Erasmus Universiteit Rotterdam



Dovnload 400.69 Kb.
Pagina2/6
Datum22.07.2016
Grootte400.69 Kb.
1   2   3   4   5   6

3. Factoren van invloed op waarde van groeiopties

3.1 Inleiding

In deze paragraaf worden verschillende factoren besproken die van invloed kunnen zijn op de waarde van groeiopties. Er wordt onderscheid gemaakt tussen twee soorten factoren, namelijk bedrijfsspecifieke- en industrie factoren, die de waarde van groeiopties kunnen beïnvloeden. Verder worden deze twee factoren uitgebreid met een aantal specifieke factoren die een betere inzicht moeten verschaffen in de variabelen die optiewaarde creëren en de samenstelling van groeiopties beïnvloeden. De bedrijfsspecifieke variabelen die hier aan bod zullen komen zijn: volatiliteit, R&D investeringen, bedrijfsgrootte en kapitaalinvesteringen. Van de industriefactoren worden behandeld: markt risico (beta), marktconcentratie en internationale omzet, of te wel het aandeel van de omzet dat in het buitenland wordt gerealiseerd.

Kennis over de factoren die groeiopties creëren of de waarde van groeiopties beïnvloeden kan tot een meer optimale investeringsbeslissing leiden. Recent strategisch onderzoek heeft aangetoond dat groter inzicht in de oorsprong van de optiewaarde van een bedrijf de kennis over reële opties kan verbreden. Het is dan ook door verschillende auteurs bevestigd dat de aanwezigheid van groeiopties een belangrijke rol speelt in de bepaling en structuur van de investeringsbeslissingen (Dixit and Pindyck, 1994). Bovendien kan de aanwezigheid van groeiopties invloed hebben op de concurrentiepositie die men in overweging moet nemen bij de bepaling van strategische beslissingen. Als een bedrijf op de hoogte is van de factoren die de waarde van groeiopties beïnvloeden, is men beter in staat om het juiste beleid te volgen om de groei zo veel mogelijk te stimuleren.

Over het algemeen kan er worden gesproken van twee verschillende inzichten als het gaat om de factoren die de groeiopties van een bedrijf beïnvloeden. Enerzijds wordt er verondersteld dat groeiopties bedrijfsspecifiek zijn en dat hun waarde slechts wordt beïnvloed door unieke bedrijfskenmerken (Tong and Reuer, 2006). Aan de andere kant stelt men dat groeiopties belangrijke marktkarakteristieken hebben die we ook in overweging moeten nemen, of te wel: industrie factoren spelen ook een rol in de bepaling van de waarden van groeiopties (Kester 1993). In de paragraaf 3.2 en 3.3 worden de twee veronderstellingen nader beschouwd en worden de factoren besproken die bij deze veronderstellingen behoren. In paragraaf 3.4 zal uiteindelijk een algemene conclusie worden getrokken. In tabel 3 wordt alvast een overzicht gegeven van de bevindingen van verschillende auteurs over de factoren die groeiopties beïnvloeden. Daarnaast worden de hypothesen van dit onderzoek kort op een rijtje gezet.

Tabel 3 Overzicht: auteurs over factoren die de PVGO beïnvloeden




 

Bedrijfsspecifieke factoren

 

 

 

Variabelen

Auteurs

Onderzoek data + period

Resultaat (relatie PVGO)

Hypothese

R&D

Yangchun Chu (2007)

COMPUSTAT 1976-2004

Positief

Positieve relatie
















Volatiliteit

Grullon, Lyandres and Zdanov (2008)

COMPUSTAT 1964-2006

Positief

Positieve relatie

 

Graham (2002), Garmer (2002)




Negatief



















Bedrijfsgrootte

Pavitt & Vossen (1997)




Positief

Negatieve relat.

 

Long, Wald & Zhang (2002)

COMPUSTAT 1992&1997

Geen relatie



















Kapitaalinvestering

Christopher, Anderson & Luis Garcia (2004)

COMPUSTAT 1976-1999

Positief

Negatieve relat.

