Erasmus Universiteit Rotterdam



Dovnload 1 Mb.
Pagina1/19
Datum22.07.2016
Grootte1 Mb.
  1   2   3   4   5   6   7   8   9   ...   19


Faculteit der Historische en

Kunstwetenschappen

Erasmus Universiteit Rotterdam
MA Thesis Media & Journalistiek
Door Astrid Boonstoppel

  • 272044

  • astridboonstoppel@hotmail.com

Begeleider drs. A.L. Peeters

Tweede lezer dr. H.J.C.J. Hitters
Augustus 2009



Co Adriaanse, door Siegfried Woldhek, 2000
scorebordjournalistiek?

Journalistieke objectiviteit, emotionalisering en chauvinisme in de Nederlandse voetbalverslaggeving


De pen krast.

De pen krast: wat een hel!

Zal hier nu nooit een eind aan komen? –

Ik pak de inktpot, en beschrijf het vel

Met massa’s inkt in dikke stromen.

Het loopt gesmeerd, breeduit en vol!

Alles lukt opeens in dit bedrijf!

De leesbaarheid, dat wel, betaalt de tol –

Maar och… wie leest nu, wat ik schrijf?
Friedrich Nietzsche, De vrolijke wetenschap (vert.), 1882

Dank

Allereerst gaat mijn dank uit naar de geweldige mannen van Infostrada Sports: Philip Hennemann en Erik Kleinpenning. Zij mailden direct hun antwoorden op al mijn vragen en waren zo aardig mij de benodigde wedstrijdstatistieken toe te sturen.

Tevens dank aan mijn begeleider, Allerd Peeters, die zo vriendelijk was om te lezen wat ik schreef.

Speciale dank gaat uit naar Laura, mijn medecodeur en Excel koningin.

Verder natuurlijk mijn ouders, Daphne, Nadine, Monique, Eva, Roos en Pieter Erik: dank voor de mentale bijstand tijdens het lange schrijfproces. Maken jullie je maar geen zorgen, jullie hoeven niet te lezen wat ik heb geschreven…

