Engagement voor vernieuwing en behoud Marc Michael De Smet



Dovnload 19.69 Kb.
Datum20.08.2016
Grootte19.69 Kb.
Engagement voor vernieuwing en behoud
Marc Michael De Smet

Marc Michael De Smet, in Masereelfondskringen o.m. gekend door zijn inzet in Basso Doble (Hikmet-programma) en Goeyvaerts Consort (Masereel-programma) filosofeert over engagement in de kunst

Aktief vraagt mijn ideeën over engagement in de kunst, wat dat is, hoe relevant dat is, of het (nog) bestaat en of cultuur niet sowieso een marginaal verschijnsel is in onze maatschappij. Aktief vraagt niet weinig. Bovendien ben ik allerminst een theoreticus of beladen met een hersenpan vol ideologische oor- en vooroordelen. Maar de hoffelijkheid gebiedt wel dat ik probeer Aktief ter wille te zijn en de nieuwsgierigheid van de lezer te bevredigen. Als men maar niet te veel verwacht. Aktief heeft geluk dat ik pretentieus ben. Ik heb meer bepaald twee pretenties: de eerste is dat ik mij kunstenaar noem, de tweede is dat ik mij zelfs een geëngageerd kunstenaar noem. Dan kan ik wel niet anders dan mij verantwoorden. En dan kan ik ook niet anders dan persoonlijk worden, vermits ik, zoals gezegd, geen theorieën kan ontvouwen.


Mijn jonge tijd

Vroeger ja, vroeger, pakweg zo’n vijfendertig jaar geleden zou ik wel wild van wal gestoken zijn en een onsamenhangende, maar gloedvolle rimram van opvattingen, idealen, noodzaken, holle leuzen en scherpe veroordelingen op papier gesmeten hebben, alsof de wereldrevolutie nakend was, wat zeg ik: er volgende week zat aan te komen. Als wereldvreemde conservatoriumstudent - ontevreden met van alles en nog wat, maar niet wetende wat er schortte en waarom - stortte ik mij argeloos in het politieke theater, waar extreem linkse piepkleine partijtjes als RAL en AMADA driftig ideologische scholing kwamen geven. Marxisme en revolutie in tien lessen, zoiets. Bloedserieus en psychologisch niet zonder impact. En ik die alles slikte en als bezeten begon te lezen en studeren. Cello aan de haak. Carrière was belachelijk. Gevoel was zeer verdacht. Ik componeerde strijdmuziek (niet zonder zelfironie spraken wij van strijdlappen, naar analogie van de walgelijk burgerlijke smartlappen) en trok o.a. met de Internationale Nieuwe Scène - een groep die in de jaren 70 in heel België furore maakte - naar ‘de arbeider’. Brecht en Eisler waren goden. In Den Haag volgde ik compositieles, want daar doceerde Louis Andriesen die het eerste straatorkest stichtte, die de klassiek-geschoolde zangstem verafschuwde en, waar het kon, met grimmige en ludieke acties tegen burgerschenen schopte. Onze eigen Louis Paul Boon had toch ook geroepen dat we de burger een geweten moesten schoppen. Niet bijbrengen, schoppen. Ik zielig mee schoppen, dus. Zielig vind ik nu, toen allerminst. Ik herinner mij dat een cultuurcel van de KP in Brussel mij vroeg of ik de muzikale leiding wou opnemen van een befaamd leerstuk van Brecht en Eisler, “Die Massnahme” (De maatregel) geheten. Fantastische, unieke muziek (vind ik nog). Mijn vingers jeukten. Maar mijn Amada-vrienden vonden het natuurlijk de foute partij en na een eerste discussie met die kerels uit Brussel liet ik de samenwerking zelf afspringen, wegens ideologische onverenigbaarheden. Belachelijk en beschamend. Ik zei dat ik persoonlijk ging worden.


De tijd om van koers te veranderen

Gelukkig dat die wereldrevolutie uitbleef. Zo kreeg ik de kans mij af te vragen waarom en geestelijk tot bedaren te komen. Wij hadden de situatie onderschat en onszelf schromelijk overschat. Begin van de wijsheid, een beetje toch. Cello weer van de haak genomen. Lange en diepe gêne. Wat een tijdverspilling.