 

Dixit en Pindyck (1994)




Negatief




 

Long, Wald en Zhang (2002)

COMPUSTAT 1992&1997

Negatief




 













 

Industriefactoren

 

 

 

Marktrisico

Bernardo, Chowdhry and Goyal (2007)




Positief

Positieve relatie
















Marktconcentratie

Kalatilaka en Perotti (1998)




Positief

Positieve relatie

 

Lindenberg & Ross (1981)




Geen relatie




Internationaliteit

 







Positieve relatie

3.2 Bedrijfsspecifieke factoren

Zoals eerder aangegeven worden R&D intensiteit, volatiliteit, kapitaalinvesteringen en bedrijfsgrootte gehanteerd als bedrijfsspecifieke factoren die de waarde van groeiopties beïnvloeden. De samenstelling van groeiopties is verschillend per bedrijf . Ook is er een verschil in de manier waarop bedrijven met de beschikbare opties omgaan, zoals het opsporen en managen van de opties (McGrath, 1999). Daarom is de waarde van groeiopties vooral gerelateerd aan het unieke kenmerk van een bedrijf en is deze dus niet hetzelfde voor alle bedrijven (Amran and Kulatilaka, 1999). In de volgende vier subparagrafen zal een overzicht worden gegeven van bedrijfsspecifieke factoren die de waarde van groeiopties op verschillende manieren beïnvloeden.

In verschillende onderzoeken op het gebied van investering en strategie wordt een bedrijf ook wel eens voorgesteld als een portfolio van opties of investeringsmogelijkheden (Zingales, 2000). In dit geval representeert de optiewaarde van een portfolio alle waarden van de individuele opties binnen de portfolio. Op dit gebied kan er op twee punten onderscheid worden gemaakt tussen individuele bedrijfsverschillen (Tong and Reuer, 2006). Ten eerste kan worden opgemerkt dat de samenstelling van groeiopties tussen bedrijven varieert. Sommige opties zijn bijvoorbeeld beschikbaar voor een bedrijf, maar niet voor andere bedrijven. Hierdoor zal de samenstelling van opties (mogelijkheden) voor alle bedrijven verschillend zijn (Trigeorgis, 1996). Het ene bedrijf is bijvoorbeeld in staat om meer R&D investeringen te doen, waardoor men meer groeimogelijkheden heeft.

Ten tweede verschillen bedrijven in hun vermogen en beschikbare middelen om opties op te sporen en te benutten (McGrath, 1999; Miller and Shapira, 2004). Hier wordt verwezen naar het management en het vermogen (kennis en kapitaal) van een bedrijf. Daarom is de waarde van groeiopties vooral gerelateerd aan het bedrijf, waaronder het management, en is de waarde niet hetzelfde voor alle bedrijven (Amran and Kulatilaka, 1999). Het is dan ook van belang om te achterhalen welke rol deze bedrijfsspecifieke factoren spelen bij de bepaling van groeiopties.

3.2.1 Volatiliteit

Er wordt verondersteld dat er een positieve relatie bestaat tussen volatiliteit en de waarde van groeiopties. In dit onderzoek zullen respectievelijk de procentuele verandering van het netto inkomen en de standaard deviatie van aandelenprijzen worden gebruikt als een proxy voor de onderliggende volatiliteit. Er wordt van uitgegaan dat groeiopties een positieve invloed zullen hebben op aandelenprijzen van bedrijven. Deze positieve relatie wordt mede aangedreven door het effect van volatiliteit op de waarde van reële opties. De reële optietheorie veronderstelt dat de waarde van reële opties stijgt naarmate de volatiliteit van de onderliggende waarde groter wordt. De relatie tussen aandelenprijzen en volatiliteit van de onderliggende waarde zou dus sterker moeten zijn bij bedrijven met relatief meer reële opties.

Grullon, Lyandres en Zhdanov (2008) onderzochten de invloed van volatiliteit op aandelenwaarden en hebben aan de hand van de reële optietheorie gezocht naar een verklaring voor de relatie tussen deze twee factoren. Er werd nagegaan of de positieve relatie tussen de marktwaarden van aandelen en veranderingen in de volatiliteit wordt beïnvloed door het effect van volatiliteit op de waarde van reële opties. Dit werd getoetst door te meten of de marktwaarde van bedrijven met relatief veel reële opties gevoeliger is voor veranderingen in de volatiliteit dan bedrijven met relatief veel ‘assets in place’. Om te onderzoeken hoe de gevoeligheid van de marktwaarde voor veranderingen in de volatiliteit periodiek varieert, zijn ze nagegaan hoe deze gevoeligheid zich ontwikkeld als de bedrijfssamenstelling van groeiopties en ‘assets in place’ (door de tijd) verandert.