Astrid Boonstoppel, augustus 2009

Inhoud

Hoofdstuk 1 – Inleiding 1

Paragraaf 1.1 Sportjournalistiek en objectiviteit 2

Paragraaf 1.2 Voetbal in Nederland 7

Paragraaf 1.3 Dagbladen in Nederland 9

Paragraaf 1.4 Sport in de Nederlandse dagbladen 15

Paragraaf 1.5 De sportjournalist 20

Paragraaf 1.6 De ‘falende’ sportjournalistiek 22

Paragraaf 1.7 Kwaliteitsbeoordeling in voetbal 24

Paragraaf 1.8 Invloeden van binnen- en buitenaf op de journalist 26

Paragraaf 1.9 Probleemstelling en onderzoeksvragen 29



Hoofdstuk 2 – Methode 32

Paragraaf 2.1 Onderzoekseenheden 32

Paragraaf 2.2 Codeboek doelpunten 35

Paragraaf 2.3 Codeboek spelers 35

Paragraaf 2.4 Codeboek artikelen en koppen 36

Paragraaf 2.5 Het vaststellen van de ‘objectieve’ spelkwaliteit 39

Paragraaf 2.6 Gegevens wedstrijden, spelers en clubs 41

Hoofdstuk 3 – Resultaten 42

Paragraaf 3.1 Intercodeursbetrouwbaarheid 42

Paragraaf 3.2 Resultaten ‘objectieve’ spelkwaliteit 42

Paragraaf 3.3 Resultaten doelpunten 46

Paragraaf 3.4 Resultaten spelers 56

Paragraaf 3.5 Resultaten emoties in koppen 63

Paragraaf 3.6 Resultaten inhoud koppen en wedstrijdverslagen 69

Paragraaf 3.7 Resultaten objectiviteit 71

Paragraaf 3.8 Resultaten chauvinisme 78

Paragraaf 3.9 Resultaten scorebordjournalistiek 79



Hoofdstuk 4 – Conclusies en aanbevelingen 85

Paragraaf 4.1 Evaluatie onderzoek en aanbevelingen 87

Paragraaf 4.2 Eindconclusie: scorebordjournalistiek? 88

Bronnen 89

Bijlagen 92

Bijlage A – Geanalyseerde krantenartikelen 92

Bijlage B – Geanalyseerde wedstrijden 106

Bijlage C – Codeboek doelpunten 108

Bijlage D – Codeboek spelers 109

Bijlage E – Codeboek artikelen 110

Bijlage F – Voorbeeld invulformulier ‘Doelpunten’ 114

Bijlage G – Voorbeeld invulformulier ‘Spelers’ 117

Bijlage H – Voorbeeld invulformulier ‘Artikelen 119

Hoofdstuk 1 – Inleiding

Vrijwel elke Nederlandse krant heeft tegenwoordig sportjournalisten in dienst die verslag doen van sportevenementen en –wedstrijden. Toch wordt de sportjournalistiek door de ‘serieuzere’ journalisten niet altijd even serieus genomen. ‘Als je niets kan, kun je altijd nog sportjournalist worden’, schijnt een Volkskrantredacteur ooit gezegd te hebben (Van Zoonen, 2002).Verschillende vooroordelen heersen over de sportjournalistiek. Zo zou de sportjournalistiek chauvinistisch zijn en minder objectief dan de ‘echte’ journalistiek. Ook wordt wel gezegd dat sportjournalisten, omdat sport nauw verbonden is met emotie en beleving, emotionelere bewoordingen gebruiken in hun artikelen dan serieuze journalisten (Beunders, 2002).

Co Adriaanse, in 2003 trainer van de Alkmaarse eredivisievoetbalclub AZ, zei na een door AZ met 5-1 verloren wedstrijd tegen Roda JC dat Nederlandse sportjournalisten ‘scorebordjournalistiek bedreven’, door alleen te willen praten over de uitslag van de wedstrijd en niet over de kwaliteit van het door AZ gespeelde spel (Holland, 2008). De zogenaamde ‘scorebordjournalistiek’ zag Adriaanse als symptoom van een groter probleem, namelijk het vermeende ‘falen’ van de sportjournalistiek in Nederland.

Dit onderzoek richt zich op de vooroordelen die de positie van de sportjournalistiek ondermijnen. Is er in de Nederlandse sportjournalistiek inderdaad sprake van chauvinisme? Wordt er in de sportjournalistiek gebruik gemaakt van emotionele(re) bewoordingen? En in hoeverre is er sprake van een gebrek aan objectiviteit in de sportverslaggeving?

Omdat voetbal in Nederland van oudsher de sport is die het meest wordt beoefend en nog steeds de populairste sport is van het land (CBS, 2008), richt dit onderzoek zich op de voetbalverslaggeving in Nederlandse kranten.

Onderzoek naar de vooroordelen die lijken te heersen over de sportjournalistiek is in Nederland nog niet eerder uitgevoerd. Dit onderzoek dient dan ook te worden gezien als een aanzet tot het bieden van meer inzicht in de inhoud van de Nederlandse schrijvende sportpers, met de voetbalverslaggeving in het bijzonder. De vraag of de Nederlandse sportpers terecht wordt gezien als vreemde eens binnen de journalistieke bijt staat hier centraal. De vermeende subjectiviteit, het chauvinisme en de emotionalisering van de Nederlandse voetbalpers wordt onderzocht, met als uitgangspunt de term ‘scorebordjournalistiek’.



Paragraaf 1.1 – Sportjournalistiek en objectiviteit

De sportjournalistiek is altijd gezien als buitenbeentje binnen het journalistieke veld. Want mag sportjournalistiek wel gezien worden als ‘echte’ journalistiek? En wat is dan precies ‘echte’ journalistiek? Waaraan dient de sportjournalistiek te voldoen om voor vol aangezien te worden? In deze paragraaf wordt antwoord gegeven op deze en andere vragen die betrekking hebben op journalistiek in het algemeen en de sportjournalistiek in het bijzonder.


