Erasmus university rotterdam


Mogelijke onderzoeksmethode



Dovnload 149.38 Kb.
Pagina6/6
Datum08.10.2016
Grootte149.38 Kb.
1   2   3   4   5   6

Mogelijke onderzoeksmethode


Een plan van aanpak om deze welvaartseffecten systematisch te onderzoeken is ontwikkeld door Lerner en Tufano (2011). Zij stellen voor dat onderzoekers door middel van case studies met een ‘counterfactual approach’ de welvaartseffecten van wijdverbreide financiële innovaties onderzoeken.

Zij stellen dat financiële innovatie van innovatie in andere sectoren verschilt, omdat het financiële systeem wordt gekenmerkt door een hoge mate van verbondenheid tussen de financiële instellingen, waardoor financiële innovatie tot een ingewikkeld web van externaliteiten kan leiden. Ook zijn financiële innovaties vaak zeer dynamisch, zodat de effecten van innovatie in de loop van de tijd kunnen veranderen. Tenslotte is de regelgeving met betrekking tot financiële innovatie ingewikkeld en dynamisch, zodat er een ingewikkelde wisselwerking tussen regelgeving en innovatie bestaat.

Lerner en Tufano vinden dat de nadruk bij de onderzoeken op wijdverbreide financiële innovaties moet liggen, omdat deze de meeste kans hebben om grote invloed op de maatschappelijke welvaart te kunnen uitoefenen. Om deze belangrijke wijdverbreide innovaties te herkennen gebruiken zij top-down data. Van deze belangrijke innovaties moeten vervolgens de welvaartseffecten worden geïdentificeerd. Hierbij wordt niet alleen gekeken naar effecten die zich in werkelijkheid hebben gemanifesteerd, maar ook naar effecten die zouden zijn opgetreden indien de innovatie niet uitgevonden of geslaagd zou zijn, de zogenaamde counterfactual geschiedenissen. Volgens Lerner en Tufano biedt deze benadering goede mogelijkheden om zowel de directe kosten en baten als de positieve en negatieve externaliteiten van iedere belangrijke financiële innovatie te bediscussiëren.

Een financiële innovatie dient een belangrijke verandering in de manier waarop de functies van het financiële systeem aan één van de belangrijke niet aan de overheid gebonden sectoren worden geleverd hebben veroorzaakt om te worden geselecteerd als belangrijke financiële innovatie. De gevolgen van deze innovaties moeten vervolgens met case studies worden onderzocht. Als belangrijke sectoren onderscheiden zij huishoudens, niet-financiële ondernemingen, financiële ondernemingen en openbare lichamen. Als functies van het financiële systeem noemen zij dezelfde functies als Merton (1992), die reeds in het theoretisch kader genoemd zijn, namelijk (i) het bij elkaar brengen van geldmiddelen, (ii) geld door tijd en ruimte verplaatsen, (iii) het verzorgen van een betaalsysteem, (iv) risico’s beheren, (v) problemen met betrekking tot asymmetrische informatie oplossen en (vi) informatie over markten verschaffen.

Bij de case studies moet er volgens Lerner en Tufano om te beginnen gebruik worden gemaakt van door economen veel gebruikte onderzoeksmethoden als cross-sectional en tijdserie-analyse. Zij merken zelf echter al op dat het gebruik van deze methodes bij wijdverbreide financiële innovaties vaak met grote problemen gepaard gaat, aangezien er vaak geen goede controlegroepen zijn. Zo is de toepassing van tijdserie-analyses zoals pre/post toetsen volgens hen vaak problematisch, omdat er vaak een lange periode verstrijkt tussen de introductie en een wijdverbreide toepassing van een innovatie. Ook veranderen in veel gevallen de wijze van toepassing en de eigenschappen van de gebruikers van de innovatie in de loop van de tijd. Dergelijke econometrische methodes zijn volgens Lerner en Tufano dus wel bruikbare hulpmiddelen om de effecten van een financiële innovatie te onderzoeken, maar ze hebben wel zeer grote beperkingen.

