Enorme variëteit van perspectieven op die bij de analyse van interorganisationele relaties worden toegepast


Fischer Hoofdstuk 1: Public policy analysis



Dovnload 211.76 Kb.
Pagina6/6
Datum21.08.2016
Grootte211.76 Kb.
1   2   3   4   5   6

Fischer

Hoofdstuk 1: Public policy analysis





  • Public policy: a political agreement on a course of action (or inaction) designed to resolve or mitigate problems on the political agenda




  • Een public policy is opgebouwd uit:

  • Een probleemdefinitie

  • Aantal participanten en hoe beïnvloed het programma hen

  • Aangeven welk effect het heeft op de totale samenleving

  • Een verklaring van de basis sociale en politieke waarden welke ze wil stimuleren




  • Boek geeft een alternatieve methode die in staat is om de normatieve evaluatie van beleidsdoelen te integreren met de empirische manier, die karakteristiek is voor beleidsevaluatie.




  • Logic policy deliberation

  • First-order discours

  • Verification

  • Het doel is om een kwantitatieve beoordeling te ontwikkelen welke in staat is om te meten in hoeverre een bepaald programma een bepaald doel bereikt en een bepaling hoe efficiënt het doel is bereikt in vergelijking met andere programma’s.

Hoofdvraag: Does the program empirically fulfill its stated objective(s)?


  • Validation

  • Is het programma relevant voor het te bereiken doel?

Hoofdvraag: is the program objective(s) relevant to the problem situation?


  • Second-order discours

  • Vindication

  • In hoeverre heeft het programma zijn weerslag op de sociale gemeenschap?

Hoofdvraag: does the policy goal have instrumental or contributive value for the society as a whole?

  • Social choice

Zoeken en vestigen van een kritische basis waarmee rationele keuzes gemaakt kunnen worden en kijken naar het perspectief van hoe te leven.

Hoofdvraag: do the fundamental ideas (or ideology) that organize the accepted social order provide a basis for a legitimate resolution of conflicting judgements?


Hoofdstuk 2: evaluating program outcomes.
Verificatie legt de nadruk op de doelen van het publiek beleid.

Programma verificatie hangt af van de vastliggende criteria.

Een beleid moet vertaald worden in een programma, anders kan het niet worden vastgelegd bij de overheid. Een programma onttrekt specifieke doelen van de algemene doelen.

Er zijn bij verificatie 4 centrale vragen:



  • Vervult het programma zijn empirische gestelde doelen?

  • Legt de empirische analyse onverwachte, zijdelingse effecten bloot, die invloed hebben op het doel van het programma?

  • Vervult het programma de doelen beter dan een alternatief programma had gekund?

Verificatie is gebaseerd op de regels met betrekking op empirisch onderzoek in sociale wetenschappen.

De cruciale vraag is of men aan het publiek, via de voor het publiek gangbare procedures, kan laten zien dat een beslissing correct is.
Experimenteel programma onderzoek.

Exp. onderzoek richt zich op de identificatie van de basisdoelen van het beleid en de relevante consequenties die daaruit komen. Vaak "outcomes" of "impact evaluation" genoemd.


Het onderzoek bevat 4 basisstappen:

  1. de specificatie van 1 of meer doelen van het programma, als de analysecriteria.




  1. Als de doelen vastliggen, is het noodzakelijk om geschikte indicatoren (meetmethoden) te vinden, of te ontwerpen, die deze analysecriteria meten.

De keuze van indicatoren is, de toepassing, en de lengte van het onderzoek worden bepaald door de doelen van het onderzoek, de middelen die de onderzoeker heeft, de tijd die hij ervoor heeft,

en de vorm van het onderzochte programma.



  1. De volgende taak is om de geschikte doelgroep vast te stellen, en om de grootte van de steekproef te bepalen. Verdeling in exp. groep en controlegroep.




  1. De laatste stap is om de data te analyseren, nadat het exp. is uitgevoerd.

De vraag m.b.t. interne validiteit is: hoe is het experiment ontworpen en toegepast?

Er zijn meerdere bedreigingen voor interne validiteit van zo'n onderzoek.