Dat negatieve gevoel is niet gebleven. Ik keerde terug in muzikantenmiddens en trof daar een ongewijzigde toestand aan: kunstenaars die hun ding deden als kippen zonder kop. Muziek die gespeeld werd maar niet begrepen, carrièrefixatie en ontgoochelde muziekleraren. Dan had ik toch veel geleerd, dan kwam ik toch rijk terug. Want wat voor fantastische dingen had ik toch allemaal wel gelezen. Hoeveel kunstenaars, filosofen en pedagogen hebben geen formidabele en mooie gedachten op papier gezet over een betere samenleving. Veel ging mijn petje te boven, maar dat het van levensbelang was, voelden al mijn vezels. En dat zoveel mensen zo’n krachtige droom hadden en daar zo concreet vorm wilden aan geven was eenvoudigweg beroezend geweest. Daar kon je geen spijt van hebben. Sadder en wiser keerde ik terug.
Getekend voor het leven?

Mijn linkse zijsprong heeft blijvende sporen nagelaten. Pas op, ik had toch wat scheepjes achter mij verbrand. Het muzikale milieu is rooms of liberaal, maar niet rood. ‘k Had het niet in de mot, maar voor velen was ik toch een verdacht sujet. Daar leed ik niet onder, maar de carrière die ik toch al niet maakte, kon ik maar beter vergeten. Ik dirigeerde ondertussen wat koren waarmee ik zowel Die Mutter van Hanns Eisler bracht als de Mis van Stravinsky. Wie begreep daar nu wat van! De roomsen niet, maar de rooien ook niet. Het zal tot in mijn graf een dikke kerf op mijn ziel blijven dat die rooien er op cultureel en artistiek vlak zo schandalig weinig van gebakken hebben. En dat de linkse kunstenaars met het grote talent en de grote visie zo scrupuleus zijn monddood gemaakt in de landen waar zogenaamd het socialisme een concrete kans kreeg. De namen zijn genoegzaam bekend. Om maar te zwijgen van de algehele ineenstorting van de integrale communistische mikmak. En de liberalen, de rechtsen en de kapitalisten maar juichen. Ze hadden het altijd geweten. Back to business, alsmaar meer business, alleen nog maar business. Dat de aarde om zeep gaat, who cares

Kijk, dat fundamentele verzet is gebleven. Die onvrede die ik als conservatoriumstudent al had, was niet weg. Nu wist ik toch al wat meer waarmee ik onvrede had. En dat er moest gedroomd worden, dat we moesten blijven proberen, bescheiden, bedeesd, maar hardnekkig. Hebben we overigens de keuze? Ja, er zijn antidepressiva en alcohol, maar dan weet ik het wel.
Waarom kunst maken?

De grote les die ik van Eisler geleerd heb, is de vraag naar het waarom. Als beginnend musicus had ik die nooit gesteld. Ik deed maar. Eisler vond dat een kunstenaar ‘nuttig’ kon zijn, dat hij kon nadenken over wat hij speelde en waarom, niet zomaar als een intellectueel tijdverdrijf, maar als bewust, denkend lid van een samenleving. Waarom bijvoorbeeld al die oude muziek? Waarom niet - als vanzelfsprekend - de muziek van de tijd waarin je leeft? Nee, want die is moeilijk, niet aangenaam. Goed, maar waarom is die moeilijk en onaangenaam? Weerspiegelt ze niet de tijd waarin je leeft? Misschien wel, maar die spiegel bevalt me niet, ik wil deze tijd helemaal niet, ik wil wegdromen bij de vertrouwde harmonieën van de oude muziek. Hoezo vertrouwd? Begrijpen we die muziek dan wel? Is die geen spiegel van haar tijd? Dat zal wel, maar ik wil die tijd ook helemaal niet kennen. Ik wil alleen die klanken, de esthetische verpakking, het echte verhaal, de betekenis van die klanken interesseert mij niet. Ik speel en ik zing en ik heb succes en ik verdien er aardig geld mee. Einde verhaal.


Onbegrepen hedendaags.

