Erasmus universiteit rotterdam nadruk verboden



Dovnload 311.4 Kb.
Pagina1/7
Datum25.08.2016
Grootte311.4 Kb.
  1   2   3   4   5   6   7


ERASMUS UNIVERSITEIT ROTTERDAM NADRUK VERBODEN
Faculteit der Economische Wetenschappen
Masterscriptie

De Nederlandse exit-heffingen in de winstsfeer
Europees en internationaal door de beugel?

Tim van Ommen

Studentnummer: 316231

Begeleider: Dhr. D.A. Albregtse


Rotterdam, januari 2010

Inhoudsopgave

Inleiding
De Nederlandse overheid zal veelal haar belastingstelsel gebruiken om te zorgen dat zij genoeg inkomsten verwerft om haar uitgaven te kunnen dekken. Via een scala aan verschillende belastingen, zoals de inkomstenbelasting (hierna: IB), de vennootschapsbelasting (hierna: VPB) en de BTW, worden deze inkomsten verworven en hoewel er in Europa momenteel veel verdragen, richtlijnen en verordeningen zijn op het gebied van zowel indirecte als directe belastingen, zijn landen, op het gebied van directe belastingen, redelijk vrij om hun eigen belastingstelsel in te richten. Dit is niet anders voor heffingen binnen de ondernemingssfeer en Nederland heeft via de IB en VPB instrumenten om ondernemingswinsten die binnen Nederland zijn behaald te belasten.1 Doordat er (nog) geen algemene Europese belasting op het gebied van ondernemingswinsten is, bestaat Europa momenteel uit meer dan vijfentwintig belastingjurisdicties die, zeker gezien de huidige economische crisis, allemaal een zo groot mogelijk stuk van de belastinggrondslag willen hebben waarop zij recht denken te hebben op basis van hun nationale wet. Wanneer een belastingplichtige te maken krijgt met twee of meer landen die op basis van hun wet over de inkomensbron van die belastingplichtige mogen heffen kan er hierdoor een nadelige situatie ontstaan voor die belastingplichtige. Immers, alleen doordat deze persoon bijvoorbeeld (hierna: bijv.) werkt in een ander land dan dat hij woont, moet hij meer belasting betalen dan iemand die werkt en woont in hetzelfde land. Om discriminatie en dubbele belasting tegen te gaan kan een belastingplichtige beroep doen op het EG-verdrag en een verdrag ter voorkoming van dubbele belasting of het Besluit ter voorkoming van dubbele Belasting (hierna: BvdB).
In het geval van ondernemingswinsten kan het gebeuren dat een onderneming stille reserves en goodwill opbouwt. Hierdoor ontstaat een latente belastingclaim: Er is een meerwaarde in de onderneming, maar hierover hoeft nog geen belasting te worden betaald, omdat de winst nog niet is gerealiseerd.2 Wanneer een belastingplichtige bijv. emigreert of de feitelijke leiding verplaatst naar het buitenland, heeft Nederland geen mogelijkheid meer om belasting te heffen over de stille reserves en goodwill. Immers, ondernemingswinsten worden daar belast waar de onderneming is gevestigd. Na emigratie is de onderneming niet meer gevestigd in Nederland en daarmee verliest Nederland haar heffingsbevoegdheid. Deze is na emigratie overgegaan naar een ander land. Doordat de ondernemingswinst voor de emigratie nog niet daadwerkelijk is gerealiseerd, mag voor die tijd de winst niet worden belast.
Om te zorgen dat de claim niet verloren gaat heeft de Nederlandse wetgever zowel in de IB als VPB een zogenoemde exit-heffing in de wet opgenomen. Deze houdt in dat vlak voor het moment van emigratie van de ondernemer of het lichaam door middel van een fictie wordt gedaan alsof de winst wel is gerealiseerd, waardoor er voor Nederland een mogelijkheid ontstaat om te heffen over de stille reserves en goodwill van de onderneming. Nederland behoudt hierdoor haar belastinginkomsten, maar de belastingplichtige wordt geconfronteerd met een belastingclaim die hij waarschijnlijk niet kan betalen, doordat hij niet werkelijk liquiditeiten heeft gerealiseerd om deze claim van te kunnen betalen.
Een tweede probleem ontstaat mogelijk doordat Nederland met een groot aantal landen belastingverdragen ter voorkoming van dubbele belasting heeft afgesloten die ervoor moeten zorgen dat een belastingplichtige niet wordt geconfronteerd met juridische dubbele belasting. De Nederlandse exit-heffing in de winstsfeer kan ervoor zorgen dat het land waar de ondernemer of de onderneming naartoe emigreert op basis van het afgesloten verdrag het heffingsrecht heeft op stille reserves en goodwill. Door de exit-heffing trekt Nederland het heffingsrecht naar zich toe waarvan in de belastingverdragen juist afstand van is gedaan. Dit zou in strijd kunnen zijn met de goede trouw van verdragspartners dat in het Weens verdragenverdrag is vastgelegd.3

