Enorme variëteit van perspectieven op die bij de analyse van interorganisationele relaties worden toegepast



Dovnload 211.76 Kb.
Pagina1/6
Datum21.08.2016
Grootte211.76 Kb.
  1   2   3   4   5   6

Reader



Tekst 1.

Interorganisationele verbanden:



  • Enorme variëteit van perspectieven op die bij de analyse van interorganisationele relaties worden toegepast.

  • De methodologie en meetprocedures zijn redelijk goed ontwikkeld

  • De variëteit van theoretische invalshoeken die proberen het inzicht in de invloed van interorganisatorische verbanden te vergroten.

Top down benadering:

Richt zich op centraal gecontroleerde variabelen, zoals de kenmerken van nationaal beleid, hiërarchische controle in een meer-actoren systeem en formele rechtsnormen.

Kritiek:


  • Naast de centrale actor bestaan er tal van andere actoren die invloed hebben op beleidsprocessen.

  • Onderliggende normatieve ondertoon eenzijdig

  • Kritische kanttekeningen op de theoretische onvolkomenheden en conceptuele ambiguïteit in de benadering.

Bottum-up benadering:

Indien de complexiteit van beleidsimplementatieprocessen in grote mate wordt bepaald door de condities waaronder programma’s worden uitgevoerd, dan moeten onze analytische modellen daaraan worden aangepast. De bottum up benadering is een stap in die richting. In deze benadering is onderzoek verricht naar analyse-eenheden als implementatiestructuren, assisterende structuren en regulatory structures. De bottom up was zowel bedoeld als vertrekpunt voor analyse als methode voor de analyse van de interacties tussen publieke en private organisaties. Deze benadering biedt een strategie om doelgerichte, gezamenlijke actie van publieke en private te beschrijven en te verklaren.

Kritiek:


Sturingspogingen van centrale overheden krijgen te weinig aandacht.
Tekst 2 Beleidsnetwerken en overheidssturing
Beleidsnetwerken: min of meer stabiele patronen van relaties tussen actoren rond bepaalde beleidsproblemen of beleidsprogramma’s


  • Geschiedenis

  • Legitimiteit overheid raakte in versukkeling

  • De problemen in de huidige samenleving vragen onverminderd om overheidssteun – ‘minder overheid, meer markt’ werkt dus niet.

  • Wortels

  • Er is sprake van een ‘implemantation gap’

  • beleidsuitvoering heeft karakter van onderhandelen

  • Er is sprake van een coördinatieprobleem binnen de overheid

  • Hiërarchie en centrale sturing  unguided interaction in a pluralist field hebben beperkingen

  • Kosten verbonden aan collectief handelen

  • Speltheorieën

  • Agenda/complexe besluitvorming

Sturing: Bewuste pogingen maatschappelijke en bestuurlijke interactieprocessen te beïnvloeden


De wortels van beleidsnetwerkbenadering:

Het begrip is een synthese tussen 2 oriëntaties:



  • beleidswetenschappelijk

  • Organisatiekundig politicologisch en sociologisch geïnspireerde invalshoek.


(Rhodes) Vijf typen policy networks:

  • Policy communities

Functionele onderscheiding overheidstaken

  • Professional networks

Dominantie van deelnemers

  • Intergovernmental networks

Lokale overheden

  • Producer networks

Dominantie van economische belangen

  • Issue networks

Groot aantal deelnemers

Geringe mate van interdependentie

Geringe mate van discontinuïteit

Beschrijf de beleidsnetwerkbenadering aan de hand van haar kenmerken.