Historisch onderzoek naar financiële innovatie kan volgens hen dan ook een waardevolle aanvulling zijn bij het onderzoek naar financiële innovaties waarvan het gebruik in de loop van soms wel decennia wordt gepopulariseerd. Historisch onderzoek heeft als voordeel dat verschijnselen intensief kunnen worden bestudeerd, maar heeft als nadeel dat het geen rekening houdt met de welvaartseffecten van een innovatie ten opzichte van een alternatief, tenzij er voor een vergelijkend historisch perspectief wordt gekozen, waarbij landen of tijdsperioden worden vergeleken. Bij financiële innovatie is het probleem van deze aanpak echter dat het zeer moeilijk is om de effecten van financiële innovatie te meten door het verschil in de mate van financiële innovatie tussen verschillende landen of tijdsperiodes te vergelijken, aangezien deze landen of periodes ook op andere vlakken verschillen. Hierdoor is er vaak geen geschikte controlegroep. Zo is eerder al besproken dat de mate van economische en financiële ontwikkeling invloed op elkaar uitoefenen.

Deze problemen bij vergelijkend historisch onderzoek kunnen volgens Lerner en Tufano gedeeltelijk worden opgelost door gebruik te maken van counterfactual scenario’s, waarbij onderzoekers zich de vraag moeten stellen wat er gebeurd had kunnen zijn als een financiële innovatie niet zou zijn ontwikkeld.12 Een nadeel van deze methode is dat deze virtuele scenario’s niet formeel kunnen worden getoetst, omdat de geschiedenis nu eenmaal niet repliceerbaar is. Bovendien moet er altijd een enigszins subjectieve inschatting worden gemaakt met betrekking tot de plausibiliteit van alternatieve scenario’s. Deze methode heeft dan ook zijn tekortkomingen, maar kan zeker van waarde zijn bij het analyseren van de welvaartseffecten van een financiële innovatie door de economische ontwikkeling in scenario’s zonder deze financiële innovatie in te schatten. Door expliciet scenario’s zonder de desbetreffende financiële innovatie te analyseren worden onderzoekers geprikkeld om alle gevolgen van een financiële innovatie in kaart te brengen, zodat zij een betere inschatting van het totale effect van een financiële innovatie kunnen maken.
Lerner en Tufano geven vervolgens voor drie belangrijke innovaties, namelijk private equity en venture capital, beleggingsfondsen (mutual funds) en securitisatie, een voorbeeld van een onderzoeksopzet om de welvaartsgevolgen te onderzoeken aan de hand van de door hen bepleite onderzoeksmethodiek met counterfactual scenario’s. Hierin geven zij eerst achtergrondinformatie met betrekking tot deze innovaties om vervolgens counterfactual scenario’s voor te leggen. Het is dus niet de bedoeling van de auteurs om de effecten van financiële innovatie in het geheel te kwantificeren en daarmee een definitief antwoord te geven of financiële innovatie een positieve invloed heeft op de maatschappelijke welvaart. Zij willen wel een benadering waarmee beter en systematischer onderzoek naar de welvaartseffecten van financiële innovatie introduceren. Ook hopen zij met deze aanpak het debat met betrekking tot financiële innovatie verder te brengen dan de volgens hen simplistische denkbeelden.

Conclusie

Het in deze scriptie behandelde empirische onderzoek naar met name positieve effecten van financiële innovatie op de maatschappelijke welvaart levert geen compleet beeld over de netto-welvaartseffecten van financiële innovatie op. De in de financieel-economische genoemde positieve invloed van financiële innovatie op de rest van de economie door middel van het beter laten functioneren van het financiële systeem, waardoor kapitaal op een efficiëntere en productievere wijze kan worden ingezet, kan niet aan de hand van het huidige empirische onderzoek worden bewezen.

De resultaten van de behandelde empirische onderzoeken naar individuele financiële innovaties zijn in het algemeen, op één uitzondering na, positief te noemen en deze innovaties lijken dan ook waarde te hebben gecreëerd voor de directe belanghebben, zoals investeerders of bedrijven die gebruik hebben gemaakt van deze innovatieve producten. Deze onderzoeken richten zich echter alleen op de directe welvaartseffecten van deze specifieke financiële innovaties en gaan dus voorbij aan de welvaartseffecten die worden veroorzaakt door externaliteiten, terwijl een groot gedeelte van de invloed van het financiële systeem op de economie door middel van deze externaliteiten wordt uitgeoefend. Bovendien richten de besproken onderzoeken zich op een klein aantal specifieke innovaties en daarmee dus op slechts een zeer klein gedeelte van het totale aantal financiële innovaties dat sinds 1980 heeft plaatsgevonden. Ook aan de hand van de twee onderzoeken die de bijdrage van het financiële systeem en financiële innovatie aan de economie kan de invloed van financiële innovatie niet worden gekwantificeerd..