1.1.1 - De journalistieke basiswaarden van nu: objectiviteit, waarheidsgetrouwheid en onafhankelijkheid

Nieuws vergaren en overbrengen, de wezenskenmerken van de journalistiek, zijn zo oud als de mensheid, stelt Kees Lunshof (1998). De journalistiek beantwoordt aan de constante behoefte van mensen om te weten wat er gebeurt. Deze nieuwsgierigheid is een sociaal zintuig en is noodzakelijk om als sociaal wezen te kunnen functioneren en geeft de burger bescherming tegen het onverwachte. De journalist heeft behalve de nieuwsbrengende ook een publieke rol. Alleen een (van de staat) onafhankelijke journalist kan de burgers feiten aandragen zodat deze kan kiezen uit verschillende (politiek-maatschappelijke) richtingen. Door deze publieke rol, maar ook als reactie op gebrek aan echte concurrentie en te veel onjuiste nieuwsverspreiding, zijn in de loop van de tijd de eisen aan het journalistieke vak verzwaard, zegt Lunshof. Lunshof formuleert dan ook enkele basiswaarden waaraan elke journalist heden ten dage aan dient te voldoen.

Allereerst dienen nieuwsberichten zoveel mogelijk vrij te zijn van elke mening of vooringenomenheid. Journalistiek dient in de eerste plaats te gaan om het vergaren en overbrengen van feitelijk en objectief nieuws over gebeurtenissen in de samenleving. Commentaar leveren op het nieuws en het analyseren ervan komen op een tweede en derde plaats. Zorgen voor divertissement is een laatste rol van de journalist.

Lunshof beschrijft tevens de belangrijkste kritiekpunten op het doen en laten van de pers. Het belangrijkste kritiekpunt is het vermeende gebrek aan objectiviteit in de berichtgeving. Zowel rangschikking van feiten die tot vertekening kan leiden als woordkeuze zijn uitingen hiervan. Ook hebben journalisten hun eigen normen en waarden die de keuze van het nieuws en de manier van presenteren ervan kunnen beïnvloeden. Een tweede kritiekpunt is het feit dat er binnen de media teveel aandacht is voor het triviale, voor de sensatie, voor het incidentele, zegt Lunshof. Het verwijt dat nieuws wordt gemanipuleerd en ondergeschikt wordt gemaakt aan de belangen van het medium of belangengroeperingen die achter het medium staan, is een derde kritiekpunt. Het laatste veelgehoorde punt is het kennisniveau van de journalist. Volgens Lunshof zou onvoldoende opleiding, gebrek aan kennis van de Nederlandse taal, luiheid en gezapigheid leiden tot een gebrek aan exactheid. Een mogelijke verklaring voor dit laatste kritiekpunt zou de gebrekkige betaling van de journalist kunnen zijn. Vooral oudere journalisten zou het demotiveren, stelt Lunshof, dat zij jarenlang niet meer zullen verdienen wanneer zij eenmaal het eind van hun schaal hebben bereikt.


1.1.2 - Bestaat objectiviteit?

De filosoof Immanuel Kant (1724 – 1804) onderzocht in zijn drie grote Kritieken drie soorten van oordelen: empirische oordelen, morele oordelen en esthetische oordelen. Kant vraagt zich af hoe het überhaupt mogelijk is dat we een empirische, morele of esthetische ervaring hebben (Van den Braembussche, 2000). Hij verdiept zich in de relatie tussen onze kennis en de fysieke werkelijkheid. Dit doet hij omdat hij zicht wil krijgen op datgene wat wetenschappelijke kennis mogelijk maakt. Men gaat er altijd van uit dat wetenschappelijke kennis op empirische waarnemingen berust. Maar is onze waarneming wel zo passief? Hij stelt zichzelf de vraag of onze geest bij de waarneming slechts functioneert als een registreerapparaat waardoor zij de ‘werkelijkheid’ kopieert of simpelweg imiteert, of dat onze geest iets toevoegt aan de zintuiglijke indrukken die van buiten op ons afkomen. Kant komt tot de conclusie dat de geest altijd iets toevoegt aan de ‘werkelijkheid’. Allereerst wordt in elke zintuiglijke waarneming zowel de ruimte als de tijd a priori gegeven. Want, zegt hij, zonder ruimte en tijd is waarneming onmogelijk. Dus is het volgens Kant onmogelijk om het ding-op-zichzelf te kennen. De geest, het waarnemend subject, ordent vooraf de indruk (de fysieke werkelijkheid) die van buitenaf komt. Objectiviteit in de puurste zin van het woord, bestaat niet, zegt Kant.