Beleidsnetwerkbenadering gebaseerd op netwerken tussen actoren dmv interacties. Ze preberen zo overeen te komen van de doelen en wat voor middelen ze daarvoor nodig hebben (wisselen dus info uit)enige nadelen hierbij zijn dat er blokkades kunnen optreden en dat de aangewezen actoren niet samenwerken.

zij deze benadering speelt dus een belangrijke rol op alle gebieden zowel op deep, policy en secundairy aspects al is het op de en meer dan op de ander.

deep core vanwege het overleg naar zoeken van doelen kijken of er overeenkomst is, policy om nu de werkelijke doelen uit te wisselen eb zoeken naar de middelen. (punt van info uitwisselen en dan natuurlijk op de secundairy aspect om daar de instrumenten werkelijk in te vullen

ook moet je hierbij nadenken over de systemen van Rohdes en van belang is dan dat tabel van policy comunnity en issue netwerk aan de hand darvan kun je precies bepalen met welk netwerk je het meest te doen hebt.



Ook van belang om te kijken dus naar de pluriformiteit hoeveel van die organisaties zijn aan de macht, hoe zijn zw op elkaar ingespeeld ( denk aan fine tuning en kunnen ze een beetje makkelijk elkaar zoeken en interacties plegen en gaan alle actoren met het beleid mee zit het netwerk dynamisch in elkaar








Modellen




Dimensies

Klassiek Besturingsparadigma

Marktmodel

Beleidsnetwerkbenadering

Analyseniveau


Relatie bestuurder-bestuurden

Relatie tussen bestuurder en lokale actoren

Netwerk van actoren

Perspectief

Centrale sturende instantie

Lokale actoren

Interacties tussen actoren

Karakterisering van relaties

Hierarchisch

Autonoom

Wederzijdsafhankelijk

Karakterisering van interactieprocessen

Neutrale implementatie van vooraf geformuleerde doelstellingen

Zelfsturing op basis van autonome beslissingen en wederzijdse aanpassing

Interactieprocessen waarin informatie, doelen en middelen worden uitgewisseld

Succescriterium

Realisatie van formele beleidsdoeleinden

Behoeftebevrediging vn lokale actoren

Totstandkomen van gezamenlijke probleemoplossing

Faalfactoren

Vage doelen, te veel actoren, gebrek aan informatie en controle

Gebrek aan hulpbronnen en beleidsvrijheid

Blokkades en een gebrek aan incentives voor samenwerking

Aanbevelingen voor sturing

Coordinatie en centralisatie

Versterking autonomie lokale actoren; deregulering, privatisering en decentralisatie

Netwerkmanagement: verbetering van de condities voor samenwerking

Netwerkmanagement: De wijze waarop actoren de structuur, het functioneren en of de beleidsuitkomsten van een beleidsnetwerk bewust trachten te beïnvloeden.


Netwerkmanager:

  • de makelaar; zonder over hiërarchische middelen te beschikken de actoren met bepaalde doelen en middelen samenbrengen

  • de bemiddelaar: bemiddelen in conflicten tussen actoren

  • de facilitator: Middelen beschikbaar stellen die samenwerking bevorderen

  • entrepreneur: zelf initiatieven nemen tot gezamenlijke actie


Tekst 3 : instrumenten voor netwerkmanagement

Wijze van inzet van instrumenten



  • indirecte inzet van instrumenten

  • fine tuning; het differentieren van sturingspogingen afhankelijk van kenmerken doelgroep

  • serendipitisme: het inspelen op complexiteit en dynamiek

  • meerzijdigheid: sturing als communicatieproces

Kenmerken van een netwerk:



  • pluriformiteit: is aanwezig op meerdere niveaus en op verschillende manieren dominant aanwezig in netwerken. Gevolg van dit pluriforme karakter van netwerken is dat de mate waarin actoren gevoelig zijn voor stuursignalen sterk kan variëren. Per actor zal een ander stuursignaal het meest geëigend zijn.

  • Geslotenheid: de actoren in een netwerk kennen een zekere autonomie en zijn mede daardoor relatief gesloten tov hun omgeving.

  • Interdependentie: actoren in een netwerk zijn afhankelijk van elkaar. Deze afhankelijkheid kunnen in verschillende grootheden worden uitgedrukt. De afhankelijkheidsrelaties kunnen eenvoudig zijn, maar ook zeer complex.

