Erfgoed meetbaar goed?



Dovnload 357.69 Kb.
Pagina1/5
Datum26.08.2016
Grootte357.69 Kb.
  1   2   3   4   5




Erfgoed …. meetbaar goed?

eindevaluatie van het vierjarig

project Erfgoed à la Carte van

Erfgoed Nederland

Bureau ART

Peter van der Zant

Voorjaar 2009



Samenvatting
Het project Erfgoed à la Carte

Van 2004 tot 2008 werd het project Erfgoed à la Carte van Erfgoed Nederland op vijftien plaatsen in Nederland uitgevoerd. Het stimuleringsproject had tot doel cultureel erfgoed als vanzelfsprekend onderdeel te integreren in het primair onderwijs en daarmee in de leefwereld van kinderen.

Erfgoed à la Carte was geïnspireerd door het samenwerkingsproject Museum&School in Leiden. Op basis van een vooronderzoek van Bureau ART naar vergelijkbare projecten in Nederland werkte de landelijke projectleiding van Erfgoed à la Carte de opzet van het project verder uit. Zo werd het ontwikkelen van een doorgaande leerlijn een kernpunt in de aanpak. Ook werd veel nadruk gelegd op het ontwikkelen van een visie op erfgoededucatie door de school zelf en op de versterking van de samenwerking tussen lokale erfgoedaanbieders, met name de kleinere instellingen.

Doelstellingen van Erfgoed à la Carte waren met name:



  • Erfgoedaanbod verankeren in doorgaande leerlijnen voor de basisschool in de groepen 1 tot en met 8;

  • Scholen in staat stellen een eigen schoolbeleid te ontwikkelen op het terrein van erfgoededucatie;

  • (Daartoe) de samenwerking versterken tussen scholen en erfgoedaanbieders, en erfgoedaanbieders onderling.


De monitoring en evaluatie van Erfgoed à la Carte

Bureau ART volgde in opdracht van Erfgoed Nederland vanaf 2005 vier jaar lang het project en bracht elk half jaar een publicatie uit over de voortgang, zodat de projectleiding kon bijsturen en de vijftien deelprojecten van elkaar konden leren. Het model dat Bureau ART daarvoor gebruikte kan worden aangeduid als ‘dynamische evaluatie’. In het model van ‘dynamische evaluatie’ nemen uitvoerende organisaties een deel van de evaluatie voor hun rekening en worden naast de doelen van de landelijke projectleiding (c.q. financier) ook doelen en belangen van deze organisaties in de evaluatie meegenomen. Het model is bij uitstek geschikt voor een meerjarig project met veel deelprojecten.

Aan het eind van 2008 werden in de meeste van de vijftien deelprojecten door Bureau ART, in overleg met de deelprojectleiders, eindmetingen verricht bij de scholen en soms ook bij de instellingen die aan Erfgoed à la Carte deelnamen. Deze eindmetingen geven, samen met de zeven halfjaarlijkse evaluaties, een (eerste) inzicht in de resultaten van Erfgoed à la Carte.
Dit is het eindrapport over het project. In het rapport wordt beschreven hoe de evaluatie en effectmeting van Erfgoed à la Carte zijn uitgevoerd en wat de belangrijkste uitkomsten zijn.

Parallel aan dit rapport heeft de Universiteit Twente in januari 2009 het rapport ‘De erfenis van vier jaar projecten Erfgoed à la Carte’ uitgebracht. Dit rapport gaat in op de opbrengsten van Erfgoed à la Carte op het niveau van het curriculum en bevat handreikingen voor het integreren van erfgoededucatie in het curriculum van het basisonderwijs.

Uit de evaluatie van Erfgoed à la Carte door Bureau ART kunnen de volgende conclusies worden getrokken.
Het realiseren van de doelstellingen

Voor zover hierover nu reeds een uitspraak kan worden gedaan (slechts enkele maanden na afloop van het landelijk project) zijn van de bovenstaande drie doelstellingen zeker de eerste twee in grote lijnen bereikt. De derde doelstelling is deels gerealiseerd: de samenwerking tussen scholen en (erfgoed)instellingen is inderdaad verstevigd, maar de onderlinge samenwerking tussen de instellingen is in veel deelprojecten onvoldoende uit de verf gekomen.

Twaalf van de vijftien deelprojecten van Erfgoed à la Carte kunnen als (zeer) geslaagd worden beschouwd. Deze twaalf deelprojecten hebben de bovengenoemde doelstellingen weten te realiseren en bovendien vaak ook nog eigen (lokaal bepaalde) doelen weten te behalen. Ook zijn er bij deze twaalf deelprojecten voldoende garanties dat de opbrengsten van vier jaar Erfgoed à la Carte verankerd zijn (in praktisch handelen, in programma’s, in beleid) bij instellingen en bij scholen.

Tenminste zes deelprojecten zijn er in geslaagd - met het budget van Erfgoed à la Carte als basis - aanvullende fondsen en subsidies te verwerven, die soms zelfs het basisbedrag in omvang overstegen.

Het project in Schiedam was in 2008 nog niet afgerond, maar lijkt in de loop van 2009 de doelstellingen alsnog te realiseren en wordt daarom vooralsnog tot de twaalf geslaagde projecten gerekend.

Eén project (van de IJsselgroep in Hardenberg) heeft nauwelijks aantoonbare resultaten opgeleverd en moet als mislukt worden gekenmerkt. Eén project (van Erfgoedhuis Noord-Brabant in Den Bosch) heeft slechts gedeeltelijke resultaten opgeleverd. Het project in Amsterdam (van de onderwijsbegeleidingsdienst ABC) was op zich succesvol, maar lijkt geen vervolg te krijgen, waardoor gevreesd moet worden dat de inspanningen achteraf gezien tevergeefs zijn geweest.


Verankering erfgoededucatie

De doelstelling ‘erfgoed verankeren in doorgaande leerlijnen’ is vooral gerealiseerd door de ontwikkelde erfgoedprogramma’s te laten aansluiten bij de Kerndoelen voor ‘Oriëntatie op jezelf en de wereld’ en bij de methodes voor geschiedenis (en andere vakken). Voor dit laatste werden in veel deelprojecten analyses gemaakt van de meest gebruikte methodes op de scholen. De ontwikkelde programma’s waren (afhankelijk van de wensen van de scholen) bedoeld als (deels) methodevervangend of als aanvulling op de methode. Als ordeningsprincipe werd in enkele deelprojecten gebruikt gemaakt van de indeling in de tien tijdvakken van De Rooij. Ook probeerde men in de deelprojecten in de ordening van de educatieve programma’s aan te sluiten bij de ontwikkelingsfasen die een kind doorloopt.

Verankering van erfgoededucatie in het onderwijsprogramma werd bovendien bevorderd door aandacht te besteden aan voorbereiding en verwerking van een erfgoedproject in de lessen, door soms een relatie te leggen met andere vakken (met name met taal) of door alle erfgoedproject onder te brengen in een samenhangend jaarlijks programma.

Bij het samenstellen van een jaarlijks aanbod van erfgoedactiviteiten werd in enkele deelprojecten een apart programma voor erfgoededucatie (een Erfgoedmenu) gerealiseerd. In de andere gevallen werd aansluiting gezocht bij een bestaand Kunst- of Cultuurmenu of een Kunstmenu verrijkt met erfgoedprojecten tot een breed Cultuurmenu. Dat gebeurde op verzoek van de scholen (‘één loket’) of om verbindingen te kunnen leggen tussen erfgoed- en kunsteducatie. Ook vormden in regio’s met weinig (professioneel) kunstaanbod de nieuwe erfgoedactiviteiten een welkome aanvulling op het cultuuraanbod voor de scholen.