Gezien het bovenstaande luidt mijn probleemstelling daarom ook:


Zijn de Nederlandse bepalingen omtrent exit-heffingen in de winstsfeer in overeenstemming met het OESO-modelverdrag en zo nee, hoe kan deze dan daarmee in overeenstemming worden gebracht? Zijn de Nederlandse bepalingen omtrent exit-heffingen in strijd met EG-recht en zo ja, hoe kan deze strijdigheid worden weggenomen?
Om mijn probleemstelling te beantwoorden zal ik in hoofdstuk één de beginselen en wetsartikelen omtrent de exit-heffingen in de ondernemingssfeer uiteenzetten. In hoofdstuk twee zal ik de verschillende bepalingen en artikelen uit het OESO-modelverdrag behandelen die nodig zijn om te kunnen bepalen of er sprake is van overeenstemming met het OESO-modelverdrag. Vervolgens zal ik ditzelfde doen voor vier bilaterale verdragen die Nederland heeft afgesloten, omdat nog steeds een aantal verdragen die Nederland afgesloten heeft niet in overeenstemming zijn met het OESO-modelverdrag. Ik zal de verdragen met de volgende landen behandelen: België, Duitsland, de Verenigde Staten en Zwitserland. Ik zal in hoofdstuk twee een motivering geven voor mijn keuze om de verdragen met deze landen te behandelen.

In het derde hoofdstuk worden de verschillende artikelen uit het EG-verdrag besproken die nodig zijn om te kunnen bepalen of er sprake is van strijdigheid met het EG-recht. In zowel hoofdstuk twee als drie zal aan het einde worden bepaald of er in mijn ogen sprake is van strijdigheid met het EG-verdrag en/of overeenstemming met het OESO-modelverdrag. In hoofdstuk vier zal er vervolgens, als blijkt dat er sprake is van strijdigheid met het EG-verdrag en/of geen overeenstemming met het OESO-modelverdrag, een aantal oplossingen worden aangedragen om te zorgen dat deze strijdigheid wordt weggenomen en/of de door Nederlands afgesloten verdragen weer in overeenstemming komen met het modelverdrag.



Hoofdstuk 1: De Nederlandse exit-heffing
In dit hoofdstuk zullen de Nederlandse exit-heffingen worden uitgelegd en verduidelijkt. Allereerst zal een aantal beginselen worden besproken dat meer inzicht geeft in de manier waarop Nederland haar belasting heft en waarom Nederland het systeem rond de exit-heffingen op deze manier vorm heeft gegeven. In de eerste paragraaf wordt eenvoudigheidshalve alleen de situatie beschreven die geldt voor een natuurlijk persoon. Eventuele afwijkingen t.o.v. de behandeling van een lichaam worden in paragraaf 1.3 besproken. In de tweede paragraaf wordt vervolgens de exit-heffing voor particuliere ondernemers (IB) besproken en in de derde paragraaf die voor lichamen (VPB).
§ 1.1 Systematiek en beginselen in de IB

Om een persoon mogelijk te kunnen belasten moet er eerst sprake zijn van subjectieve belastingplicht. Deze wordt bepaald op basis van een aantal mogelijke afbakeningsbeginselen, zoals het woonplaatsbeginsel, het nationaliteitsbeginsel of het bronbeginsel. Wanneer een persoon binnen Nederland woont,4 is deze belastingplichtig in Nederland over zijn wereldinkomen. Wanneer een persoon niet in Nederland woont, maar wel Nederlands inkomen geniet uit bepaalde Nederlandse inkomensbronnen5 kan de persoon uitsluitend over het inkomen uit bronnen gelegen binnen Nederland worden belast.6 7