Er moet dus nog veel empirisch onderzoek worden verricht om een goed beeld van de positieve en totale effecten van financiële innovatie op de maatschappelijke welvaart te krijgen. Bij het meer gestructureerd onderzoeken van de gevolgen van financiële innovatie kan de onderzoeksagenda van Lerner en Tufano (2011) worden gebruikt. Zij bepleiten een counterfactual approach om de gevolgen van belangrijke, wijdverbreide en veel toegepaste, financiële innovaties te onderzoeken. Door alternatieve scenario’s te ontwikkelen worden onderzoekers immers gedwongen om alle gevolgen, dus ook externaliteiten, mee te nemen in hun analyse van de gevolgen van de innovatie. Bij het onderzoeken van de meer directe effecten kan gebruik worden gemaakt van methoden en technieken die zijn toegepast in de reeds bestaande onderzoeken naar individuele financiële innovaties. De bestudering van de welvaartseffecten via externaliteiten is echter een stuk gecompliceerder, aangezien de uitkomsten van het vergelijken van de realiteit met alternatieve scenario’s zeer sterk wordt beïnvloed door de veronderstellingen van de onderzoeker. De effecten van een financiële innovatie via externaliteiten wordt immers ook beïnvloed door allerlei andere factoren, zoals de marktomstandigheden en met de wijze waarop er gebruik gemaakt van de innovatie. Hierdoor zijn de uitkomsten van dergelijke vergelijkingen verre van betrouwbaar, maar ze kunnen toch meer inzicht geven in de indirecte gevolgen van financiële innovatie voor de maatschappelijke welvaart. Ook zijn sommige indirecte gevolgen van financiële innovatie moeilijk te kwantificeren. Voorbeelden hiervan zijn de toegevoegde waarde van het bezit van een eigen huis ten opzichte van het huren van een woning en de emotionele schade van het verliezen van een baan door verslechterde economische omstandigheden. Gelet op het complexe web van externaliteiten dat een financiële innovatie kan veroorzaken en sommige moeilijk te kwantificeren effecten is het zeer lastig om de netto-welvaartseffecten van een financiële innovatie te bepalen.

Maar alleen als er meer en gestructureerd empirisisch onderzoek naar de welvaartseffecten van financiële innovatie wordt gedaan kan de vraag worden beantwoord of financiële innovatie waarde toevoegt aan de economie. Tot die tijd zal de discussie over de wenselijkheid van financiële innovatie voornamelijk gebaseerd zijn op kwalitatieve argumenten en inschattingen.

Literatuurlijst

Allen, Franklin en Antony M. Santomero (1998), The theory of financial intermediation, Journal of Banking & Finance, No. 21, pp. 1461-1485

Altunbas, Yener, Leonardo Gambacorta en David Marques-Ibanez (November 2009), Securitisation and the bank lending channel, European Economic Review, Volume 53, No. 8, pp. 996 -1009
Barber, Brad M. (Zomer 1993), Exchangeable Debt, Financial Management, Volume 22, No. 2, pp. 48-60
Baskin, Jonathan B. en Paul J. Miranti jr. (1997), A History of Corporate Finance, New York: Cambridge University Press
Bhatt, V.V. (1988), On Financial Innovation and Credit Market Evolution, World Development, Volume 16, No. 2, pp. 281-292
Black, Deborah G., Kenneth D. Garbade en William L. Silber (Mei 1981), The Impact of the GNMA Pass-through Program on FHA Mortgage Costs, The Journal of Finance, Volume 36, No. 2, pp. 457 – 469
Bowden, Roger en Dawn Lorimer (2009), Credit securitisation and system stability, Working paper, Institute of Finance, Ulm University and School of Economics and Finance, Victoria University of Wellington
Brown, Stephen J. en Jerold B. Warner (Maart 1985), Using Daily Stock Returns: The Case of Event Studies, Journal of Financial Economics, Volume 14, No. 1, pp. 3-31
Burda, Michael en Charles Wyplosz (2005), Macroeconomics: A European Text (Fourth Edition), New York: Oxford University Press

Casu, Barbara, A. Sarkisyan, A. Clare en S. Thomas (2009), Securitization and Bank Performance, Centre for Banking Research Working Papers, Cass Business School, City University London


