Erik Wauters Hels Weekend



Dovnload 0.51 Mb.
Pagina1/15
Datum22.07.2016
Grootte0.51 Mb.
  1   2   3   4   5   6   7   8   9   ...   15

Erik Wauters


Hels Weekend

Dit verhaal komt uit lang verleden tijd, toen er nog geen gsm of computer bestond.

Nu kan dit niet meer gebeuren…???

Ik heb het opgeschreven speciaal voor Nico en Arno en Toon en Bob en Louis en Rik en Jules.

Maar Sammeke en Julieke en Marieke en Charlotje en Katootje mogen het ook lezen…

Inleiding.

1969. Op 16 januari, in Praag op het Wenceslas plein, steekt Jan Palach zich in brand als protest tegen de bezetting van zijn land door de landen van het Warschaupact, zeg maar: Rusland.

1970. In Groot-Brittannië worden op geheime locaties proeven gedaan met stralen, die massaal energie kunnen overbrengen. De bedoeling is om dwars doorheen gebouwen de levende organismen te treffen en te beschadigen of te vernietigen.

1971. Hoe geheim ook, alle landen, zowel aan westerse zijde als aan de andere kant van het ijzeren gordijn, hebben signalen opgevangen over deze proeven.

De koude oorlog woedt in alle hevigheid. Spionnen worden ontmaskerd tot in de hoogste kringen van het Engelse establishment. Daaraan verbonden ruige seksschandalen worden openbaar gemaakt en breed uitgesmeerd in de pers.


1972. Het spionagebedrijf wordt zo omvangrijk, dat ook burgers, tegen betaling, worden ingeschakeld. Er ontstaan cellen, onafhankelijk van elkaar, die uit winstbejag of idealisme meewerken aan die ondergrondse oorlog. De diensten van de staatsveiligheid draaien overuren.
1973. In Birmingham verdwijnen ‘ultrageheime’ rapporten over de ‘ultrageheime’ proeven met de stralenwapens.

In de haven van Antwerpen helpt Lievens enkele kisten laden op een kleine vrachtwagen met Nederlandse nummerplaat.


1.
Donderdag, acht juni.

Nog voor hij de Slachthuislaan indraaide wist hij het al: ze hadden allemaal gewacht tot hij in zijn auto stapte om dan precies hetzelfde te doen. Konden ze niet eerst ergens een pint drinken voor ze naar huis reden, al die kantoorslaven. Hier kropen ze nu, bumper aan bumper, druk bezig het benzine­verbruik op peil te houden.

‘Na een hele dag slappe kantoorgeur van gekoelde stofzuigerlucht, de pittige uitwerpselen van ingeblikte paardenkracht.’ dacht hij ironisch.

Hij liet zich wat onderuit zakken.

‘Lukt het niet in drie keer, dan maar in vier keer.’

Het werd vijf keer oranje-rood-groen voor hij het kruispunt aan de Dam voorbij was. De vinger op de radiotoets wachtte hij grijnzend tot de glibberige smartlap het refrein begon: ‘tranen als parels in ‘t blauw van haar o…’ De vinger schoot vooruit, recht in de blauwe ogen.

‘Hebbes! Nu moet hij maar zingen van blinde ogen.’

Zijn barbaarse wreedheid bezorgde hem een kriebeling van genot en hij liet zich wat dieper onderuit zakken. Met onduidelijk gebrom en enig vingerwerk begeleidde hij Fats Domino die op de andere zender Blueberry Hill aanprees.

Lievens had er een drukke dag aan de haven opzitten. Niets bijzonders, geen speciale moeilijkheden, alleen druk. Maar daar had hij geen last van, hij was zelf een stukje van die wereld. Het trage verkeer liet zijn gedachten afdwalen naar zijn voorbije werkdag, naar vorklift 14 die nogal snel oververhit raakte, ‘ofwel ligt het aan de zware voet van de chauffeur.’

‘...een zegsman bij het ministerie van buitenlandse zaken gaf als zijn mening te kennen...’