Vervolgens moet worden bepaald of iemand ook objectief belastingplichtig is en daadwerkelijk belasting verschuldigd is.8 De objectieve belastingplicht kan bijvoorbeeld ontstaan doordat een persoon winst uit onderneming geniet. Voor de bepaling van de winst uit onderneming zijn twee begrippen van belang: het totaalwinst-begrip9 en het jaarwinst-begrip.10 De eerste maakt het voor Nederland mogelijk om de winsten van een onderneming over de gehele levensduur van de onderneming te kunnen belasten en de tweede maakt het mogelijk om dit per jaar te doen op basis van het goedkoopmansgebruik. De bepaling van jaarwinst is nodig om de ondernemer per jaar belasting te kunnen laten betalen en niet pas wanneer deze stopt winst uit onderneming te genieten. Bij het goedkoopmansgebruik spelen een aantal beginselen een belangrijke rol. Één van deze beginselen is het realisatiebeginsel. Deze houdt in dat er pas winst wordt genomen wanneer deze daadwerkelijk is gerealiseerd. Meerwaarde binnen de onderneming, bijv. goodwill en stille reserves, worden daarom niet belast tot het moment dat deze worden gerealiseerd. Wanneer een ondernemer vanuit Nederland emigreert zonder dat er een vaste inrichting in Nederland achterblijft, houdt hij op binnen Nederland belastingplichtig te zijn. Er is geen sprake meer van subjectieve belastingplicht en dat in combinatie met het realisatiebeginsel zorgt ervoor dat Nederland de belastingclaim niet meer kan verwezenlijken. Om te zorgen dat zij haar claim niet kwijtraakt is daarom de zogenoemde exit-heffing in de wet opgenomen.
§ 1.2 De exit-heffing voor ondernemers

De exit-heffing voor ondernemers wordt vorm gegeven door een tweetal artikelen binnen de Wet IB 2001, namelijk art. 3.60 en 3.61. Ondanks dat beide artikelen de functie hebben om het eerder genoemde probleem op te lossen, vind ik het twee verschillende soorten exit-heffingen. Derhalve zal ik ze ook beiden apart bespreken. Binnen de IB bestaat nog een exit-heffing, namelijk voor het geval een directeur- grootaandeelhouder (hierna: DGA) emigreert.11 Deze heffing heeft niet direct betrekking op de probleemstelling, maar de vormgeving van de wet omtrent deze exit-heffing en jurisprudentie daaromtrent kunnen misschien (gedeeltelijk) worden gebruikt om de probleemstelling van deze scriptie op te lossen. Hierom zal ik in paragraaf 1.2.3 aandacht besteden aan de exit-heffing in de aanmerkelijk belangsfeer (hierna: AB).


§ 1.2.1 Overbrenging vermogensbestanddelen naar het buitenland (art. 3.60 IB)

Bij invoering van de Wet IB 2001 heeft de wetgever een onduidelijkheid omtrent de exit-heffing uit de Wet IB 1964 willen weghalen door invoering van art. 3.60 IB.12 Het toenmalige art. 16 uit de Wet IB 1964 riep namelijk vragen op bij de verplaatsing van een aantal vermogensbestanddelen uit een onderneming naar het buitenland. Er werd gesuggereerd dat het mogelijk kon zijn dat wanneer een ondernemer voorafgaand aan zijn emigratie niet zijn gehele onderneming maar slechts een aantal vermogensbestanddelen daarvan naar het buitenland verplaatste, er niet hoefde te worden afgerekend. Doordat een deel van de Nederlandse onderneming achterbleef werd dit namelijk een vaste inrichting en derhalve werd er niet gestopt met het genieten van winst in Nederland. Het resultaat hiervan was dat de vermogensbestanddelen die wel werden overgebracht mogelijk geruisloos konden worden overgebracht.

Omdat het huidige artikel al in werking treedt wanneer er vermogensbestanddelen of een gedeelte van de onderneming wordt overgebracht naar het buitenland is het bovenstaande probleem uit de wereld geholpen. Om te worden geconfronteerd met art. 3.60 moeten er worden voldaan aan twee eisen, namelijk:


  • er moeten vermogensbestanddelen worden overgebracht naar een in het buitenland gedreven onderneming waaruit de belastingplichtige winst geniet; en

  • de belastingplichtige moet ophouden binnenlands belastingplichtig te zijn.