Het gevaar van een koppeling tussen erfgoedactiviteiten en Kunstmenu kan zijn, dat het erfgoedaanbod niet meer is dan een nieuwe ‘discipline’ in het Kunstmenu. Bovendien doet onderbrenging van erfgoed in een Kunstmenu onvoldoende recht aan het specifieke karakter van erfgoededucatie: meer gericht op aardrijkskunde, geschiedenis en wereldoriëntatie dan op kunstzinnige vorming, meer onderdeel van omgevingsonderwijs en gericht op andere methoden en kerndoelen. De komende jaren zal duidelijk moeten worden welke strategie het meest effectief blijkt te zijn om erfgoededucatie te verankeren: een apart Erfgoedmenu of een integratie met kunstactiviteiten in een Cultuurmenu.
Ontwikkelen schoolbeleid erfgoededucatie

In de meeste deelprojecten van Erfgoed à la Carte werden scholen met succes gestimuleerd en begeleid om een eigen schoolbeleid op het terrein van erfgoededucatie te ontwikkelen (de tweede doelstelling van Erfgoed à la Carte). Veel scholen schreven zich niet alleen in op activiteiten die voortkwamen uit Erfgoed à la Carte, maar ontwikkelden zelf een strategie om het erfgoed in de omgeving van de school te benutten voor het onderwijs. Meestal gebeurde dit door middel van een aparte erfgoedparagraaf in het cultuurbeleidsplan, juist omdat in deze plannen een mogelijkheid ligt om erfgoededucatie te verankeren in het schoolbeleid.


Samenwerking tussen scholen en (erfgoed)instellingen

Uit de eindmetingen blijkt dat de meeste scholen en (erfgoed)instellingen vinden dat de samenwerking tussen scholen en instellingen dankzij Erfgoed à la Carte is verbeterd (de derde doelstelling van Erfgoed à la Carte). Zij vinden dat de erfgoedinstellingen in de regio mede dankzij Erfgoed à la Carte beter inspelen op de wensen en behoeften van de scholen en dat het in de regio aanwezige erfgoed nu beter door de scholen wordt benut en de scholen een beter inzicht hebben gekregen in de mogelijkheden van erfgoed voor het creëren van een rijke leeromgeving voor de leerlingen.

De inbreng van de scholen in het proces van Erfgoed à la Carte bleef echter beperkt tot het fungeren als ‘klankbord’ en ‘laboratorium’ (het uittesten van ontwikkelde materialen en programma’s met de leerlingen). De rol van ‘ontwikkelaar’ bleek voor de meeste leerkrachten onhaalbaar, vanwege tijdgebrek, gebrek aan didactische en historische kennis en/of onvoldoende inzicht in de mogelijkheden die de omgeving van de school bood.
Samenwerking tussen (erfgoed)instellingen onderling

In sommige deelprojecten vonden de betrokken (erfgoed)instellingen na afloop van Erfgoed à la Carte dat ook de onderlinge samenwerking was verbeterd. Maar in andere deelprojecten werd niet of nauwelijks gestreefd naar verbetering van de onderlinge samenwerking en vervulde één instelling (een bibliotheek, een erfgoedhuis of museum) een coördinerende rol in de contacten met de scholen. Dat deel van de derde doelstelling van Erfgoed à la Carte is dus onvoldoende uit de verf gekomen.

Ook de inbreng van de (erfgoed)instellingen, m.n. van de kleinere, viel in veel deelprojecten enigszins tegen. Een en ander had tot gevolg, dat bij veel deelprojecten meer werk moest worden verricht door de projectleider. Ook werd regelmatig een beroep gedaan op freelancers met expertise op het gebied van erfgoededucatie, die hielpen bij de ontwikkeling van lesmaterialen, het schrijven van teksten of het bedenken van didactische werkvormen. De (extra) inbreng van de projectleiders en van de freelancers zorgde ervoor, dat de meeste deelprojecten er toch in slaagden na vier jaar een kwalitatief hoogwaardig aanbod van programma’s aan de scholen te presenteren, ondanks de soms wat tegenvallende inbreng van scholen en instellingen.
De rol van de onderwijsbegeleidingsdiensten

In meer dan de helft van de deelprojecten werd (in eerste instantie) samengewerkt met onderwijsbegeleidingsdiensten (OBD’en); in drie gevallen was de onderwijsbegeleidingsdienst zelfs de coördinator. Behalve enkele gunstige uitzonderingen (bijv. ABCG in Groningen) is de rol die de OBD’en in Erfgoed à la Carte hebben gespeeld teleurstellend geweest. Dit heeft waarschijnlijk te maken met de omslag die de OBD’en de afgelopen jaren hebben gemaakt naar marktgericht werken en het (daarmee samenhangende) gebrek aan interesse voor de ‘markt van cultuureducatie’. De OBD’en hebben de rol die het Ministerie van OCW en Erfgoed Nederland voor deze diensten in gedachten hadden bij de ontwikkeling van Erfgoed à la Carte, over het algemeen niet waargemaakt.


Strategieën voor benutting erfgoed in het onderwijs

Er blijken bij de vijftien deelprojecten Erfgoed à la Carte twee verschillende strategieën te zijn gehanteerd om het aanwezige erfgoed zo goed mogelijk te benutten voor de scholen:



  • Vanuit het perspectief van de erfgoedinstellingen (museum, oudheidkamer e.d.) werd gekeken hoe de collecties en het andere aanwezige erfgoed (beter) konden worden benut voor de scholen;

  • Vanuit het perspectief van een afzonderlijke school werd het voor het onderwijs bruikbare erfgoed (archeologische vindplaatsen, monumenten, sporen in het landschap e.d.) in kaart gebracht.

De eerste strategie heeft het voordeel dat de continuïteit van schoolbezoeken door een instelling kan worden gewaarborgd. Ook kan een instelling zorgen voor begeleiding van de leerlingen, rondleiders e.d. Tegelijkertijd kan dat ook een beperking zijn, omdat veel kleinere erfgoedinstellingen kampen met een gebrek aan voldoende begeleiders, die in staat zijn een professioneel educatief programma te bieden dat aansluit bij de wensen van de school en de leerlingen. De tweede strategie heeft het voordeel dat scholen onafhankelijk van een instelling erfgoed kunnen bezoeken. Dit geeft meer vrijheid aan de scholen. Door benutting van erfgoed in de directe omgeving van de school speelt bovendien het probleem van de reisafstand niet of nauwelijks. Nadeel is dat er geen enkele garantie bestaat dat een school ook inderdaad het erfgoed rondom de school benut en blijft benutten, zonder de prikkel van een uitnodiging van een erfgoedinstelling of inschrijving op een jaarlijks programma. Pas over enkele jaren kan worden geconstateerd welke strategie in Erfgoed à la Carte het meest succesvol is geweest.

In regio’s waar het beschikbare erfgoed meer gespreid is en minder professioneel ontsloten voor het onderwijs, werden vervolgens weer twee manieren gevolgd om leerlingen in contact te brengen met het erfgoed:



  • Bezoek aan de instelling of locatie;

  • Het brengen van erfgoed in de school, in de vorm van een leskist, DVD e.d.

In regio’s met veel professioneel ontsloten erfgoed werd vanzelfsprekend vooral de eerste werkwijze gevolgd, omdat een bezoek aan een locatie of erfgoedinstelling tot een meer authentieke beleving leidt dan een leskist of videofilm.
Erfgoededucatie in het speciaal onderwijs

Erfgoededucatie bleek in Erfgoed à la Carte uitstekende mogelijkheden te bieden aan het speciaal (basis)onderwijs, juist omdat voor leerlingen in dit onderwijstype het ontdekken en ervaren heel belangrijk is. In veel gevallen kan worden volstaan met het aanpassen van bestaande programma’s aan leerlingen van het speciaal (basis)onderwijs: eenvoudige teksten, meer accent op vaardigheden in de opdrachten, nog meer aandacht voor prikkeling van zintuigen (zien, voelen, ruiken e.d.) en dergelijke. Vooral hier wordt nogal wat extra’s gevraagd van de medewerkers van ontvangende instellingen: hoe ga je met deze groepen om?