‘Zegsman, zegsman, kletskous zeker!’ Hij zette de radio af, nieuwsberichten interesseerden hem maar matig. ‘Toch hetzelfde als vorige maand,’ dacht hij, ‘alleen de plaatsen en de namen veranderen.’

Schoten links voorsorteren.

Hij sloot zich aan bij de lange rij wachtenden. In de verte sprong het licht op groen, maar waar hij stond schoven de auto’s slechts vooruit bij alweer rood.

Weer flitste het werk aan de haven door zijn hoofd. Hij dacht terug aan die vreemdeling, een Hollander. Kwam vanmiddag drie kisten afhalen op kaai 109.

‘Die zal ook tevreden zijn over zichzelf!’ Hij lachte.

Juist voor het verkeerslicht rood opgloeide schoof de rij auto’s wat vooruit. Stoppen.

‘Eerst geeft hij een bovenmaatse fooi aan een dokwerker om de twee grote kisten te helpen laden en vergeet daarna toch wel het kleine kistje zeker! Goed dat ik het wat aan de kant gezet heb anders kon hij maandag de brokstukken bij elkaar vegen. Och ja, het is nog al gebeurd: veel moeite verkopen om een volumineus stuk er in te krijgen, eens proberen of de deur wel dicht kan, even duwen, ja, hopla, deur is dicht, - dat heb ik nu eens goed gedaan zie - en wegwezen… Het kleine pakje blijft achter.’

De auto’s schoven vooruit, groen, oranje, r… Bengelend aan de staart slingerde hij zich achter de groep aan, voor de neus van een hitsige tegenligger. Glimlachend ving hij het beeld op van een woest tegen de slaap draaiende vinger.

‘So sorry my dear. En let maar op dat hij er zich niet in boort!’

Hij schonk de verontwaardigde chauffeur nog een brede grijns en het gezicht dat die trok deed hem onwillekeurig terugdenken aan de Hollander. Die zou op dit ogenblik ook wel met beteu­terd gezicht naar de twee kisten staan gapen. Lievens had er schik in en kon zich dat toneeltje zeer levendig voorstellen, het kletterende gevloek inbegrepen, wanneer het tot diens ver­stand zou zijn doorgedrongen dat het kleine kistje stomverge­ten ergens op de kade in Antwerpen stond.

Het verkeer was minder dicht nu, het rijden liep vlot – het paard riekt zijn stal - de spanning en zorg van de voorbije dag gleden van zijn schouders. Hij was klaar om zich blijmoe­dig te kunnen onderdompelen in het rumoer van de kinderen als hij straks thuis komt.

Grinnikend stuurde hij de auto de straat in waar hij woonde.

‘Vijf kinderen en een vrouw, zes personen ten laste. Brrrr!’ Een stille laan, kinderen, stukjes bos en struiken, vriende­lijke villa’s in het groen. Af en toe enkele ruiters of de auto van een inwoner. En soms, vroeg in de morgen op weg naar het werk, zag hij reeën grazen op de gazons rond de huizen.

‘We zitten hier goed,’ dacht hij, ‘geen fabrieksrook en ver van stadsrumoer. Wat kan ons hier gebeuren!’

Hij naderde zijn huis en in gedachten zag hij zijn vrouw, Hilde, aan de kookpot in de keuken. Glimlachend liet hij de kleine Tina aan haar rokken hangen.

‘Mama, waar is papa, papa moet nog met mij spelen, papa moet komen.’ Wanneer hij dan binnenkwam moest hij de kleine dwinge­land boven zijn hoofd steken - tot aan de lucht! - voor hij zijn vrouw een zoen kon geven.

Tevreden met zichzelf en heel de wereld mikte Peter Lievens de brede Chevrolet de garage binnen. Ergens in zijn achter­hoofd rekende hij reeds op nog een dagje werken en dan twee vrije weekenddagen! De week zat er omzeggens op.