  • Dynamiek: hoe veranderlijk zijnde pluriformiteit, de geslotenheid en de interdependenties? Snelle veranderingen in deze karakteristieken kunnen voor sommige actoren stuurmogelijkheden bieden, terwijl ze die voor andere actoren juist afsnijden.

Instrumentalisme: De actoren die verantwoordelijk zijn voor de inzet van instrumenten beoordelen het succes van deze inzet zelfs op de vraag of de gestelde doelen wel effectief en efficient gerealiseerd worden.


Netwerkmanagment kan geschieden m.b.v. instrumenten. Er zijn wel duidelijke beperkingen hiervoor:

  • publieke actor die als manager optreedt en instrumenten inzet, moet besseffen dat hij in netwerk opereert, dwz in horizontale structuur. Dat stelt specifieke voorwaarde aan wijze inzetten instrumenten.

  • Netwerkmanagement heeft eigen aangrijpingspunten, die verschillen van die voor sturing. Instrumenten voor netwerkmanagement moeten zodanig zijn geconstrueerd dat ze op deze aangrijpingspunten kunnen aanhaken.

  • Het is lang niet altijd mogelijk om een concreet en specifiek probleem aan te pakken met instrumenten voor netwerkmanagement. Deze instrumenten kennen een eigen dynamiek die onvoorspelbaar en onbeheersbaar is. De processen die dankzij deze instrumenten op gang komen kunnen echter wel weer nieuwe en ongedachte kansen op sturing bieden.

  • De criteria die van toepassing zijn op de werking van instrumenten op operationeel niveau op strategisch niveau een ander gewicht behoren te krijgen. Criteria van effectiviteit en efficiëntie zijn van belang op operationeel niveau, maar op strategisch niveau is hun rol ondergeschikt.



  • Sturing vindt plaats op operationeel niveau

netwerkmanagement op strategisch niveau  leidt zowel beslissingsproces als karakteristieken van de beleidsarena.


  • Instrumenten:

  • Juridische (geboden en verboden)

  • Economische (financiële prikkels)

  • Communicatieve (info overbrengen)




  • Inzet van instrumenten:

  • De horizontale context vraagt om een andere aanpak van sturen en managen als de traditionele wijze:

  • Indirecte inzet van instrumenten

  • de te sturen actoren benaderen via andere actoren

  • sturing richten op input die zij behoeven

  • Fine tuning

  • Meer richten op individuele karakter van de te sturen actor

  • Serendipitisme

  • Welke instrumenten kracht bijzetten om tot een doel te komen. Echter sommige instrumenten hebben neveneffecten. Deze kunnen een positieve invloed hebben op andere lopende zaken

  • Meerzijdigheid

  • Er is overeenstemming nodig tussen de sturende actor en de doelgroep over de aard en richting van de sturingsinterventies




  • Karakteristieken van sturingscontext en netwerkmanagement:

  • Pluriformiteit

  • Per actor ander sturingssignaal

  • Geslotenheid

  • Voor een overheid met sturingspretenties betekent dit dat haar instrumenten afgestemd dienen te worden op dit referentiekader

  • Interdependentie

  • Op bepaalde tijdstippen zijn actoren afhankelijk van elkaar. Dit maakt ruilovereenkomsten in de vorm van ‘gelijk oversteken’ onmogelijk.

  • Dynamiek

  • Intra-organisationele verschuivingen

  • Strategische veranderingen

  • Intra-organisationele pluriformiteit




  • Effecten inzetten instrumenten:

  • Bij actor: deze zal de volgende keer ook naar dit instrument grijpen

  • Bij doelgroep: ze zijn wijzer en zullen dus meer opletten en er zal kans zijn op verandering in het effect




  • Regulerende instrumenten

  • Overeenkomsten/formele regelingen

  • Subsidies/heffingen




  • Netwerkregulerende instrumenten:

  • Directe:

  • Publieke actor benoemt zelf een nieuwe

  • Indirecte:

  • De overheid (als manager) roept nieuwe regels in het leven die de creatie van nieuwe actoren mogelijk maakt:

  • Barriers of entry

  • Facilities of entry

  • Machtsverhoudingen tussen actoren veranderen

  • Interne structuur van netwerk aanpassen




  • Hulpbronnen:

  • Fysieke goederen

  • Arbeid

  • Informatie

  • Tijd

  • Kapitaal

  • Rechten

  • Consensus




  • Instrumentele basistactieken:

  • Verschaffing van hulpbronnen

  • Conditionele verschaffing van hulpbronnen

  • Conditionele ontneming van hulpbronnen

  • Ontnemen van hulpbronnen




  • Netwerkconstituering

  • Creatie van actoren

  • Actorvernietiging

  • Reorganisatie van actoren


Artikel 4 Beleidsinstrumenten als stromen hulpbronnen
Hulpbronnen:

  • De klassieke tweedeling tussen klassieke goederen en arbeid

  • Informatie van een actor

  • Tijd

  • Geld

  • Rechten (juridische)

  • Consensus/vertrouwen

Stroom van een hulpbron verwijst naar een verandering van omvang of hoeveelheid.


Artikel 5 Policy process

Beleidsnetwerken zijn een manier om de relaties die bestaan tussen groepen en de overheid te categoriseren. Ze ontstaan door uitwisseling van informatie tussen hen. Ze hebben een kern en een periferie:



  • kern; De belangrijkste actoren die de regels maken voor het spel, lidmaatschap en belangrijkste beleidsrichting van de gemeenschap bepalen

  • periferie; De groepen die zich houden aan de regels van het spel maar die niet genoeg hulpbronnen om een continue invloed te hebben op het beleid.



Dimensie




Policy community

Issue network

Lidmaatschap

Aantal


Belang



Beperkt


Economisch/

professioneel


Groot


Verschillend


Integratie

Interactie


Continuïteit

Consensus





Vaak; hoge kwaliteit


Groot

Groot; centrale waarden


Fluctuerend


Klein

Conflict


Hulpbronnen

Tussen actoren

Binnen organisaties




Uitwisseling tussen alle actoren

Leiders bedienen leden

Verschillen tussen actoren


Wisselend

Macht




Balans; positive sum

Ongelijk; zero sum


Advocacy coalaition framework





  • Basispremisses:

  • Bekeken over meer jaren

  • Nadruk op policy sub-systems

  • Binnen policy-subsystem veel actoren van verschillende niveaus

  • Beleidsprogramma’s kunnen worden geconceptualiseerd




  • Er wordt aangenomen dat binnen een sub-systeem groepen actoren bijeenkomen die dezelfde normatieve en causale ideeen hebben en daar soms ook samen naar handelen.




  • Veranderingen in het sub-systeem:

  • Stabiele parameters

  • Basic attributes of the problem area

  • Basic distribution of natural resources

  • Fundamental cultural values and social structure

  • Basic legal structure

  • Dynamische parameters

  • Veranderingen in sociaal-economische condities en technologie

  • Veranderingen in de systematische overheidscoalities

  • Beleidsbesluiiten en impacten van andere sub-systemen



ARTIKEL 6 Beleidsnetwerken: een kritische analyse
Beleidsnetwerk als analytisch model: de benadering is vooral empirisch analytisch

Onderzoeksvragen:



  • waarom en wanneer worden beleidsnetwerken gevormd

  • hoe ontwikkelen beleidsnetwerken zich in de tijd

  • welke factoren spelen daarbij een rol?

  • Wat is de relatie tussen een beleidsnetwerk en beleidsvoering

Beleidsnetwerk als sturingsmodel: de benadering is prescriptief normatief.

Begrippen als coördinatie, consensus, management en sturing staan centraal.
Punten van kritiek:


  • de vraag naar de theoretische, normatieve en empirische houdbaarheid van een van de uitgangspunten van deze benadering, nl. De diffuse en gefragmenteerde overheid in een al maar heterogene, complexer en gediffertieerder samenleven.