Voor de eerst eis geldt dat de bestanddelen zowel materieel en immaterieel mogen zijn en dat zij ondernemingsvermogen moeten zijn of dat deze als ondernemingsvermogen worden gezien indien het keuzevermogen is. Het behalen van winst moet worden bepaald aan de hand van Nederlandse maatstaven. De tweede eis houdt in dat heffing pas optreedt op het moment dat de belastingplichtige emigreert. Dit kan een aantal jaar zijn nadat de vermogensbestanddelen zijn overgebracht. Ook zorgt deze eis ervoor dat bij overlijden voor emigratie, maar na overbrenging van de vermogensbestanddelen naar het buitenland, alsnog heffing kan plaatsvinden.


De nieuwe bepaling stuitte echter ook op kritiek. Kemmeren13 stelt dat hij het twijfelachtig acht dat art. 3.60 IB alleen ter verduidelijking is. Onder de oude bepaling hoefde immers alleen te worden afgerekend wanneer er geen belastbare winst meer werd genoten uit een Nederlandse onderneming. De huidige bepaling stelt dat er sprake is van afrekening wanneer iemand ophoudt binnenlands belastingplichtig te zijn. Dit heeft tot gevolg dat wanneer een persoon emigreert, maar zijn onderneming in Nederland blijft drijven d.m.v een vaste inrichting, hij of zij wordt geconfronteerd met een afrekening waar dit eerst niet zo was. Ik ben het met Kemmeren eens dat hierdoor in principe, naast art 3.61 IB, een nieuwe exit-heffing is ontstaan. Desondanks is deze nieuwe exit-heffing mijns inziens wel nodig om het heffingslek te kunnen dichten waarvan mogelijk nog wel sprake was onder het oude art. 16. Doordat beide regelingen daardoor van elkaar afwijken, zal ik in mijn onderzoek, waar nodig, apart aandacht besteden aan art. 3.60 en art. 3.61 IB.
§ 1.2.2 Eindafrekening (art 3.61 IB)

Art 3.61 IB is een vangnet-bepaling die is opgenomen om te zorgen dat wanneer de overige eindheffingsbepalingen14 niet van toepassing zijn Nederland alsnog een aanknopingspunt heeft om te kunnen heffen. Doordat deze bepaling er in ieder geval voor moet zorgen dat heffing aan Nederland toekomt, is deze ook zeer ruim geformuleerd. Er moet al worden afgerekend wanneer een persoon in Nederland stopt met het genieten van winst uit onderneming. Door deze bewoording te kiezen kan de eindafrekening van toepassing zijn bij zowel een staking als niet-staking.15 De in aanmerking te nemen winst is de waarde in het economische verkeer van de onderneming minus de boekwaarde van de onderneming. Hierbij moet rekening worden gehouden met eventuele stakingfaciliteiten en een mogelijke desinvesteringsbijtelling. In het licht van deze scriptie is deze bepaling o.a. van toepassing wanneer een ondernemer zijn gehele onderneming overbrengt naar het buitenland en vervolgens emigreert.


§ 1.2.3 Exit-heffing in de aanmerkelijk belangsfeer

Wanneer een natuurlijk persoon, kort gezegd, meer dan vijf procent van de aandelen16 in een vennootschap bezit is er sprake van een AB. De voordelen die een DGA uit zijn AB kan ontvangen zijn o.a. dividend en de waarde van de aandelen in het economische verkeer minus de verkrijgingsprijs in het geval van vervreemding van de aandelen. In het AB speelt hetzelfde probleem als bij de exit-heffingen voor ondernemers en ondernemingen. Nederland kan in geval van emigratie niet heffen, doordat er nog geen belastbaar feit heeft plaatsgevonden en na de emigratie heeft Nederland geen heffingsrecht meer.17 Om te zorgen dat er geen heffingslek ontstond is er een fictie in de wet opgenomen.18 Deze fictie houdt in dat wordt gedaan alsof vlak voor het moment van emigratie de AB-aandelen zijn vervreemd tegen de waarde in het economische verkeer. De persoon krijgt vervolgens een conserverende aanslag over de meerwaarde van zijn aandelen. Voor de conserverende aanslag kan vervolgens renteloos uitstel van tien jaar worden gevraagd en wanneer de aandelen na tien jaar nog niet zijn vervreemd wordt de aanslag kwijtgescholden.


