de nieuwe DOHA-ronde een succes te maken. De stappen die eurocommissaris Lany heeft gezet, moeten worden benut om tot een voor de ontwikkelingslanden stimulerend in plaats van frustrerend beleid te komen. Niet volledige liberalisering telt, maar ontwikkeling van eerlijke en competitieve markten. Gewerkt moet worden aan de versterking van de concurrentiekracht van de primaire sector. Darbij kunnen de instrumenten worden ingezet die in de afgelopen 130 jaar zo succesvol bleken te zijn in Nederland. Ik doel in de eerste plaats op landinrichting, inclusief land- en waterrechten en dergelijke, in de tweede plaats op kennis, innovatie, onderzoek, voorlichting en onderwijs en in de derde plaats op coöperatieve structuren en publiekrechtelijke bedrijfsorganisaties. Ik merk dagelijks in Afrika dat de behoefte aan dit type expertise heel groot is. Dat is altijd het geval, anders functioneren competitieve markten niet. Is de minister bereid om hiervan een kernpunt van beleid te maken, bouwend op de Nederlandse expertise en inspelend op de vraag van de minst ontwikkelde landen in Afrika?

Nederland bezet in de wereld van de ontwikkelingssamenwerking een prominente plaats. De intermediaire structuren die elders in de wereld ontbreken, zijn hier goed ontwikkeld ten behoeve van ontwikkelingssamenwerking. In hoeverre worden die voor de toekomst veiliggesteld? Investeert de minister erin? Is zij bereid om de enigszins dogmatische, afschermstructuur genuanceerd toe te passen?

Door de zogenoemde prestatie contracten, outputfinanciering en dergelijke ontstaan in een aantal gevallen schijnzekerheden. Het is van het grootste belang om voor de uitvoering van het beleid te kunnen rekenen op goed functionerende intermediaire structuren. Het spreekt vanzelf dat ook op dat vlak aan doelmatigheid en doeltreffendheid moet worden gewerkt. Ze helemaal elimineren is natuurlijk fnuikend. Het Koninklijk Instituut voor de Tropen en een aantal kennisinstellingen vernieuwen nu bottom-up de intermediaire structuren. Het is van het grootste belang om daarvan gebruik te maken. Is de minister bereid om hier positief aan bij te dragen? Zo ja, hoe denkt zij dat te doen?

Hetzelfde geldt voor de internationalisering van hulporganisaties en niet-gouvernementele organisaties. Zo is de NOVIB onderdeel geworden van OXFAM. Het is mijns inziens van belang om te weten wat de regering aan de internationaliseringstendens wil doen en of zij hier lering uit trekt ten behoeve van het functioneren binnen Europa.

Aan het begin van dit betoog heb ik al een politiek oordeel gegeven over dit beleidsterrein. Ik ben benieuwd wat de minister vindt van de verschillende analyses en beschouwingen die ik namens mijn fractie heb gegeven en hoe zij de vragen beantwoordt die ik daarbij heb gesteld.
De heer




  1   2   3   4   5   6   7   8   9   ...   14


De database wordt beschermd door het auteursrecht ©opleid.info 2019
stuur bericht

    Hoofdpagina