Chandler, Alfred D. jr. (1954), Patterns of American Railroad Finance, 1830–50, The Business History Review, Volume 28, No. 3, pp. 248 – 264
Chandler, Alfred D. jr. (1965), The Railroads: Pioneers in Modern Corporate Management, The Business History Review, Volume 39, No. 1, pp. 16 – 40
Corkish, Jo, Allison Holland en Anne Fremault Vila (Oktober 1997), The determinants of successful financial innovation: an empirical analysis of futures innovation on LIFFE, Bank of England Working Paper No. 70
Dann, Larry Y. en Wayne H. Mikkelson (Juni 1984), Convertible debt issuance, capital structure change and financing related information: Some new evidence, Journal of Financial Economics, Volume 13, No. 2, pp. 157 – 186

Eckbo, B. Espen (1986), Valuation effects of corporate debt offerings, Journal of Financial Economics, Volume 15, No. 1-2, pp. 119 – 151


Engelen, Ewald, Ismail Erturk, Julie Froud, Adam Leaver en Karel Williams (2010), Reconceptualizing Financial Innovation: Frame, Conjuncture and Bricolage, Economy and Society, Volume 39, No. 1, pp. 33-63
Finnerty, John D. (Winter 1988), Financial Engineering in Corporate Finance: An Overview, Financial Management, pp. 14-33
Frame, W. Scott en Lawrence J. White (Maart 2004), Financial Innovation: Lots of Talk, Little Action?, Journal of Economic Literature, Volume 42, No. 1, pp. 116-144
Ghosh, Chimnoy, Raj Varma en J. Randall Woolridge (1990), An analysis of exchangeable debt offers, Journal of Financial Economics, Volume 28, No. 1-2 pp. 251 – 263
Haldane, Andrew, Simon Brennan en Vasileios Madouros (2010), What is the contribution of the financial sector: Miracle or mirage?, The Future of Finance: The LSE Report, Chapter 2, pp. 87 – 120
Henderson, Brian J., Neil D. Pearson (Februari 2009), The Dark Side of Financial Innovation, EFA 2009 Bergen Meetings Paper
Jarrow, Robert A. en Maureen O’Hara (December 1989), Primes and Scores: An Essay on Market Imperfections, The Journal of Finance, Volume 44, No. 5, pp. 1263 – 1287
Lerner, Josh en Peter Tufano (Februari 2011), The Consequences of Financial Innovation: A Counterfactual Research Agenda, Working Paper 16780, National Bureau of Economic Research
Levine, Ross (Juni 1997), Financial Development and Economic Growth: Views and Agenda, Journal of Economic Literature, Volume 35, No. 2, pp. 688-726
Litan, Robert E. (2010), In Defense of Much, But Not All, Financial Innovation, Brookings Paper, http://www.brookings.edu/papers/2010/0217_financial_innovation_ litan.aspx
Lumpkin, Stephen A. (December 2009), Regulatory Issues Related To Financial Innovation, OECD Journal: Financial Market Trends, No. 2
Mayer, Collin (1986), The assessment Financial innovation: Curse or blessing?, Oxford review of economic policy, Volume 2, No. 4, pp. 1-19
Merton, Robert C. (1990), The Financial System and Economic Performance, Journal of Financial Services Research, Volume 4, No. 4, pp. 263-300
Merton, Robert C. (Winter 1992), Financial Innovation and Economic Performance, Journal of Applied Corporate Finance, Volume 4, No. 4, pp. 12 – 22
Merton, Robert C. (Zomer 1992), A Functional Perspective of Financial Intermediation, Financial Management, Volume 24, No. 2, pp. 23-41

Merton, Robert C. (1995), Financial innovation and the management and regulation of financial institutions, Journal of Banking & Finance, No. 19, pp. 461-481