  • Sommige auteurs gaan in het netwerk denken, relatief gemakkelijk voorbij aan de vraag naar de toegankelijkheid van en de democratische controle op netwerken en hun actoren

  • Deze benadering ademt van netwerken als oplossingsmodel, in het verlengde van het eerder gesignaleerde voluntarisme niet zelden de sfeer van optimistische sociale engineering.

Beleidsvoering: het resultaat van interacties tussen wederzijds van elkaar afhankelijke publieke en private actoren in complexe interactiesituaties.


Het Nederlandse debat over beleidsnetwerken is een eenzijdig debat. Het accent ligt sterk bij het beleidsnetwerk als sturingsmodel en dan vooral bij de normatief-prescriptieve variant daarvan, het beleidsnetwerk als oplossingsmodel.
ARTIKEL 7 An Advocacy Coalition Framework of policy change and the role of policy oriented learning therein.
DIAGRAM van ACF model: (blz. 83 reader)

RELATIVELY STABLE PARAMETERS


  1. Basic attributes of the problem area (good)

  2. Basic distribution of natural resources

  3. fundamental sociocultural values and social structures

  4. Basic constitutional structure (rules)


RELATIVdsiodfglkasdjfl;k




POLICY SUBSYSTEM

Coalition A policy Coalition B

a. policy beliefs Brokers a. Policy beliefs

b. Resources b. Resources

Strategy A1 Strategy B1

Re guidance re guidance instruments instruments


Decisions

By sovereigns
INSTITUTIONAL RULES

RESOURCE ALLOCATIONS


Policy Outputs

Policy Impacts












Constraints

And


Resources

Of
Subsystem

actors












EXTERNAL (SYSTEM) EVENTS



  1. changes in socioeconomic conditions

  2. changes in public opinion

  3. changes in systemic governing coalition

  4. policy decisions and impacts from other subsystems


















Veranderingen van beleid als het product van:



  • een sociale, ecnomische en politieke verandering op grote schaal

  • de strategische interactie van mensen binnen een beleidsgemeenschap (policy community) die gepaard gaat met een competitie voor macht en de inspanning om veelwetende middelen van die zich wenden tot het beleidsprobleem te ontwikkelen

Advocacy Coalitions: Mensen van verschillende posities die het zelfde beliefsystem delen en die hun activiteiten coördineren


Policy brokers: Actoren wiens grootste zorg het binnen acceptabele grenzen houden van het niveau van politieke conflicten en het bereiken van een redelijke oplossing van het probleem is.






Deep (normative) core

Near (policy) core

Secundary aspects

Defining characteristics

Fundamental normative and ontological axioms

Fundamental policy positions concerning the basic strategies for achieving normative axioms of deep core

Instrumental decisions and information searches necessary to implement policy core

Scope

Par of basic personal philosophy applies to all policy areas.

Applies to policy area of interest. (and perhaps a few more)

Specific to policy/subsystem of interest.

Susceptibility to change

Very difficult akin to al religious conversion

Difficult, but can occur if experience reveals serious anomalies

Moderately easy this is the topic of most administrative and even legislative policy-making












Beleidsverandering binnen subsystemen zijn het product van 2 processen:



  • inspanningen van de advocacy coalitions binnen de subsystemen om hun policys cores en secundary aspect te vertalen in regeringsprogramma

  • Externe onrus, op de bronnen en de beperkingen van de actoren in de subsystemen.

Policy oriented learning is een functie van:



  • het individuele leren en de verandering van de houding

  • de diffusie van nieuwe beliefs/houdingen onder individuen

  • de ommezwaai van individuen in elke collectiviteit

  • dynamiek van een groep

  • regels voor bepaalde voorkeuren en voor het promoten van communicatie tussen leden.

SCHEMA BLZ 68!!!!!!!!!!!!!!!!!!!!