Terugblik op succes- en faalfactoren

Terugkijkend op Erfgoed à la Carte kunnen de vijftien deelprojecten worden getypeerd aan de hand van twee dimensies: de mate waarin aansluiting werd gezocht bij bestaande structuren voor kunst- en cultuureducatie en de mate waarin in de regio reeds veel erfgoed (ontsloten voor het onderwijs) aanwezig was. Uit de ervaringen van Erfgoed à la Carte kan (vooralsnog) niet worden geconcludeerd dat er een directe relatie is tussen deze twee dimensies en de mate van succes van een deelproject. Eerder blijkt elke aanpak en elke situatie zijn eigen succes- en faalfactoren te kennen, afhankelijk van de score op deze twee dimensies.

De meeste deelprojectleiders blijken tevreden over de aansturing van Erfgoed à la Carte door de landelijke projectleiding van Erfgoed Nederland. Deze aansturing werd gekenmerkt door een hoge mate van autonomie en eigen verantwoordelijkheid. Enkelen hadden graag een nadrukkelijker inhoudelijke aansturing van het project gezien.

Cruciaal voor het welslagen van de deelprojecten Erfgoed à la Carte blijkt de persoon van de lokale projectleider te zijn. In het rapport wordt dan ook geadviseerd bij de beoordeling van projectvoorstellen door Erfgoed Nederland voortaan meer aandacht te besteden aan het profiel van de projectleider. Ook wordt aanbevolen een andere intake van projectaanvragen te hanteren, waarbij de procedure zich langs een aantal stappen volstrekt en kennismaking met de directie en de projectleider van de aanvragende organisatie meer centraal komt te staan.

De Adviescommissie van Erfgoed à la Carte bestond uit Mabel Schalij, Pieter Mostert en Hans Koppen. Medio 2008 blikte de Adviescommissie terug op het proces en de resultaten van vier jaar Erfgoed à la Carte. Conclusies van de Adviescommissie waren onder andere:

* Voor zover we nu een beeld hebben van de resultaten valt de diversiteit in de resultaten op. De resultaten zijn over het algemeen interessant, dat wil zeggen dat Erfgoed à la Carte de betrokkenen echt een stap verder heeft geholpen. Dat overtreft onze verwachtingen.

* We zien het beeld bevestigd dat projecten een succes zijn als het een projectleider heeft die tot één van de twee volgende typen behoort: het ‘bevlogen type’ of de ‘slimme verbindingsofficier’.

* We zijn bevestigd in onze lage verwachtingen ten aanzien van de inbreng van de basisscholen. Deze scholen worstelen al met zoveel problemen, dat ze niet aan een initiërende rol in zo’n project toekomen. Het is al heel wat als zij hun eisen en verwachtingen in de rol van consument helder kunnen verwoorden en inbrengen in het ontwikkelingsproces. Men kan basisscholen beter niet opzadelen met ontwikkelwerk. Dat gaat ook tegen de huidige trend in.

* De landelijke projectleiding van Erfgoed Nederland is absoluut een succesfactor geweest. Er was een goede mix van ‘vasthouden aan wat is afgesproken’ en ‘ondersteunen van tussentijdse kansen en ontwikkelingen’. De projectleiding heeft haar rol moeten vervullen in een roerige periode, met onder andere integratie van Erfgoed Actueel in de nieuwe organisatie van Erfgoed Nederland en vertrek van een van de twee projectleiders.

* De monitoring van Bureau ART en de halfjaarlijkse visitaties hebben ervoor gezorgd, dat de projectleiding adequaat kon bijsturen en de Adviescommissie goed op de hoogte was van de voortgang. Dat is belangrijk, want bij een dergelijk langdurig project moet men zorgen ‘er bij te blijven’.

* De inbedding van erfgoededucatie in de scholen blijft een punt van zorg, onder andere doordat er beleidsmatig zo’n onderscheid wordt gemaakt tussen kunst en erfgoed. Dat begint al bij het Ministerie van OCW, waar er een sterke scheiding is tussen kunsten en erfgoed. Advies aan het Ministerie van OCW is dan ook: ‘u had er één potje van moeten maken’.


Inhoudsopgave

Blz.


Samenvatting 2



  1. Inleiding 8




  1. De voorbereiding van Erfgoed à la Carte: het onderzoek ‘Voorbij Leiden’ 12




  1. De opzet van de evaluatie en effectmeting van Erfgoed à la Carte 18

3.1 De doelstellingen van Erfgoed à la Carte

3.2 Twee modellen voor de evaluatie van meerjarige projecten

3.3 De uitwerking van het model van dynamische evaluatie voor Erfgoed à la Carte


  1. Beschrijving van de beginsituatie van Erfgoed à la Carte 24




  1. Evaluatie van het proces van Erfgoed à la Carte 29

    1. De fasering van de projecten

    2. De betrokkenheid van de scholen

    3. De rol van de onderwijsbegeleidingsdiensten

    4. De inzet van erfgoed in het onderwijs

    5. De deelname van het speciaal onderwijs




  1. Effectmeting van Erfgoed à la Carte: het behalen van de doelstellingen 38

    1. Het uiteindelijk kwantitatieve bereik van Erfgoed à la Carte

    2. Het bereiken van de inhoudelijke doelstellingen




  1. Terugblik op Erfgoed à la Carte 56

7.1 De ervaringen met Erfgoed à la Carte in een breder perspectief

7.2 De rol van Erfgoed Nederland



  1. Inleiding

Van 2004 tot 2008 werd het project Erfgoed à la Carte van Erfgoed Nederland op vijftien plaatsen in Nederland uitgevoerd. Het stimuleringsproject had tot doel cultureel erfgoed als vanzelfsprekend onderdeel te integreren in het primair onderwijs (dat wil zeggen basisonderwijs en speciaal onderwijs) en daarmee in de leefwereld van kinderen. Erfgoed à la Carte werd gefinancierd door het Ministerie van OCW. Het startte in de loop van 2004 en eindigde in 2008.


De vijftien deelprojecten van Erfgoed à la Carte waren verspreid over Nederland en speelden zich zowel af in stedelijke gebieden met veel historisch erfgoed (bijvoorbeeld Amsterdam, Groningen, Amersfoort en Den Bosch) als in gebieden waar het aanwezige erfgoed meer gespreid is over de regio en vaak nog weinig (of niet professioneel) ontsloten is voor het onderwijs (bijvoorbeeld Noord Oost Groningen, Noord Oost Brabant, Nijverdal, Steenwijkerland, Hoogeveen en Den Helder).