Eisler had in mij een onomkeerbaar proces in gang gezet, waarbij ik mij voller voelde, zinvoller. Ik kon en wilde niet anders meer dan bezig zijn met eigentijdse muziek. Dat was trouwens bijzonder ruim: dat ging van vooruitstrevend naar conservatief, van simpel naar ingewikkeld, van mystiek naar politiek, van meesterwerk naar prul, een pandemonium van mijn eigen hotsebotsende tijd. Ruim, maar verdrukt, een bedreigde minderheid, de moeilijkste weg. Dat 98 % van het muziekleven gewijd is aan kunst uit het nabije en verre verleden is even onbegrijpelijk als verklaarbaar. Een tijdperk dat zijn eigen kunst verwerpt, niet begrijpt, is ziek. Maar die ziekte is aan te wijzen. Het kapitalisme zal ze niet genezen, het voorbije (?) communisme had slechte geneesheren. Nieuwe geneesheren dienen zich al aan, New Agers die in het Aquariumtijdperk de menselijke strijdbijl begraven zien. Verander de wereld, begin bij jezelf.

Is het besluit mij te beijveren voor de eigentijdse muziek dan mijn hele engagement, en verder niets meer? Ja, dat is mijn hele engagement. Het gaat over duidelijk meer dan een intellectuele en esthetische keuze. Het is nog meer een politiek-filosofische. Jaren terug zat ik in een concert te luisteren naar één van de vier symfonieën van Brahms - alle vier meesterwerken - voorafgegaan door een zwak orkestwerk van Olivier Messiaen. Ik was toen al verbaasd, bij mezelf te constateren dat het stuk van Messiaen mij veel meer raakte dan de symfonie van Brahms. Ik begreep dat Messiaen van mij is, van mijn tijd, van ons, dat hij een taal spreekt die ik rondom mij zie, hoor en voel, dat alle eigentijdse componisten en schilders klanken en beelden vervaardigen die mijn gevoeligheid raken. Dat kan ontroering zijn, prikkeling, welbehagen, afschuw, verveling, whatever, maar wel uit de tijd die ik nu rondom mij heb. De symfonie van Brahms, had ik door, moest ik vertalen. Ik voelde ze wel aan, maar de beelden en sentimenten stammen uit een vervlogen tijd, niet de mijne. En het terugkeren in de tijd werd voor mij steeds problematischer. Wat moest ik - behalve uitwendig esthetisch, wat maar een zeer gedeeltelijke beleving is - met esoterische Middeleeuwse muziek?

Ik had dus tijdens dat concert een aha-erlebnis: ik heb mijn natuurlijk wezen teruggevonden, ik vlucht niet meer uit mijn tijd, ik aanvaard hem zoals hij is: fantastisch, complex, gruwelijk en bedreigend tegelijk. Ik ben - het klinkt gek - normaal geworden, cultureel-gezond. Iedereen zou zo moeten zijn. Dat kan niet en dat weet ik, en ik weet ook waarom.

Een extremist ben ik dus allesbehalve, noch politiek, noch artistiek. En een held al zeker niet.

Times they are a changing, maar dan wel tergend traag. Ik word persoonlijk niet bedreigd of aangevallen, dus zal ik zeker geen bommetjes gooien, geen symbolische en geen echte.


Strijd voor cultuur

Strijd lever ik wel, elke dag. Voor de eigentijdse kunstenaars, tegen het pappen en nathouden van de Belgische kunstsubsidiëring, voor het winnen van luisteraars, voor een interessant en intelligent concertbeleid, tegen wat Eisler klaar en duidelijk de domheid in de muziek noemde: ijdele uitvoerders, wereldvreemde componisten, lafenis aan de troost van het verleden. Jazeker, ik vraag mij af wat ik hier in het knusse, tamme Vlaanderen doe, hoeveel fundamentele en zinvolle artistieke daden ik hier kan stellen. Soms wil ik mij inbeelden of ik niet liever een Bosnische, Iraanse of Irakese kunstenaar zou zijn, hoeveel wezenlijker en concreter hun taak misschien is. Wat zit ik hier mij te wurmen tussen het overvolle kunstpakket dat elke Vlaming - van jong tot oud - binnen handbereik heeft, om mijn stemmetje te laten horen.

Hoe lang blijft de race hier nog duren om nog origineler, nog excentrieker voor de dag te komen om überhaupt het verzadigde, westerse publiek te boeien en te behagen. Maakt integriteit en authenticiteit nog kans? De sobere eenvoud van Arvo Pärt is uitgegroeid tot cultprodukt en megasucces, dat was toch niet de bedoeling? Dat Helmut Lotti de instortende Cd-markt moet redden en geadeld moet worden, dat was toch niet de bedoeling?