De Franse filosoof en literair criticus Jacques Derrida (1930 – 2004) borduurde voort op deze gedachte van Kant. Hij was geïnteresseerd in de betekenis van teksten. Simpel gezegd, stelt Derrida dat het gesproken woord een onvolmaakte imitatie is van de fysieke werkelijkheid. Geschreven teksten, zegt Derrida, zijn weer een imitatie van de imitatie. De authentieke waarheid kan dus niet gevat worden in een geschreven tekst. Maar een journalist kan dit natuurlijk wel proberen…
1.1.3 - Objectiviteit in de journalistiek

In de jaren ’70 van de vorige eeuw verandert met de maatschappelijke ontwikkeling ook de opvatting van journalistieke ethiek, zegt Reinders (1998). ‘Objectiviteit’ wordt het nieuwe gebod in de journalistiek. Door het tanende gezag van traditionele gemeenschappen wordt ruimte gecreëerd voor een grotere pluriformiteit van normen en waarden. Deze normen en waarden worden gezien als ‘subjectief’ en met dit in het achterhoofd kunnen de media hun nieuwsvoorzienende rol alleen nog maar vervullen door het nieuws zo objectief mogelijk te brengen.

In de journalistiek is sprake van een nauwe relatie tussen de waarneming van feiten en hun interpretatie. Objectiviteit betekent precies hetzelfde wat het in de wetenschap ook betekent, zegt Reinders, namelijk controleerbaarheid volgens een algemeen aanvaarde standaard. Voor goede journalistiek geldt dat zij zich voor een objectieve weergave van het nieuws door de regel ‘wie, wat, waar, wanneer en waarom’ laat leiden. Dit betekent dat twee journalisten die getuige zijn van een belangrijke gebeurtenis en op hun horloge kijken om het tijdstip ervan vast te leggen, hetzelfde tijdstip waarnemen. Tijd en locatie behoren tot de vaste standaarden van objectieve berichtgeving, zegt Reinders. Hetzelfde geldt voor andere gegevens, zoals wie de betrokkenen zijn en van welke aard hun betrokkenheid is. Volgens Reinders valt er een vergelijking te trekken tussen de journalistiek en de wetenschap. De mogelijkheid van objectiviteit staat of valt niet met de vraag of en in welke mate journalistieke berichtgeving inderdaad objectief is, maar met de vraag of er algemeen aanvaarde standaards zijn om berichtgeving op haar objectiviteit te controleren, zegt hij. Toch is objectieve zakelijke berichtgeving maar een deel van het journalistieke werk. Interpretatie van het nieuwsfeit, het plaatsen in een context, is een ander deel. Dit onvermijdelijke deel van de journalistiek, kan zorgen voor verschillen in de berichtgeving. Reinders stelt dat de gedachte dat journalistieke objectiviteit onmogelijk is, niet waar is. Hij zegt dat juist de erkenning van de relatie tussen waarneming en interpretatie duidelijk maakt wat objectiviteit in een ‘open’ samenleving inhoudt. Volgens hem moet berichtgeving die zich laat controleren aan de hand van de regel ‘wie, wat, waar, wanneer en waarom’ gezien worden als objectief, wanneer er melding wordt gemaakt van uiteenlopende interpretaties van het op deze manier verkregen nieuws.

Mindich (1998) probeert het begrip ‘objectiviteit’ in de journalistiek te nuanceren. Hij stelt dat het moeilijk is om vast te stellen wat ‘objectiviteit’ nu precies inhoudt, terwijl deze term wel overal opduikt in journalistieke handboeken. Aan de hand van de geschiedenis van de term probeert hij zo nauwkeurig mogelijk het begrip ‘objectiviteit’ te construeren. Toch is de regel ‘wie, wat, waar, wanneer en waarom’ die Reinders formuleert ook in Mindich’s boek een rode draad. Hij stelt in zijn conclusie dat de objectiviteitseis in de journalistiek in het huidige klimaat waarin de nieuwe media de objectieve journalist bedreigt en er steeds minder kranten overleven opnieuw tevoorschijn moet komen. Objectiviteit in de journalistiek vindt Mindich net zo belangrijk als het bestaan van de journalistiek zelf, ook al pleit hij voor het vervangen van het woord ‘objectiviteit’ door woorden als ‘detachment’ en ‘nonpartisanship’ (onpartijdigheid).