De vijftien deelprojecten van Erfgoed à la Carte speelden zich af in de volgende regio’s of steden:


Noord Oost Groningen Het project ‘Fivelingo’ van centrum voor kunst- en cultuureducatie IVAK in Appingedam, Delfzijl en Loppersum

Gemeente Groningen Het project van onderwijsbegeleidingsdienst ABCG en Museumhuis Groningen in de stad Groningen

Gemeente Hoogeveen Het project ‘een kruiwagen vol omgeving’ van de Openbare Bibliotheek Hoogeveen en Drents Plateau in de gemeente Hoogeveen

Gemeente Hardenberg Het project van de onderwijsbegeleidingsdienst IJsselgroep in de gemeente Hardenberg

Overijssel Het project van Kunst&Cultuur Overijssel in Nijverdal, Olst-Wijhe en Steenwijkerbrug

Gemeente Amersfoort Het project van Erfgoedhuis Utrecht en Bureau Kunsteducatie in de gemeente Amersfoort

Gemeente Utrecht Het project ‘Echt gebeurd’ van SME Advies in Leidsche Rijn

Gemeente Schiedam Het project van de gemeente Schiedam

Gemeente Amsterdam Het project van onderwijsbegeleidingsdienst ABC en erfgoedinstellingen in de gemeente Amsterdam

Zaanstreek Het project van Bureau Erfgoededucatie van Cultureel Erfgoed Noord-Holland met o.a. Zaans Museum en De Zaansche Molen in de Zaanstreek

Gemeente Den Helder Het project van Bureau Erfgoededucatie van Cultureel Erfgoed Noord-Holland samen met de onderwijsbegeleidingsdienst in Den Helder

Gemeente Tiel Het project ‘Reizen in de tijd’ van de gemeente Tiel met Tielse culturele instellingen en onderwijsbegeleidingsdienst Marant

Gemeente Den Bosch Het project in de gemeente Den Bosch van Erfgoedhuis Brabant met onderwijsbegeleidingsdienst Giralis

Noord Oost Brabant Het project in Noord Oost Brabant (Boxmeer, Cuijk en omstreken) van kunstencentrum Meander, samen met Erfgoedhuis Brabant en onderwijsbegeleidingsdienst Giralis

Limburg Het project voor het speciaal onderwijs in de regio Venlo van het Limburgs Museum in Venlo

Min of meer gemeenschappelijke kenmerken van de vijftien deelprojecten waren:



  • Er werd samengewerkt tussen diverse erfgoedaanbieders in de regio, zoals (streek)musea, oudheidkamers, historische verenigingen, archieven en monumenten. Soms deden ook bibliotheken en organisaties voor natuur- en milieueducatie mee.

  • Er werd een samenhangend programma van erfgoededucatie voor het basisonderwijs gemaakt, bij voorkeur vastgelegd in een jaarlijks programma (Erfgoedmenu) waarop scholen kunnen intekenen en/of gepresenteerd op een website met allerlei keuzemogelijkheden.

  • De educatieve activiteiten waren niet uitsluitend door de erfgoedaanbieders zelf bedacht, maar in overleg met vertegenwoordigers van het onderwijs (directeuren, interne cultuurcoördinatoren, leerkrachten).

  • De educatieve activiteiten sloten aan bij het onderwijsprogramma van de scholen, door een relatie te leggen met bijvoorbeeld de geschiedenismethodes die worden gebruikt, met de kerndoelen of met andere leergebieden, zoals taalontwikkeling bij kinderen.

  • De scholen schreven zich niet alleen in op de activiteiten, maar ontwikkelden zelf een strategie om het erfgoed in de omgeving van de school te benutten voor het onderwijs. Dat legden ze vast, bij voorkeur in een cultuurbeleidsplan met een aparte paragraaf over het erfgoed.

“Vier jaar geleden wist menig collega geen concreet beeld te visualiseren bij de term ‘cultureel erfgoed’. Nu zijn bepaalde cultureel erfgoedinstellingen in Groningen structureel geïntegreerd binnen het geschiedenislesaanbod en wordt er binnen het CKV-onderwijs regelmatig een BIKker (Beroepskunstenaar In de Klas) uitgenodigd met een kunstproject georiënteerd op het Groninger Cultureel Erfgoed.”


Interne cultuurcoördinator basisschool Groningen

Ondanks deze gemeenschappelijke kenmerken lag in elk deelproject het accent weer anders. In sommige deelprojecten werd veel tijd besteed aan het ontwikkelen van een eigen schoolbeleid voor erfgoededucatie, terwijl op andere plaatsen juist veel energie moest worden gestoken in het opbouwen van een duurzame samenwerking tussen erfgoedaanbieders of tussen scholen en instellingen. Enkele projecten opereerden onder een andere naam dan Erfgoed à la Carte, zoals Echt gebeurd! (Leidsche Rijn), Reizen in de tijd (Tiel), Fivelingo (Noord Oost Groningen) en Een kruiwagen vol omgeving (Hoogeveen).


Bureau ART volgde in opdracht van Erfgoed Nederland vier jaar lang Erfgoed à la Carte. Elk half jaar bracht het bureau rapportages uit over de voortgang, zodat de projectleiding kon bijsturen en de vijftien deelprojecten van elkaar konden leren. Het betrof zowel voortgangsrapportages die bestemd waren voor de projectleiding (en de Adviescommissie Erfgoed à la Carte) als thematische rapportages die vooral waren bestemd voor de deelprojecten. Ook werd een bijdrage geleverd aan het boekje ‘Erfgoed op Tafel’ van Erfgoed Nederland en aan de eindpublicatie van Erfgoed Nederland over Erfgoed à la Carte.
Dit is het eindrapport van Bureau ART over vier jaar Erfgoed à la Carte. In het rapport wordt vooral beschreven welke lessen kunnen worden getrokken uit het project. Ook wordt ingegaan op de effecten van Erfgoed à la Carte voor het onderwijs en voor de (erfgoed)instellingen. Dit is het eindrapport over het project. In het rapport wordt beschreven hoe de evaluatie en effectmeting van Erfgoed à la Carte zijn uitgevoerd en wat de belangrijkste uitkomsten zijn.
In hoofdstuk 2 wordt eerst ingegaan op de conclusies van het onderzoek dat Bureau ART in opdracht van Erfgoed Nederland verrichtte, voorafgaande aan de start van Erfgoed à la Carte1. In hoofdstuk 3 wordt uitgelegd welke methode Bureau ART gebruikte voor de evaluatie van Erfgoed à la Carte en hoe deze praktisch werd uitgewerkt in overleg met de landelijke projectleiding en de deelprojecten. In hoofdstuk 4 wordt uiteengezet wat de uitgangspositie was bij de aanvang van Erfgoed à la Carte; dit gebeurt aan de hand van nulmetingen die werden verricht in enkele van de vijftien deelprojecten bij de start van Erfgoed à la Carte. In hoofdstuk 5 wordt het proces van Erfgoed à la Carte beschreven; daarbij wordt vooral gekeken welke aanpak de vijftien deelprojecten kozen bij de uitwerking van Erfgoed à la Carte in hun eigen gemeente of regio. In hoofdstuk 6 wordt de vraag beantwoord in hoeverre de doelstellingen van Erfgoed à la Carte zijn gerealiseerd; daarbij wordt gebruik gemaakt van eindmetingen die in tien deelprojecten werden uitgevoerd. Tot slot wordt in hoofdstuk 7 kort teruggeblikt op het project als geheel en op de rol van Erfgoed Nederland daarbinnen.

“Het project gaf veel opstartproblemen, omdat je afhankelijk bent van andere mensen en instellingen. We hebben uiteindelijk prachtig materiaal ontwikkeld wat intensief in de bovenbouwgroepen is behandeld en geëxperimenteerd. Het materiaal krijgt waarschijnlijk een vervolg binnen de Vensterwijkpartners. Het zal wijkbreed ingezet worden (bezoekerscentrum, voortgezet onderwijs, bibliotheek, basisscholen, wijkcentrum enz.). Het materiaal van Erfgoed à la Carte is gaan groeien binnen de wijk. Betrokken ouders uit de wijk hebben dit opgepakt en het tijdens de Canonkaravaan gepresenteerd in Hoogezand. We kijken als scholen terug op een waardevol project dat binnen de zeven scholen in Beijum een duidelijke plek heeft gekregen binnen cultuur- en erfgoededucatie.”