2.
Donderdag, acht juni.

Omstreeks dezelfde tijd dat Lievens thuis kwam zocht de chauffeur van een vrachtwagentje met Nederlands kenteken zich aarzelend een weg door de voorsteden van Luik. Een zucht van verlichting ontsnapte zijn lippen toen hij eindelijk het naambordje vond: rue Blaise. Nu nog het steegje vinden dat achter enkele huizen zou doorlopen… Inderdaad, het klopte, helemaal zoals hem gezegd was.

De rue Blaise te Luik is een troosteloze verzameling huizen die de pensioengerechtigde leeftijd al lang voorbij zijn. Een grauwe straat, halverwege gevlekt door overjarige sigarettenreclames aan een verkankerd tabakswinkeltje. Op de huisnummers na, allemaal dezelfde gevels.

In een smoezelige achterkeuken trachtten drie mannen de eentonigheid van urenlang wachten te verdrijven.

Twee speelden kaart. De derde bracht zijn tijd door met het gade slaan van de kaarters en turen naar het scheefgezakte poortje achter in de tuin. Hij hield van tuinieren en daarom deed het hem pijn aan de ogen te zien hoe dit stukje grond erbij lag. Eigenlijk kon je van de grond niet veel bemerken want die was overwoekerd met onkruid en een paar verwilderde struiken

Hij was een man van veertig, vijftig jaar, onopvallend uiterlijk, het grijzend haar wel zeer strak gemillimeterd. Hij was een van die mannen die er steeds uitzien alsof ze pas geschoren zijn. De kleren droeg hij keurig in orde, niet te oud of te nieuw of te arm of te duur, netjes afgeborsteld en in de plooi waar het moest. Een degelijke man van zekere rang in een degelijke zaak. Mis­schien hing zijn rechter vestzak wat door maar dat kon hij niet verhelpen.

Daar droeg hij zijn revolver.

Want hij was een huurling.

Hij wendde de ogen af van het mistroostige tuintje en liet ze rusten op zijn metgezellen, huurlingen zoals hij, maar iets goedkoper…

‘Precies twee doggen,’ dacht hij, ‘zwaar in het vlees en met een platte snuit. Gelukkig zijn ze beter af te richten’

Hij sloot even de ogen. Als kleine jongen had hij zich reusachtig vermaakt met de dog van een buurman. Sleuren, vechten, rennen, elkaar onderste boven lopen, hoe wilder hoe liever… Alles was best, dat beest vond alles reuzeleuk. Maar gehoorzamen aan een bevel deed hij nooit. Roepen of vleien hielp niet, nog geen pootje kon je krijgen als het hem niet zinde, maar op het meest onverwachte moment kwam hij zeven keer na elkaar zijn poot presenteren…

Motorgeronk klonk op vanuit het achterliggende steegje. Met een ruk van het hoofd spitste het drietal de oren.

‘Daar is hij!’

Het aanzwellend nijdig brommen hield stil achter het poortje en als de weerlicht haastte zich een der kaarters naar buiten, liet een bestelwagentje binnen en schoof daarna de grendel terug op de poort.

De voerder stapte uit, rekte zich even en toen hij de man zag achter het raam stak hij de duim op. OK!

Hij sloot het wagentje zorgvuldig af en spoedde zich naar binnen, recht naar de man met het korte haar.

‘Asjeblieft! Hier heb je de sleutels terug.’ Hij glimlachte breed. ‘Het was kinderspel. Ik heb eerst wel moeten rond zoeken in de haven en heb wat tijd verspeeld voor ik kaai 109 gevonden had, maar dan ging het vlot. Ik gaf mijn papieren en vijf minuten later zaten die kisten al in de camionette. We hebben wel wat moeten wringen want het was maar nipt voor de plaats. Maar dat mag geen punt zijn. Niemand heeft mij verder iets gevraagd. Als je mij nog eens nodig hebt weet je me maar te vinden. Voor zulk werk sta ik altijd ter beschikking.’

De grijze onderbrak hem met een handgebaar.

‘Benzine?’

‘Zoals je het gezegd hebt. Volgetankt, vlak voor het bin­nenrijden van Luik.’