1.1.4 - Waarheidsgetrouwheid in de journalistiek

Waarheidsgetrouwheid wordt gezien als de kwaliteit die journalisten ertoe brengt zich bij hun werk altijd te laten leiden door de regel ‘wie, wat, waar, wanneer en waarom’, zegt Reinders (1998). Onafhankelijkheid wordt gezien als de kwaliteit die journalisten ervan weerhoudt een bepaald wereldbeeld te willen propageren met uitsluiting van concurrerende wereldbeelden. Wanneer, zoals hierboven gesteld, de relatie tussen waarneming en interpretatie wordt erkend, lijkt dit uit te sluiten dat met betrekking tot de journalistiek over ‘de’ waarheid gesproken kan worden. Maar dit is niet alleen in de journalistiek, maar ook in bijvoorbeeld de natuurwetenschap het geval. Van geen enkele gebeurtenis kan zoiets als de definitieve, onweerlegbare waarheid worden vastgesteld, zegt Reinders. Toch kunnen berichten wel degelijk waar of onwaar zijn, ook als aan de regel ‘wie, wat, waar, wanneer en waarom’ is voldaan. Het draait dan niet om het feit dat deze vragen altijd eenduidig te beantwoorden zijn, maar dat de journalist deze vragen zo nauwkeurig mogelijk probeert te beantwoorden. De waarheidsgetrouwe journalist is volgens Reinders degene die zo nauwkeurig mogelijke feiten achterhaalt (die wellicht anders voor anderen onbekend zouden blijven). Waarheidsgetrouwheid heeft in die zin te maken met controleerbaarheid.


1.1.5 - Onafhankelijkheid in de journalistiek

Zoals gezegd berichten journalisten over gebeurtenissen vanuit een bepaalde kijk op de wereld. Pas wanneer journalisten dit doen met uitsluiting van andere wereldbeelden, zegt Reinders, komt de objectiviteit in het geding. Van onafhankelijke journalisten wordt verwacht dat zij de lezers de mogelijkheid bieden zich een beeld te vormen van wat er gaande is in de wereld en kennis te nemen van de verscheidenheid aan interpretaties en meningen. Door een breed spectrum van opvattingen en overtuigingen weer te geven dat uitdrukking geeft aan de pluriformiteit van wereldbeelden, zegt Reinders, dragen journalisten bij aan de publieke zaak van een ‘open’ democratische samenleving.


1.1.6 - Sportjournalistiek – non-objectief en chauvinistisch?

In de Nederlandse dagbladen wordt door journalisten verscheidene malen geschreven over het vermeende gebrek aan objectiviteit in de sportjournalistiek. Deze non-objectiviteit wordt vaak toegeschreven aan chauvinisme van de sportjournalist . Het gebrek aan het stellen van kritische vragen wordt gezien als teken aan de wand. Zo schrijft Paul Onkenhout in de Volkskrant in zijn column op 16 augustus 2008: ‘(…) als een journalist het in zijn hoofd haalt een paar kritische vragen te stellen aan een voetballer of bondscoach is de wereld te klein. (…) Misschien nog wel meer dan een EK of WK voetbal zijn de Olympische Spelen een parade van ongebreideld chauvinisme. En het moet wel een beetje gezellig blijven, dat is ook belangrijk.’ Chauvinisme viert hoogtij, zegt ook Guus van Holland van de sportredactie van het NRC Handelsblad in De Journalist op 18 september 2008. ‘Hoe objectief zijn sportverslaggevers nog? Dat valt vies tegen. (… ) Wanneer Oranje wint, heerst er euforie; wanneer Oranje verliest, heerst er diepe ontgoocheling – zoals het echte supporters betaamt.’