Michalopoulos, Stelios, Luc Laeven en Ross Levine (September 2009), Financial Innovation and Endogenous Growth, Discussion Paper Series, Centre for Economic Policy Research, No. 7465
Mikkelson, Wayne H. en M. Megan Partch (1985), Stock price effects and costs of secondary distributions, Journal of Financial Economics, Volume 14, No. 2, pp. 165 – 194
Miller, Merton H. (December 1986), Financial Innovation: The Last Twenty Years and the Next, The Journal of Financial and Quantitative Analysis, Volume 21, No. 4
Nanda, V. en Youngkeol Yun (1996), Financial innovation and investor wealth: A study of the poison put in convertible bonds, Journal of Corporate Finance, Volume 3, No. 1, pp. 1-22
Philippon T. en A. Reshef (2009), Wages and Human Capital in the U.S. Financial Industry: 1909-2006, National Bureau of Economic Research Working Paper Series No. 14644
Schumpeter, Joseph A. (1912), Theorie der wirtschaftlichen Entwicklung (The theory of economic development), Leipzig: Dunker & Humblot. Vertaald door Redvers Opie. Cambridge, MA: Harvard University Press, 1934
Shin, Hyuon Song (2009), Securitisation and Financial Stability, The Economic Journal, Volume 119, No. 536, pp. 309-332
Silber, William L. (Mei 1983), The Process of Financial Innovation, The American Economic Review, Volume 73, No. 2, pp. 89-95
The Financial Crisis Inquiry Report (Januari 2011), Financial Crisis Inquiry Commision of the United States of America (Official Governement Edition)
The Turner Review: A regulatory response to the global banking crisis (Maart 2009), Financial Services Authority
Tirole, J. (1988), The Theory of Industrial Organization, MIT Press, Cambridge, MA
Trimbath, Susanne (2009), Financial innovation: Wall Street’s false utopia, Journal of Accounting & Organizational Change, Volume 5, No. 1, pp 108-111
Tufano, Peter (2003), Financial Innovation, The Handbook of the Economics of Finance, Volume 1, Deel A, Chapter 6, pp. 307 - 335
Van Horne, James C. (Juli 1985), Of Financial Innovations and Excesses, The Journal of Finance, Volume 40, No. 3, pp. 620-631
Varma, Raj en Donald R. Chambers (Augustus 1990), The role of financial innovation in raising capital: Evidence from deep discount offers, Journal of Financial Economics, Volume 26. No. 2, pp. 289 -298

Weitzner, David en James Darroch (2009), Why moral failures precede financial crises, Critical perspectives on international business, Volume 5, No. 1/2, pp. 6-13



Websites
http://www.nytimes.com/2007/12/03/opinion/03krugman.html
http://online.wsj.com/article/SB10001424052748704825504574586330960597134.html



1 Citaat uit: Paul Vocker: Think More Broadly, The Wall Street Journal, 14 December 2009, p.7 (http://online.wsj.com/article/SB10001424052748704825504574586330960597134.html)

2 Ibid

3 Tufano (2002) onderscheidt hier alleen product- en procesinnovaties

4 Zie onder andere voor kritiek: Paul Krugman (http://www.nytimes.com/2009/04/27/opinion/27krugman.html?_r=1

5 Beter bekend als Ginnie Mae

(http://www.ginniemae.gov/about/about.asp?Section=About)



6 Varma en Chambers hebben hier gebruik gemaakt van dezelfde methode als Mickelson en Partch (1986)

7 De negatieve reactie van aandelenmarkten op de aankondiging van de uitgifte van converteerbare obligaties is ook vastgesteld door Dann en Mikkelson (1984), Eckbo (1986) en Mikkelson en Partch (1986)

8 Een indicator voor de hoogte van agency kosten.

9 Voor meer informatie over de rol van financiële innovatie bij de financiering van het spoorwegennetwerk, zie Chandler (1954, 1965) en Baskin en Miranti (1997)

10 Het Solow-residu, ook wel total factor productivity genoemd, is het gedeelte van de economische groei in het economische groeimodel van Solow dat niet kan worden verklaard door de toename van hoeveelheid arbeid en kapitaal, die is gebruikt tijdens het productieproces. Het Solow-residu is dus een proxy voor technologische voortuitgang, die leidt tot een hogere productiviteit van arbeid en kapitaal. Voor een uitgebreide beschrijving van het groeimodel van Solow, zie Burda en Wyplosz (2005), Hoofdstuk 3

11 De capital ratio is de naar risico gewogen waarde van de activa gedeeld door het aandelenvermogen van de bank.

12 Lerner en Tufano noemen hier een bijdrage van Fogel, Railroad and American Economic Growth: Essays in Econometric History (1964) als bekendste exponent van het gebruik van deze method in de economische wetenschap. In dit boek tracht Fogel de invloed van het spoorwegennetwerk op de Amerikaanse economie te onderzoeken door voor verschillende virtuele scenario’s zonder spoorwegennetwerk in te schatten hoe Amerikaanse economie zich zou hebben ontwikkeld. Fogel heeft in 1993 de Nobelprijs ontvangen voor de introductie van deze onderzoeksmethode in de economische wetenschap.



1   2   3   4   5   6


De database wordt beschermd door het auteursrecht ©opleid.info 2019
stuur bericht

    Hoofdpagina