Grullon, Lyandres en Zhdanov vonden een positieve relatie tussen aandelenwaarden en de volatiliteit. Verder kwamen ze er achter dat reële opties een grote rol spelen in de verklaring van deze relatie: een stijging van de volatiliteit (in bedrijven met relatief veel reële opties) met 1% resulteert in een stijging van de marktwaarde met 2,5%. Bovendien kwamen ze tot de conclusie dat de gevoeligheid van de marktwaarde vlak voor het uitoefenen van reële opties stijgt als gevolg van veranderingen in de volatiliteit en sterk daalt nadat de opties zijn benut. Dit resultaat suggereert dat de positieve relatie tussen marktwaarden van aandelen en veranderingen in de volatiliteit wordt aangedreven door het effect van volatiliteit op de waarde van reële opties.

Vele auteurs veronderstellen dat volatiliteit hetzelfde effect heeft op reële opties als op financiële opties, of te wel dat de relatie van volatiliteit en reële opties altijd positief is. Graham (2002) schenkt aandacht aan de mogelijkheid dat volatiliteit de waarde van reële opties negatief kan beïnvloeden en schetst een mogelijkheid waarin volatiliteit waarde verlagend kan werken voor bedrijven met relatief veel groeiopties. Aan de hand van de standaard reële optietheorie laat hij zien dat de waarde van groeiopties (voornamelijk de zogenaamde ‘at the money’ en ‘in the money’ opties) kan dalen als de volatiliteit toeneemt. Dit is ook empirisch bewezen door Garmer et al. (2002) door een steekproef uit te voeren in de internet- en biotechindustrie.

In dit onderzoek wordt uitgegaan van de veronderstellingen in de reële optietheorie en bevindingen van vele auteurs als Grullon, Lyandres en Zhdanov . Er wordt dus uitgegaan van een positieve relatie tussen volatiliteit en reële opties. Als de waarde van reële opties stijgt naarmate de volatiliteit van de onderliggende waarde groter wordt, dan zou de relatie tussen de marktwaarden van aandelen en volatiliteit ook sterker moeten zijn bij bedrijven met relatief meer reële opties.

3.2.2 R&D-intensiteit

De waarde en de samenstelling van reële opties van een bedrijf is sterk gerelateerd aan de procedure waarmee proces- en productinnovaties tot stand komen, of te wel aan R&D investeringen. Men is dan al een tijd bekend met het feit dat R&D uitgaven bijdragen aan de innovatie van een bedrijf en dat R&D investeringen nieuwe technologie en kennis verschaffen en stimuleren. In 1942 werd door Schumpeter opgemerkt dat de basis voor de groei wordt gevormd door de ontwikkeling van nieuwe goederen, nieuwe productiemethoden, nieuwe markten en vernieuwde organisaties.

De algemene constatering is dat R&D investeringen sterk gerelateerd zijn aan de waarden van groeiopties die onderdeel vormen van marktwaarden van bedrijven. Dat wordt verklaard door het feit dat R&D uitgaven vaak deuren openen voor vervolginvesteringen in de toekomst, waardoor ze extra opties genereren (opties worden gevolgd door andere opties). Daarnaast zijn de effecten van R&D investeringen niet altijd makkelijk te observeren aangezien R&D investeringen vaak niet tot snelle resultaten leiden die direct zijn waar te nemen. Grote deel van de waarden van R&D investeringen moet vaak worden afgeleid van verwachte toekomstige resultaten die aan R&D investeringen kunnen worden gerelateerd. In dit onderzoek wordt aandacht besteed aan de invloed van R&D investeringen op de waarden van groeiopties evenals op markt waarden van bedrijven.