Interne cultuurcoördinator Vensterschool Groningen

Verspreid over de tekst van dit eindrapport treft de lezer korte beschrijvingen aan van de vijftien deelprojecten van Erfgoed à la Carte. Ze geven een goede indruk van de diversiteit van de projecten en maken duidelijk op welke (uiteenlopende) wijze Erfgoed à la Carte werd uitgewerkt, afhankelijk van de specifieke lokale omstandigheden. Ze zijn gebaseerd op de evaluatie van de deelprojecten door Bureau ART, inclusief de eindmetingen die eind 2008 bij de meeste van de deelprojecten werden verricht. De beschrijvingen zijn ook opgenomen in de eindpublicatie van Erfgoed Nederland over Erfgoed à la Carte ‘Voorbij Erfgoed à la Carte’2.

Bovendien zijn in kaders opvallende of kenmerkende citaten opgenomen van vertegenwoordigers van scholen en erfgoedinstellingen; deze citaten zijn vooral afkomstig uit de evaluaties en effectmetingen die in de deelprojecten werden verricht.
Parallel aan dit rapport heeft de Universiteit Twente in januari 2009 het rapport ‘De erfenis van vier jaar projecten Erfgoed à la Carte’ uitgebracht. Dit rapport gaat in op de opbrengsten van Erfgoed à la Carte op het niveau van het curriculum en bevat handreikingen voor het integreren van erfgoededucatie in het curriculum van het basisonderwijs3.

Erfgoed à la Carte Amersfoort


Erfgoed à la Carte Amersfoort werd geleid door het Bureau Kunsteducatie in Amersfoort, samen met het Landschap Erfgoed Utrecht. Bureau Kunsteducatie heeft met Scholen in de kunst een aanbod van kunsteducatie voor de scholen in Amersfoort. Samen met het Landschap Erfgoed Utrecht en lokale erfgoedinstellingen als Museum Flehite, het Cavaleriemuseum, Archiefdienst Amersfoort, Kamp Amersfoort en het Mondriaanhuis werden de afgelopen jaren vijf erfgoedprojecten ontwikkeld, die aansluiten bij de behoeften van de scholen.

Om inzicht te krijgen in de rol van erfgoededucatie op de scholen werd eerst een enquête afgenomen bij de tien deelnemende scholen en de culturele instellingen in Amersfoort en werden persoonlijke gesprekken gevoerd met schooldirecteuren en anderen. Op de tien scholen werd gekeken welke visie scholen hebben op leren, welke visie zij hebben op cultuur en de rol van erfgoed in de school en welke wensen zij hadden voor nieuw te ontwikkelen aanbod.

Vervolgens werd een inventarisatie gemaakt van het al bestaande aanbod aan erfgoededucatie in Amersfoort en werd gekeken hoe de lacunes (m.n. in het aanbod voor groepen 1 – 3) in het aanbod opgevuld konden worden. Daartoe werden de vijf nieuwe erfgoedprojecten ontwikkeld en uitgetest op de scholen. De projecten werden uitgewerkt in speciale groepen, met vertegenwoordigers van enkele scholen en een of twee instellingen, begeleid door een medewerker van Bureau Kunsteducatie of Landschap Erfgoed Utrecht. Zo werden er voor groepen 1 en 2 leskoffers gemaakt over het Mondriaanhuis; met deze leskoffers kan de school ook extra aandacht aan taalontwikkeling bij de leerlingen schenken. Voor groepen 3 en 4 kwam er het project ‘Bewaar, spaar en verzamel maar’. ‘Buitenshuis’ is bestemd voor groepen 5 en 6 en biedt leerlingen de gelegenheid het erfgoed in de eigen wijk te ontdekken en te onderzoeken; in dit project staat zelfstandig leren centraal, waarbij een relatie wordt gelegd met 'Topondernemers', een nieuwe methode voor wereldoriëntatie. Voor leerlingen van groep 5 is een leskoffer speciaal over Armando ontwikkeld. Nu het Armandomuseum is afgebrand kunnen de leerlingen toch kennismaken met Armando door een leskoffer die in de klas komt: zij leren over het leven en veelzijdige werk van Armando en maken een eigen museum in de klas. Archiefdienst, Kamp Amersfoort, Bibliotheek en Armandomuseum bedachten tenslotte voor groepen 7 en 8 een project gericht op erfgoed en het nieuwe leren; daarbij staat het beantwoorden van vragen centraal en het opzoeken van informatie (digitaal en bij culturele instellingen) over de vele herdenkingsmonumenten die Amersfoort rijk is.

Alle erfgoedprojecten van Bureau Kunsteducatie en de culturele instellingen in Amersfoort vormen nu een doorgaande leerlijn erfgoededucatie voor het basisonderwijs. Deze leerlijn houdt in, dat er in elk geval voor alle groepen 1 tot en met 8 nu minstens één erfgoedproject beschikbaar is. De projecten kunnen door de docent lesstofvervangend worden gebruikt. Bovendien zijn de projecten zo uitgewerkt, dat ze aansluiten bij de ontwikkelingsfasen van een kind. Ook is er sprake van een zekere ‘stapeling’: bij een project voor een hogere groep wordt voortgebouwd op de kennis en inzichten die in de lagere groepen zijn opgedaan. De vijf nieuwe projecten zijn nu, samen met andere erfgoedprojecten van Bureau Kunsteducatie, beschikbaar voor alle 55 basisscholen in Amersfoort.

Mede door Erfgoed à la Carte is in Amersfoort een netwerk tot stand gekomen van culturele instellingen, met een jaarlijkse Cultuurmarkt voor de scholen en een apart Platform Erfgoededucatie onder leiding van het Archief. Bovendien worden er nu in Amersfoort erfgoedprojecten voor het vmbo gerealiseerd, met de ervaringen uit Erfgoed à la Carte als basis. Maar het is niet gelukt om van de groep scholen die aan Erfgoed à la Carte in Amersfoort deelnam een hecht netwerk te maken. Ook de cultuurbeleidsplannen van de scholen blijven een aandachtspunt; door Erfgoed à la Carte is er wel meer aandacht gekomen voor erfgoededucatie bij de scholen, maar nog steeds wordt in de meeste cultuurbeleidsplannen uitsluitend aandacht aan kunsteducatie geschonken.


  1. De start van Erfgoed à la Carte: het onderzoek ‘Voorbij Leiden’

In opdracht van het Ministerie van OCW en het toenmalige bureau Erfgoed Actueel (later opgegaan in Erfgoed Nederland) voerde Bureau ART in de maanden november en december van 2003 en januari 2004 een inventariserend onderzoek uit voorafgaande aan de start van de ontwikkeling van Erfgoed à la Carte. Het idee voor Erfgoed à la Carte was mede geïnspireerd door het succesvolle Leidse project Museum&School, waarin zeven lokale musea (later aangevuld met het Regionaal Archief) samenwerken in een omvattend educatief programma voor alle groepen in het basisonderwijs in en om Leiden.

Doel van het onderzoek van Bureau ART was te inventariseren welke andere voorbeelden er in Nederland waren van erfgoed- en cultuureducatieprojecten waarbij reeds werd samengewerkt door verschillende musea en/of andere erfgoedinstellingen. Een ander doel was om van deze voorbeelden (inclusief het voorbeeld van Museum&School in Leiden) te leren bij de vormgeving van het landelijke project.