‘Goed. Je blijft binnen in dit huis, zonder je te laten zien op straat. Je kunt hier slapen en Karl zal je wel iets te eten geven.’

‘Hoelang moet ik hier wachten?’

‘Tot het spul is afgeleverd. Morgenvroeg, acht, negen uur hooguit.’

‘Krijg ik dan ook mijn geld?’

‘Als alles in orde is zal ik iemand sturen en die handelt alles af.’

Alsof de andere verder lucht was voor hem draaide de grijze zich bruusk om naar de kaarters, die er nu onverschillig bij zaten.

‘Karl, jij blijft bij onze vriend, je hebt gehoord wanneer hij weg kan. Ik ga nu een paar uur slapen. Roep mij om acht uur.

En jij, Jurgen, je zou er goed aan doen ook wat te gaan pitten. We hebben een lange nacht voor de boeg.’ Hij wendde zich weer naar Karl terwijl hij een vinger op de nieuwkomer, de chauffeur, richtte. ‘En denk er aan, geen vuur of licht. Dit huis schijnt onbewoond voor de buitenwereld en zo moet het blijven!’
De Hollander hield zich gedeisd in zijn hoekje achter de kachel met roestige dekplaat. Hij zat diep genesteld in de enige zetel maar kon zich niet echt ontspannen. Hij voelde een lichte opwinding zich van hem meester maken. Reeds meer dan een uur zaten ze daar in de kleine achterkamer en Karl had nog geen mond opengedaan. Onafgebroken zat hij weekbladen te lezen die al maanden oud waren. Elke vraag van de Hollander werd afgedaan met een gebrom. Hij voelde donders goed dat dit niet zomaar een gewone smokkelbende was. Hij had al heel wat duistere zaakjes meegemaakt, maar dit soort mannen was nieuw voor hem.

Die grijze bijvoorbeeld had het hier duidelijk voor het zeggen en toch schenen de anderen hem nauwelijks te kennen. Het zag er allemaal goed georganiseerd uit, wellicht interna­tionaal vertakt. Die Karl en zijn maat waren door de grijze of diens chef uitsluitend voor deze zaak gecharterd, net als hijzelf. Ze waren gewapend, dat hield hij nu wel voor zeker. Want toen Karl zich bukte om een magazine van de grond te pakken sloeg zijn vestzak zwaar op de tafelrand. Maar meer nog dan de doffe slag had de seconden lange gemelijke blik uit de koude ogen hem gewaarschuwd. Gelukkig had hij zich niet verra­den en blijkbaar gerustgesteld had Karl zijn lectuur hernomen.

‘Een professional,’ noteerde de Hollander, ‘zulke lui lopen er niet mee te koop dat ze gewapend zijn, die staan niet blufferig te zwaaien met hun revolver.’ Nu ja, het zou hem een zorg zijn, vroeger had hij ook wel eens met een blaffer rond­gezeuld, zo vies was hij daar niet van. Voor zijn huidige job hoefde dat niet. Als hij morgen zijn centen maar kreeg, dan kon hij weg.

Karl wierp zijn laatste magazine bij de hoop en begon water te warmen op een spiritusvuurtje om koffie te zetten. Dan riep hij de slapers naar beneden en na een staand opgeslurpte koffie vertrokken ze met de bestelwagen.

Jurgen zat aan het stuur, de oude ernaast, diep weggedoken in zijn jaskraag, onverschillig voor waar ze langsreden of voor het verkeer. De autosnelweg Luik-Aken lag bijna verla­ten. Enkele kilometers voor de Duitse grens verliet Jurgen de snelweg langs de achterzijde van een parkeerplaats om op een landweg terecht te komen. Honderd meter verder bereikten ze een asfaltbaan die ze suizend onder hun wielen lieten wegschuiven. Weinig kilometers later sloeg de camionet­te zonder aarzelen een bosweg in. De lichten gedoofd reden ze de eerste meters bijna tastend, tot hun ogen aan de duisternis gewend waren. Dan ging het in gezapig tempo verder, linksaf, rechtsaf, enkele tientallen meter gebruikten ze zelfs de droogstaande bedding van een riviertje. Aarzelen was er niet bij. En opeens waren ze weer op asfalt. Ze strekten rug en nek, de grens was genomen. De koplampen gingen weer aan en lieten een verkeersbord oplichten: Schmidt 12 km. Ze wissel­den van plaats, Jurgen had zijn taak volbracht.