Aangenomen wordt dat R&D investeringen een positieve invloed hebben op de waarden van groeiopties en aandelenprijzen. Bedrijven met een hoge R&D-intensiteit hebben meer groeimogelijkheden (groeiopties). Deze groeiopties zullen een positieve invloed hebben op de marktwaarde van een bedrijf. Er wordt dus verondersteld dat bedrijven met hoge R&D-intensiteit een hogere verwachte waarde hebben dan bedrijven met lage R&D-intensiteit. R&D investeringen resulteren vaak in geavanceerde productietechnieken, die moeilijk te imiteren zijn door de concurrentie. R&D-intensieve bedrijven hebben daarom exclusieve toegang tot bepaalde groeiopties die de marktwaarde van een bedrijf positief beïnvloeden (Yangchun Chu 2007).

3.2.3 Bedrijfsgrootte

Verschillende auteurs hebben het bestaan van het zogenaamde size effect empirisch bewezen (onder andere Banz, 1981 en Fama and French, 1992). In hun artikelen maken ze duidelijk dat de grootte van een bedrijf een significante rol speelt bij de bepaling van de hoeveelheid groeiopties en/of de marktwaarde van bedrijven.

De verwachting is dat er een negatieve relatie bestaat tussen bedrijfsgrootte en de waarde van groeiopties. Er kan worden verondersteld dat kleine bedrijven flexibeler zijn bij hun investeringsbeslissingen dan grote bedrijven. In kleine bedrijven zijn over het algemeen minder bestuurders aanwezig, waardoor het management in staat is om sneller tot beslissingen te komen en zich eerder aan te passen aan technologische ontwikkelingen en verdere veranderingen binnen de markt. Deze flexibiliteit stimuleert de groeimogelijkheden en creëert dus waarde.

Aan de hand van deze argumentatie wordt er dus vanuit gegaan dat kleine bedrijven over het algemeen relatief meer groeiopties hebben dan grote bedrijven. De verwachting is dat de grote intensiteit van groeiopties binnen kleine bedrijven tot uiting komt in de verdeling van de projectopbrengsten en aandelenprijzen. De aandelenwaarden van kleine bedrijven zou een meer asymmetrische verdeling moeten vertonen, aangezien de projectopbrengsten van deze bedrijven ook asymmetrisch zijn verdeeld. Er wordt dus verondersteld dat kleine bedrijven eerder optiekarakteristieken vertonen dan grote bedrijven.

Daar tegenover constateerden Pavitt en Vossen (1997) dat kleine bedrijven relatief minder vaak participeren in R&D dan grote bedrijven. Dit is volgens hen ten dele te verklaren door de vaste entree kosten die benodigd zijn om R&D investeringen te doen en die vaak mogelijk te hoog zijn voor veel kleine bedrijven. Aangezien grote bedrijven eerder deelnemen aan R&D zijn ze innovatiever dan kleine bedrijven. Dat komt volgens hen doordat toekomstige verhoudingen tussen opbrengsten en risico voor grote bedrijven gunstiger zijn waardoor ze ook een betere concurrentiepositie hebben dan kleine bedrijven. Zij wijzen wel op het feit dat kleine bedrijven die wel aan R&D deelnemen over het algemeen een hogere R&D-intensiteit hebben, wat dan weer zou moeten duiden dat deze bedrijven efficiënter en innovatiever zijn dan de grote bedrijven.

3.2.4 Kapitaalinvesteringen

Kapitaalinvesteringen spelen een rol in de bepaling van een aantal bedrijfsspecifieke factoren, die op hun beurt invloed uitoefenen op de waarden van groeiopties. In hun artikel concluderen Christopher, Anderson and Luis Garcia (2004) dat bedrijfsspecifieke kenmerken als de bedrijfsgrootte en book to market ratio worden gevormd door kapitaalinvesteringen in het verleden. Ze stellen dat bedrijven gekenmerkt als groeiondernemingen (bedrijven met relatief veel groeiopties, dus een lage book to market waarde), een significante stijging tonen in de kapitaalinvesteringen in het voorgaande jaar. Door investeringen in winstgevende projecten stijgt namelijk de marktwaarde meer dan de boekwaarde, waardoor de book to market ratio zal dalen. Bedrijven met relatief veel assets in place hebben daarentegen een afname van kapitaalinvesteringen in het afgelopen jaar, waardoor de book to market ratio is gestegen. Dat staat tegenover de reële optietheorie en de resultaten van Dixit en Pindyck (1994) en Long, Wald en Zhang (2002) die veronderstellen dat bedrijven met relatief veel groeiopties in tijden van onzekerheid juist investeringen uitstellen. Dit uitstel zal mogelijk de waarde van groeiopties verder laten stijgen.