Eerst werd door middel van een quick-scan een globale inventarisatie gemaakt van relevante voorbeelden uit steden en provincies. Daarna werd een selectie gemaakt van tien projecten en activiteiten, verspreid over Nederland, die relevant leken met het oog op het voorgenomen project Erfgoed à la Carte. In de grote steden waren dat de Kunstkijkuren in Amsterdam, het programma Museumbezoek in Rotterdam, de pilot Cultuureducatie in Den Haag, Museum voor de Klas in Utrecht en het Museumproject De Kunst van het Kijken in Groningen. Verder werden de provincies Overijssel, Gelderland, Drenthe, Zeeland en Noord-Brabant geselecteerd om te kijken hoe er werd samengewerkt bij erfgoededucatie. Over alle tien projecten en activiteiten werd informatie verzameld door middel van documentenanalyse, telefonische interviews en face-to-face interviews.


Uit het onderzoek werden conclusies getrokken, die de basis vormden van de verdere uitwerking van Erfgoed à la Carte door de landelijke projectleiding. Hieronder wordt een aantal van deze conclusies weergegeven, om aan te geven vanuit welke ervaringen Erfgoed à la Carte gestalte kreeg.

  • Er bleek al veel op het terrein van erfgoededucatie te gebeuren. In steden als Utrecht, Amsterdam, Rotterdam, Groningen en Den Haag werkten (grotere) musea en andere erfgoedinstellingen al samen bij de ontwikkeling van educatieve programma’s voor het basisonderwijs. Ook in diverse provincies kwam de samenwerking goed van de grond. De diversiteit tussen de projecten was groot.

  • Tegelijkertijd bleek dat er zeker nog veel te verbeteren viel aan de activiteiten, ook in de ogen van betrokkenen zelf. Zo bleken er nog heel veel ‘witte vlekken’ in Nederland te zijn, waar niet of nauwelijks iets gebeurde op het gebied van erfgoededucatie. Ook waren er tal van aspecten aan de bestaande projecten en activiteiten die aanzienlijk verbeterd kunnen worden, zoals de deelname van kleinere musea en erfgoedinstellingen, de kwaliteit van het educatieve aanbod, de onderwijskundige inbedding van erfgoededucatie en het gebruik van moderne, interactieve media.

  • Een model van samenwerking zoals in Leiden toegepast, bleek een bijdrage te kunnen leveren aan de aanpak van deze knelpunten, zeker vanuit de optiek van de scholen en de kleinere erfgoedinstellingen. Het ‘Leidse model’ heeft als voordeel dat ook kleinere musea (en andere erfgoedinstellingen) de mogelijkheid krijgen om zich (met beperkte inzet) op het onderwijs te richten, doordat zij zich kunnen concentreren op één groep in het basisonderwijs. Een ander voordeel is dat het aanbod van erfgoededucatie wordt gebundeld in één samenhangend programma voor het onderwijs en er zo voor scholen één loket ontstaat.



  • Het nadeel van het ‘Leidse model’ is dat scholen een kant-en-klaar menu krijgen aangeboden; dit stimuleert eerder aanbodgericht werken door de scholen dan vraaggericht werken en biedt weinig mogelijkheden tot maatwerk. Een ander nadeel is dat een samenwerkingsmodel weinig meerwaarde heeft voor grote musea die reeds over uitgebreide educatieve programma’s beschikken voor allerlei groepen in het primair onderwijs (zij moeten zich immers gaan richten op slechts één groep in het basisonderwijs).

  • Uit het onderzoek bleek ook, dat het ‘Leidse model’ vooral kan worden toegepast in steden met een grote variëteit aan musea of andere erfgoedinstellingen. In de overige gemeenten en provincies kan het model alleen worden toegepast op het niveau van een regio of provincie, waarbij bezoek aan enkele bekende musea of ander erfgoed in de provincie wordt gecombineerd met lokaal erfgoedaanbod tot een samenhangend cultuur- en/of erfgoedmenu.

  • In de tien onderzochte projecten werd samengewerkt met of tussen lokale of regionale erfgoedinstellingen. Het meest gebeurde dat met (lokale) musea, in enkele gevallen ook met archieven, historische verenigingen, bibliotheken e.d. De intensiteit van de samenwerking verschilde, maar bestond doorgaans uit een gezamenlijk overleg dat een structureel karakter droeg. In de meeste van de tien onderzochte projecten was er bovendien een zekere betrokkenheid van een instelling voor cultuureducatie of kunstzinnige vorming.

“Veel erfgoedinstellingen werken met vrijwilligers. Van vrijwilligers kan je minder vragen. Vrijwilligers zijn vaak heel goed in het vertellen van hun eigen verhaal, maar kunnen minder makkelijk inspelen op vragen vanuit het veld. Je merkt een groot verschil wanneer er educatieve medewerkers zijn.”


Interne cultuurcoördinator basisschool



  • Het onderzoek concludeerde dat er in grote lijnen drie modellen van samenwerking tussen erfgoedinstelling(en) en instelling voor cultuureducatie/ kunstzinnige vorming denkbaar zijn, die ook alle drie in de praktijk bleken voor te komen:

    1. De (provinciale) instelling voor kunst&cultuur(educatie) neemt in haar Kunstmenu een aparte discipline of een apart onderdeel Erfgoed op;

    2. Aan het Kunstmenu (of programma met kunsteducatieve activiteiten) wordt een apart programma voor museumbezoek (erfgoedbezoek) toegevoegd, dat is uitgewerkt in samenwerking met musea en andere erfgoedinstellingen; samen kunnen Kunstmenu en Erfgoedmenu een Cultuurmenu – gaan – vormen, dat geïntegreerd aan het basisonderwijs wordt aangeboden;

    3. Er is alleen incidenteel overleg. Het programma voor museumbezoek of erfgoedbezoek staat los van de Kunstmenu’s; informatie over het programma wordt apart aan scholen gecommuniceerd.

  • De meeste van de onderzochte projecten werden gefinancierd door de gemeente of provincie, vaak met inzet van middelen uit het Actieplan Cultuurbereik. Soms werd de subsidie aangevuld met externe fondsen of lokale sponsors. Daarnaast vond indirecte financiering plaats door de deelnemende erfgoedinstellingen, door inzet van hun staf of door gratis entrees of verlaagde entreegelden. In vrijwel alle gevallen betaalden de scholen een eigen bijdrage voor deelname aan het educatieve programma. Meestal was dat een bedrag per leerling, soms een bedrag per groep. De eigen bijdragen voor de scholen kwamen soms overeen met de bijdrage van een school aan een (lokaal) kunstmenu of werden uit de lokale middelen voor het kunstmenu onttrokken.

Erfgoed à la Carte Overijssel


In Overijssel speelde Erfgoed à la Carte zich af in drie regio’s: Wijhe/ Olst, Nijverdal/ Hellendoorn en Steenwijkerland. Er deden in totaal negen scholen voor basisonderwijs aan mee. Het werd begeleid door de provinciale instelling Kunst&Cultuur Overijssel (KCO).

Als eerste stap schreven de negen scholen een cultuurbeleidsplan, begeleid door medewerkers van KCO. KCO zorgde daarbij voor een vragenlijst over erfgoed; door het invullen van deze vragenlijst ontstond bij de scholen inzicht in de huidige en de gewenste situatie wat betreft het gebruik van erfgoed in het onderwijs. Ook werden er inspirerende voorbeeldplannen aan de scholen gegeven. In de cultuurbeleidsplannen van de scholen wordt nu expliciet aandacht besteed aan erfgoed.

Daarna maakte KCO een uitgebreide analyse van de methoden voor aardrijkskunde en geschiedenis die op de scholen worden gebruikt. Voor aardrijkskunde werden methoden als Geobas en Wijzer door de wereld, Wereld van verschil en De grote reis, Land in zicht en De wereld rond bestudeerd. Voor geschiedenis waren dat methoden als Wijzer door de tijd, Bij de tijd en Een zee van tijd. Uit de analyse van de geschiedenismethoden bleek bijvoorbeeld dat in groep 1-2 in elke methode aandacht wordt besteed aan thema’s als ‘mijn familie’ en ‘mijn buurt’. In groep 6 worden meestal de prehistorie, de Romeinen en de vroege middeleeuwen behandeld, in groep 7 de Gouden Eeuw. Deze methodenanalyses werden door KCO ook ter beschikking gesteld aan andere projecten van Erfgoed à la Carte.