Schmidt, Nideggen. Terug de Autobahn op. Frankfurt, Ulm en eindelijk Munchen.

3.
Vrijdag, negen juni.

De Schoneckestrasse in Munchen heeft niets meer dat haar recht geeft op die naam. Wat overblijft aan oude herenhuizen werd gelijkvloers verbouwd tot winkel of garage. Voor de meer recente bouwsels is men er tenvolle in geslaagd elke eigenheid te weren.

Evenzo is het eertijds statige herenhuis nummer 67 gelidte­kend door de betonnen omlijsting van een moderne garagepoort.

Vanachter een raam op de eerste verdieping sloeg majoor Jan Kurilec, de eerste tekens van de op gang komende ochtendbedrijvigheid gade.

Reeds twee dagen was hij nu in Munchen en had nog geen voet buiten het huis gezet. De niet meer zo nieuwe Mercedes 22O had hem in bijna een ruk van Praag naar hier gebracht. Zonder enige moeilijkheid was hij over de grens geraakt, hoewel de ijverige grenswachter aan de Tsjechische zijde met een zeer achterdochtige trek op het gezicht zijn papieren van voor naar achter en nog eens terug besnuffeld had. Die waren echter uitstekend vervalst, hij grinnikte, beter vervalsingen bestonden er niet. Ze waren immers gemaakt door de officiële Tsjechische diensten op officieel papier en voorzien van de meest authentieke stempels. Wat de Duitse grenswachters be­treft, die hadden er nauwelijks een oog op geworpen en hem met een slome zwaai van het handje verder gewuifd.

En nu zat hij hier in de Schoneckestrasse 67 te wachten. Kurilec was er op getraind om alle situaties aan te kunnen. Alle gevechtstechnieken had hij onder de knie, wapens hadden geen geheimen voor hem. Groot, sterk en taai was hij een perfecte machine die urenlang onbeweeglijk kon blijven om dan plots met volle energie op gang te komen. Hij was afgericht tot een meedogenloos roofdier. En toch moest hij nu niet meer doen dan enkele pakjes afhalen. Maar die moesten dan wel feilloos op hun bestemming afgeleverd worden.

Drie kisten zouden er gebracht worden. Vanuit Groot-Brittannië verscheept naar Antwerpen in transit, bestemming Nederland. Maar Nederland zouden ze nooit bereiken. Eens veilig gelost in de Antwerpse haven zouden ze afgehaald worden met alle nodige formaliteiten om daarna voorgoed te verdwij­nen. Spoorloos voor al wie er ooit mee te maken had.

Drie kisten met schema’s, plannen en computer onderdelen voor een fabriek in Eindhoven. Uit elke kist moest hij een welbepaald stuk nemen en - voor iedereen verdoken - oversmokkelen naar Praag.

Waarom dat moest gebeuren en wat die stukken betekenden, liet hem koud. Wat hem wel interesseerde was de vraag wanneer die kisten zouden geleverd worden. De helper die men hem hier in Munchen toegewezen had, moest om het uur de straat afspeuren naar een man met kortgeknipt grijs haar, die op slag van uur voor huis nummer 64, recht tegenover nummer 67, een sigaret zou willen opsteken.

En nu scheen het zover. Want zijn aandacht werd getrokken op een wagentje met Nederlandse nummerplaat dat zich tussen de andere auto’s tot bij de stoeprand wrong. Een grijze man stapte uit en liep nu met stramme benen een tiental meter de straat af, tot bij nummer 64. Daar keek hij even op zijn polshorloge. Jan Kurilec deed hetzelfde: tien voor zeven. ‘Te vroeg,’ dacht hij, ‘hoewel de rest schijnt te klop­pen.’