In tegenstelling tot de reële optietheorie veronderstellen Kalatilaka en Perotti dat een grotere onzekerheid niet altijd hoeft te leiden tot het uitstellen van investeringen. In de reële optietheorie gaat men uit van een perfecte markt, waarin wordt verondersteld dat bij grotere onzekerheid de investeringen altijd zullen worden uitgesteld. Kalatilaka en Perotti zijn juist van mening dat grotere onzekerheid ook nieuwe mogelijkheden met zich mee brengt, waardoor men extra geprikkeld is om de investeringen te doen die een voorsprong kunnen verschaffen ten opzichte van de concurrenten. Ze gaan niet uit van een perfecte maar een oligopolistische markt, waarin investeringsbeslissingen bepalend zijn voor de marktpositie van een bedrijf. Op deze manier kan meer onzekerheid juist de investeringen stimuleren, om zo de concurrentiepositie vast te houden of uit te breiden.

Kapitaalinvesteringen hebben invloed op de samenstelling van groeiopties en assets in place. Deze samenstelling heeft gevolgen voor de marktwaarden van aandelen. Berk, Green and Naik (1999) demonstreerden aan de hand van een model dat het verwachte rendement wordt bepaald door het gemiddelde risico van de assets in place en door de hoeveelheid groeiopties van een bedrijf. Verder stelden zij dat de relatieve hoeveelheid van de assets in place en hoeveelheid groeiopties door de tijd verandert door veranderingen in de investeringsbeslissing van het management. Deze verandering heeft tot gevolg dat het risico van de aandelen ook mee verandert.

Verder dient de bijzondere verhouding tussen kapitaalinvesteringen en R&D uitgaven nader bekeken te worden. Er zijn een aantal overeenkomsten tussen kapitaalinvesteringen en R&D uitgaven. Ze dragen namelijk beiden bij aan de opbrengsten (earnings) van een bedrijf (Lev and Sougiannis, 1996) en aankondigingen van zowel kapitaalinvesteringen als R&D uitgaven hebben een positieve invloed op het rendement. Sommige auteurs zijn zelfs van mening dat R&D uitgaven in wezen kapitaalinvesteringen zijn en dus gekapitaliseerd moeten worden en niet als kostenpost worden beschouwd.

Hoewel er een aantal duidelijke overeenkomsten zijn hebben kapitaalinvesteringen en R&D uitgaven beiden verschillende uitwerkingen op aandelenrendementen. Titman, Wei en Xie (2004) constateerden bijvoorbeeld een negatieve relatie tussen kapitaalinvesteringen en aandelenrendementen. Anderson en Feijoo (2005) kwamen tot dezelfde conclusie, die wel met een andere verklaring kwamen dan Titman, Wei en Xie. De conclusie van Titman, Wei en Xie werd verklaard aan de hand van overinvesteringprobleem (managers hebben de neiging om te veel te investeren) en markt inefficiëntie (investeerders die vervolgens het overinvesteringprobleem onderschatten). Anderson en Feijoo veronderstellen daarentegen dat kapitaalinvesteringen de risicovolle groeiopties uitoefenen waarna het bedrijfsrisico en dus de rendementen zullen dalen.

Al met al wordt in dit onderzoek aangenomen dat kapitaalinvesteringen een negatieve invloed hebben op de waarde van groeiopties. De veronderstelling is dat een kapitaalinvestering gelijk staat aan het uitoefenen van groeiopties. Als groeiopties zijn uitgeoefend neemt de waarde van deze opties ook af.
3.3 Industriefactoren
Een ander zienswijze is dat groeiopties beschikbaar zijn voor alle bedrijven die binnen dezelfde industrie opereren waardoor de samenstelling van de opties overeenkomsten zal vertonen (Kester, 1993; Trigeorgis, 1996). Bovendien kunnen de omstandigheden binnen de industrie effect hebben op de waarde van de groeiopties. Marktomstandigheden kunnen namelijk invloed uitoefenen op de onzekerheid binnen de industrie en kunnen gevolgen hebben op de manier waarop men met de beschikbare opties omgaat.