Voetbalsupporters zijn nu eenmaal chauvinistisch, zegt Kees Jansma, in 2004 journalistiek directeur van het televisiebedrijf WK-Produkties en journalist, in de Volkskrant (13 maart 2004): ‘Mensen willen ergens bijhoren. Velen hebben de kerkgang afgezworen, beschouwen de omroepvereniging als ouderwets en kiezen voor het clubgevoel in het voetbal. En het is puur chauvinisme.’ In het Parool (9 oktober 2004) zegt hij dat hij de zaak ‘…ook niet zal flessen, wat valt er trouwens te flessen in een televisiewereldje dat toch al sinds jaar en dag de journalistieke wetten der onafhankelijkheid aan de laars lapt?’ Televisieverslaggevers vindt hij ‘het vleesgeworden chauvinisme. Al is de krant natuurlijk ook niet objectief.’ Ivan Sonck, die twintig jaar lang verslaggever was van Sportweekend, het Vlaamse Studio Sport, hekelt de sportjournalistiek. Hij zegt op 6 september 1999 in het Algemeen Dagblad: ‘De sportverslaggeving verkleutert. [In het voetbalwereldje is] de humor op een niveau beland dat nauwelijks de kleuterklas ontstijgt en de spelers [hebben] vrijwel niets dan banaliteiten te melden.’ Ook vindt hij dat het in de voetbaljournalistiek te vaak gaat om randverschijnselen: ‘Vijfentwintig jaar geleden hielden wij op de redactie hartstochtelijke discussies over het 4-4-2 systeem. Dat komt bijna niet meer voor.’ Volgens Sonck zijn verslaggevers steeds meer geïnteresseerd in emotie, een tendens die ook Henri Beunders (2002) signaleert. Hij stelt in zijn boek ‘Publieke tranen. De drijfveren van de emotiecultuur’ dat emoties steeds meer overheersen in de Nederlandse sportjournalistiek. Guus van Holland zegt in De Journalist (2008) dat de voetbaljournalistiek ‘allerminst breed en internationaal georiënteerd [is], en [dat] deze vooral uitblinkt in kroegpraat over niks of niet-opgestelde Nederlandse spitsen. De sportjournalistiek doet weinig anders nog dan het opsommen van platitudes, het beschrijven van chauvinistische emoties en het optellen van Nederlandse successen. De sport in al zijn processen krijgt minder aandacht. Waar zijn de deskundige sportjournalisten, waar de zelfstandige, objectieve en kritische?’ Volgens Henk Hoijtink, verslaggever van Trouw, is het moeilijk een balans te vinden. ‘Natuurlijk is er meer werk aan de winkel als het elftal verder komt, maar het kan niet de bedoeling zijn dat de journalist alles door een oranje bril gaat zien.’ Hij wil, zegt hij in Trouw (17 juni 2006), gewoon zijn werk doen in alle nuchterheid zonder te hoeven nadenken over het patriottisch gehalte van zijn artikelen. ‘Het is al lastig genoeg je aan de druk van het “wij-gevoel” te onttrekken.’ Zijn collega Chris van Nijnatten van het Algemeen Dagblad zegt in ditzelfde artikel dat het een moreel dilemma is. ‘Wil je journalistiek scoren met het risico dat het elftal daardoor minder scoort. Deze weken liggen de media even in een spagaat en dat doet soms, bij de een wat meer dan de ander, zeer aan je journalistieke kruis.’

Chauvinisme in de sportjournalistiek wordt dus, ook door sportjournalisten zelf, ervaren als probleem. Hoewel het hier gaat om chauvinisme met betrekking tot het Nederlandse sportteam, is het voorstelbaar dat er sprake kan zijn van chauvinisme in de sportjournalistiek op een ander niveau. Chauvinisme zou bijvoorbeeld ook voor kunnen komen op het niveau van plaatselijke club of lokaal team.


1.1.7 - Emotie in de sportjournalistiek

Emoties die loskomen tijdens een sportevenement maken deel uit van de beleving van sport en zijn deels verantwoordelijk voor de charme van de sport. De basisemoties woede, angst, walging, verdriet, blijdschap en verbazing (Ekman, 1972) zijn vaak te zien tijdens een voetbalwedstrijd bij de sporters zelf en ook bij de toeschouwers.