Doordat de exit-heffing in de winstsfeer en de AB-sfeer veel op elkaar lijken, werd er ook van de exit-heffing in de AB-sfeer afgevraagd of deze in strijd was met het EG-recht en verschillende belastingverdragen. Anders dan over de exit-heffingen in de winstsfeer is echter over de exit-heffingen in de AB-sfeer op zowel het gebied van EG-recht als overeenstemming met de bilaterale verdragen reeds beslist door het Hof van Justitie EG (hierna: HvJ EG) en de Hoge Raad. Doordat de gebruikte onderbouwing van de verschillende uitspraken mogelijk ook kan worden gebruikt voor de beantwoording van de probleemstelling van deze scriptie zullen zij hieronder worden behandeld.19
In het N-arrest20 verhuisde een Nederlandse AB-houder naar het Verenigd Koninkrijk. Omdat N emigreerde werd er een conserverende aanslag opgelegd. Om uitstel van betaling te krijgen moest N vervolgens zekerheidstellen. Dit deed N d.m.v. het verlenen van een pandrecht op de aandelen van zijn BV’s die gevestigd waren op de Nederlandse Antillen. De Nederlandse regeling bleek op een tweetal punten strijdig te zijn met het EG-verdrag:

  • De zekerheidstelling om uitstel van betaling te kunnen krijgen; en

  • na het opleggen van de conserverende aanslag werd er geen rekening meer gehouden met eventuele waardedalingen van de aandelen.

Wanneer deze twee onrechtvaardigheden werden weggenomen was de regeling op basis van het fiscale territorialiteitsbeginsel niet in strijd met het EG-verdrag. Doordat naar aanleiding van het De Lasteyrie du Saillant-arrest21 de wetgever al reeds deze aanpassingen had gemaakt in de invorderingswet leek de Nederlandse regeling omtrent exit-heffingen in het AB niet in strijd met EG-recht. Dit werd bevestigd door de Hoge Raad in de februari-arresten.22
In diezelfde arresten werd ook beslist over de mogelijke strijdigheid van de exit-heffing in de AB-sfeer met afgesloten belastingverdragen. In deze arresten bepaalde de Hoge Raad dat doordat er wordt geheven op het moment van binnenlandse belastingplicht er geen toegang is tot een verdrag ter voorkoming van dubbele belasting. Vervolgens kon het volgens de Hoge Raad wel zo zijn dat Nederland in strijd handelde met de goede verdragstrouw doordat het de heffing over de winst uit AB naar zich toe trok, terwijl dit volgens de afgesloten verdragen niet aan Nederland was toegekend. De Hoge Raad besliste hier echter dat, doordat Nederland bij het ontstaan van de onderneming de vermogensbestanddelen waardeert tegen de waarde in het economische verkeer, de waardestijging werd belast die was ontstaan tijdens de periode van binnenlandse belastingplicht. De conserverende aanslag was daarom niet opgelegd over inkomen dat werkelijk ter heffing was toegewezen aan het andere land en daarmee werd niet in strijd gehandeld met de goede verdragstrouw.

De exit-heffing in de AB-sfeer is zowel op het gebied van de verschillende belastingverdragen als het EG-verdrag niet strijdig gebleken en wellicht zijn de verschillende overwegingen die aan deze beslissingen ten grondslag hebben gelegen ook bruikbaar bij het beantwoorden van mijn probleemstelling.


§ 1.3 Exit-heffingen voor lichamen

Zoals al eerder besproken in de inleiding van hoofdstuk 1 bestaan er ook exit-heffingen voor de verschillende rechtspersonen binnen Nederland. Deze zijn vormgegeven in art. 15c en 15d van de Wet VPB 1969. De beginselen en de systematiek van de exit-heffingen in de VPB zijn in grote lijnen te vergelijken met die van de IB. Ondanks dat zal in de eerste subparagraaf de systematiek en de beginselen rond de exit-heffing in de VPB kort worden besproken. Vervolgens zullen in de volgende twee subparagrafen de beide artikelen omtrent de exit-heffing apart worden besproken.


§ 1.3.1 Beginselen en systematiek in de VPB

De subjectieve belastingplicht in de VPB wordt bepaald in art. 2 en 3 VPB. Wanneer een lichaam in Nederland is gevestigd of niet in Nederland is gevestigd, maar wel inkomen uit Nederland geniet heeft Nederland een aanknopingspunt om te kunnen heffen over de winsten van de verschillende belastingplichtigen in de Wet VPB. Om te kunnen bepalen of een lichaam is gevestigd in Nederland moet worden gekeken naar de plaats van de feitelijke leiding, d.w.z. de plaats waar het werkelijke bestuur van de onderneming zich bevindt.23