Industriefactoren zouden dus in overweging moeten worden genomen bij de bepaling van de waarden van groeiopties. Bij reële opties speelt (in tegenstelling tot financiële opties) een aantal factoren een rol die de waarden van de opties aanzienlijk kunnen beïnvloeden. Zo zijn de investeringsuitgaven bijvoorbeeld afhankelijk van onderhandelingen en de concurrentiepositie van een bedrijf. Dit geeft aan dat de waarden van groeiopties marktafhankelijk zijn en dat industrie-effecten een belangrijke rol spelen.

Industrie-effecten zijn belangrijk om verschillende redenen. Als concurrerende bedrijven dezelfde opties met elkaar delen, ontstaan er gezamenlijke groeiopties. De overeenkomsten in de optiesamenstellingen zijn gerelateerd aan investeringsmogelijkheden die deze bedrijven gezamenlijk hebben (Myers, 1977). In dit geval delen bedrijven binnen een bepaalde industrie dezelfde groeiopties. Aan de andere kant is het ook mogelijk dat de groeiopties van een bedrijf negatief worden beïnvloed door een handeling van de concurrentie. Een bedrijf kan door het uitoefenen van bepaalde opties, de investeringsmogelijkheid van de concurrentie verkleinen. Hierdoor kan de mate van concurrentie invloed hebben op de investeringsbeslissingen van bedrijven in dezelfde industrie.

Verder kunnen omstandigheden binnen een markt/industrie invloed hebben op groeiopties van bedrijven. Onzekerheid over de toekomstige marktconditie bepaalt bijvoorbeeld in hoeverre investeringen worden doorgevoerd. Wat invloed heeft op de toekomstige bedrijfsinvesteringen die gevolgen hebben voor de groeiopties van bedrijven (Pindyck, 1988)1.

Er is een duidelijk verschil tussen industrieën met relatief veel groeiopties (groeimogelijkheden) en industrieën waarin de waarden van bedrijven voornamelijk bestaat uit assets in place. Reële opties zijn vooral aanwezig in industrieën die dynamisch en innovatief zijn. Bedrijven binnen deze industrieën hebben veel groeimogelijkheden en worden gekenmerkt door hoge volatiliteit en discontinuïteit van de opbrengsten en aandelenprijzen. Industrieën die stabiel zijn hebben daarentegen minder groeiopties en een lage volatiliteit; hierdoor zijn de opbrengsten en aandelenprijzen redelijk voorspelbaar. In de volgende drie subparagrafen wordt er een beknopte overzicht gegeven van essentiële industriefactoren die de waarde van groeiopties beïnvloeden.

3.3.1 Marktrisico

De relatie tussen het marktrisico (bèta) en de waarde van groeiopties is in de literatuur vaak aan bod geweest. De meeste auteurs veronderstellen dat bedrijven met relatief veel groeiopties over het algemeen gekenmerkt zijn door een hogere bèta.

De hypothese, in dit onderzoek, is dat er een positieve verhouding is tussen het marktrisico en de waarde van groeiopties. Bernardo, Chowdhry and Goyal (2007) demonstreren aan de hand van een empirisch onderzoek dat groeiopties belangrijke determinanten zijn van de bèta. Zij constateerden dat bedrijven met relatief veel groeiopties een hogere bèta vertonen dan bedrijven met relatief veel assets in place. Deze bedrijven hebben een hoger risico aangezien de verwachte cashflows verkregen aan de hand van groeiopties meer onzekerheid met zich meebrengen dan de verwachte cashflows van de assets in place.

Verder wordt aangenomen dat de marktrisico meer invloed zal hebben op de marktwaarde van bedrijven met relatief veel groeiopties dan bedrijven met relatief veel assets in place. Campbell and Mei (1993) stellen dat bèta’s een duidelijke verklaring geven voor de variatie van het gemiddelde verwachte rendement van bedrijven. Daaropvolgend stellen Dechow, Sloan and Soliman (2004) dat de verklaring van de bèta op de variatie van het gemiddelde verwachte rendement groter zal zijn voor bedrijven met relatief meer groeiopties. De cashflows van groeiopties worden namelijk over een langere periode, verder in de toekomst, gerealiseerd dan de cashflows van assets in place, waardoor ze gevoeliger zijn voor de ontwikkelingen op de markt (bijvoorbeeld voor de verandering van de rentevoet).