TEKST 8 The ACF: een Assessment
Hypothesen betreffende Advocacy Coalitions: (hypothese 1, 2 en 3)


  • On major controversies within a policy subsystem when policy core beliefs are in dispute, the lineup of allies and opponents tends to be rather stable over periods of a decade or so

  • Actor within an advocacy coalition will show substantial consensus on issues pertaining to the policy core, although less so on secondary aspects

  • An actor (or coalition) will give up secondary aspects of h is (its) belief system before acknowledging weaknesses in the policy core.

Hypothesen betreffende Policy Change: (hypothese 4 en 5)




  • The policy core attributes of a governmental program are unlikely to be significantly revised as long as the subsystem advocacy coalition which instituted the program remains in power

  • The policy core attributes of a governmental program are unlikely to be changed in the absence of significant perturbations external to the subsystem, i.e. changes in socio-economic conditions, system-wide governing coalitions, or policy outputs from other subsystems.

Hypothesen betreffende Coalition Learning: (Hypothese 6 t/m 9)




  • policy-oriented learning across beliefsystems is most likely when ther is an intermediate level of informed conflict between the two coalitions. This requires that:

# Each have the technical resources to engage in such debate; and that

# The conflict be between secondary aspects of one belief system and core elements of het other or, alternatively, beween important secondary aspects of the two beliefs



  • Problems for wich accepted quantitative data and theory exist are more conducive to policy oriented learning across belief systems than those in which data and theory are generally qualitative, quite subjective, or altogether lacking

  • Problems involving natural systems are more conducive to policy-oriented learning across belief systems than those involving purely social or political systems because in the former many of the critical variables are not themselves active strategists and because controlled experimentation is more feasible.

  • Policy-oriented learning across beliefsystems is most likely when there exists a forum which is:

    • Prestigious enough to force professionas from different coalitions to participate; and

    • Dominated by professional norms.

Veronderstellingen: De vijf basisveronderstellingen bij het ACF:



  1. theorien van het beleidsproces of beleidsverandering moeten zich wenden tot de rol die relatieve technische informatie betreffende de groote en facetten van het probleem, de oorzaken, en de mogelijke impacten van verschillende oplossingen, spelen in het proces.

  2. het proces van beleidsveranderingen heeft in iedergeval een tijdsperspectief van 10 jaar of meer nodig om tenminste 1 cyclus van formulering/implementatie/herformulering te volmaken.

  3. De belangrijkste eenheid van analyse voor het begrijpen van beleidsveranderingen in de moderne industriele maatschappij zijn de policy subsystems.

  4. Policy subsystems bestaan meestal uit actoren van verschillende overheidsniveaus.

  5. Public policies/programs en bevatten impliciete theorien over hoe hun doelstellingen te bereiken zijn

Het ACF verondersteld dat policy core beliefs de fundamentele lijn zijn van coalities omdat ze de basis van normatieve en empirische verplichtingen binnen het domein van de policy elites representeren.

Model van het individu:


  • Het ACF neemt aan dat de waarde van de actoren complex zijn en daardoor vergewist zijn van empirie

  • De aandacht voor policy-oriented learning geeft duidelijk aan dat de beleidsvoorkeuren endogeen t.o.v. de set verklaarde gedragingen. Deep cor en policy core waarden worden veelal exogeen verondersteld.

  • Het ACF neemt aan dat , volgens verwachte theorie, dat actoren verliezen meer afwegen dan winsten.

  • Het ACF verondersteld dat de bekwaamheid van de actoren om informatie te verwerken en te analyseren beperkt is.

De Hypothese:

De eerste drie hypotheses zijn gebaseerd op de veronderstelling dat de policy core beliefs de lijm zijn die coalities bij elkaar houden.
Enkele opmerkingen:


  • onderzoeksdata hebbenherhaaldelijk aangetoond dat onderzoekers niet noodzakelijk neutraal zijn maar vaak vaak lid van een coalitie zijn

  • de precisie verschafd door systematische kwantitatieve analyse openbaart dat er er meer coalities kunnen zijn dan op het eerste oog gedacht.