Beunders (2002) stelt dat emotie steeds belangrijker wordt in de media. Sport is hiervan een goed voorbeeld, zegt hij. ‘Misschien wel de meest brede en blijvende bijdrage aan de emotionalisering van de samenleving leverden de spelshow en de sport. (…) de vreugdetranen van de overwinning, de smart van de nederlaag (…). En natuurlijk de spelshow die sport heet.’ In de jaren vijftig en zestig bleven de uitbarstingen van emoties beperkt, zegt Beunders. Maar de emoties in de media begonnen met de verloren WK-finale tegen West-Duitsland in 1974. ‘De emotionele reactie op dit verlies was in 1974 zelf uitermate curieus, van mythische omvang bijna, en eenmalig. (…) Voetbal zou de politiek als emotie vervangen, maar waar politiek de natie verdeelde, verenigde voetbal het volk, met collectieve vreugde of collectieve rouw tot gevolg.’ Beunders zegt dat de televisie en de commercie sindsdien de emotionalisering van de sport enorm hebben versterkt. ‘De media door de vraag “Wat ging er door je heen?” belangrijker te vinden dan de sportprestaties zelf. De commercie door de emotie over de sport te verbinden aan een bepaald product.’ De sportpers werkt deze emotionalisering enorm in de hand, zegt Beunders.

Emotionalisering in de Nederlandse sportpers is een trend. Of hiervan ook sprake is in de Nederlandse schrijvende sportpers en dit ook aangetoond kan worden, zal later blijken.


Paragraaf 1.2 – Voetbal in Nederland

Voetbal is in Nederland de belangrijkste en grootste volkssport (CBS, 2008) . Voetbal is de sport die in Nederland door de meeste mensen wordt beoefend, voetbalwedstrijden en –praatprogramma’s worden goed bekeken op televisie en wanneer een Nederlandse club of het Nederlands elftal een belangrijke wedstrijd te spelen heeft ligt het leven (grotendeels althans) plat. In deze paragraaf wordt een korte introductie gegeven van het eredivisie voetbal in Nederland en de eredivisie voetbalclubs die in dit onderzoek centraal staan.




1.2.1 - Eredivisievoetbal in Nederland

Sinds 1956 is de eredivisie de hoogste competitie in het betaalde (mannen-)voetbal in Nederland (alle informatie uit deze paragraaf is afkomstig van de officiële Eredivisie website www.eredivisie.nl, tenzij anders vermeld). In een seizoen dat loopt van augustus tot mei, met een winterstop van een maand in januari, spelen 18 eredivisie clubs om de titel van landskampioen. De winnaar van de eredivisie plaatst zich direct voor de Champions League, een Europese competitie waarin landskampioenen van verschillende landen strijden om de Champions League beker. Enkele lager geëindigde clubs kunnen zich ook plaatsen voor de Champions League en UEFA Cup. Hoeveel plaatsen er voor de Champions League en de UEFA Cup te vergeven zijn en op welke manier deze tickets te verkrijgen zijn, is aan veranderingen onderhevig, evenals andere zaken als het aantal clubs dat mee mag doen aan de eredivisie en namen van toernooien.


Play-offs

Welke clubs zich plaatsen voor (de voorronden van) de Champions League en de UEFA Cup en op welke manier dit gebeurt, is sinds seizoen 2005-2006 drastisch en meerdere malen veranderd. In dit nieuwe competitiemodel wordt de kampioen als altijd beloond met de schaal en een ticket in de Champions League. De nummer 2 moet echter tijdens de play-offs aantonen of zij in het “knock-out systeem”ook de baas zijn over de nummers 3 tot en met 5, om zodoende de voorronde voor de Champions League veilig te stellen. Ook de UEFA cup tickets worden verdeeld door middel van play-off wedstrijden.

In seizoen 2008-2009 is dit play-off systeem aangepast, waardoor de nummer 2 zich direct plaatst voor de voorronde van de Champions League. Nummers 3 en 4 uit de competitie plaatsen zich nu direct voor (voorronden van of play-offs van) de nieuwe Europa League. Ook nummers 5 tot en met 8 kunnen door middel van play-offs nog kans maken op een ticket in deze League.

Aangezien de veranderingen in het eredivisie voetbal systeem en het invoeren van play-offs in de laatste seizoenen zorgen voor grote verschillen tussen de seizoenen wat aantallen wedstrijden betreft, worden in dit onderzoek alleen de wedstrijden meegenomen die tijdens het reguliere seizoen zijn gespeeld.



  1   2   3   4   5   6   7   8   9   ...   19


De database wordt beschermd door het auteursrecht ©opleid.info 2017
stuur bericht

    Hoofdpagina