Vervolgens werden bijeenkomsten belegd waarin scholen en instellingen afspraken konden maken over erfgoedprogramma’s. Zo maakten leerkrachten in Wijhe/ Olst een excursie langs het erfgoed in de regio, om te kijken hoe dit een rol kon spelen in hun onderwijsprogramma. Daarop werden samen met het plaatselijk museum, de bibliotheek en de Stichting IJssellinie onderwijsprogramma’s gemaakt. Ook werd er een project over de bijzondere boerderijen in de regio, de IJsselhoeven, ontwikkeld. In Nijverdal werd een programma uitgewerkt over de Tweede Wereldoorlog, in samenwerking met Herinneringscentrum Kamp Westerbork. In totaal werden er in alle drie gemeenten drie onderwijsproducten voor erfgoededucatie ontwikkeld: één voor de onderbouw, één voor de middenbouw en één voor de bovenbouw. Bovendien kwam er een overkoepelend project over havezaten tot stand. De projecten werden ontwikkeld in speciale ontwikkelgroepjes, bestaande uit een vertegenwoordiger van het onderwijs, een of meer vertegenwoordigers van de instellingen en een begeleider van KCO. De ontwikkelde projecten zijn nu opgenomen in het jaarlijkse programma van cultuureducatie voor alle scholen in de drie gemeenten. Bovendien zijn zij overdraagbaar naar andere gemeenten.

Uit de eindevaluatie bij de scholen blijkt, dat deze unaniem vinden dat Erfgoed à la Carte heeft gezorgd voor een betere benutting van het erfgoed in de omgeving voor het onderwijs. De kinderen vonden het leuk om met de projecten te werken. Ook heeft Erfgoed à la Carte volgens hen gezorgd voor betere contacten met erfgoedinstellingen en spelen deze instellingen nu beter in op de wensen en behoeften van de scholen. Alle scholen hebben de indruk dat erfgoededucatie de laatste jaren meer zichtbaar is geworden in hun gemeente. Wel geven sommige contactpersonen van de scholen aan dat het lastig is de inzichten inzake erfgoededucatie die zij hebben opgedaan met Erfgoed à la Carte over te dragen aan de rest van het team.

Ook de instellingen kijken positief terug op Erfgoed à la Carte, ondanks dat deelname relatief veel tijd en energie heeft gekost. Zij hebben volgens eigen zeggen dankzij Erfgoed à la Carte beter inzicht gekregen in de wensen en behoeften van de scholen. Ook is er een betere samenwerking tussen de lokale instellingen ontstaan, mede doordat in Steenwijkerland en Olst-Wijhe de gemeente extra subsidie verstrekte.




  • In sommige projecten was het bezoek aan musea gratis; dit was het gevolg van lokaal beleid om de scholen gratis toegang voor deze musea te geven. Soms vormden de gratis entrees in feite een (gedeeltelijke) kostenpost voor de musea. In de andere projecten moest de school per leerling of per groep een gering bedrag als entree betalen, doorgaans zo’n 1 tot 2 euro per leerling, of voor de rondleiding (prijs per groep). Uit het onderzoek bleek dat deze entreegelden echter nooit een belemmering vormden voor scholen om deel te nemen.

“We gingen vroeger met de klas ook best eens naar de moskee of het museum, maar nu doen we dat beter voorbereid, door de lesbrieven en leskisten. Dan haal je meer uit zo’n bezoek. Vroeger hing het van het initiatief af van de individuele docent, nu doet het hele team mee. Dat komt ook door het goede materiaal en de organisatie: de afspraken zijn al gemaakt voor je, je hoeft alleen de avond tevoren even te lezen wat er van jou verwacht wordt.”


Leerkracht basisschool Tiel over ‘Reizen in de tijd’, het project Erfgoed à la Carte in Tiel



  • Alle tien projecten/activiteiten die werden onderzocht kenden een vorm van centrale coördinatie. Meestal was deze coördinatie in handen van (een medewerker van) de lokale culturele instelling of provinciale steunfunctie, soms in handen van de onderwijsbegeleidingsdienst, of van een medewerkster van de gemeente. De coördinatie was vooral organisatorisch en logistiek van aard. Daarnaast vond er in de meeste projecten/activiteiten enige inhoudelijke coördinatie plaats. Dit hield meestal in, dat de projectcoördinator regelmatig overleg voerde met de educatieve medewerkers van de musea/erfgoedinstellingen en afspraken maakte over de verdeling van de activiteiten over de verschillende groepen. Ook stimuleerde de projectcoördinator soms de educatieve medewerkers zich in de Kerndoelen en lesprogramma te verdiepen van de groepen die zij ontvingen. De ambitie van de onderwijsbegeleidingsdiensten ging een stap verder; zij probeerden het project ook inhoudelijk zodanig te coördineren, dat het aansloot bij de onderwijsprocessen in de school.

  • In de meeste van de beschreven projecten werd er samengewerkt met de scholen. Meestal betrof het een open aanbod voor alle scholen. In termen van de scenario’s uit het rapport ‘Hard(t) voor cultuur’ was er desalniettemin meestal – mede op verzoek van de scholen zelf - sprake van een situatie die het meest leek op (een combinatie van) de scenario’s 1 (‘Komen en Gaan’) en 2 (‘Vragen en aanbieden’). Scenario 3 ( ‘Leren en ervaren’) kwam hooguit in aanzet voor in de projecten met sterke betrokkenheid van een onderwijsbegeleidingsdienst.

  • Er was in het kader van de tien beschreven projecten (en ook daarbuiten) al veel lesmateriaal ontwikkeld op het terrein van erfgoed, meestal in de vorm van lesbrieven, boekjes en leskoffers. Doorgaans betaalden de scholen een kleine bijdrage voor dit materiaal of voor het lenen van een leskoffer of leskist. Succesfactoren voor het gebruik van dit materiaal bleken: beknoptheid, aantrekkelijke lay-out en praktische opdrachten die kinderen aanspreken.




  • Er was in geen enkel project sprake van een ‘doorgaande leerlijn’. In Rotterdam, Den Haag (pilot) en Utrecht was, net als in Leiden, wel een verdeling gemaakt zodanig dat elke leerling gedurende de schoolloopbaan in het primair onderwijs kennismaakte met alle belangrijke musea of erfgoedinstellingen in de gemeente. In de projecten die door onderwijsbegeleidingsdiensten werden begeleid werd getracht de erfgoedprojecten te laten aansluiten bij de onderwijskundige visie van de school en de vernieuwingsprocessen die zich in de scholen afspelen. Ook werd gestimuleerd dat scholen een eigen visie ontwikkelen op de plaats van cultuureducatie (en daarmee erfgoededucatie) binnen de school. Voor het overige werd er in de projecten vooral verwezen naar de Kerndoelen en naar thema’s die in een bepaalde groep worden behandeld. Ook probeerde men in de meeste projecten het bezoek aan een erfgoedinstelling in te bedden, door deze vooraf te laten gaan door een voorbereidingsles en af te sluiten met een verwerkingsactiviteit.

  • In de tien onderzochte projecten bleef het gebruik van ‘moderne media’ meestal beperkt tot informatieverstrekking over het project op de website van bijvoorbeeld de lokale of provinciale culturele instelling. Bij enkele projecten waren websites ontwikkeld die ook inhoudelijke informatie gaven over geschiedenis en cultuur, of die konden dienen als platform voor het uitwisselen van bijvoorbeeld werkstukken.