Hoelang zal de kunstmuziek als kunstmuziek nog bestaan, vraag ik mij af. Ze overleeft nu in een nauw getto. Moet ze niet overleven door op te gaan in de vele andere muzieken die onze aarde zingt en fluit? Een lange weg, alleszins, die talloze vooroordelen, privileges en achterdocht op haar pad vindt.

Als ik de radio aan heb - wat minder en minder het geval is - dan nooit op Klara. Radio 1 is mijn zender: nieuws, actueel en pop. Pop of klassiek is voor mij geen keuze, geen twistappel, geen statement. Ik heb mij al heel vroeg laten overdonderen door de hallucinante verscheidenheid van ‘s werelds huidige, muzikale palet: Dylan en Shankar kruidden al mijn studentenjaren, maar toen begon het pas en het zal ook nooit meer ophouden.

Soms is dat een probleem: zodanig niet kunnen kiezen, zodanig aangevlogen worden door de meest krachtige muzikale oerimpulsen uit alle hoeken van de wereld, dat mij de grond onder de voeten wankel wordt. Zal ik doodleuk mijn Bach blijven koesteren en rammelende deurtjes vast sluiten?


Volhouden

Cynisch ben ik niet geworden, ook niet zonder hoop, zelfs, hoezeer de beukende oorverdovende housedreunen mij ook in het oor drammen hoe moeilijk het zaakje ligt. Eerst naar de maan en naar Mars vliegen, blijkbaar, en dan onze mensenprobleempjes aanpakken. Liberté, égalité, fraternité.

Het klimaat is niet gunstig. De politiek is in crisis, links en rechts zijn afgeschaft, het normen- en waardendebat probeert iets overeind te houden, homo’s trouwen en ouderen eisen euthanasie. Waar is het noorden? Wat wil de kunst? Wie wil er nog kunst? Alles moet leuk zijn, infotainment.

Drie jaar geleden werd ik er met mijn neus opgedrukt. In 1970 had Stefaan Van den Bremt een interessante, een ‘nuttige’ dichtbundel geschreven: “Andere gedichten”. In 2000 - dertig jaar later - heb ik een liedcyclus geschreven op 20 van die gedichten. Ik had mijzelf wijsgemaakt dat in zogenaamd linkse milieus voor dit ideeëngoed nog belangstelling was. Ik werd duidelijk uit die droom geholpen. Mijn taal werd moeilijk bevonden, ‘nuttige’ poëzie werd niet meer gesmaakt.

Een beetje kunstenaar beseft hoe noodzakelijk zijn taak is. Hij moet bewaren, onbegrepen kunstwerken beschermen en koesteren voor later, niet zwichten voor ontlezing. Ik moet denken aan die film van François Truffault waarin boeken voorgoed vernietigd worden en enkelingen daarom hele boeken uit het hoofd leren.

De toestand is ernstig, maar ik voel me niet zo ernstig. Mijn jeugdzondes van dure woorden en blaffen naar de maan zijn over. Het engagement zit nu meer in mijn lijf dan in mijn hoofd. Ik hou van alle kunst, maar ik hou meer van sociaal-kritische kunst. Ik ben gelukkig als ik met het Goeyvaerts Consort muziek van Robert Schumann kan zingen en daar maatschappelijke achtergronden, verbloemde beeldspraak en metaforen kan in opsporen. Ik ben gelukkig als ik de ‘Music of the forgotten peoples’ (muziek van geheel of haast geheel verdwenen Estlandse volksgroepen, opgetekend en voor concertgebruik klaargemaakt door de componist Veljo Tormis) hier bij ons kan laten horen. Ik ben gelukkig van steeds meer muziek uit de vroegere DDR - proeven van communistische muziek - naar hier te brengen.



Ik ben gelukkig een platform te kunnen bieden aan jonge Vlaamse componisten, die elders nergens aan de bak komen. Kortom: ik ben gelukkig, ondanks en dankzij.



uit AKTIEF –ledenblad van het Masereelfonds – jrg.2004, nr.1 – blz.


De database wordt beschermd door het auteursrecht ©opleid.info 2016
stuur bericht

    Hoofdpagina