3.3.2 Marktconcentratie

Over het algemeen wordt verondersteld dat bedrijven met een groot marktaandeel meer groeiopties hebben dan bedrijven met een klein marktaandeel. Bedrijven met een groot marktaandeel hebben namelijk meer mogelijkheden om verschillende soorten investeringen te doen, omdat zij beschikken over of toegang hebben tot meer (financiële) middelen dan de bedrijven met een kleiner marktaandeel. De stelling is dan ook dat deze bedrijven meer groeimogelijkheden hebben, waardoor hun marktwaarde ook relatief meer zal stijgen dan die van bedrijven met een klein marktaandeel.

Verder kan er worden verondersteld dat bedrijven met een groot markaandeel hun huidige positie te danken hebben aan het feit dat ze in staat zijn geweest om in het verleden meer strategische investeringen (bijvoorbeeld investeringen in R&D) te doen. In oligopolistische markten kunnen investeringsbeslissingen bepalend zijn voor de marktaandeel van een bedrijf. Kalatilaka en Perotti (1998) stellen namelijk dat bedrijven die strategische investeringen doen meer mogelijkheden hebben om een groter aandeel van de markt te veroveren. Ze hebben aan de hand van deze investeringen immers hun positie verstevigd ten opzichte van hun concurrentie op de mark.

3.3.3 Buitenlandse omzet

Om een beter beeld te krijgen van buitengrenzenactiviteiten of internationale betrokkenheid, wordt er ook aandacht besteed aan het aandeel van de omzet dat in het buitenland wordt gerealiseerd. De toegenomen onzekerheid wordt onder andere veroorzaakt door de internationale concurrentie op de markt. Deze onzekerheid brengt niet alleen meer risico’s met zich mee maar biedt ook de mogelijkheid om een opwaarts resultaat te verwezenlijken. Het aandeel van de buitenlandse omzet kan eventueel een indicatie geven hoe men omgaat met de opties (mogelijkheden) die de internationale markt te bieden heeft.

Bedrijven met relatief meer buitenlandsomzet zullen in de toekomst naar verwachting meer groei realiseren, aangezien ze beter in staat zijn om de mogelijkheden op de internationale markt zoveel mogelijk te benutten. Aan de andere kant hoeft een groter buitenlandsomzet niet per definitie te leiden tot meer groeiopties. Bedrijven die hun afzet niet over de grens kwijt kunnen, zouden net zo goed meer groei kunnen realiseren omdat ze bijvoorbeeld een groot marktaandeel binnen de grens hebben. Verder hebben bepaalde producten en diensten een minder internationale karakter, waardoor men de producten of diensten niet over de gres kan afzetten. Al met al zijn het toch de bedrijven die internationaal actief zijn of toegang hebben tot de internationale markt, waarvan de groeipotentie groter is dan ondernemingen die slechts nationaal opereren.

3.4 Conclusie

In dit onderzoek wordt uitgegaan van beide inzichten en wordt er verondersteld dat beide bedrijfsspecifieke- en industrie factoren relevant zijn voor het bepalen van de groeioptie waarden. Wel is er een verschil in hoe en in hoeverre deze factoren invloed hebben op de waarde van groeiopties. In dit onderzoek wordt verondersteld dat hoewel beide factoren een rol spelen, bedrijfsspecifieke effecten groter zijn dan industrie effecten. Daartegenover dient men wel rekening te houden met het feit dat de invloed van de verschillende bedrijfsspecifieke en marktfactoren vaak industriegebonden is. Bedrijven binnen een dynamisch en innovatieve industrie met hoge prijsfluctuaties zullen eerder afhankelijk zijn van de marktsituatie dan bedrijven die binnen een stabiele markt actief zijn. Aan de hand van dataonderzoek wordt er getracht om een antwoord te krijgen op de vragen welke factoren invloed hebben en in hoe sterk die invloeden zijn.



1   2   3   4   5   6


De database wordt beschermd door het auteursrecht ©opleid.info 2017
stuur bericht

    Hoofdpagina