Blijkbaar had de man in de straat zich bedacht, want na enig dralen liep hij door zonder het huis een blik waardig te keuren.

Om stipt zeven uur was hij er terug, loerde tersluiks naar het huis en keerde het dan de rug toe. Zo bleef hij staan en stak een sigaret tussen de lippen. Hij haalde een doosje lucifers te voorschijn, opende het, maar alsof hij zich be­dacht had schoof hij het doosje weer dicht en liet het in de zak glijden.

Kurilec knikte naar het vragende gezicht van de jongeman die vanaf een raam aan de overkant eveneens het toneeltje op straat had gade geslagen.

Beneden loerde de man nog maar eens naar het achterliggende huis, kennelijk een teken van leven verwachtend. Kurilec zag de jongeman de straat oversteken en een aansteker presenteren.

Verbouwereerd knikte de grijze kop iets omhoog. Nogmaals zochten zijn ogen het huisnummer waar hij voorstond. Het was wel degelijk 64. Eerst onwillig en achterdochtig, scheen de grijze het plotseling te begrijpen: ze hadden hem naar nummer 64 gestuurd om hem vanuit een ander huis rustig te kunnen opnemen. Hij knikte, nam de aansteker even in de hand en gaf hem terug.

‘Haal de wagen en rij hem binnen in nummer 67, hier recht­over. Ik zal de poort openen.’

Toen de garagepoort terug dicht gevallen was, liep majoor Jan Kurilec langzaam naar de trap en monsterde de mannen beneden hem die zwijgend afwachtten. Drie mannen: zijn helper en twee onbekenden. Tot hoever waren ze te vertrouwen? Was er een bij die wist waarover het ging? Iemand die door een of andere tegenpartij ondergeschoven was om de buit op de gepaste tijd te kapen? Want een tegenpartij was er zeker. Die was er al­tijd, bij elke opdracht die hij uit te voeren kreeg. En hij wist zeer goed dat de ogenschijnlijk meest rustige momenten het geliefkoosde tijdstip waren om toe te slaan. Dat gold evengoed voor hem als voor zijn vijanden.

Hij bleef boven aan de trap staan, zwijgend, gaf teken om uit te laden en keek toe.

De achterdeur van de bestelwagen werd geopend. Met een sleutel, OK.

Enig trekken en schuiven. Er werd een kist uitgeladen. De mannen keken naar hem op en hij wees een plaats aan. De kist werd neergezet. Rustig liepen beiden dan terug naar de wagen, haalden er een tweede kist uit, die op zijn vingerwijzing naast de eerste geplaatst werd. Zijn helper, die zich tot hiertoe afzijdig gehouden had, kwam enkele passen naar voor om de deur van de laadruimte af te sluiten.

‘Stoi!’

Het klonk als een pistoolschot, iedereen bleef roerloos staan, versteend in de beweging. De majoor kwam traag de trap af, sluipend bijna. Bij de achterzijde van de bestelwagen deed hij teken aan zijn helper, die nog met de klink in de hand stond, om de deur terug te openen, traag en beheerst.



De laadruimte was leeg.
‘Verraad?’

Zijn hand gleed naar de schouderholster.

Hij hield ze allen gevangen met de ogen, terwijl hij ze een voor een taxerend opnam. ‘Neen, geen verraad.’ Hij kwam snel tot dat besluit. ‘Die twee gaan niet een kist onderweg ergens afzetten en dan met de rest hierheen komen. Dat is zinloos,’ dacht hij, ‘en die jongeman hier, mijn helper, kan niet zo stom zijn te hopen dat een kistje aan mijn aandacht ontsnapt door rustig de deur te sluiten alsof alles afgehan­deld is. Uitgesloten.’

Het zachte schuren van zijn rubberzolen ruiste duidelijk hoorbaar door de garage. ‘Er moet iets verkeerd gelopen zijn,’ dacht hij. Hij bleef staan voor de grijze.