  • Hypothese 1 beargumenteerd dat in het bijzonder bij belangrijke issues, coalities voornamelijk stabiel zijn over een decennium echter dit blijkt alleen van toepassing bij ontwikkelde policy subsystems:

    • (herziene hypothese 1) On major controversies within an established policy subsystem when policy core beliefs are in dispute, the lineup of allies and opponents tends to be rather stable over periods of a decade or so.

  • (hypothese 10) Within coalition, administrative agencies will usually advocate more moderate positions than their interest group allies.

HYPOTHESE 11:

Elites of purposive groups are more constrained in their expression of beliefs and policy positions than elites from material groups.

HYPOTHESE 12:


Even when the accumulation of technicalinformation does not change the views of the opposing coalition, it can have important impacts on policy – at least in the short term – bij altering the views of policy brokers or other important government officials.
De ACF verwaarloost de belangrijke beleidsveranderingen, de reactie van Sabatier hierop:

  • Herinneren dat de veranderingen in de policy core van overheidsprogramma;s infrequente evenementen zijn.

  • Herziene hypothese 5: Significant perturbations external tot the sybsystem are necessary, byt not sufficient, cause of change in the policy cre attributes of a governmental program.

  • Onthoudt dat een hiërarchisch superieure eenheid van de overheid een poging kan wagen om de policy core van een lagere niveau van overheid te veranderen.



TEKST 9 van Hoppe(s)
Drie gedachtegangen van de ACF:

  • poogt om een synthese van top-down bottom-up benaderingen te implementeren in analyse

  • poogt een alternatieve naar stagistisch model van het beleidsproces te bieen

  • poogt vooruitgang te boeken richting een theorie van beleidsprocessen die een specifieke plaats voor de rol van technische kennes en expertise bieden.

Twee moeilijkheiden bij het operationaliseren van de ACF



  • Het kenschetsen van policy subsystems

  • Reconstructie van beliefs system

Checklist voor de actoren van een Advocacy Coalition:

  • government based actors

  • public sector based actors

  • market based actors

  • social movement or citizen association based actors

  • knowledge system based actors

  • media based actors

Het vierlagen systeem van Fischer biedt een significant voordeel van het reconstrueren van belief systems. Het onderscheid tussen beliefs in verschillende lagen zit in hun epistemologische status.


Tabel: Structure of the frames of meaning of policymakers, technologists and corporate management




Policy making

Technological development

Management


Evaluation of solutions

Causal evaluations of the effectivenessof policies consisting of causal chains of objectives, ends and means

Causal evaluations of the effectiveness of technological development paths

Causal evaluations of the effectiveness of management measures, i.e. tasks and relations of functional departments

Problem definitions and the meaning of solutions

The policy problem as defined by the meaning attributed to policy problem; this includes attributing a meaning to technological articacts

The technological problem is defined and a meaning attributed to technological development paths

Defining the corporate problem and attributing a meaning to management measures (including developing, marketing an artifact with a particularpreferred meaning) in the light of that problem

Empirical and normative background theories

World views and value systems

Scientific and technological theories and appreciative systems

Appreciative systems and theories concerning markets, organizations, micro-economics

Normative-ontological preferences

Preferences about the social order

Preferred meaning of the artifact

Firm’s preferred competitive position



  • ACF kunnen leren:

  • Individueel leren en attitude verandering

  • De verspreiding van nieuwe belifs/attitudes onder individuen

  • Omslag van indiviuen binnen een collectiviteit

  • Groeps dynamiek

  • Regels voor het agregeren van preferenties en stimuleren van communicatie onder leden



Smv hoppe hoofdstukken 5, 8, 11, 13, 15




  1   2   3   4   5   6


De database wordt beschermd door het auteursrecht ©opleid.info 2019
stuur bericht

    Hoofdpagina