Bijv. externe effecten, maturation, selectie enz. (zie M&T)


Exp. onderzoeken brengen vaak ethische moeilijkheden met zich mee. De basisregel hiervoor is simpel en rechtdoorzee: als het mogelijk is, vertel de onderwerpen van het onderzoek, wat de risico's en kosten.
De validiteit van een onderzoeksdesign is een essentiële functie van de diegene die evalueert. In welke mate kan hij controle houden over het onderzoek.

In het geval van een evaluatie over een publiek programma is het nooit mogelijk om een perfecte controle te hebben over het exp. dan spreek je dus over een quasi-exp.


Er zijn 4 hoofdvormen van quasi-experimenten:

  1. Echte controlegroep, alleen natest.

  2. Voor- en natest, non-equivalente groepen

  3. 1 groep tijdreeks design.

  4. Voor- en natest, met geen controlegroep.

Cost-benefit analysis.

Het doel hiervan is, de inputs van een programma afwegen tegen de outputs. Hier worden alle gevolgen van het programma (beleid) in geld uitgedrukt, en zo wordt de economische waarde bepaald.
4 stappen in cost-benefit analyse:


  1. Kijken wie betaald voor het beleid, en wie de benefits krijgt.

  2. De inputs en outputs moeten in geld worden uitgedrukt.

Materiaal- en administratieve kosten zijn de belangrijkste kostenposten, maar ook de 'opportunity costs' zijn van belang.

  1. Kosten en benefits terugrekenen over de tijd, m.b.v. een discount rate.

Wat zijn de kosten en benefits van de toekomst nu waard?

  1. de laatste stap is de berekening van een kosten/benefits ratio. Dan heb je 1 getal dat de relatie tussen de 2 aangeeft. >1 is goed, <1 is slecht.

Een variant van cost/benefit analyse is cost/effectiviteit analyse.
Risico / benefit analyse.

Doel: het beste alternatief kiezen, dat de hoogst kosten, en de laagste risico's heeft voor zoveel mogelijk mensen.


Er zijn meerdere normatieve limieten voor verificatie.

Objectiviteit: de onderzoeker is nooit helemaal objectief, er zitten altijd normatieve, eigen waarden in van de onderzoeker.

Sociale context: er is altijd onenigheid, wat nou precies de doelen zijn. Er is altijd wel iemand, of een organisatie, die het niet eens is met de gestelde doelen.

"Wetenschap als ideologie:" analyse ondermijnt altijd de bestaande situatie. Beleidswetenschappers hebben vaak het politieke systeem verantwoordelijk gehouden voor hun eigen foute analyses.


Hoofdstuk 4: evaluating program objectives.

Situationele Validation (bekrachtiging):

4 hoofdvragen:


  1. is het beleidsdoel relevant voor de probleemsituatie?

  2. Zijn er omstandigheden die een uitzondering vereisen?

  3. Zijn 2 of meer doelen even belangrijk voor de situatie?

Validation: doel: een duidelijk inzicht krijgen in de empirische relaties.

De 1e focus van validation is social relevance.

Is het beleidsdoel relevant voor de probleemsituatie? Om antwoord op deze vraag te kunnen geven, is het noodzakelijk om het normatieve criterium en de feiten van de situatie samen te brengen.


Een beleidsprobleem bevat: een gat tussen standaardsituatie en huidige situatie. Zowel de standaardsituatie als de huidige situatie mag geen objectieve data buiten onszelf bevatten.
2e focus van validation: situational circumstances.

De 2e focus is gericht op het identificeren van uitzonderingen op een gegeven situatie.

Een uitzondering mag pas gegeven worden, als ik gebleken dat het beter is om van het doel af te wijken, dan het doel te halen.
3e vraag van validation: doelen zijn vaak tegenstrijdig. Wat het ene doel goed vindt, is voor het andere doel fout. Dan moet er gekeken worden, welk doel belangrijker is.
Vindicatie is een fundamentele verschuiving van de first-order discours naar de second-order discours.

Vindicatie vereist dat de medewerkers hun eigen normatieve situatie aan de kant zetten, en zich volkomen richten op de hoogst mogelijke beleidsdoelen voor het hele sociale systeem.


Kwalitatieve methoden vertrouwen zwaar op directe observaties, lokale onderzoeken, secundaire documenten, case studies, gedetailleerde beschrijvingen en persoonlijke diepte interviews.