Na het bepalen van mogelijke subjectieve belastingplicht is de systematiek rond het belastingobject in grote lijnen hetzelfde als bij de IB. De winst in de VPB wordt ook mede bepaald door goedkoopmansgebruik en ook hierbij is het realisatiebeginsel weer leidend. Hierdoor ontstaat bij emigratie hetzelfde probleem: er is geen aanknopingspunt meer om te heffen en door de werking van het realisatiebeginsel heeft Nederland op een eerder tijdstip ook nog niet kunnen heffen over de stille reserves en goodwill. Om te zorgen dat de claim niet verloren gaat zijn daarom art. 15c en art. 15d VPB in de wet opgenomen.
§ 1.3.2 Overbrenging van vermogensbestanddelen naar het buitenland (art. 15c VPB)

Deze exit-heffing komt in grote mate overeen met die van art. 3.60 IB. Het artikel houdt in dat wanneer een lichaam niet meer feitelijk in Nederland is gevestigd of geen inwoner van Nederland meer is voor de werking van een belastingverdrag of de Belastingregeling voor het Koninkrijk (hierna: BRK) er moet worden afgerekend over de meerwaarde van vermogensbestanddelen die op dat moment of al eerder zijn overgebracht naar het nieuwe vestigingsland van het lichaam. Voor toepassing van dit artikel moet er dus cumulatief sprake zijn van het volgende:



  • er moeten vermogensbestanddelen vanuit Nederland worden overgebracht naar het buitenland; en

  • de werkelijke leiding moet worden verplaatst vanuit Nederland naar het buitenland.

Wanneer vermogensbestanddelen worden overgebracht naar het buitenland, maar de feitelijke leiding van het lichaam blijft in Nederland, hoeft er derhalve nog niet te worden afgerekend. Wanneer de vermogensbestanddelen tot een vaste inrichting in het buitenland gaan behoren, zal er bij verplaatsing van de feitelijke leiding in Nederland op grond van art. 15c worden afgerekend over de waarde in het economische verkeer minus de boekwaarde van de vermogensbestanddelen in Nederland.24 Vervolgens wordt waarschijnlijk een deel van die winst vrijgesteld, omdat deze is toe te rekenen aan de waardeaangroei in de periode dat de vermogensbestanddelen zich in het buitenland bevinden.25


Het artikel wordt, in het licht van deze scriptie, bijv. van toepassing wanneer een naar Nederlands recht opgericht lichaam zijn feitelijke leiding verplaatst naar het buitenland of wanneer een naar buitenlands recht opgericht lichaam, dat de feitelijke leiding in Nederland had, zich in het buitenland gaat vestigen. In het eerste geval is art. 15c nodig, omdat de heffingsbevoegdheid over verschillende inkomensbronnen uit de onderneming aan verschillende staten is toegewezen. Als er vervolgens over een deel van de vermogensbestanddelen mag worden geheven door Nederland en een deel door een ander land, houdt het lichaam niet op belastbare winst in Nederland te genieten en dus is art. 15d niet van toepassing. Om te zorgen dat Nederland in dat geval toch belasting kan heffen is art. 15c in de wet opgenomen. Het maakt niet uit of de werkelijke leiding wordt verplaatst naar een land waarmee Nederland een verdrag heeft afgesloten. In beide gevallen zal het lichaam door de fictie van art. 2 lid 4 VPB binnenlands belastingplichtig blijven. Wanneer echter de feitelijke leiding verplaatst wordt naar een land waarmee Nederland een verdrag heeft, zal het heffingsrecht veelal door werking van het verdrag ter voorkoming van dubbele belasting toekomen aan het andere land.

In het tweede geval speelt ongeveer hetzelfde. Wanneer de feitelijke leiding is verplaatst naar het buitenland kan het zijn dat er d.m.v een vaste inrichting winst blijft worden genoten uit Nederland. In dat geval zou art. 15d geen toepassing vinden en daarmee zou Nederland haar claim verliezen. Ook in dat geval geeft art. 15c Nederland toch de mogelijkheid om te kunnen heffen over de stille reserves.


In art. 15c. lid 2 wordt gesteld dat het eerste lid ook van toepassing is wanneer een gevoegde dochter van een fiscale eenheid aan de twee eerder genoemde voorwaarde voldoet.26


  1   2   3   4   5   6   7


De database wordt beschermd door het auteursrecht ©opleid.info 2017
stuur bericht

    Hoofdpagina