‘Spreek op! Wat weet je over deze zaak, vertel mij alles wat je kunt.’

De grijze knipperde met de wimpers en moest even slikken voor hij de mond open kreeg. Moeizaam begon en herbegon hij er enkele woorden uit te persen. ‘De man… de camionette… een Hollander…’

Kurilec stopte hem af met een nijdige ruk van de hand.

‘Van voor af aan. Niets vergeten, geen detail overslaan. Ja.’

‘Ik heb deze bestelwagen overgenomen van een Hollander. Op dat ogenblik was hij afgesloten met deze sleutel hier en ik heb dat zo gelaten want ik had geen opdracht om de lading te controleren, ik wist zelfs niet wat er moest in zitten.’ Hij haalde even diep adem. ‘Die Hollander had de opdracht om de goederen, kisten, meer heeft hij er niet over gezegd, op te halen in Antwerpen. Hij heeft nog gesmaald dat het moeiteloos gegaan was, dat het kinderspel was.’

‘Idioot! Die kerel had je evengoed een lege camionette kunnen aansmeren.’ Hij dacht bij zichzelf dat die arme donder het eigenlijk ook niet kon verhelpen, dat het de bureaucraten waren, die met hun verwenste lichtzinnigheid de zoveelste mis­kleun geproduceerd hadden.

De grijze aarzelde, vond geen gepast antwoord en berustend haalde hij de schouders op. Maar onmiddellijk daarop kwam er weer spanning in zijn lichaam, hij sloeg de hand aan de kop en gejaagd hobbelden de gedachten uit zijn mond. ‘Die Hollan­der… de betaling… zolang ik de baas niet verwittig dat voor mij alles is afgehandeld… Karl moet hem zolang vast houden…’ Weer legde Kurilec hem het zwijgen op.

‘Jij blijft hier, de anderen naar boven en wachten.’

Haastig schoven ze de trap op. Zodra hij met de grijze alleen was begon Kurilec vragen te stellen en antwoorden los te wringen tot de citroen helemaal uitgeperst was. Pas dan stuurde hij hem naar boven bij de anderen.

Kurilec dacht na. Het enige aanknopingspunt met het derde kistje was die Hollander in Luik. Ofwel vroeg hij aan Praag dat ze het iemand ginder in België lieten uitzoeken, ofwel trok hij er zelf op uit. Lang moest hij er niet over dubben: hij zou het zelf klaren!

Uit de koffer van de Mercedes haalde hij een kleine koevoet en brak beide kisten open. Zonder veel problemen vond hij de gemerkte stukken, stak ze tussen zijn reisgoed en sloot alles zorgvuldig af. Daarna ging hij naar boven waar de drie mannen zwijgend op zijn instructies wachtten.

‘Jullie twee rijden met mij terug naar Luik, recht naar die kerel. En jij hier, waarschuw FD3 zodat ze dit huis kunnen zuiveren van onze sporen. Laat ook de bestelwagen en de kisten aan hun zorgen over.’

Toen de Mercedes met Kurilec en zijn gezellen de garage uit reed, richting België, was het vrijdag, kwart voor negen in de morgen.

4.
Zelfs met een vinnige wagen en stevig doorjagen doe je er toch nog een dagje over om van Munchen naar Luik te rijden. En ook een man van de actie, een snelle beslisser als majoor Kurilec kon er niet aan ontsnappen om uren na elkaar met zijn gedachten alleen te zijn. Telkens opnieuw dwong hij de zaken op een rij, elk element draaiend en kerend. En als een stoor­zender, ergens vanuit het onbestemde, kwam telkens opnieuw een treiterende vraag opflitsen: ‘Wat ben ik hier aan het doen? Met wat ben ik eigenlijk bezig?’



  1   2   3   4   5   6   7   8   9   ...   15


De database wordt beschermd door het auteursrecht ©opleid.info 2017
stuur bericht

    Hoofdpagina