Deze methoden zijn goede hulpmiddelen voor beleidsbekrachtiging.


Hoofdstuk 6: evaluating policy goals.
Vindication (Rechtvaardiging, bekrachtiging) is georganiseerd rond de volgende vragen: (systeemondersteuning)

  • Heeft het beleidsdoel instrumentele of contributieve waarde voor de maatschappij

  • Heeft het beleidsdoel (en zijn normatieve aanname) geresulteerd in niet verwachtte problemen met belangrijke sociale gevolgen?

  • Heeft een verplichting aan het beleidsdoel geleid tot consequenties(kosten/baten) die gelijk zijn verdeeld?

1e order discours focust zich op empirische en normatieve oordelen gemaakt in de “locale” of “situationele” contexten waarin beleidscriteria (programmatic objectives en doelen zijn toegepast en geïmplementeerd.

Second order discours stapt uit deze actie context en test de beleidsdoelen tegen de systeemgeoriënteerde ideeën en aannames.
Vindication(rechtvaardiging) als 2e orde discours gaat over tot een evaluatie van de instrumentele consequenties van een beleidsdoel. En zijn normatieve aannames voor het sociale systeem als geheel.
Aan de basis van politiek-economische mechanismen lig een set van politieke ideeën en een corresponderend “policy framework” dat specificeert, fundamentele politieke oriëntaties en beleidsstrategieën om systeemnormatieve axioma’s te realiseren.
Deze beleidsideeën hebben de volgende typen van normatieve overwegingen:


  • de echte draagwijdte van de markt versus overheidsactiviteit

  • de echte verdeling van macht en autoriteit onder de verschillende bestuurslagen.

  • De identificatie van sociale en politieke groeperingen wiens welvaart volgens overweging het meest belangrijk is

  • De posities in substantieve beleidsconflicten, zoals economische ontwikkeling tegenover milieubescherming

  • De basiskeuzes betreft beleidsmiddelen, zoals aansporing, overtuiging en dwang.

  • De wenselijkheid van politieke participatie door verschillende segmenten van het sociale systeem: elite tegenover publieke participatie; experts tegenover gekozen officials

  • Gewaarwordende mogelijkheid van de maatschappij om verscheidene substantieve problemen op te lossen, bijv. technologisch optimisme tegenover pessimisme.

Het concept van een politiek of beleids-framework in de VS: New Deal’s “corporate welfare” staat.


Dit is een systeem gebaseerd op twee fundamentele vooropstellingen:

  • De federale overheid zal de factor van vraag en aanbod reguleren om een winstgevende omgeving voor collectieve ondernemingen te helpen verzekeren

  • De overheid zal een sociaal vangneet voor werklozen of andere minder gelukkige die langs het collectieve economische framework zijn gevallen hebben.

Vindication (rechtvaardiging, bekrachtiging) is een empirisch georiënteerde pragmatische test van normatieve aannames die de formele assistentie van sociologische en politiek onderzoek is vereist.


Vindication als instrumentele oriëntatie gaat gepaard met:

  • de identificatie van de doelen en waarden

  • Een empirische evaluatie (waardering) van de door het beleid gewenste impact op normatieve processen.

Het theoretische model dat het meest correspondeert met de instrumentele logica van rechtvaardiging is het functionele systemen theorie.


Vindication: Het beoordelen van de instrumentele waarde van een beleidsdoel en zijn systematische aannames in termen van hun bijdragen aan het gladjes functioneren van het bestaande sociale systeem als geheel.
Grootste bijdrage van het perspectief van die functionele systeemtheorie is het onderscheidt maken tussen:

  • latente functies

  • manifest functies


Hoofdstuk 8: evaluating ideological commitments.
De hoofdvragen van sociale keuze zijn:

  • Geven de fundamentele ideeën (of de ideologie), die de geaccepteerde sociale orde organiseren, genoeg reden om een basis te leveren voor een wettelijke en onpartijdige weergave van de conflicterende oordelen?

  • Als de sociale orde niet in staat is om de conflicten over de basiswaarde op te lossen, zijn er dan andere sociale ordes, die geschikt zijn om dan gebruikt te worden, i.p.v. de conflicterende oordelen?