“We hebben door Erfgoed à la Carte beter inzicht gekregen in de wensen en behoeften van scholen. Dat geldt met name de nu meer gevoelde eisen op didactisch terrein. Maar voor onze vrijwilligers die de klassen ontvangen is het niet zo eenvoudig hier adequaat mee om te gaan. Dat is een ontwikkelproces dat binnen de organisatie soms stroef verloopt binnen de onderlinge inhoudelijke opvattingen.”


Directeur erfgoedinstelling Zaanstreek

Op basis van deze (en andere) conclusies werkte de landelijke projectleiding van Erfgoed à la Carte (in eerste instantie Karin Kievit en Cees Hageman, later Cees Hageman en Elisabeth Wiessner) de opzet van Erfgoed à la Carte verder uit. Zo werd het ontwikkelen van een doorgaande leerlijn een kernpunt in de aanpak. Ook werd veel nadruk gelegd op het ontwikkelen van een visie op erfgoededucatie door de school zelf en op de versterking van de samenwerking tussen lokale erfgoedaanbieders, met name de kleinere instellingen. De voorgestelde aanpak en de doelstellingen gingen op sommige aspecten veel verder dan het ‘Leidse model’.


Ook schreef Bureau ART op basis van het onderzoek een ‘Handreiking Projecten Erfgoed à la Carte’4. Deze handreiking was bedoeld voor degenen die er over dachten een aanvraag in te dienen voor Erfgoed à la Carte. In deze handreiking werd o.a. ingegaan op de noodzakelijke betrokkenheid van de scholen, de mogelijke rolverdeling in een samenwerkingsverband en de onderwijskundige inbedding van erfgoededucatie.
Erfgoed à la Carte Amsterdam
In Erfgoed à la Carte in Amsterdam werd onder leiding van de onderwijsbegeleidingsdienst ABC Onderwijsadviseurs samengewerkt tussen een aantal musea, zoals het Amsterdams Historisch Museum, het Tropenmuseum, het Van Gogh Museum, het Theater Instituut Nederland, het Filmmuseum, Museum ’t Schip en het Stedelijk Museum. Vaak hadden deze instellingen al eigen programma’s voor het onderwijs, maar dankzij Erfgoed à la Carte is er een samenhangende ‘Menukaart Erfgoed à la Carte’ samengesteld met verschillende activiteiten voor onderbouw (groepen 1, 2 en 3), middenbouw (groepen 4, 5 en 6) en bovenbouw (groepen 7 en 8). Het aanbod wordt op basis van de Kerndoelen bijgesteld en gestructureerd rond verschillende thema’s. Die thema’s zijn ‘spel’, ‘familie’ en ‘muziek&beweging’ voor de onderbouw, ‘verhalen’, ‘de stad’ en ‘terug in de tijd’ voor de middenbouw en ‘wereldstad’, ‘vroeger en nu’ en ‘verandering’ voor de bovenbouw. Per bouw kunnen de scholen kiezen uit een van deze drie thema’s. Elk thema bevat bezoeken aan enkele instellingen. Minder bekende instellingen liften zo als het ware mee op de bekendheid van het aanbod van gevestigde musea als het Van Gogh Museum.

Om de kwaliteit van het aanbod te bewaken, werden er door ABC Onderwijsadviseurs handleidingen en checklists voor de instellingen opgesteld. Nieuwe instellingen hebben zich inmiddels alweer bij de samenwerking aangesloten, zoals het Fotografie Museum Amsterdam, het Scheepvaartmuseum, het Joods Historisch Museum, het Bijbels Museum en het Persmuseum. Toch doen er naast de musea geen andere erfgoedinstellingen mee; daarmee is Erfgoed à la Carte in Amsterdam eerder een museumprogramma dan een erfgoedprogramma geworden.

Taal vormt de rode draad in al het aanbod. Daartoe heeft ABC Onderwijsadviseurs een checklist gemaakt ten behoeve een doorgaande lijn Taal binnen het educatief aanbod van de erfgoedinstellingen. In de checklist wordt aandacht besteed aan het stellen van vragen, verschillende typen vragen en het aanleren van (nieuwe) woorden tijdens een les of een bezoek aan een museum.

Er doen nu zo’n twintig scholen mee aan Erfgoed à la Carte, minder dan tien procent van alle basisscholen in Amsterdam. Het blijkt in de praktijk lastig om het aantal deelnemende scholen uit te breiden, terwijl dit voor de musea (m.n. de grotere) juist erg belangrijk is.

Uit een onderzoek bij de scholen bleek dat de deelnemende scholen over het algemeen tevreden waren over het aanbod van Erfgoed à la Carte. Vrijwel alle scholen wilden dat Erfgoed à la Carte de komende jaren doorgaat. Naast de Kunstkijkuren neemt Erfgoed à la Carte in Amsterdam een unieke positie in; er is wel veel educatief aanbod van culturele instellingen, maar er zijn geen samenhangende programma’s, die dit aanbod structureren. Door een totaalaanbod voor alle groepen, zoals bij Erfgoed à la Carte, gaan alle leerkrachten van een school een keuze maken en blijft bezoek aan een culturele instelling niet beperkt tot een selecte groep van enthousiaste leerkrachten.

De meeste scholen gaven wel aan de gekozen menustructuur als knellend te ervaren en pleitten voor een flexibilisering, zodat zij het aanbod beter konden afstemmen op de thema’s die in de school spelen.

Uit een onderzoek bij de deelnemende musea kwam naar voren, dat de musea over het algemeen tevreden waren over de inhoud van het programma en de samenstelling van het menu. Kleinere musea vonden het positief dat zij door samenwerking met andere musea hun aanbod onder de aandacht kunnen brengen van de basisscholen. Ook wilden sommige musea door deelname aan Erfgoed à la Carte leren van andere instellingen. Er bleek echter teleurstelling bij de meeste musea over het geringe aantal inschrijvingen van de kant van de scholen.

Het is nog zeer onzeker of Erfgoed à la Carte in Amsterdam op de een of andere wijze wordt gecontinueerd. Voor de (grotere) musea heeft continuering alleen zin als er een forse inspanning wordt geleverd om het aantal deelnemende scholen drastisch uit te breiden. Maar ABC Onderwijsadviseurs wil het programma alleen continueren, wanneer daarvoor voldoende financiële middelen beschikbaar zijn.



  1. De opzet van de evaluatie

Al bij de start van Erfgoed à la Carte werkte Bureau ART een voorstel uit voor de aanpak van de evaluatie. Immers, voor een goede projectevaluatie is het belangrijk dat al vanaf het eerste begin duidelijk is welke informatie door wie op welk moment moet worden verzameld, om straks te kunnen beoordelen in welke mate de doelstellingen zijn bereikt en welke lessen uit het project kunnen worden getrokken. In dit hoofdstuk wordt ingegaan op de aanpak van de evaluatie van Erfgoed à la Carte. Eerst worden in paragraaf 3.1 de doelstellingen van Erfgoed à la Carte beschreven; deze vormen immers altijd de basis van een projectevaluatie, omdat de kern van een evaluatie besloten ligt in de vraag in welke mate is bereikt wat men bij aanvang voor ogen had. Vervolgens worden in paragraaf 3.2 twee modellen van evaluatie naast elkaar gezet en aangegeven waarom in overleg met Erfgoed Nederland voor een van deze twee modellen werd gekozen. Daarna wordt aangegeven hoe dit model voor Erfgoed à la Carte in de praktijk werd uitwerkt.




    1. De doelstellingen van Erfgoed à la Carte





  1   2   3   4   5


De database wordt beschermd door het auteursrecht ©opleid.info 2017
stuur bericht

    Hoofdpagina