  • Ondersteunen normatieve reflectie en empirisch bewijs de aanname van een alternatieve ideologie en de sociale orde, die de orde voorschrijft?

In zeer brede zin, gaat sociale keuze over de vraag in wat voor samenleving we graag willen leven.

De term ideologie wordt gebruikt om het concept van een ideaal wereldbeeld weer te geven.
Ideologie bestaat uit drie verschillende componenten:


  1. Wereldbeeld, dat een aantal wijd verspreide opvattingen, over hoe het politieke en economische systeem van een samenleving moet functioneren, waarom er zo gehandeld wordt, en wie ervan profiteert, bevat.

  2. In een ideologie zit een set van fundamentele sociale en politieke waarden, die worden beschouwd als het best voor de samenleving.

  3. Ook bevat het een voorstelling, hoe sociale verandering in de samenleving plaatsvindt.

Ideologieën zijn dus geïntegreerde systemen van waarden, overtuigingen en methoden om de wereld te veranderen.


Ideologieën helpen mensen het grotere belang uit de empirische feiten te halen, een ideologie laat zien hoe alle feiten samen, een groot geheel vormen.
Een van de belangrijkste taken van politieke filosofie is om de meningen van andere waarden te identificeren.
Het fundamentele doel van sociale keuze is om, in de keuze voor een levensweg of ideologie, logica om te zetten in persoonlijke voorkeuren.
Een eerste taak voor normatieve evaluatie op het niveau van ideologieën, is een poging om een ideologisch dogma te identificeren.
Begaan met wat zou moeten gebeuren is politieke filosofie een creatieve manier, geïnteresseerd in bestaande waarheden, voorzover deze ideale modellen ondersteunen.
Politieke filosofie bloeit op in tijden van politieke crisis, want pol. filosofie is een goede manier om de problematische aannemingen te bekijken.
Utilitaristische erfenis: publieke zaken zouden geleid moeten worden door het principe: "het grootste goed, voor het grootste aantal."
Rawls: boek: A theory of Justice.

Rawls vroeg zich af, welk type van de sociale orde een rationeel persoon zou kiezen, in het geval van ideale omstandigheden.

Hij schiep een situatie, die hij de originele positie noemde.

Een van de controversies in zijn boek is zijn logische ontkenning van het utilitarisme als basis voor de ideale sociale orde.

Zijn doel was om te laten zien dat "utility" niet genoeg bewijs levert, om publieke en private zaken juist te zien. Terwijl utility toch de heersende, morele regel was in westerse, kapitalistische samenlevingen.
Alternatieve ideologieën.

Hier gaat het over de vormen van empirisch bewijs en normatieve reflectie die naar voren gebracht worden om een orde te veranderen.

De methodologische activiteiten van politieke filosofie zijn tot nu toe niet beschouwd als een deel van beleidsanalyse, terwijl de laatste 20 jaar politieke filosofen steeds meer betrokken raakten bij beleidsstudies.
Het ultieme doel van beleidsonderzoek is de rationaliteit van bepaalde ideologieën te vergroten. En niet hypotheses testen of beleidsevaluaties te ontwerpen.
Frames of reference: (Bobrow and Dryzek)

Deze frames bestaan uit theoretische oriëntaties, methodologische regels, en ook een set van richtlijnen voor het identificeren van concepten, gebeurtenissen en trends, die de moeite waard waren.

De frames geven principes voor interpretatie, verklaringen, voorspellingen en evaluatie.
De ideologische context waarin onderzoekers die evalueren hun werk doen, heeft een kritieke invloed op hun analytische oordelen.

Hierin zitten 2 punten:



  • met betrekking tot politieke vooroordelen. Onderzoekers moeten, om verkeerde interpretatie van een sociaal verschijnsel te voorkomen, oppassen dat ze niet teveel eigen, normatieve aannames in hun oordeel gebruiken.

  • met betrekking tot de natuur van politieke kennis zelf. Beleidsanalisten moeten weten op welke manier beslissers terugvallen op politieke ideologieën om kloven te overbruggen in de beschikbaarheid van informatie.



1   2   3   4   5   6


De database wordt beschermd door het auteursrecht ©opleid.info 2019
stuur bericht

    Hoofdpagina